Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BP1064

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-01-2011
Datum publicatie
19-01-2011
Zaaknummer
20-000500-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt wegens witwassen van de buit van een overval veroordeeld tot 2 maanden gevangenisstraf. Beroep op nietigheid van de dagvaarding alsmede bewijsverweren verworpen.

De voorlopige dagvaarding als bedoeld in artikel 261 lid 3 Wetboek van Strafvordering wordt door het hof gelet op de omstandigheden aangemerkt als een (standaard)dagvaarding als bedoeld in artikel 261 lid 1 Wetboek van Strafvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000500-10

Uitspraak : 18 januari 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het

gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 5 februari 2010 in de strafzaak met parketnummer 01-839023-09 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1989],

wonende te 5653 BG Eindhoven, [adres],

waarbij verdachte ter zake van “medeplegen van opzetheling” werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdachte voor het hem primair ten laste gelegde feit zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De verdediging heeft bepleit:

- primair dat de dagvaarding nietig zal worden verklaard;

- subsidiair dat verdachte zal worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde;

- meer subsidiair dat aan verdachte een straf gelijk aan het voorarrest, eventueel aangevuld met een voorwaardelijke straf en/of een werkstraf, zal worden opgelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Geldigheid van de dagvaarding

i.

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat de dagvaarding nietig behoort te worden verklaard. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven dat:

- een voorlopige dagvaarding ex artikel 261 lid 3 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is uitgebracht, terwijl verdachte ten tijde van het uitbrengen daarvan zich niet in voorlopige hechtenis bevond krachtens een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding waarvan de geldigheidsduur niet meer kon worden verlengd op grond van artikel 66 lid 3 Sv;

- de tekst van de voorlopige tenlastelegging niet woordelijk overeenstemt met het bevel gevangenhouding.

Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

ii.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding zich niet in voorlopige hechtenis bevond krachtens een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding waarvan de geldigheidsduur niet meer kon worden verlengd op grond van artikel 66 lid 3 Sv, zodat door de officier van justitie niet een voorlopige dagvaarding in de zin van artikel 261 lid 3 Sv kon worden uitgebracht.

Er is derhalve geen sprake is van een voorlopige dagvaarding, zodat de dagvaarding moet voldoen aan de eisen van artikel 261 lid 1 Sv en op de tenlastelegging de wijzigingsregeling van artikel 313 Sv van toepassing is. De omstandigheid dat de dagvaarding vermeldt dat het om een voorlopige tenlastelegging gaat, kan aan het voorgaande niet afdoen en brengt derhalve niet met zich dat de dagvaarding nietig dient te worden verklaard.

iii.

Het hof is van oordeel dat de dagvaarding voldoet aan de in artikel 261 van het

Wetboek van Strafvordering gestelde eisen. Dit oordeel vindt mede zijn bevestiging in de omstandigheid dat de verdachte ter terechtzitting er blijk van heeft gegeven te weten wat is ten laste gelegd en waar hij zich tegen kon verdedigen.

iv.

Het verweer dat de tekst van de voorlopige tenlastelegging niet woordelijk overeenstemt met het bevel gevangenhouding behoeft geen bespreking, reeds omdat – zoals hiervoor overwogen – geen sprake is van een voorlopige tenlastelegging.

v.

Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 31 december 2008 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer geldkistjes en/of geldbakjes (met inhoud) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die geldkistjes en/of geldbakjes (met inhoud) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

subsidiair

hij op of omstreeks 31 december 2008, te Eindhoven, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (een) voorwerp(en), te weten een of meerdere geldkistjes en/of geldbakjes (met inhoud), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten een of meerdere geldkistjes en/of geldbakjes (met inhoud), gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat die/dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. Daartoe overweegt het hof dat uit het voorhanden bewijs niet kan worden afgeleid wanneer verdachte de in de tenlastelegging genoemde goederen voorhanden heeft gekregen en of verdachte ten tijde van dat voorhanden krijgen wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze goederen van misdrijf afkomstig waren.

Het bewijs

A. Door het hof vastgestelde feiten

Het hof stelt op grond van de wettige bewijsmiddelen, waarnaar in de hieronder opgenomen noten wordt verwezen, het volgende vast.

Op 31 december 2008, tussen 07.45 uur en 08.00 uur, vond een overval plaats in de supermarkt Aldi, gevestigd aan de De Bontstraat 84 te Son. Uit de supermarkt zijn zes geldkistjes weggenomen. Deze geldkistjes behoorden toe aan Aldi Best BV.

B. Overige bewijsmiddelen

i.

Op 31 december 2008 heeft [getuige 1] een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Op 31 december 2008 werd ik gewaarschuwd door een buurtbewoner. Toen ik bij de woning aan de [adres] te Eindhoven aankwam, ben ik middels een sleutel, die ik in bezit heb, de woning binnen gegaan. Ik zag toen [medeverdachte 4] (het hof begrijpt: [medeverdachte 4]) staan. Ik ben hierop verder de woning ingegaan. Ik zag toen dat er vier andere jongens in de huiskamer stonden. Ik zag dat deze jongens spullen bij elkaar aan het rapen waren. De jongens renden via de voordeur naar buiten. Ik zag dat een van de jongens een grijze ‘geld’kist meenam.”

ii.

Op 7 januari 2009 heeft [getuige 1] een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“[getuige 4], de buurtgenoot, waarschuwde mij dat hij vier personen uit een auto had zien stappen en die bij de bestelbus van mijn broer, die voor de woning van hem geparkeerd stond had zien rommelen. [getuige 4] wees toen een auto aan die daar stond. Het kenteken was [kenteken]. Dit was een zwarte Seat.

