Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BP1062

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-01-2011
Datum publicatie
19-01-2011
Zaaknummer
20-000562-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2010:BL2204, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep inzake LJN BL2204. Hof komt tot oplegging van een aanzienlijk hogere straf dan de eerste rechter, te weten: 7 jaar gevangenisstraf, voor de voorbereiding van een overval, gewapende overvallen op een supermarkt in Eindhoven en een supermarkt in Veldhoven en het witwassen van de buit van een overval. Niet-ontvankelijkheidsverweren en bewijs(uitsluitings)verweren verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000562-10

Uitspraak : 18 januari 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het

gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 5 februari 2010 in de strafzaak met parketnummer 01-839302-08 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1989],

wonende te [woonplaats], [adres],

verblijvende in Huis van Bewaring Grave (Unit A + B) te Grave,

waarbij:

- verdachte ter zake van:

1. “afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”

2. “afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”

3. “medeplegen van: voorbereidingshandelingen van diefstal met geweld en of afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”

4. “medeplegen van opzetheling”

werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar en 6 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- aan de verdachte vier schadevergoedingsmaatregelen ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht werden opgelegd;

- de vorderingen van vier in het vonnis nader genoemde benadeelde partijen (gedeeltelijk) werden toegewezen.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

- de verdachte voor de onder 1., 2., 3. en 4. primair ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- aan de verdachte zal opleggen de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht tot een bedrag van EUR 1.500,00 subsidiair 25 dagen hechtenis;

- aan de verdachte zal opleggen de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht tot een bedrag van EUR 1.607,00 subsidiair 26 dagen hechtenis;

- aan de verdachte zal opleggen de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht tot een bedrag van EUR 1.607,00 subsidiair 26 dagen hechtenis;

- aan de verdachte zal opleggen de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht tot een bedrag van EUR 2.783,90 subsidiair 37 dagen hechtenis;

- de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] zal toewijzen tot een bedrag van

EUR 1.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente;

- de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] zal toewijzen tot een bedrag van

EUR 1.607,00, te vermeerderen met de wettelijke rente;

- de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] zal toewijzen tot een bedrag van

EUR 1.607,00, te vermeerderen met de wettelijke rente;

- de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4] zal toewijzen tot een bedrag van

EUR 2.783,90, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit:

- primair dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vervolging;

- subsidiair dat de verdachte van de gehele tenlastelegging zal worden vrijgesproken;

- meer subsidiair dat volstaan zal worden met een gevangenisstraf die de duur van de voorlopige hechtenis niet overstijgt indien het hof het onder 3. en/of 4. ten laste gelegde bewezen zou verklaren en dat aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf zal worden opgelegd indien het hof alle ten laste gelegde feiten bewezen zou verklaren.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 27 juni 2008 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld

[benadeelde 3] (assistent-bedrijfsleider Lidl) heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van (ongeveer) 5.270,- euro, in elk geval van enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan de Lidl, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn, verdachtes, mededader(s)

- met (deels) bedekt(e) gezicht(en)/hoofd(en) voor openingstijd het Lidl-filiaal is/zijn binnen gegaan en/of

- voornoemde [benadeelde 3] en/of [benadeelde 1] (chauffeur) en/of [benadeelde 2] (personeelslid Lidl) (een) pisto(o)l(en), althans (een) op vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en), heeft/hebben getoond en/of voorgehouden en/of

- (een) pisto(o)l(en), althans (een) op een vuurwapen(s) gelijkend(e)

voorwerp(en) heeft/hebben gericht op die [benadeelde 3] en/of [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of

- die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] heeft/hebben vastgepakt en/of

- (een) pisto(o)l(en), althans (een) op vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en) tegen het/de hoofd(en) van die [benadeelde 3] en/of [benadeelde 1] heeft/hebben geduwd en/of gehouden en/of

- tegen die [benadeelde 3] en/of [benadeelde 1] heeft/hebben gezegd:"Dit is een overval, naar binnen, waar is de kluis. Geld geld" en/of tegen die [benadeelde 3] heeft/hebben gezegd "Maak de kluis open, geld, ik wil geld" en/of "Ik schiet je kapot" "Geld geld, opschieten, ik wil al het geld" en/of "schiet op" en/of "Als je nu de kluis niet open doet schiet ik hem door zijn kop", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of of strekking, en/of

-die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] onder dreiging van vernoemd(e) wapen(s),althans op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en), gedwongen heeft/hebben op de grond te gaan liggen;

2.

hij op of omstreeks 10 juli 2008 te Veldhoven, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld

[benadeelde 4] (assistent-filliaalleider Lidl) heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van (ongeveer) 6.174,42 euro, in elk geval van enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan de Lidl, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn, verdachtes, mededader(s)

- met bedekte gezichten/hoofden voor openingstijd de Lidl supermarkt is/zijn binnen gegaan en/of

- die [benadeelde 4] en/of [slachtoffer 1] (personeelslid Lidl) en/of [slachtoffer 2] (personeelslid Lidl) (een) pisto(o)l(en), althans (een) op vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en), heeft/hebben getoond en/of voorgehouden en/of

- (een) pisto(o)l(en), althans (een) op vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en), heeft/hebben gericht op die [benadeelde 4] en/of [slachtoffer 1] en/of

- die [slachtoffer 1] heeft/hebben vastgepakt en/of

- een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft/hebben geduwd en/of gehouden en/of

- tegen die [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd dat zij mee moest komen en/of

- tegen die [benadeelde 4] en/of [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd: "Dit is een overval, rustig blijven en meekomen" en/of "Dit is een overval, rustig blijven, meekomen naar de kluis", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

- tegen die [benadeelde 4] heeft/hebben gezegd: "Geen rare bewegingen maken" en/of "Papiergeld" en/of "Meer, ik moet meer" en/of "Pakken", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of

- tegen die [benadeelde 4] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd dat zij op de grond moesten gaan liggen, waarna hij en/of zijn medeverdachte(n) draadbinders om de handen/polsen/enkels van die [benadeelde 4] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben gebonden/gedaan en/of

-(vervolgens) tegen die [benadeelde 4] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd "Rustig blijven liggen, dan schiet ik jullie niet dood", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of "Jullie moeten 10 minuten blijven liggen", althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

3.

hij op of omstreeks 11 juli 2008 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf diefstal met geweld in vereniging, dan wel afpersing in vereniging (te plegen in een restaurant / horecagelegenheid gelegen aan de Dommelstraat, althans in een woning gelegen aan de Raiffeisenstraat [huisnummer]), opzettelijk meerdere, althans een, op (een) vuurwapen(s) gelijkende voorwerp(en) en/of (een) mes(sen) en/of (een) handschoen(en) en/of (een) sok(ken) en/of (een) (zelfgemaakte) (bivak)muts(en) en/of (een) tang(en) en/of een zonnebril, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft/hebben gehad;

4.

primair

hij op of omstreeks 31 december 2008 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer geldkistjes en/of geldbakjes (met inhoud) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die geldkistjes en/of geldbakjes (met inhoud) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

subsidiair

hij op of omstreeks 31 december 2008, te Eindhoven, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (een) voorwerp(en), te weten een of meerdere geldkistjes en/of geldbakjes (met inhoud), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten een of meerdere geldkistjes en/of geldbakjes (met inhoud), gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat die/dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

A.

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging, omdat er sprake is van een doelbewuste schending of grove veronachtzaming van de belangen van verdachte.

Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

1. er heel veel is misgegaan met betrekking tot het beslag;

2. door [verbalisant 1] op 10 augustus 2009 een e-mailbericht met als onderwerp “voorwaarschuwing” is verzonden;

3. sprake is van tunnelvisie bij het Openbaar Ministerie.

Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

B.

Met betrekking tot het hiervoor onder A. 1. gestelde:

B.1

Aan het verweer dat er heel veel is misgegaan met betrekking tot het beslag is allereerst ten grondslag gelegd dat onder meer de kennisgeving van inbeslagneming wel is ondertekend door verbalisant [verbalisant 2], maar niet door hem is opgesteld. Door deze handelwijze zou de verdediging de mogelijkheid zijn ontnomen om de opsteller van het proces-verbaal te ondervragen, waardoor de belangen van de verdachte doelbewust of met grove veronachtzaming zijn geschonden. Immers, niet helder verwoord kan worden hoe, waar en door wie bepaalde in beslag genomen voorwerpen zijn behandeld.

Voorts is aangevoerd dat nimmer duidelijk is geworden wat er is gebeurd met de in de politiebus aangetroffen bivakmuts en dat er in strijd met artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering vaak laat dan wel in het geheel niet is geverbaliseerd met betrekking tot het beslag.

B.2

Het hof stelt vast dat van de kennisgeving van inbeslagneming niet is kunnen worden vastgesteld door wie deze feitelijk is opgemaakt, omdat deze kennisgeving is ondertekend door een ander dan degene die deze kennelijk heeft opgemaakt. Voorts stelt het hof vast dat het dossier tekortschiet wat betreft de vastlegging van de gang van zaken met betrekking tot de in de politiebus aangetroffen bivakmuts na het aantreffen daarvan.

Naar het oordeel van het hof is het voorgaande in strijd met het bepaalde bij artikel 152 dan wel artikel 153, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Aldus is sprake van onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

B.3

Er kan bezwaarlijk staande worden gehouden dat de onder B.2 vastgestelde vormverzuimen zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. Daarvoor is alleen plaats ingeval met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Zulks is uit het onderzoek ter terechtzitting geenszins aannemelijk geworden.

Voor zover de verdediging geschaad is door het niet kunnen ondervragen van de opsteller van het onder B.1 genoemde proces-verbaal is zulks voldoende gecompenseerd door de ondervraging van anderen bij het beslag en de afwikkeling daarvan betrokken opsporingsambtenaren.

C.

Met betrekking tot het hiervoor onder A. 2. gestelde:

C.1

Ten aanzien van het door [verbalisant 1] op 10 augustus 2009 verzonden e-mailbericht met als onderwerp “voorwaarschuwing” is aangevoerd dat uit de titel, in combinatie met de inhoud van de onderzoekswensen van de verdediging en het aanbod om een nadere toelichting te geven kan worden afgeleid dat de intentie was om de door de

rechter-commissaris als getuigen te horen verbalisanten te beïnvloeden.

C.2

Anders dan de verdediging stelt, is uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden dat de intentie van het e-mailbericht was de door de rechter-commissaris te horen getuigen te beïnvloeden of dat de getuigen door dat e-mailbericht of anderszins zijn beïnvloed. Daarbij heeft het hof allereerst in aanmerking genomen dat het door [verbalisant 1] verzonden e-mailbericht niet is verzonden aan de verbalisanten die door de rechter-commissaris als getuigen gehoord zouden gaan worden, doch aan de leidinggevenden van de verbalisanten die als getuigen gehoord zouden gaan worden. Voorts wettigt de inhoud van het e-mailbericht niet de conclusie dat de intentie was om de door de rechter-commissaris als getuigen te horen verbalisanten te beïnvloeden. Ten slotte heeft het hof acht geslagen op het proces-verbaal van bevindingen inzake de gestuurde email d.d. 15 januari 2010, opgemaakt door [verbalisant 1].

C.3

Naar het oordeel van het hof zijn geen omstandigheden gesteld of (anderszins) aannemelijk geworden die de stelling zouden kunnen rechtvaardigen dat getuigen zijn beïnvloed of dat is getracht getuigen te beïnvloeden. Het verweer ontbeert bijgevolg feitelijke grondslag.

D.

Met betrekking tot het hiervoor onder A. 3. gestelde:

D.1

Aan het verweer dat sprake is van tunnelvisie bij het openbaar ministerie is ten grondslag gelegd dat niet is gedaan aan waarheidsvinding, maar dat alles in het werk is gesteld om de rugzak met inhoud hoe dan ook aan verdachte toe te rekenen en om verdachte succesvol te vervolgen.

Daarbij heeft de verdediging gewezen op eerdergenoemd e-mailbericht van [verbalisant 1] alsmede op de omstandigheid dat het openbaar ministerie minstgenomen niet erg bereidwillig is geweest om mee te werken aan de beantwoording van vragen van de verdediging met betrekking tot de inhoud van de rugzak, de bivakmuts en de vraag of deze goederen aan verdachte en de medeverdachten kunnen worden toegerekend.

D.2

De richting van het opsporingsonderzoek en de vervolging is een logisch vervolg op de onderzoeksresultaten. Dat het opsporingsonderzoek en de vervolging daardoor van tunnelvisie zou blijk geven valt niet goed in te zien. Daarvan is te minder sprake geweest nu toch het opsporingsonderzoek en de vervolging zich aanvankelijk hebben gericht op een grotere groep personen. Eerst nadat de vervolging was aangevangen, heeft de officier van justitie middels vorderingen tot wijziging van de tenlastelegging de vervolging van verdachte en de medeverdachten nader verfijnd.

Aan het voorgaande kan het door [verbalisant 1] verstuurde e-mailbericht niet afdoen, gelet op het hiervoor onder C. overwogene. Evenmin kan daaraan afdoen dat politie en/of openbaar ministerie wellicht niet altijd even voortvarend zijn geweest in de beantwoording van bepaalde – bij de verdediging gerezen – vragen. Immers, niet is gebleken dat de beantwoording van dergelijke vragen of het verrichten van bepaalde onderzoeken welbewust is nagelaten of met het oogmerk om de verdediging welbewust te benadelen, is vertraagd.

D.3

Naar het oordeel van het hof zijn geen omstandigheden gesteld of (anderszins) aannemelijk geworden die de stelling zouden kunnen rechtvaardigen dat sprake was van tunnelvisie bij het openbaar ministerie en/of politie dan wel dat zij bewust ontlastend materiaal hebben genegeerd. Het verweer ontbeert bijgevolg feitelijke grondslag.

E.

Op grond van het bovenoverwogene kunnen de stellingen van de verdediging op zich noch in samenhang met elkaar bezien leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging. Evenmin zijn overigens gronden daartoe aannemelijk geworden.

Mitsdien wordt het verweer in al zijn onderdelen verworpen.

Uit overwegingen van efficiëntie zal het hof hierna allereerst het onder 3 ten laste gelegde feit bespreken en daarna de onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde feiten.

Met betrekking tot het onder 3. ten laste gelegde

De bewijsmiddelen

1. Het proces-verbaal bevindingen van verbalisant [verbalisant 3], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 11 juli 2008, omstreeks 23.15 uur, bevond ik mij te voet op de Raiffeisenstraat te Eindhoven. Op het moment dat ik linksaf de Raiffeisenstraat inliep, zag ik recht voor mij, aan de overzijde van de straat een man tegen een hekwerk leunen. Ik zag dat deze man een getinte huidskleur had en donkere kleding droeg. Ik zag dat deze man steeds om zich heen keek en alles nauwlettend in de gaten hield.

Terwijl ik de Raiffeisenstraat overstak zag ik dat zich links van de man die tegen het hekwerk stond, een steeg bevond. Ik zag dat deze steeg toegang bood tot een aldaar gelegen woning/bedrijf. Ik zag dat in deze steeg twee mannen stonden. Ik zag dat deze twee personen bij de voordeur van genoemde woning stonden en dat één van deze personen voorovergebogen stond richting de voordeur. Ik had het vermoeden dat deze persoon aan de voordeur van deze woning aan het morrelen was.

Ik ben verder gelopen richting de parkeerplaats alwaar mijn personenauto geparkeerd stond. Vervolgens ben ik vanaf deze parkeerplaats linksaf de Raiffeisenstraat ingereden. Op dat moment zag ik dat de man die zich eerder bij het hekwerk ophield nog steeds daar stond. Ik zag dat de man nog altijd om zich heen keek en alles goed in de gaten hield. Ook zag ik in het voorbijrijden dat de twee andere personen zich nog altijd in de steeg ophielden.

Met mijn mobiele telefoon heb ik vervolgens het rechtstreekse nummer van de meldkamer politie gebeld. Ik zag een opvallende politievoertuig over de Stationsweg mij passeerde. Ik heb mij vervolgens voorgesteld als zijnde een collega van de politie en heb aan de collega’s mijn bevindingen verteld die ik even daarvoor had opgedaan op de Raiffeissenstraat te Eindhoven.

2. Het proces-verbaal bevindingen van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 11 juli 2008 zijn wij in de richting van een woning, gelegen in de Raiffeisenstraat [huisnummer] te Eindhoven, gelopen. Wij zagen dat aan de linkerzijde van de woning een zeer donkere steeg lag die kennelijk naar een tuin gelegen aan de achterzijde van de woning leidde. Ik, verbalisant [verbalisant 4], heb daarop onmiddellijk met een zaklantaarn de voornoemde steeg in geschenen. Wij zagen hierop dat er twee mannen in de steeg stonden.

Wij zagen dat direct aan de linkerzijde van de woning een houten poort stond met een hoogte van ongeveer 2,50 meter. Wij zagen dat de poort was afgesloten middels een kettingslot. Wij hoorden achter de poort direct luid geritsel van bladeren. Wij zagen dat direct links van de houten poort een schuurtje lag.

Ik, verbalisant [verbalisant 4], heb daarop aan de twee voornoemde mannen medegedeeld dat zij waren aangehouden.