Ik heb 112 gebeld. Het bellen liep eigenlijk gelijktijdig met het naar binnen gaan van de woning. Ik ben de woning via de voordeur betreden. Ik kwam binnen en ik werd meteen geconfronteerd met [medeverdachte 4] (het hof begrijpt: [medeverdachte 4]). Een fractie later doe ik een stap verder en zie ik in de woning, ik ben dan de deur van de kamer door, vier jongens in een bepaalde hoek van de woonkamer. De jongens stonden allemaal bij elkaar.

Ik zag dat die jongens op dat moment allemaal spullen bij elkaar aan het rapen waren en vervolgens gingen ze allemaal weg. Iedereen, buiten [medeverdachte 4], was eigenlijk bezig met spullen in een tas te doen en de benen te nemen. Ze namen de benen via de voordeur.

U vraagt mij te omschrijven wat voor spullen de jongens bij elkaar aan het rapen waren.

Ik heb maar één ding gezien. Ik dacht: Ohjee, een geldkist. Als ik de geldkist moet omschrijven kan ik zeggen dat het een grijze kist was. Hij had ook een hengsel van boven.

Heel kort daarna kwam de politie. [medeverdachte 4] en ik waren naar buiten gegaan.

Met de politie ben ik weer de woning binnen gegaan. Toen viel mij op dat er allemaal gereedschap in de woonkamer lag op diverse plaatsen. Er lag een blauwe set met steeksleutels volgens mij. Die lag op de secretaire. Er lag een tangetje op de tafel, iets met een oranje heft. Ook opvallend was dat op die tafel ook een stuk of zes tot acht zwarte bakjes van hard plastic lagen. Die bakjes liggen er nu nog. Voor de schouw, de haard, lag een decoupeerzaag. Op de schouw lag ook nog iets, heb ik gezien. Het was gereedschap.

Opmerking verbalisant: Ik toon u een foto van een geldkistje.

De kleur van het geldkistje komt overeen. Het handvat komt mij wel bekend voor. ”

iii.

Het Delict Proces verbaal BRZ77.012 houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:

“Aan [getuige 1] werd een foto getoond van een soortgelijke geldkist als die tijdens de overval op de Aldi werd weggenomen.

Op 7 januari 2009 werd een onderzoek ingesteld in de woning aan de [adres] te Eindhoven. Hierbij werd een aantal goederen aangetroffen en in beslag genomen, onder andere acht zwarte plastic muntbakjes. Eén van deze bakjes werd voor nader onderzoek veiliggesteld.

Op 8 januari 2009 werden de overige zeven bakjes getoond aan getuige [getuige 2].”

iv.

Op 8 januari 2009 heeft [getuige 2] een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Ik ben als assistent bedrijfsleider werkzaam bij Aldi gevestigd aan de De Bontstraat 84 te Son. Op 31 december 2008 heeft in de ochtend een gewapende overval plaatsgevonden op deze winkel. Bij deze overval hebben drie daders geld en geldkistjes weggenomen.

In onze winkel heeft iedere caissière een eigen geldkistje. In ieder geldkistje zitten acht geldbakjes. U toont mij nu een geldbakje. Ik kan verklaren dat ik dit bakje ken. Dit is een van de muntbakjes die bij de overval zijn meegenomen. Dit model is redelijk specifiek voor de kassa’s van Aldi.”

v.

Op 15 september 2009 heeft [verbalisant 1] een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt dat – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“De Aldivestiging in Son en Breugel valt organisatorisch onder de regio Aldi Best B.V.. De Aldi-vestiging Best B.V. valt organisatorisch onder het concern Aldi-Nord.

Door mij werd telefonisch contact opgenomen met [getuige 7] van Aldi Best B.V.. [getuige 7] deelde mij mede dat de geldbakjes in gebruik bij de Aldi-vestigingen uniek zijn voor Aldi Best en zelfs voor Aldi Nederland. Bij Aldi Best zijn geen andere geldbakjes in gebruik dan deze.

De kassa’s met geldkistjes en geldbakjes zijn ingekocht bij de fa. NCR GmbH Düsseldorf Duitsland. Door mij zijn de geldbakjes gefotografeerd. Ik heb vervolgens telefonisch en per e-mail contact gehad met deze firma en hen een aantal foto’s beschikbaar gesteld. Door [getuige 8], account manager bij de fa. NCR GmbH werd medegedeeld dat zij inderdaad deze geldkistjes/geldbakjes alleen nog de laatste 1½ jaar exclusief leveren aan Aldi Nord Nederland.

De firma NCR GmbH betrekt deze kassa’s, geldkistjes en geldbakjes van de firma CashBases NEwhaven Engeland. De fa. Akam Electronics B.V. uit Zoetermeer is de Nederlandse distributeur van de fa. Cash Bases Ltd uit Engeland. Door dhr. [getuige 9] van de firma Akam werd medegedeeld dat deze bakjes niet van hen afkomstig zijn. Ook hebben zij deze niet aan Nederlandse bedrijven verkocht. [getuige 10] van de fa. Cash Bases Ltd bevestigde dat de geldbakjes die zijn aangetroffen in de woning aan de Rijnstraat alleen aan Aldi worden geleverd en dat deze niet in Nederland zijn gedistribueerd.”

vi.

Op 31 december 2008 heeft [getuige 3] een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Op 31 december 2008 was ik in mijn woning aan de [adres] te Eindhoven. Ik zag een auto parkeren in een parkeervak voor onze woning. Ik zag dat het een voertuig was met het kenteken [kenteken]. Ik zag dat het een donkerkleurige Seat was. Ik zag vervolgens dat er twee van de vier personen in de kofferbak van de auto aan het rommelen waren. De andere twee kon ik toen niet meer zien. Vervolgens liepen ze richting het pad. Beide personen hadden één tas vast. Ongeveer 10 à 15 minuten later zag ik dat dezelfde vier personen als tien minuten geleden terug kwamen uit het pad. Ik zag dat ze aan het rennen waren in de richting van de Seat. Eén van de personen had een grijs kistje vast. Vervolgens zag ik dat ze in de zwarte Seat stapten. Daarna zag ik ze wegrijden.”

vii.