Ik, verbalisant [verbalisant 5], ben via een lager gelegen muurtje op het dak van het voornoemde schuurtje geklommen. Ik zag daarop dat direct achter de houten poort tegen het schuurtje aan een man in elkaar gedoken zat. Ik ben via het dak van het schuurtje in de tuin gesprongen en heb deze derde man aangehouden. Direct nadat de verdachte in de achtertuin was aangehouden gaf deze op te zijn: [medeverdachte 1].

3. Het proces-verbaal bevindingen van verbalisant [verbalisant 6], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 11 juli 2008 kregen collega [verbalisant] en ik van de meldkamer het verzoek naar de Raiffeissenstraat [huisnummer] te Eindhoven te gaan.

Op het moment dat wij ter plaatse kwamen zag ik dat collega [verbalisant 4] twee lichtgetinte mannen tegen de muur van het pand had geplaatst; tevens zag ik dat collega [verbalisant 5] iets verder op de oprit van het pand stond.

Collega [verbalisant 5] deelde mij mede dat hij het vermoeden had dat aan de andere zijde van een ca 2 meter hoge schutting een derde persoon zou zijn. Ik ben tezamen met collega [verbalisant 5] op een schuurtje geklommen van waaruit wij de tuin achter de bedoelde schutting konden overzien. Wij, [verbalisant 6] en [verbalisant 5], zagen aan de andere zijde van de schutting, direct tegen de schutting aan een man ineengedoken zitten. Wij hebben deze man aangesproken. Hierop is collega [verbalisant 5] de tuin ingeklommen teneinde de man aan te houden.

Op het moment dat ik, [verbalisant 6], op het dak van de schuur zat, zag ik aan de voorzijde (lees: de straatzijde) van de schutting een bruin-zwarte rugzak staan. Deze rugzak stond in de hoek waar het pand Raiffeisenstraat [huisnummer] te Eindhoven en de schutting bij elkaar kwamen.

De rugzak stond op ca. vijf meter van collega [verbalisant 4] en zijn twee verdachten en tevens op ca. één meter van de derde man die aan de tuinzijde van de schutting zat.

Ik heb collega [verbalisant 2] de rugzak aangewezen waarop deze collega deze rugzak veiligstelde.

4. Het proces-verbaal bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 7], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Wij hoorden dat de collega [verbalisant 6], die boven op een muurtje zat van het gangpad gelegen tussen de woningen gelegen Raiffeisenstraat [huisnummer], dat er in een hoek, onder aan het muurtje, alwaar hij opzat, een rugzak stond. Wij zagen een zwart model rugzak staan. Wij zagen en voelden dat deze rugzak droog was. Wij zagen dat de tegels onder de rugzak, nat waren van eerdere regenval. Wij pakten deze rugzak op en voelde dat er goederen in deze rugzak zaten. Hierop openden wij de rits aan de bovenzijde en schenen met de zaklamp in de rugzak. Wij zagen in deze rugzak een groot model keukenmes met zwart heft. Verder zagen wij een donkere muts, een zogenaamde bivakmuts, handschoenen. Verder zagen wij twee pistolen in de rugzak zitten.

Toen wij terug liepen naar de straatzijde, zagen wij rechts, onder bosschages, tegen het hekwerk aldaar, een zwartkleurige tas. Wij zagen dat deze tas droog was. Deze tas was middels een flap afgesloten. Nadat wij de flap opzij deden, zagen wij dat er handschoenen in zaten. Vlak naast deze tas zagen wij een zwarte zonnebril liggen. Naast deze zonnebril lag vervolgens een paar opgerolde sokken.

5. Het proces-verbaal bevindingen van verbalisant [verbalisant 8], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 11 juli 2008, omstreeks 23:30 uur, hoorde ik dat op de Raiffeisenstraat te Eindhoven drie verdachten waren aangehouden. Nabij deze verdachten werd een tas met een mes, vuurwapens en bivakmutsen aangetroffen. Verder hoorde ik dat deze arrestanten onder andere met het politievoertuig 'ECE3' werd vervoerd. Dit is een autobus die een afgesloten en afgeschermde ruimte achterin heeft.

Op 12 juli 2008, omstreeks 06:30 uur, maakte ik de achterzijde van de 'ECE3' open. De achterzijde van het voertuig geeft toegang tot de afgeschermde ruimte. Ik zag dat er een zelfgemaakte bivakmuts in deze ruimte lag. Ik zag dat deze bivakmuts uit een lap stof was gemaakt. Vermoedelijk was het een deel van een broekspijp. Hiervan was de buitenzijde grijs-kleurig en de binnenzijde zwartkleurig. Verder zag ik, dat er twee kijkgaten in waren geknipt. Ik zag dat deze bivakmuts gelijkend was op een muts die in de tas bij de verdachten op de Raiffeisenstraat was aangetroffen. Deze had ik eerder op de avond gezien.

6. Het proces-verbaal technisch onderzoek van verbalisant [verbalisant 9], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 17 juli 2008 ontving ik van [verbalisant 11], rechercheur van de Gezamenlijke Recherche, cluster Valkenswaard, een draagtas van Bart Smit. [verbalisant 11] deelde mede dat in deze draagtas van Bart Smit de goederen zaten die waren aangetroffen in een rugzak die was aangetroffen nabij drie aangehouden verdachten van 11 juli 2008 op de Raiffeisenstraat te Eindhoven.

Op 23 juli 2008 heb ik de inhoud van de draagtas van Bart Smit nader onderzocht. In de tas werden door mij de volgende goederen aangetroffen:

- een mes met zwart heft en een lemmet van ongeveer 17 cm, alsmede kniptang met oranje grepen, gezamenlijk in een koker.

- een rekbaar stuk stof van vermoedelijk een broekspijp met daarin twee gaten geknipt.

- een bivakmuts in de kleuren zwart en grijs met rood stiksel. Gewaarmerkt als

08-129482/04.

- een linker- en een rechterhandschoen in de kleur grijs. Gewaarmerkt als 08-129482/05 en 08-129482/06.

- een linker en een rechter gebreide handschoen in de kleur zwart.

- een bruine rugzak van met merk Trunk & Co.

- een paar in elkaar gevouwen sokken in de kleur grijs.

- een zonnebril van het merk Ray-Ban met rood gemêleerd montuur.

- een bivakmuts met klep en flos in de kleur zwart.

- een canvas schoudertas in de kleur zwart.

Op 10 juli 2008 werd in de ochtenduren een vestiging van de supermarkt Lidl, gevestigd aan de Burgemeester van Hoofflaan 35 te Veldhoven, overvallen. Van deze overval werden door bewakingscamera's beelden opgenomen. Door het onderzoeksteam werden mij enkele afdrukken van deze beelden ter beschikking gesteld. Op deze beelden was onder andere een persoon te zien die in zijn rechter hand een voorwerp vasthield dat leek op een vuurwapen. Verder was te zien dat deze persoon een zogenaamde bivakmuts droeg waarvan het bovenste deel lichter van kleur is dan het onderste deel. Op een afdruk van deze beelden was genoemde persoon van achteren te zien, terwijl hij met een op een vuurwapen lijkend voorwerp in zijn rechterhand achter vermoedelijk een personeelslid van de supermarkt stond. Opvallend hierbij was dat de door de overvaller gedragen bivakmuts aan de achterzijde ter hoogte van de nek een horizontale witte streep zichtbaar was. Op genoemde afdruk van de bewakingscamera was te zien dat deze streep aan de rechterzijde niet vast zat aan de bivakmuts. Ook was op deze afdruk te zien dat de overvaller een handschoen droeg over zijn rechterhand. Deze handschoen had een lichte kleur met een donkere tint bij de vingers.

Na het zien van de afdrukken van de bewakingscamera van de overval op de Lidl aan de Burgemeester van Hoofflaan 35 te Veldhoven op 10 juli 2008 waarop onder andere de achterzijde van de bivakmuts van de overvaller te zien was, heb ik de aangetroffen bivakmuts gewaarmerkt als 08-129482/04 nader onderzocht. Ik zag dat de vorm van de aangetroffen bivakmuts, in combinatie met de kleurstelling, gelijkenis vertoonde met de bivakmuts die de overvaller droeg op eerdergenoemde afdruk van de bewakingscamera. Nadat ik de aangetroffen bivakmuts binnenstebuiten had gekeerd zag ik aan de achterzijde van de bivakmuts, ter hoogte van de nek, twee witte etiketten direct naast elkaar zitten. Het samenstel van deze twee etiketten gaf het beeld van een horizontale witte streep aan de achterzijde van de bivakmuts waarvan het rechter deel niet vast zat aan de bivakmuts. Dit beeld kwam overeen met het beeld waarop de achterzijde van de bivakmuts staat die de overvaller droeg bij de overval op een filiaal van de Lidl aan de Burgemeester van Hoofflaan 35 te Veldhoven op 10 juli 2008.