Op 9 januari 2009 heeft [getuige 3] een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Op 31 december 2008 omstreeks 12.30 uur - 12.45 uur bevond ik mij in mijn woning aan de [adres] te Eindhoven. Ik zag voor mijn woning een auto stoppen. De bestuurder parkeerde zijn auto achteruit in het parkeervak tegenover mijn woning. Ik zag dat de auto het kenteken [kenteken] had. De auto was van het merk Seat.

Ik heb kort daarna nogmaals naar buiten gekeken en zag dat er vier personen in de auto zaten.

Toen ik enkele minuten later weer naar buiten keek zag ik twee personen bij de kofferbak van de auto staan. De kofferbak was geopend. Ik zag dat allebei deze personen een tas in hun hand hadden. Ik zag vervolgens dat beide personen het paadje in liepen wat naast onze rij woningen ligt. Dit is het Kloosterpad.

Omstreeks 13.00 uur hoorde ik hard schreeuwen en vloeken op straat. Ik zag dat vier personen naar de auto renden. Ik zag dat twee van hen weer diezelfde tassen in hun handen hadden. Ik zag dat een derde persoon een koffertje in zijn hand had. Dit koffertje was grijs van kleur en had een handvat.

Ik zag dat de chauffeur snel instapte en de auto startte. De anderen stapten ook snel in en de auto reed weg.”

viii.

Op 31 december 2008 heeft [getuige 4] een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Op 31 december 2008, omstreeks 12.30 uur, was ik aanwezig in mijn woning. Ik zag vanuit mijn woning een auto parkeren in een parkeervak tegenover mijn woning. Ik zag dat het om een donkerkleurige Seat ging. Deze had het volgende kenteken: [kenteken].

Ik zag dat er vijf personen in het voertuig zaten. Vervolgens zag ik dat er één persoon uit het voertuig stapte. Deze persoon liep vervolgens in de richting van het pad dat naar [adres] gaat. Nog voor 13.00 uur zag ik dat de andere vier inzittenden van de Seat uit de auto stapten en ook richting het pad liepen. Even daarna zag ik dat er twee van de personen terug kwamen gelopen. Beide personen hadden een tas vast.

Vervolgens ben ik naar mijn auto toe gelopen en ben ik weg gereden. Onderweg kwam ik de zus tegen van de bewoner van pandnummer 52 op de Rijnstraat. Ik heb haar verteld dat ik een aantal personen richting het huis van haar broer had zien lopen.”

ix.

Op 9 januari 2009 heeft [getuige 4] een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Op 31 december 2008 omstreeks 12.30 uur bevond ik mij in mijn woning aan de [adres] te Eindhoven. Ik zag dat er een auto stopte en dat de bestuurder de auto achteruit in het parkeervak parkeerde. Ik zag dat het kenteken [kenteken] was. Ik zag tevens dat het een personenauto was van het merk Seat.

Ik zag dat er vier personen in het voertuig zaten. Twee personen zaten voorin het voertuig, Twee personen zaten achterin het voertuig.

De persoon die rechts achterin zat stapte uit het voertuig. Ik zag dat de persoon die uitstapte linksaf het Kloosterpaadje inliep. Het Kloosterpad komt uit op de Rijnstraat te Eindhoven.

Ongeveer 5 minuten later stapten ook de overige personen uit de auto. Ik zag dat er twee personen voor uitstapten en twee personen achter. Op dat moment realiseerde ik me dat er in totaal vijf personen in de auto hadden gezeten. In eerste instantie had ik er namelijk maar vier gezien. Deze personen liepen ook het Kloosterpad in.

Terwijl ik naar mijn auto liep, zag ik twee personen weer bij de auto staan. Op dat moment was de achterklep van de auto geopend. Ik zag dat één van deze twee personen een tas in zijn hand had.

Toen ik vervolgens langs de woning van [betrokkene] reed, die achter mij woont, op het hoekhuis in de Rijnstraat, zag ik één van de personen naast het busje staan wat bij de woning van [betrokkene] geparkeerd stond.”

x.

Op 22 januari 2009 heeft [getuige 5] een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Ik ben op 31 december 2008 naar de Rijnstraat gereden. Toen ik daar aankwam zag ik dat mijn tante, [getuige 1], samen met [medeverdachte 4] uit de woning van mijn vader kwam.

Ik weet dat [medeverdachte 2] (het hof begrijpt: [medeverdachte 2]) altijd in een zwarte Seat Leon rijdt.

Ik heb een verklaring afgelegd bij een vrouwelijke politieagent. Ik heb de verklaring op straat afgelegd. Toen deze klaar was ben ik met een politieagent de woning ingelopen. Toen zag ik gereedschap in de woonkamer liggen. Er lag in ieder geval zo’n blauw mapje met allemaal van die sleutels. Het mapje lag op de computertafel.

Ik heb zwarte bakjes zien liggen toen ik met die politieagent naar binnen liep. Die lagen op de eettafel in de woonkamer.

Dus daar lagen die geldbakjes, of ja geldbakjes, dat denk ik. Die lagen op tafel en die politieagent zat erbij.

Ik werd gebeld door [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]). [verdachte] vertelde mij dat ik tegen [medeverdachte 4] moest zeggen dat hij gewoon kon zeggen dat het illegaal vuurwerk was.

[medeverdachte 4] vertelde mij dat het niet om illegaal vuurwerk ging.

Ik heb tegen die politieman in de woning gezegd dat die bakjes niet uit de

woning konden komen.”

xi.

Op 12 januari 2009 heeft [verbalisant 2] een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt dat – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Op 7 januari 2009 heb ik in het bijzijn van getuige [getuige 1] een onderzoek ingesteld in de woning [adres] te Eindhoven.

Ik zag op de secretaire verschillende ring/steeksleutels liggen, in een bijbehorende groenkleurige gereedschapsrol. Deze gereedschapsrol lag open. Op de schouw, in de woonkamer, zag ik twee ring/steeksleutels liggen, nummer 22 en nummer 17. Op de grond, voor de schouw, zag ik een decoupeerzaag liggen. Op de tafel in het voorgedeelte van de woonkamer zag ik zeven zwarte plastic muntbakjes liggen. Hierbij lag een punttang met oranje handvaten. Onder de tafel zag ik één zwart plastic muntbakje liggen. Op een klein kastje, in het voorgedeelte van de woonkamer, zag ik een kleine ijzerzaag liggen en een langwerpig keukenmes met wit heft.

In mijn bijzijn werd door getuige [getuige 1] gebeld met de bewoner van het pand. De aanwezige zwarte plastic bakjes waren niet van hem.”

xii.

Op 30 januari 2009 hebben [verbalisant 3] en [verbalisant 4] een proces-verbaal bevindingen opgemaakt dat – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Op 31 december 2008, omstreeks 13.15 uur, zijn wij de woning binnen gegaan op de [adres] te Eindhoven.

Wij zagen dat er een aantal gereedschappen in de woning lagen. Toen wij de woning binnenkwamen, zagen wij aan de rechterkant een openhaard. Wij zagen dat er een donkerkleurige decoupeerzaag op de grond lag, rechts van de openhaard. Wij zagen dat er op de rand van de openhaard, aan de rechterzijde, twee steek-ringsleutels lagen. Wij zagen verder dat er op de computertafel een aantal steeksleutels en ringsleutels lagen. Wij zagen dat deze van verschillende maten waren.

Toen wij de woning binnenkwamen, zagen wij rechts om de hoek, een ‘eettafel’ staan. Wij verbalisanten zagen dat er op deze eettafel ongeveer een zestal plastic doosjes van de kleur zwart stonden. Wij zagen dat de onderkant van deze doosjes een schuine zijde hadden. Wij zagen dat de bovenzijde van de doosjes een open zijde hadden.”

xiii.

Op 8 januari 2009 heeft [verbalisant 5] een proces-verbaal opgemaakt dat – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Op de personenauto Seat Leon met kenteken [kenteken] is plaatsbepalingapparatuur bevestigd. Door het observatieteam van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost is reeds vastgesteld dat [medeverdachte 2] als bestuurder van genoemde auto optreedt.

Op 31 december 2008 werd melding gemaakt van een overval op de supermarkt Aldi, gevestigd op het adres De Bontstraat 84, 5691 SX te Son en Breugel. De overval werd op

31 december 2008 gepleegd tussen 07.45 uur en 08.00 uur.

Aan de hand van het baken is vastgesteld dat het genoemde voertuig zich op

31 december 2008 te 05.30.03 uur (werkelijke tijd: 06.30.03 uur) bevond op de Tulpstraat te Son en Breugel.

Op 31 december 2008 bevond het genoemde voertuig zich te 05.30.55, 05.36.25 en 05.36.52 uur (werkelijke tijden: 06.30.55, 06.36.25 en 06.36.52 uur) in de directe omgeving van de Tulpstraat en Crocusstraat te Son en Breugel, tot om en nabij 07.00.03 uur.

Op 31 december 2008 te 07.00.03 uur (werkelijke tijd: 08.00.03 uur) bevond het genoemde voertuig zich op de Hendrik Veenemanstraat te Son en Breugel.

Op 31 december 2008 te 07.05.40 uur (werkelijke tijd: 08.05.40 uur) bevond het genoemde voertuig zich op de A50 te Son en Breugel.

De afstand van de plaatsbepaling van het baken op de Tulpstraat tot aan de Aldi is hemelsbreed ongeveer 270 meter.

De afstand van de plaatsbepalingen van het baken in de directe omgeving van de Tulpstraat en Crocusstraat tot aan de Aldi is hemelsbreed ongeveer tussen de 340 en 410 meter.

De afstand van de plaatsbepaling van het baken op de Hendrik Veenemanstraat tot aan de Aldi is hemelsbreed ongeveer 767 meter.

De afstand van de plaatsbepaling van het baken op de A50 tot aan de Aldi is hemelsbreed ongeveer 1235 meter.

Op 31 december 2008 werd melding gemaakt van een inbraak in een woning gelegen aan de [adres], [postcode] te Eindhoven, gepleegd tussen 12.30 uur en 13.00 uur.

Aan de hand van het baken is vastgesteld dat het genoemde voertuig zich op

31 december 2008 te 11.34.22 uur (werkelijke tijd: 12.34.22 uur) bevond op de Rijnstraat te Eindhoven.

Op 31 december 2008 te 11.37.21 uur (werkelijke tijd: 12.37.21 uur) bevond het genoemde voertuig zich op de Niersstraat te Eindhoven tot om en nabij 11.56.04 uur (werkelijke tijd: 12.56.04 uur).

De afstand van de plaatsbepalingen van het baken op de Niersstraat te Eindhoven tot aan de [adres] te Eindhoven is hemelsbreed ongeveer 100 meter.”

xiv.

Op 27 februari 2009 heeft [getuige 6] een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Eigenlijk rijden alleen [medeverdachte 2] (het hof begrijpt: [medeverdachte 2]) en ik in de zwarte Seat Leon voorzien van het kenteken [kenteken]. Ik leen eigenlijk alleen de auto uit aan [medeverdachte 2].