De aangetroffen en veiliggestelde linker en rechter handschoen, gewaarmerkt als

08-129482/05 en 08-129482/06, zouden qua vorm en kleur dezelfde handschoenen kunnen zijn als die door de overvaller gedragen werden en die te zien waren op eerdergenoemde afbeelding van de beelden van de bewakingscamera van de overval op de Lidl te Veldhoven op 10 juli 2008.

7. Het proces-verbaal bevindingen van verbalisant [verbalisant 12], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 11 juli 2008 werd bij de politie melding gemaakt van een verdachte situatie aan de Raiffeisenstraat te Eindhoven. Er zijn aanhoudingen verricht van drie verdachten te weten: [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en [verdachte]. In hun onmiddellijke nabijheid werd een tas aangetroffen met daarin een bivakmuts.

Onder mutatienummer 08-128165 is een overval vastgelegd die op 16 juli 2008 (het hof begrijpt: op 10 juli 2008) heeft plaatsgevonden te Veldhoven. In het kader van onderzoek in verband met deze overval zijn beelden in beslag genomen, waarvan videoprints zijn gemaakt. Van deze videoprints is een proces-verbaal opgemaakt. Op videoprints 7, 8, 9, 16, 17, 18 en 23 is een bivakmuts te zien die een van de overvallers over zijn hoofd draagt. Met name op videoprint is te zien dat de bivakmuts aan de achterzijde een witte strip heeft, waarvan de rechterzijde los zit. Het lijkt een soort klittenbandsysteem. De muts is aan de bovenzijde lichter van kleur dan aan de onderzijde. De scheiding ligt horizontaal over het onderste deel van de muts. Er is tevens een kennelijke naad zichtbaar die aansluit op de witte strip. De bivakmuts heeft ter hoogte van de ogen een horizontale opening.

In de fotomap van de in beslag genomen bivakmuts aan de Raiffeisenstraat te Eindhoven staat de bivakmuts afgebeeld. Ik zag dat de bivakmuts op de videoprints grote gelijkenis vertoonde met de bivakmuts aangetroffen op de Raiffeisenstraat te Eindhoven, en dat er, voor zover de kwaliteit van de videoprints/opnamen dit duidelijk maakt, geen verschillen zijn waar te nemen.

8. Het proces-verbaal bevindingen van verbalisant [verbalisant 13], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 28 juli 2008 werden door mij onderstaande voorwerpen nader omschreven en gecategoriseerd.

Voorwerp 1:

Ik zag dat dit voorwerp een gasdrukwapen was in de vorm van een pistool van het merk Umarex, type CPSport, kaliber 4,5 millimeter, serienummer J072471650, kleur zwart. Ik zag dat dit voorwerp zodanig op een vuurwapen leek dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt was. Ik zag dat dit pistool voor wat betreft vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een bestaand vuurwapen, namelijk een pistool van het merk Walther, type P99.

Voorwerp 2:

Ik zag dat dit voorwerp een veerdrukwapen was in de vorm van een pistool, zonder merk- of typeaanduiding, kaliber 6 millimeter, serienummer D57197, kleur zilver (kast) en zwart (handgreep en slede). Ik zag dat dit voorwerp zodanig op een vuurwapen leek dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt was. Ik zag dat dit voorwerp voor wat betreft vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een bestaand vuurwapen, namelijk een pistool van het merk Sig-Sauer, type P228.

9. Het proces-verbaal bevindingen van verbalisant [verbalisant 12], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 11 juli 2008 werd bij de politie melding gemaakt van een verdachte situatie aan de Raiffeisenstraat te Eindhoven. Er zijn aanhoudingen verricht van drie verdachten te weten: [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en [verdachte]. In hun onmiddellijke nabijheid werd een tas aangetroffen met daarin een veerdrukwapen in de vorm van een pistool, zonder merk- of typeaanduiding, kaliber 6 millimeter, serienummer D57197, kleur zilver (kast) en zwart (handgreep en slede).

Onder mutatienummer 08-118810 is een overval vastgelegd die op 27 juni 2008 heeft plaatsgevonden te Eindhoven. In kader van onderzoek in verband met deze overval zijn beelden in beslag genomen, waarvan videoprints zijn gemaakt. Op videoprints 10, 11, 18, 19, 20, 21 en 25 is een pistool te zien dat een van de overvallers in zijn hand draagt. Op alle videoprints is te zien dat de bovenzijde van het pistool (slede), zwart is en dat onderzijde lichtkleurig is. Ook is te zien dat zich aan de linkerzijde een donkere stip/vlek bevindt.

Onder mutatienummer 08-128165 is een overval vastgelegd die op 16 juli 2008 (het hof begrijpt: 10 juli 2008) heeft plaatsgevonden te Veldhoven. In kader van onderzoek in verband met deze overval zijn beelden in beslag genomen, waarvan videoprints zijn gemaakt. Op videoprints 6, 8, 9 en 16 is een pistool te zien dat een van de overvallers in zijn hand draagt. Op videoprint 6 is te zien dat het pistool is aan onderzijde lichtkleurig is en aan bovenzijde donker van kleur. Op videoprint 16 is te zien dat de voorzijde van het heft ook licht van kleur is alsmede de onderzijde van de voorzijde van dat pistool. Op fotoprint 8 en 9 is te zien dat het pistool aan achterzijde ook licht van kleur is.

In de fotomap van de in beslag genomen pistolen aan de Raiffeisenstraat te Eindhoven is op foto 3 en 4 een pistool afgebeeld, waarvan de handgreep en slede zwart zijn en de rest (behuizing) zilverkleurig is. Ik zag dat dit pistool grote gelijkenis vertoonde met het pistool op de videoprints en dat er, voor zover de kwaliteit van de videoprints/opnamen dit duidelijk maakt, geen verschillen zijn waar te nemen.

10. Het proces-verbaal van aanhouding van verdachte, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Verdachte:

Naam : [verdachte]

Voornamen : [verdachte]

Geboortedatum : [1989] te [geboorteplaats]

Datum en tijd aanhouding:

11 juli 2008 te 23:30 uur

Locatie aanhouding:

Raiffeisenstraat [huisnummer] te Eindhoven

Bijzonderheid locatie: Oprit pand [huisnummer] aan de Raiffeisenstraat

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

F. Met betrekking tot de aanhouding van verdachte

F.1

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat zijn aanhouding onrechtmatig was, omdat geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit. Dit zou moeten leiden tot uitsluiting van het bewijs van de vruchten van deze aanhouding. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] enkel zijn aangehouden omdat zij van Marokkaanse komaf zijn en schrokken nadat zij door de politie met een zaklantaarn werden beschenen terwijl er werd geroepen dat men hun handen wilden zien.

Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

F.2

Op 12 juli 2008 hebben verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt dat – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Wij hoorden dat een man ons aansprak. Wij hoorden dat de man ons mededeelde dat hij bij de politie werkzaam was. Het was ons ambtshalve bekend dat de man die ons aansprak inderdaad politie-ambtenaar was. Wij hoorden dat de collega ons mededeelde dat hij enkele minuten daarvoor op de Raiffeisenstraat te Eindhoven een verdachte situatie had gezien. Wij hoorden dat de collega ons mededeelde dat hij gezien had dat in de Raiffeisenstraat te Eindhoven drie mannen, vermoedelijk van Marokkaanse origine, zich verdacht ophielden bij een woning, gelegen in de hiervoor vernoemde straat. Wij hoorden tevens dat de collega ons mededeelde dat hij gezien had dat de drie mannen alle drie geheel in het donker gekleed gingen. Wij hoorden dat de collega ons mededeelde dat hij gezien had dat één van de drie mannen aan het slot van de voordeur van een aldaar gelegen woning aan het morrelen was en dat op zeer korte afstand de twee andere mannen stonden.

Hierop zijn wij naar de Raiffeisenstraat te Eindhoven gereden alwaar wij ons dienstvoertuig parkeerden. Hierop zijn wij in de richting van een woning, gelegen in de Raiffeisenstraat

[huisnummer] te Eindhoven, gelopen. Wij zagen dat aan de linkerzijde van de woning een zeer donkere steeg lag die kennelijk naar een tuin gelegen aan de achterzijde van de woning leidde.