Alleen [medeverdachte 2] en ik hebben sleutels van de voornoemde zwarte Seat Leon.”

xv.

Op 29 juni 2009 heeft [verbalisant 5] een proces-verbaal opgemaakt dat – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Op 15 april 2009 is een gesprek opgenomen tussen verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]. Dit gesprek werd door mij uitgewerkt en hieronder weergegeven.

[medeverdachte 1]: Hoe ga je eh met die automobiel regelen

[medeverdachte 2]: Die is van eh dinges, die is van [getuige 6]

[medeverdachte 1]: Nee maar eh die baken

[medeverdachte 2]: ehh, da regel ik wel

[medeverdachte 1]: jij moet gewoon zeggen van luister eens da dat is mijn auto niet.

[medeverdachte 2]: Da da daarom. Daarom zwijg ik.

[medeverdachte 1]: Je moet met [getuige 6] onderhandelen.”

xvi.

Op 26 maart 2009 heeft [medeverdachte 1] een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Op 31 december 2008 ben ik samen met [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [verdachte] gaan rijden met de Seat Leon. Wij vieren zijn met de auto [medeverdachte 4] op gaan halen.

Wij reden toen met de Seat Leon naar de woning van de vader van [getuige 5] toe. De auto parkeerden wij achter de woning van die vader. Toen wij de auto geparkeerd hadden zijn we naar de woning gelopen. Daar aangekomen zijn we naar binnen gegaan.

Volgens mij zijn [medeverdachte 2] en [verdachte] terug gelopen naar de Seat Leon.

In de tassen zaten kistjes. Het waren twee kistjes. Ze waren grijs van kleur.

Wij wilden de kistjes open gaan maken, maar toen kwam de tante van [getuige 5]. Ik zag en hoorde dat die tante de politie belde. Wij besloten toen om de spullen te pakken en weg te rennen. Ik, [medeverdachte 2], [verdachte] en [medeverdachte 3] zijn weggerend. [medeverdachte 4] bleef achter.”

xvii.

Op 11 februari 2009 heeft verdachte een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Op 31 december 2008 zijn [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] mij op komen halen met de auto, een zwarte Seat Leon. We zijn vervolgens [medeverdachte 3] op gaan halen. Nadat we [medeverdachte 3] hadden opgehaald, hebben we [medeverdachte 4] opgehaald. We zijn naar het huis van de vader van [getuige 5] gereden en hebben de auto in de straat achter het huis geparkeerd. [medeverdachte 4] is uitgestapt om te gaan kijken of er iemand in dat huis was.

Toen we binnen in dat huis waren, kwam er opeens een Nederlandse vrouw binnen die de deur met een sleutel openmaakte. Die vrouw heeft vervolgens met de telefoon van [medeverdachte 4]

met [getuige 5] gesproken. De vrouw belde de politie. [medeverdachte 3], [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en ik zijn toen weggegaan. Wij zijn via de gang en de voordeur het huis uitgerend, naar de auto. [medeverdachte 4] bleef achter. Wij zijn in de auto gestapt. [medeverdachte 2] zat achter het stuur. We zijn toen weggereden.

Opmerking verbalisant: [medeverdachte 4] heeft verklaard dat jullie met tassen de woning zijn binnengekomen.

Ik had een tas vast. [medeverdachte 2] droeg een andere tas. Ik heb een tas uitgepakt. Hier zaten twee doosjes in die grijs van kleur waren. Ik heb ze niet opengemaakt omdat we daar de tijd niet voor kregen, omdat die vrouw al snel binnenkwam.

Vraag: Jullie zijn door verschillende getuigen gezien. Één van die getuigen heeft verklaard dat ze jongens heeft zien lopen waarvan er eentje een grijs kistje bij zich had. Wat kun je daar op zeggen?

Antwoord: Dat zal dan wel een van die twee grijze doosjes zijn geweest die we binnen hadden.”

xviii.

Op 10 februari 2009 heeft [medeverdachte 3] een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Ik ben op 31 december 2008 opgehaald door [medeverdachte 1]. Hij was met zijn broer [medeverdachte 2]. Een neef van hen, [verdachte] was er ook bij. Ze zijn me komen halen met de auto. Dat is een zwarte Seat Leon. [medeverdachte 2] was de bestuurder van de auto. We zijn een jongen die [medeverdachte 4] heet op gaan halen.

We zijn met zijn vijven weggegaan met de zwarte Seat. We gingen naar het huis van de vader van [getuige 5] in Acht.

We hebben de auto geparkeerd in een straat achter het huis van de vader van [getuige 5]. [medeverdachte 4] had de sleutel en we zijn vervolgens de woning van de vader van [getuige 5] binnen gegaan. We zijn via de voordeur naar binnen gegaan.

We zijn aan de grote tafel gaan zitten. [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en ik zaten aan de tafel. [verdachte] en [medeverdachte 4] stonden. [medeverdachte 4] liep een beetje door de kamer heen.

Er stonden twee dozen op tafel. Op dat moment hoorden we het geluid van een sleutel in de voordeur. Er kwam een vrouw binnen. Dat bleek de zus van de vader van [getuige 5] te zijn. Ik hoorde dat ze de politie belde. Ik ben samen met [verdachte], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] weggerend. We zijn via de voordeur naar buiten gerend. We zijn vervolgens naar de auto gegaan en met de auto weggereden. [medeverdachte 4] is achtergebleven bij die mevrouw in het huis van de vader van [getuige 5].

Ik was bezig met de twee doosjes die nog op tafel stonden in de tas te stoppen toen die mevrouw binnenkwam.”

xix.

Op 31 december 2008 heeft [medeverdachte 4] een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“[verdachte] zei dat hij me kwam ophalen. Ik werd opgehaald in een zwarte Seat Leon. Deze auto is van ene [medeverdachte 2] (het hof begrijpt: [medeverdachte 2]). Deze bestuurde de auto ook. In de auto zaten toen ik werd opgehaald vier personen. Ik weet dat de andere jongens [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] heten.

We zijn naar de Rijnstraat gereden. We hebben de auto in een straat geparkeerd achter het huis.

[verdachte] en [medeverdachte 2] zijn terug gelopen naar de auto. Vervolgens kwamen [verdachte] en [medeverdachte 2] binnen. Deze hadden twee tassen bij zich. Een was een sporttas. Uit de sporttas werden twee kistjes gehaald. Dit waren grijze kistjes. Ze waren metaalkleurig grijs van kleur. De kistjes waren allebei gelijk. Voor mijn gevoel waren het geldkistjes.

Ze probeerden deze kistjes vervolgens met gereedschap te openen. Ik zag dat [medeverdachte 3] probeerde met een moersleutel een kistje open te maken. Aan het kistje zat een draaghendeltje dat ze probeerden op te tillen om dan de moersleutel er tussen te krijgen. Aan de voorzijde van het kistje zat een slot. De moersleutel zat aan de voorzijde in het kistje om hem open te breken.

Op dat moment kwam de tante van mijn vriendin binnen en deze heeft de politie gebeld.

De andere vier jongens zijn weggerend en ik ben blijven staan. De vier zijn met de tassen in de hand weer naar buiten gerend.”

xx.

Op 30 januari 2009 heeft [medeverdachte 4] een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Op 31 december 2008 kwam [verdachte] mij ophalen. Toen [verdachte] mij op kwam halen was hij samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3]. Ze waren in een zwarte Seat Leon. Ik zie [medeverdachte 2] vaak in die auto rijden.

Wij zijn met zijn vijven, [verdachte], [medeverdachte 3], [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en ik, naar de woning van de vader van [getuige 5] gereden. Wij zijn daar met de Seat Leon naar toe gereden. Wij hebben de auto vervolgens achter de oprit geparkeerd. [medeverdachte 2] reed in de auto.

Nadat wij geparkeerd hadden ben ik alleen naar de woning gelopen. Toen ik binnen was heb ik [verdachte] gebeld en gezegd dat ze konden komen. Daarna zijn [verdachte], [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] gekomen en zijn de woning ingegaan.

[verdachte] en [medeverdachte 2] hadden twee tassen bij zich.

[getuige 1] (het hof begrijpt: [getuige 1]) deed de deur open en zag mij gelijk. Ik hoorde dat [getuige 1] 112 aan de telefoon had.

Ik stond samen met [getuige 1] in de gang van de woning. [verdachte] kwam op een gegeven moment naast mij staan. Hij kwam van de woonkamer af. [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] waren nog in de woonkamer. Vervolgens zijn zij hem gesmeerd. Ze renden gewoon langs mij en [getuige 1],

de voordeur uit en naar buiten. Eerst gingen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] naar buiten en [verdachte] rende achter hen aan.

U vraagt mij waar de tassen waren gebleven. Die namen ze mee. Ik zag dat [medeverdachte 2] een tas had. [medeverdachte 1] of [medeverdachte 3] moet de andere tas mee hebben genomen. Ik zag dat ze iets in hun hand hadden. Het was een kistje, een donkere kleur. Heel donker grijs. Eén van hun, [medeverdachte 1] of [medeverdachte 3], hield het kistje onder zijn arm.

U vraagt mij waar de tassen waren toen ik in de auto zat. Volgens mij in de kofferbak, want toen ik zelf in de auto zat, waren er geen tassen.

Ik had twee kistjes gezien. Een van hun had twee kistjes onder zijn arm. [medeverdachte 2] had de grote tas vast en [medeverdachte 3] of [medeverdachte 1] had twee kistjes onder de arm en de ander had de tas. Dus één van hun de kistjes en één van hun de tas. Ik heb gezien dat de kistjes van metaal waren en donkergrijs van kleur. Het waren twee kistjes.

U zegt mij dat ik wist dat er zwarte plastic bakjes in de woning lagen. Vierkante

zeg maar. Die had ik gezien die dag, de 31ste, toen ik mijn Ipod ging halen.”

xxi.

Op 25 februari 2009 heeft [medeverdachte 4] een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Ik ga naar boven. Op dat moment waren [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] binnen. Toen ik terug beneden kwam, waren [verdachte] en [medeverdachte 2] ook naar binnen gekomen. Ik zag toen ook dat er twee

tassen binnen stonden. Ik zag dat het een grote tas was en een kleinere tas. Verder waren er twee kistjes. Ze stonden bij de eettafel. En daar stonden ook de kistjes op.

Ik moet u nog vertellen dat [medeverdachte 2] in de auto aan mij had gevraagd of dat hij een zaag mocht lenen.

Ik zag dat [medeverdachte 3] aan de eettafel zat. Ik zag dat er op de eettafel kistjes stonden. Ik zag ook de twee tassen staan. Die stonden ook bij de eettafel.

Ik ben vervolgens naar de bus gelopen om daar een zaag te pakken. De zaag die [medeverdachte 2] had gevraagd. Ik ben gelijk naar buiten gelopen, naar de bus van [betrokkene] toe. Uit de bus pakte ik toen een elektrische zaag. Ik ben met die zaag naar binnen gelopen en liet die aan [medeverdachte 2] zien. [medeverdachte 2] vertelde mij dat die zaag niet goed was. Hij liet mij een andere zaag zien, een kleintje, een handzaag en vertelde dat die ook niet goed was.