Ik, verbalisant [verbalisant 4], heb daarop onmiddellijk met een zaklantaarn de voornoemde steeg in geschenen. Wij zagen hierop dat er twee mannen in de steeg stonden die ogenschijnlijk van Marokkaanse komaf waren. Hierop hebben wij luidkeels en op niet te misverstane wijze naar deze twee mannen geroepen dat wij van de politie waren en dat wij hun handen wilden zien. Wij zagen dat deze twee mannen zichtbaar schrokken van onze aanwezigheid doordat beide mannen een geschrokken gelaatsuitdrukking hadden. Wij zagen tevens dat beide mannen flink in het gelaat en de nek zweetten. Wij zagen dat direct aan de linkerzijde van de woning een houten poort stond met een hoogte van ongeveer 2,50 meter. Wij zagen dat de poort was afgesloten middels een kettingslot. Wij hoorden achter de poort direct luid geritsel van bladeren. Wij zagen dat direct links van de houten poort een schuurtje lag.

Ik, verbalisant [verbalisant 4], heb daarop aan de twee voornoemde mannen medegedeeld dat zij waren aangehouden.”

F.3

Uit de desbetreffende processen-verbaal van aanhouding leidt het hof af dat de twee in de steeg aangetroffen mannen verdachte en [medeverdachte 2] zijn.

F.4

Op basis van de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] zoals die blijken uit hun onder F.2 weergegeven proces-verbaal was er naar het oordeel van hof jegens verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] sprake van een redelijk vermoeden van het schuld aan enig strafbaar feit. Mitsdien was de aanhouding van verdachte rechtmatig. De vermelding van artikel 2 Wet wapens en munitie in het proces-verbaal van bevindingen doet aan het voorgaande niet af.

F.5

Bijgevolg wordt het verweer verworpen.

G.1

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat de rugzak en de inhoud daarvan moet worden uitgesloten van het bewijs. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat niet meer is na te gaan wie de inhoud van de rugzak heeft veiliggesteld en in beslag genomen, niet meer is na te gaan wat er met de in de arrestantenbus gevonden bivakmuts is gebeurd terwijl tevens de inhoud van de rugzak met het oog op het veiligstellen van sporen onzorgvuldig is behandeld.

Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

G.2

Het hof stelt vast dat van de kennisgeving van inbeslagneming met betrekking tot de rugzak niet is kunnen worden vastgesteld door wie deze feitelijk is opgemaakt, omdat deze kennisgeving is ondertekend door een ander dan degene die deze kennelijk heeft opgemaakt. Voorts stelt het hof vast dat het dossier tekortschiet wat betreft de vastlegging van de gang van zaken met betrekking tot de in de politiebus aangetroffen bivakmuts na het aantreffen daarvan.

Naar het oordeel van het hof is het voorgaande in strijd met het bepaalde bij artikel 152 dan wel artikel 153, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Aldus is sprake van onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

G.3

De door het hof onder G.2 vastgestelde vormverzuimen kunnen evenwel niet tot bewijsuitsluiting van de in beslag genomen rugzak leiden. Bewijsuitsluiting op grond van het verzuim zelf kan immers slechts aan de orde komen indien het bewijsmateriaal door het vormverzuim is verkregen. Daarvan is naar het oordeel van het hof in het onderhavige geval geen sprake. Wel kan als gevolg van het verzuim de betrouwbaarheid van het bewijs worden aangetast.

G.4

Uit het onderzoek ter terechtzitting is aannemelijk geworden dat de in beslag genomen voorwerpen niet op een behoorlijke wijze zijn verpakt. Aangezien er naar het oordeel van het hof evenwel geen sprake is van het niet naleven van strafprocesrechtelijke geschreven of ongeschreven vormvoorschriften, is geen sprake van een vormverzuim. Het bepaalde bij artikel 359a Sv mist derhalve toepassing, zodat bewijsuitsluiting niet aan de orde is.

Het hof ziet in dit geval aanleiding de resultaten van het DNA-onderzoek aan de bivakmuts niet tot het bewijs te bezigen. Gelet op de omstandigheid dat niet kan worden uitgesloten dat de sporen door contaminatie op de bivakmuts zijn terechtgekomen, acht het hof het resultaat van dit onderzoek onvoldoende betrouwbaar.

G.5

Het hof verwerpt het verweer.

H.1

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat hij dient te worden vrijgesproken van het hem onder 3. ten laste gelegde, omdat niet kan worden geconcludeerd dat de op 11 juli 2008 aangetroffen tassen en de inhoud daarvan toebehoorden aan verdachte en de medeverdachten. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

- de ondergrond van de rugzak droog was en de rugzak zelf en de inhoud daarvan nat was, terwijl het ten tijde van de aanhouding van verdachte en de medeverdachten droog was, zodat de rugzak al geruime tijd in de steeg moet hebben gestaan, omdat het eerder op 11 juli 2008 wel geregend had;

- de twee tassen niet in de onmiddellijke nabijheid van de verdachten zijn aangetroffen.

H.2

Het op 12 juli 2008 opgemaakte proces-verbaal bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 7] houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:

“Wij zagen een zwart model rugzak staan. Wij zagen en voelden dat deze rugzak droog was. Wij zagen dat de tegels onder de rugzak nat waren van eerdere regenval.

Toen wij terug liepen naar de straatzijde, zagen wij rechts, onder bosschages, tegen het hekwerk aldaar, een zwart kleurige tas. Wij zagen dat deze tas droog was.”

H.3

Het hof acht het evenweergegeven proces-verbaal betrouwbaarder dan het door verbalisant [verbalisant 14] opgemaakte proces-verbaal voor zover dat inhoudt dat de in beslag genomen voorwerpen nat waren toen hij ze uit de kluis haalde en dat de zich in de tassen bevindende vuurwapens geheel vochtig waren. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de tassen zijn aangetroffen door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 7] en dat door verbalisant [verbalisant 14] eerst na drie weken een proces-verbaal is opgemaakt omtrent zijn bevindingen, terwijl [verbalisant 2] en [verbalisant 7] reeds op 12 juli 2008 hun proces-verbaal hebben opgemaakt omtrent hun bevindingen op 11 juli 2008.

Indien de voorwerpen nat zouden zijn geweest toen verbalisant [verbalisant 14] ze uit de kluis haalde, sluit zulks overigens niet uit dat de voorwerpen droog waren toen zij werden aangetroffen door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 7], gelet op het tijdsverloop tussen het aantreffen van de voorwerpen en het in de kluis plaatsen van deze voorwerpen.

H.4

Voorts acht het hof het onder H.2 weergegeven proces-verbaal betrouwbaarder dan de door verbalisant [verbalisant 2] bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring voor zover die inhoudt dat de ondergrond bij de rugzak droog was. Daarbij heeft het hof allereerst acht geslagen op de omstandigheid dat de verbalisant vervolgens begon te twijfelen nadat hem was voorgehouden dat in het proces-verbaal van bevindingen staat vermeld dat [verbalisant 7] en hij zagen dat de tegels onder de rugzak nat waren van eerdere regenval. Voorts heeft het hof in aanmerking genomen dat verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 7] reeds op 12 juli 2008 hun proces-verbaal hebben opgemaakt, terwijl verbalisant [verbalisant 2] eerst op 17 november 2009 is gehoord door de rechter-commissaris.

H.5

Uit de omstandigheid dat de rugzak en de tas droog waren, terwijl de tegels onder de rugzak nat waren, alsmede de omstandigheid dat blijkens het proces-verbaal van verbalisant

[verbalisant 6] de rugzak zich bevond op circa vijf meter van verdachte en [medeverdachte 2] en op circa één meter van [medeverdachte 1], trekt het hof de conclusie dat de rugzak en de tas, alsmede de voorwerpen die zich daarin of vlak daarnaast bevonden, door toedoen van verdachte en de medeverdachten aldaar terecht zijn gekomen. Aldus acht het wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en de medeverdachten deze voorwerpen voorhanden hadden.

H.6

Het hof verwerpt het verweer.

I.1

Het hof dient te beoordelen of de voorwerpen die verdachte en de medeverdachten voorhanden hadden, al dan niet in combinatie met elkaar, bestemd waren tot het begaan van de misdrijven zoals in de tenlastelegging omschreven. Daarbij heeft als maatstaf te gelden de vraag of deze voorwerpen, afzonderlijk dan wel gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig kunnen zijn voor het misdadige doel dat de verdachte en de medeverdachten met het gebruik van de voorwerpen voor ogen hadden.

I.2

Uit de aard van de voorwerpen die verdachte en de medeverdachten voorhanden hadden, te weten: twee op vuurwapens gelijkende voorwerpen, een mes, handschoenen, sokken, (zelfgemaakte) bivakmutsen, een tang en een zonnebril, in onderling verband en samenhang bezien, alsmede de omstandigheid dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt dat een van die op vuurwapens gelijkende voorwerpen en een van die bivakmutsen grote gelijkenis vertonen met die welke zijn gebruikt bij een overval op 27 juni 2008 en/of een overval op 10 juli 2008, leidt het hof af dat verdachte en de medeverdachten – eenvoudig gezegd – een overval zouden gaan plegen, hetgeen het misdrijf diefstal met geweld in vereniging dan wel afpersing in vereniging zou opleveren.