U vraagt mij naar de zwarte plastic bakjes. Die zag ik voor de eerste keer toen ik weer naar binnen ging die dag, toen de politie er was. Net voordat ik werd aangehouden ben ik de woning weer binnen gegaan om mijn iPod te pakken. Toen zag ik zwarte bakjes op de eettafel liggen.

Al heel snel kwam die tante dus binnen. De tante van [getuige 5] was aan de telefoon en ik hoorde dat ze met de politie aan het bellen was. Ik zag vervolgens dat de andere jongens de woning uit renden. Ik weet nog dat [medeverdachte 2] iets in zijn handen had. Dit was een tas volgens mij en een kist. Ik heb twee tassen gezien en twee kisten.

De kistjes leken van metaal. Ik heb ook een hendel gezien.”

xxii.

Op 25 februari 2009 heeft [medeverdachte 4] een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Ik zag twee tassen staan. Ik zag ook die kistjes staan.

Ik zag dat [medeverdachte 3] die kisten probeerde open te maken. De kisten stonden op de tafel.

Vraag: Hoe probeerde hij de kist open te maken.

Antwoord: Gewoon met die sleutel.

Vraag: Hoe probeerde hij dat?

Antwoord: Gewoon door die sleutel er tussen te krijgen. Naar mijn mening zat de deksel van de kisten erg los en kon je daar die sleutel gewoon tussen duwen.

Vraag: Hoe kwam [medeverdachte 3] aan die sleutels?

Antwoord: Die lagen al bij [betrokkene] thuis. Die lagen op de computertafel.

Vraag: Weet je wat voor sleutels het zijn. Moersleutels?

Antwoord: Ja moersleutels.

Die tante en ik zijn een beetje achter die andere jongens aan gerend. Vervolgens zijn we weer terug naar de woning gegaan. Ik ben de woning binnen gegaan om mijn Ipod te pakken. Ik pakte mijn Ipod en toen ik keek zag ik die bakjes liggen. Ik zag een stuk of vier a vijf zwarte bakjes liggen. Die lagen op de eettafel.

Vraag: Wil je nog iets zeggen over hoe de kistjes eruit zagen?

Antwoord: Ze waren donker van kleur en niet zo groot.

Vraag: In je eerste verklaring omschrijf je de kistjes nauwkeurig.

Antwoord: Wat ik gezien heb is dat er een hendel op zat en een gat aan de voorkant. Van het gat dacht ik dat het een slot was. De hendel zat aan de bovenzijde.”

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

C.

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat hij van het hem subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

1. niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de aangetroffen geldbakjes van misdrijf afkomstig waren, aangezien niet met honderd procent zekerheid kan worden gesteld dat de aangetroffen geldbakjes afkomstig zijn van (de overval) op de Aldi in Son en Breugel en een andere herkomst theoretisch mogelijk blijft;

2. verdachte geen wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van de geldkistjes in de woning;

3. geen sprake is van het voor medeplegen vereiste gezamenlijk optreden en verdachte zich ook niet hoefde te distantiëren van het gezelschap, waarvan een of meer personen mogelijk een voorwerp in handen heeft gehad dat van een overval afkomstig was.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

D.

Met betrekking tot het hiervoor onder C. 1. gestelde:

D.1

Het hof stelt voorop dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat de op 31 december 2008 in de woning aan de [adres] achtergebleven acht bakjes reeds in de woning lagen toen onder meer verdachte de woning op 31 december 2008 binnenging. Blijkens de verklaringen van [medeverdachte 4] zag hij de eerste keer in de woonkamer van deze woning dat er twee kistjes uit een tas werden gehaald, dat de twee kistjes op de tafel stonden en dat met behulp van gereedschap werd getracht een van deze kistjes open te breken. Vervolgens verliet hij de kamer. Pas toen hij weer naar binnen ging, zag hij de zwarte bakjes liggen op de eettafel. Bovendien trekt het hof uit de hiervoor onder B. onder iv. en v. weergegeven bewijsmiddelen het gevolg dat de bakjes geldbakjes van de Aldi waren.

Voorts leidt het hof uit de bewijsmiddelen af dat voormelde kistjes afkomstig waren uit een van de twee tassen die door [verdachte] en [medeverdachte 2] uit de kofferbak van de Seat Leon met het kenteken [kenteken] was gehaald.

D.2

Gelet op het vorenoverwogene, alsmede op de omstandigheid dat de door [getuige 1] waargenomen geldkist overeenkomsten vertoond met de geldkisten weggenomen bij de overval op de Aldi in Son en Breugel op 31 december 2007 is het hof van oordeel dat de kistjes zoals waargenomen in en nabij de woning aan de [adres] geldkistjes van de Aldi waren.

Geenszins is aannemelijk geworden dat voormelde kistjes vuurwerk bevatten. Daarbij heeft het hof mede in aanmerking genomen dat getracht werd een kistje open te breken en men kennelijk niet over de bijbehorende sleutel van dat kistje beschikte.

D.3

Het hof leidt uit de gebezigde bewijsmiddelen af dat de tas met daarin de geldkistjes op

31 december 2008 ongeveer vijf uur na de overval op de Aldi in Son en Breugel uit de kofferbak van de Seat Leon met het kenteken [kenteken] werd gehaald, terwijl deze auto zich ten tijde van de overval op ongeveer 300 à 400 meter van voormelde Aldi bevond. Gelet daarop alsmede op basis van het hiervoor onder D.1 en D.2 overwogene, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de geldkistjes en de geldbakjes van een misdrijf afkomstig waren, te weten: van de overval op de Aldi in Son en Breugel op

31 december 2008.

E.