I.3

Naar het oordeel van het hof konden voormelde voorwerpen, in onderling verband en samenhang bezien, naar hun uiterlijke verschijningsvorm dienstig zijn voor het criminele doel dat verdachte en de medeverdachten met het gebruik daarvan voor ogen hadden. Gelet daarop waren deze voorwerpen bestemd tot het begaan van diefstal met geweld in vereniging dan wel afpersing in vereniging.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen (genoemd in de voetnoten), in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof het aan verdachte onder 3. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 11 juli 2008 te Eindhoven tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van het misdrijf diefstal met geweld in vereniging dan wel afpersing in vereniging, opzettelijk meerdere op vuurwapens gelijkende voorwerpen en een mes en handschoenen en sokken en (zelfgemaakte) bivakmutsen en een tang en een zonnebril, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad.

Met betrekking tot het onder 1. en 2. ten laste gelegde

Het bewijs

1. De aangifte van [benadeelde 3], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik ben als assistent bedrijfsleider werkzaam bij de Lidl-vestiging gelegen aan de

Karel de Grotelaan 341 A te Eindhoven.

Ik ben op 27 juni 2008 omstreeks 05.45 uur op mijn werk gearriveerd. Ik zag dat mijn collega, [benadeelde 2] (het hof begrijpt: [benadeelde 2]) al stond te wachten. Ik ben samen met [benadeelde 2] via de hoofdingang de zaak binnen gelopen. Toen wij naar binnenliepen, zag ik dat er een vrachtauto van de firma [bedrijf] aan kwam rijden. Ik ben naar de achterdeur gelopen en heb de deuren ontgrendeld. Toen ik de deuren open deed, stond de vrachtwagen al klaar om te kunnen lossen.

Ik ben begonnen om de goederen buiten te zetten. De chauffeur (het hof begrijpt:

[benadeelde 1]) begon te lossen. Ik denk dat we ongeveer 10 minuten bezig waren toen in eens twee gasten bij ons stonden. Er kwamen ineens twee jonge mannen bewapend met pistolen door de deuren naar binnen. De kleinste van de twee daders pakte de chauffeur vast en bracht hem onder bedreiging van het vuurwapen naar binnen. De grootste van de twee liep naar mij toe. Hij liet mij heel duidelijk het vuurwapen zien. Hij richtte dit vuurwapen op mijn gezicht. Hij zei tegen mij: "Dit is een overval, naar binnen, waar is de kluis. Geld geld" of woorden van gelijke strekking. De chauffeur en ik zijn onder bedreiging van de vuurwapens naar binnen geleid. Er werd tegen ons gezegd dat we op moesten schieten. Dit werd door de lange dader genoemd.

De lange persoon neemt ons allebei mee naar het kantoor. De chauffeur liep voorop, dan ik en dan pas de lange dader. Hij zegt dat we naar de kluis moeten lopen.

Onder bedreiging van het vuurwapen lopen wij naar het kantoor. Terwijl wij door de lange dader naar het kantoortje geleid worden, zie ik dat de kleine dader naar de kantine loopt.

Aangekomen bij het kantoor moest ik de deur van het kantoor openen. Als de deur geopend is, worden [benadeelde 1] en ik door de dader naar binnen geleid.

De dader zegt dat hij geld wil en dat we moeten opschieten. Hij zegt: “Maak de kluis open, geld, ik wil geld". De kluis wordt geopend met een sleutel. In eerste instantie zei ik tegen de dader dat ik de sleutel van de kluis niet had. Hij bleef echter dreigen en vragen om geld. Omdat hij bleef dreigen met het vuurwapen en de woorden “ik schiet je kapot” pakte ik de sleutel van de kluis en heb deze geopend. Ik stond voor de deur van de kluis.

Hij zegt tegen mij: "Geld geld, opschieten, ik wil al het geld". Terwijl ik de kluis open, is de kleine dader ook gearriveerd samen met [benadeelde 2]. Terwijl ik bij de kluis ben, wordt [benadeelde 1] door de kleine dader buiten het kantoor geleid en ik zag later dat hij en [benadeelde 2] net buiten het kantoor op de grond lagen.

Ik zag dat de grote dader een tas kreeg van de kleine dader. Ik zag dat hij de tas voor mij openhield en tegen mij zei dat ik het moest vullen. Ik weet dat het een zwart/wit geblokte stoffen tas was.

Ik zei tegen de grote dader dat hij rustig moest blijven. Hij drukte het pistool tegen mijn slaap en zei dat ik moest opschieten. Nadat ik het wapen tegen mijn hoofd gedrukt kreeg en hoorde dat ik moest vullen, begon ik de tas te vullen.

Ik heb zowat al het papiergeld dat in de kluis lag afgegeven. Na berekening van het geld wat er nog achterbleef, bleek later dat de daders ongeveer 5.270,= (het hof begrijpt: euro) meegenomen hebben.

Nadat ze het geld hebben ontvangen zag ik dat de beide daders via de achteringang weer naar buiten renden.

De grote van de twee noem ik bij deze dader 1. Dader 1 droeg een capuchon. Hij droeg een zwarte jas met capuchon, iets parka-achtigs. Daarmee bedoel ik een driekwart model jas.

Dader 2 is de kleinste van de twee. Hij droeg een capuchon en een witte doek over zijn gezicht.

Het vuurwapen van dader 1 was een pistool. Het wapen was tweekleurig, namelijk chroom en zwart. Het wapen van dader 2 was ook een pistool. Het was zwart.

Door bedreiging met vuurwapens en woorden zoals “ik schiet je kapot” heb ik onder dwang het geld af moeten geven. Ik ben zeer geschrokken van het geweld en de bedreiging met vuurwapens door deze twee mannen.

Het weggenomen goed is eigendom van Lidl.

2. De verklaring van [benadeelde 2], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik ben medewerkster van de Lidl. Ik was rond 05:45 op de zaak. Om ongeveer 05:50 kwam mijn collega aanrijden op zijn scooter. Dat was [benadeelde 3], onze assistent-bedrijfsleider (het hof begrijpt: [benadeelde 3]). [benadeelde 3] en ik gingen naar binnen. Toen wij de deur van het magazijn openden, zagen wij [benadeelde 1], de chauffeur, (het hof begrijpt: [benadeelde 1]) al.

Ik was ik in de kantine. Ineens hoorde ik [benadeelde 1] roepen. Op dat moment liep ik naar de deur van de kantine.

Op dat moment stond hij voor mij, met zijn pistool. Hij droeg een witkleurige doek danwel shawl voor zijn gezicht. Hij had in zijn rechterhand een pistool en pakte mij met zijn linkerhand bij mij rechter bovenarm vast. Toen hij dus ineens voor mij stond, zag ik dat hij dat pistool vast had en op mij richtte. Over dat pistool kan ik het volgende verklaren: Het was zwart van kleur. Ik kan de loop omschrijven als goedkoop zilverachtig.

Hij richtte van heel dicht bij dat pistool in eerste instantie op mijn gezicht. Ik hoorde dat hij aan mij vroeg of er nog meer mensen op de vloer waren, dus nog meer collega's. Op dat moment had hij het pistool al wat laten zakken, op mijn borst of buik gericht en had hij mij vast gepakt.

Ik hoorde hem zeggen dat als ik rustig zou blijven er niets zou gebeuren.

Terwijl hij mij vasthield, zijn we van het magazijn uit naar de winkel gelopen. Voor in de winkel bevindt zich het kantoor. Gekomen bij het kantoor moest ik langs de deur gaan staan en zag ik dat hij de deur van het kantoor opende.

Toen hoorde ik een andere zeggen 'schiet eens op, geld' en werd door die andere overvaller gezegd dat [benadeelde 1] van het kantoor af moest. Ik kon in het kantoor [benadeelde 1], [benadeelde 3] en de tweede overvaller zien. Die tweede overvaller droeg een parkajas.

[benadeelde 1] moest op de grond gaan liggen. Daarna zei die tweede overvaller dat ook ik op de grond moest gaan liggen. Dat hebben wij ook gedaan. Wij moesten onze handen in onze nek leggen en het gezicht naar de grond.

Terwijl [benadeelde 1] en ik al die tijd op de grond lagen moest [benadeelde 3] in dat kantoortje blijven. Een overvaller, nummer twee, was in het kantoortje en nummer één stond bij [benadeelde 1] en mij.

Toen ze de buit hadden, zijn ze via de magazijndeur gevlucht.

3. De verklaring van [benadeelde 1], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik ben tijdens mijn werk als vrachtwagenchauffeur getuige geweest van een overval op een Lidl gevestigd aan de Karel de Grotelaan 341A te Eindhoven.

Op 27 juni 2008, omstreeks 05.50 uur was ik op de Karel de Grotelaan te Eindhoven. Ik parkeerde de vrachtwagen met de achterkant tegen de magazijndeuren. Ik ben naar de achterzijde van de vrachtwagen gelopen om de laadklep open te kunnen zetten. Vervolgens deed ik de deur van de trailer open om te kunnen lossen. Op dat moment werden de magazijndeuren geopend door [benadeelde 3], de bedrijfsleider van Lidl (het hof begrijpt:

[benadeelde 3]). Wij beginnen samen met lossen. [benadeelde 3] zet goederen buiten en ik begin met het lossen van goederen.

Ik stond achter de laadklep te wachten totdat [benadeelde 3] de pallet van de klep zou pakken. Op dat moment kwamen er twee gewapende mannen naar ons gelopen. Ze waren bewapend met twee pistolen.

Ik werd door een van deze twee daders benaderd met het wapen nog in zijn handen. Hij richtte het wapen op mij en drukte dit ook tegen mijn achterhoofd. Hij zei: "naar binnen, naar binnen". Terwijl hij dit tegen mij zei, pakte hij mij vast aan mijn schouder en duwde mij naar binnen. Ik zag dat de andere dader [benadeelde 3] onder schot hield.

De dader met het mondkapje zag [benadeelde 2] (het hof begrijpt: [benadeelde 2]) en liep naar haar toe. [benadeelde 3] en ik stonden toen nog bij het magazijn. De ene dader die mij vastgepakt had, stond ook nog bij ons . [benadeelde 3] en ik moesten van hem naar het kantoor lopen. Ik liep voor de dader uit en hij hield mij onder schot. Bij het kantoor deed [benadeelde 3] de deur open met een sleutel. Ik en [benadeelde 3] werden het kantoor in geleid en daar moest de kluis worden geopend.

Toen wij in het kantoor waren vroeg de ene dader zonder mondkapje om de kluis te openen. [benadeelde 3] zei dat hij dat niet kon. Deze dader pakte mij toen om mijn nek vast en trok mij naar zich toe. Hij zette het wapen tegen mijn hoofd en zei: "als je nu de kluis niet open doet schiet ik hem door zijn kop". [benadeelde 3] deed vervolgens de kluis open. Op dat moment werd ik door de andere dader met het mondkapje onder schot gehouden. Ik moest uit het kantoor komen. Hij zei tegen mij dat ik er uit moest komen. Hij zei “handen op je hoofd en gaan liggen”. [benadeelde 2] en ik lagen even later op de grond en werden onder schot gehouden.

Even later hoorde ik dat de daders wegrenden.

Dader 1 is de man met het mondkapje. Hij droeg een witte doek over zijn gezicht. Het leek een witte das. Dader 2 was de langste van de 2. Hij droeg een zwartkleurige drie kwart jas met een capuchon.

4. De aangifte van [benadeelde 1], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

U vraagt mij wat ik in mijn verklaring bedoelde met een "mondkapje". Ik kan u verklaren dat ik hiermee een witte sjaal of witte doek bedoel. Ik zag dat de kleinste overvaller deze doek voor zijn mond en het onderste deel van zijn gezicht had zitten kennelijk met de bedoeling om zo niet herkend te worden.

U vraagt mij naar de gebruikte wapens bij de overval. Ik kan verklaren dat ik het vermoeden had dat het een luchtdrukwapen was. Ik denk dit omdat de opening in de loop vrij klein was. Ik bedoel hiermee het wapen dat de langste dader (dader 2) vast had.

5. Het proces-verbaal bevindingen van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 15], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Onder nummer PL2233/08-118810 van de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost is aangifte opgenomen van een gewapende overval op het filiaal van de Lidl te Eindhoven, gevestigd aan de Karel de Grotelaan 341 te Eindhoven. Deze overval heeft plaatsgevonden op

27 juni 2008.

Ter plaatse is uit onderzoek gebleken dat in het winkelbedrijf 13 videocamera's zijn ingeschakeld die elk vanuit een verschillende invalshoek diverse locaties van het bedrijf bestrijken en continue opnamen maken. Van de opnamen die betrekking hebben op de gepleegde gewapende overval zijn prints gemaakt.

De zichtbare personen op de onderscheidenlijke videoprints zijn:

1. Bedrijfsleider [benadeelde 3]: de negroïde man

2. Chauffeur [benadeelde 1]: de blanke man

3. Werkneemster [benadeelde 2]: de vrouw

4. Overvaller 1: man met capuchon over hoofd

5. Overvaller 2: man met witte doek voor mond/neus

Overvaller 1 draagt een enigszins donkere halflange jas tot op het bovenbeen met ruime capuchon met lichtkleurige drukkers aan de onderzijde van de capuchon. De kap van de capuchon valt ruim over het hoofd.

Deze overvaller 1 heeft een -kennelijk- stoffen tas met donkere hengsels. De tas heeft witte en donkere banen, die zig-zag parallel naast elkaar lopen. De banen hebben elk een breedte van ongeveer 2 cm.

Overvaller 1 draagt een pistool. De kast van het pistool is lichtkleurig en de slede is donker van kleur. De handgrepen van het pistool zijn donkerkleurig.

Overvaller 2 draagt een donkere muts strak over het hoofd en draagt een witte c.q. lichtkleurige doek die zijn mond en neus bedekken.

6. Het proces-verbaal bevindingen van verbalisant [verbalisant 12], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Overval Lidl Eindhoven 27 juni 2008:

Onder nummer PL2233/08-118810 van de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost is aangifte opgenomen van een gewapende overval op het filiaal van de Lidl te Eindhoven, gevestigd aan de Karel de Grotelaan 341 te Eindhoven. Deze overval heeft plaatsgevonden op

27 juni 2008.

In het kader van het onderzoek naar deze overval zijn video-opnamen gemaakt, waarvan ook videoprints zijn gemaakt.

Zaak Raiffeisenstraat Eindhoven 11 juli 2008:

Onder mutatienummer 08-129482 zijn drie verdachten aangehouden. De aangehouden verdachten zijn [medeverdachte 2], [verdachte] en [medeverdachte 1].

Verdachte [verdachte] droeg een jas. [verdachte] draagt een jas met een ruime capuchon waarvan aan onderzijde lichte puntje zichtbaar zijn, kennelijk drukknoppen. De jas is een soort parka-model.

Videoprints overval Lidl Eindhoven:

Op videoprints 1, 2, 3, 11, 16, 18, 20,21, 22, 28 en 32 is een parka-model jas te zien gedragen door de overvaller, die qua capuchon en model overeenkomt met de jas die verdachte [verdachte] draagt bij zijn insluiting op 11 juli 2008.

7. Het proces-verbaal vergelijking videobeelden/aangetroffen tas van verbalisant

[verbalisant 16], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 27 juni 2008, omstreeks 06:00 uur, werd een gewapende overval gepleegd op het filiaal van Lidl aan de Karel de Grotelaan 341a te Eindhoven. Onder dreiging van een vuurwapen moest één van de personeelsleden de kluis openen en het aanwezige geld in een tas doen die een van de overvallers bij zich droeg.

De gehele overval werd opgenomen door de aanwezige bewakingscamera's. Op de foto/videoprints is een zwart-wit gestreepte tas te zien. Het is een tas met om en om zwarte en witte horizontale strepen. De strepen lopen met een soort zig-zag-beweging over de tas. De tas is voorzien van zwarte draaghengsels/banden (zie print 1 en 2).

Op 2 februari 2009 werd een doorzoeking gehouden op het adres [adres] te Eindhoven.

Tijdens de doorzoeking werd een tas aangetroffen en in beslag genomen. Het is een

zwart-wit gestreepte tas. Het is een tas met om en om zwarte en witte horizontale strepen. De strepen lopen met een soort zig-zagbeweging over de tas. De tas is voorzien van zwarte draaghengsels/banden.

De in de woning [adres] aangetroffen zwart-wit gestreepte tas komt qua model/type exact overeen met de tas te zien op de videobeelden van de gewapende overval op het filiaal van Lidl aan de Karel de Grotelaan 341a te Eindhoven op 27 juni 2008.

8. Het proces-verbaal vergelijking videobeelden/aangetroffen jas van verbalisant [verbalisant 11], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 27 juni 2008, omstreeks 06:00 uur, werd een gewapende overval gepleegd op het filiaal van Lidl aan de Karel de Grotelaan 341a te Eindhoven. Eén van de overvallers droeg een driekwart stoffen zwarte jas met capuchon.