Met betrekking tot het hiervoor onder C. 2. gestelde:

E.1

Verdachte heeft op 11 februari 2009 bij de politie een verklaring heeft afgelegd die onder meer inhoudt dat:

- hij een van de tassen die [medeverdachte 2] en hij droegen, heeft uitgepakt;

- in die tas twee grijze doosjes zaten;

- hij de doosjes niet heeft opengemaakt omdat ze daar de tijd niet voor kregen, omdat [getuige 1] al snel binnenkwam;

- het grijze kistje, waarvan een van de getuigen heeft gezien dat een van de jongens dit bij zich had, wel een van de twee grijze doosjes zal zijn geweest die ze binnen hadden.

E.2

Na voormelde verklaring heeft verdachte andersluidende verklaringen afgelegd die kort gezegd onder meer op het volgende neerkomen. Verdachte is samen met [medeverdachte 2] teruggelopen naar de auto. Ze hebben ieder een tas uit de auto gehaald en zijn teruggelopen naar de woning. Verdachte heeft zijn tas in de woonkamer gezet en wilde vervolgens naar het toilet. Terwijl hij in de woonkamer was, heeft hij geen kistjes gezien. Hij is vervolgens boven naar het toilet gegaan. Toen hij vervolgens beneden kwam, stond [getuige 1] reeds bij de voordeur.

E.3

Het hof zal verdachte houden aan zijn op 11 februari 2009 gedurende het opsporingsonderzoek afgelegde verklaring, zijnde bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep geen feiten en omstandigheden gesteld dan wel (overigens) aannemelijk geworden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat daaraan minder geloof zou moeten worden gehecht dan aan hetgeen nadien door hem is verklaard.

Bij het vorenstaande heeft het hof mede in aanmerking genomen de verklaring van

[getuige 1] dat zij na binnenkomst in de woning [medeverdachte 4] zag staan en dat zij vervolgens direct vier jongens in de woonkamer zag staan, alsmede de verklaring van [medeverdachte 4] waaruit naar voren komt dat, toen [getuige 1] en hij in de gang stonden, verdachte uit de woonkamer kwam en naast hem is gaan staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet van feiten en omstandigheden gebleken op grond waarvan aan de geloofwaardigheid van deze verklaringen, bezien in onderling verband met de overige bewijsmiddelen, zou moeten worden getwijfeld, in het bijzonder gelet op de verklaring van [medeverdachte 3].

E.4

Uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt het hof af dat verdachte in de woonkamer twee geldkistjes uit een van de tassen afkomstig uit de Seat heeft gehaald. Gelet daarop wist verdachte van de aanwezigheid van de geldkistjes.

F.

Met betrekking tot het hiervoor onder C. 3. gestelde:

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen komt het navolgende naar voren:

- [medeverdachte 2] en verdachte hebben de twee tassen uit de Seat Leon gehaald;

- verdachte heeft in de woning twee geldkistjes uit een van de tassen gehaald;

- de kistjes waren kennelijk afgesloten;

- bij in ieder geval [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en verdachte stond blijkbaar het doel voor ogen deze geldkistjes open te maken;

- in aanwezigheid van onder meer verdachte is door [medeverdachte 3] getracht een afgesloten geldkistje met een moersleutel open te breken.

Gelet op deze feiten en omstandigheden, een en ander in onderlinge samenhang gezien, bezien, ook met hetgeen overigens uit de bewijsmiddelen naar voren komt, acht het hof de voor het medeplegen van witwassen vereiste bewuste samenwerking en gezamenlijke uitvoering aanwezig en acht het hof tevens bewezen dat verdachte in vereniging met anderen de litigieuze voorwerpen voorhanden heeft gehad terwijl hij minstgenomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze voorwerpen onmiddellijk of middellijk van misdrijf afkomstig waren

G.

Bijgevolg verwerpt het hof het verweer in al zijn onderdelen.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, zoals die naar voren komen uit de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen (genoemd in de voetnoten), alsmede hetgeen onder B. is weergegeven, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof het aan verdachte subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat hij:

hij op 31 december 2008 te Eindhoven tezamen en in vereniging met anderen voorwerpen, te weten geldkistjes en geldbakjes, voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededaders wisten dat die bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 420bis, eerste lid, aanhef en onder b, juncto artikel 47, eerste lid, aanhef en onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bewezen verklaard – kort weergegeven – dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het witwassen van geldkistjes en geldbakjes.

De eerste rechter heeft verdachte voor het medeplegen van opzetheling van de geldkistjes een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht opgelegd.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het hof verdachte voor het door de eerste rechter bewezen verklaarde feit een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren zal opleggen.

De verdediging heeft bepleit dat aan verdachte een straf gelijk aan het voorarrest, eventueel aangevuld met een voorwaardelijke straf en/of een werkstraf, zal worden opgelegd.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d.

25 oktober 2010, waaruit blijkt dat hij niet eerder door een strafrechter is veroordeeld;

- de persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Naar het oordeel van het hof doet het opleggen van straffen als bepleit door de verdediging onvoldoende recht aan de ernst van het bewezen verklaarde feit en kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Het hof heeft wat betreft de hoogte van de op te leggen straf aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met het onderhavige worden opgelegd. Gelet daarop heeft het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden tot uitgangspunt genomen.

In hetgeen namens de verdachte is aangevoerd noch tijdens het requisitoir zijn steekhoudende redenen naar voren gebracht waarom ten voordele of nadele van verdachte van dat uitgangspunt zou moeten worden afgeweken.

Het hof zal de verdachte daarom veroordelen tot een gevangenisstraf voor de evenvermelde duur.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 47, 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Medeplegen van witwassen.

Verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. K. van der Meijde en mr. F.P.E. Wiemans,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 18 januari 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.