De gehele overval werd opgenomen door de aanwezige bewakingscamera's. Op de foto/videoprints is een driekwart stoffen zwarte jas te zien. Het is een zwarte jas met capuchon. Aan de voorzijde van de capuchon zijn vermoedelijk metalen drukkers te zien. Op print 5 is tussen de capuchon en de schouder een koord te zien.

Op 2 februari 2009 werd een doorzoeking gehouden op het adres [adres] te Eindhoven.

Tijdens de doorzoeking werd een jas aangetroffen en in beslag genomen. Het is een driekwart zwarte jas met capuchon. De jas heeft metalen drukkers op de capuchon. Onderaan de capuchon hangt een koord voor het aantrekken van deze capuchon.

De aangetroffen driekwart stoffen jas met capuchon komt qua model/type exact overeen met de jas te zien op de videobeelden van de gewapende overval op het filiaal van Lidl aan de Karel de Grotelaan 341a te Eindhoven op 27 juni 2008.

9. Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] d.d. 23 februari 2009, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Opmerking verbalisanten:

Je weet dat op de dag van je aanhouding, 2 februari 2009, een doorzoeking heeft plaatsgevonden in de woning [adres] te Eindhoven. Bij die doorzoeking zijn een aantal goederen in beslag genomen. We gaan met jou de lijst van in beslag genomen goederen doornemen.

Beslagnummer H02.1000.1.21 is een zwarte jas met capuchon die in de hal aan de kapstok werd aangetroffen. Aan de verdachte wordt een foto getoond van de zwarte jas.

Vraag: van wie is deze jas?

Antwoord: De jas die u mij op de foto toont, gebruik ik. Deze is van mij.

10. Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] d.d. 23 februari 2009, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Opmerking verbalisanten:

Gisteren heb je verklaard dat de bij de doorzoeking in de woning aangetroffen jas van jou is.

Vraag: Wordt de jas ook nog door een ander gedragen?

Antwoord: de jas is van mij. Er is een mogelijkheid dat mijn broer [verdachte] deze jas ook wel eens aan doet.

11. De aangifte van [benadeelde 4], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik ben werkzaam bij het winkelbedrijf Lidl te Veldhoven. Ik ben daar werkzaam als assistent filiaalmanager.

Op 10 juli 2008 omstreeks 06:00 uur ben ik tezamen met nog twee collega's van mij het bedrijfspand van de Lidl binnen gegaan om te beginnen met werken. Deze twee collega's zijn genaamd [slachtoffer 1] (het hof begrijpt: [slachtoffer 1]) en [slachtoffer 2] (het hof begrijpt: [slachtoffer 2]).

Ik heb de achterdeur geopend. Daarna zetten [slachtoffer 1] en ik het leeggoed buiten. Op het moment dat wij bijna klaar zijn met het buitenzetten van het leeggoed staat [slachtoffer 1] nog bij de achterdeur aan de rechterzijde ter hoogte van de deurpost. Op dat moment zie ik een persoon bij [slachtoffer 1] staan. Ik zag dat deze persoon een bivakmuts op had. Ik zag dat heel het gezicht bedekt was. Ik zag dat deze persoon met iets in zijn rechterhand stond. Het voorwerp wat deze persoon in zijn hand hield, hield deze persoon op het hoofd/de nek van [slachtoffer 1] gericht.

Ik draaide me om en ik liep terug richting de winkel. Deze persoon bleef bij [slachtoffer 1] die achter mij aan liep de winkel in. Op het moment dat ik de winkel in loop, zie ik [slachtoffer 2] ons tegemoet lopen. Op dat moment zag ik ineens een tweede persoon van achter ons aan komen lopen. Ik zag deze persoon links langs mij af komen lopen en ik zag dat deze persoon naar [slachtoffer 2] liep. Ik zag dat deze persoon ook geheel in het donker gekleed was en ik zag dat deze persoon ook een bivakmuts op had. Ik hoor op dat moment dat deze persoon tegen [slachtoffer 2] zei: "Meekomen".

Ik liep vervolgens voorop, verder richting het kantoor. [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en de twee overvallers liepen achter mij aan.

Bij de deur van het kantoor aangekomen, heb ik deze geopend met een sleutel. Nadat ik de kantoordeur had geopend zijn wij met z'n allen het kantoor ingelopen. Ik zag vervolgens dat [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en een van de overvallers weer uit de kantoorruimte gingen. Ik zag wel dat deze overvaller in de deuropening bleef staan. Die andere overvaller bleef bij mij in het kantoor. Dit is de persoon die als eerste bij [slachtoffer 1] stond.

Er werd tegen mij verteld dat ik geen rare beweging mocht maken. Ik heb de kluisdeur geopend en open gezet. Ik zag dat de overvaller tegen de kluisdeur aan ging staan zodat deze open bleef staan. Ik hoorde dat deze persoon zei: "Papiergeld". Ik ben op mijn knieën gaan zitten voor de kluis. Ik heb het bakje met wisselgeld gepakt en in de tas van de overvaller gegooid. Ik heb dit los, zonder het bakje, in zijn tas gegooid. In dit bakje zaten alleen briefjes van vijf euro. Ik zag op dat moment dat de overvaller een pistool in zijn hand had. Op dat moment hoor ik dat de overvaller zei: "Meer, ik moet meer". Ik zei tegen hem dat ik alleen nog het geld kon pakken dat er in de kassalades aanwezig was. Ik hoorde dat de overvaller zei: "Pakken". Ik heb vervolgens één voor één de kassalades gepakt. Ik zette deze voor de kluis neer en pakte het geld eruit. Ik heb alle zes de lades leeg gemaakt. Ik heb alleen het papiergeld uit de lades gepakt. Het kleingeld bleef in de lades. Na de laatste lade hoorde ik dat de overvaller zei dat hij meer wilde. Ik zag dat de overvaller op de 'babykluis' wees. Ik vertelde tegen hem dat ik daar geen sleutel van had omdat de geldloper daar een sleutel van heeft. Ik zei toen wel tegen de overvaller dat hij anders de rollen van 2 euro maar mee moest nemen omdat dat ook veel geld was. Ik pakte vervolgens ongeveer 30 rollen van 2 euro en liet deze in de tas van de overvaller vallen. Toen hoorde ik dat de overvaller zei dat ik mee moest lopen het kantoor uit richting de toiletruimte.

Ik zag dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in deze toiletruimte al op de grond zaten. Ik zag dat die andere overvaller bij hun stond. Ik hoorde op dat moment dat de overvaller die bij mij liep zei dat we moesten gaan liggen. Ik ben toen bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gaan zitten. Ik hoorde op dat moment dat de overvaller nogmaals riep dat we moesten gaan liggen. Wij zijn met z'n drieën gaan liggen aan de kant van de toiletten. Ik hoorde dat wij onze handen op onze rug moesten doen. Ik zag vervolgens toen ik op de grond lag dat de overvaller die bij mij was, zijn tas op de grond zette en dat hij in deze tas begon te graaien. Na enig moment zag ik dat de overvaller tie-rips uit deze tas pakte. Ik zag dat ze de armen van [slachtoffer 2] vast bonden. Ik zag dat ze daarna [slachtoffer 1] vast bonden en ik als laatste. Een van de overvallers zei op dat moment dat we rustig moesten blijven want dan zou hij ons niet dood schieten, en bleven we niet rustig dan zou hij ons dood schieten.

Op dat moment hoorde ik dat er geroepen werd: "Tien minuten blijven liggen". Ik zag dat de personen weg liepen. Ik zag een van de overvallers terug komen lopen naar het kantoor toe. In het kantoor hoorde ik een knisperend geluid van een plasticzak en ik hoorde, naar mijn idee, een kassalade die leeg gegooid werd. Ik hoorde en zag de overvaller weer voorbij komen lopen richting de uitgang. Ik hoorde dat deze overvaller wederom zei: "Tien minuten blijven liggen."

Ik zag weer dat er een van de overvallers voorbij kwam lopen naar het kantoor. Ik hoorde weer het knisperende geluid van een plastictas en een kassalade die werd geleegd. Daarna zag ik de overvaller weer uit het kantoor komen lopen in de richting van de uitgang. Deze overvaller zei weer: "Tien minuten blijven liggen".

Het weggenomen goed is eigendom van genoemde benadeelde.

Benadeelde Lidl

Adres/-plaats Burg Van Hoofflaan 35 A te Veldhoven

12. De verklaring van [benadeelde 4], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik heb vanuit het hoofdkantoor de specificaties gekregen van het weggenomen geldbedrag ten tijde van de gewapende overval op 10 juli 2008. Dit is hier onder gespecificeerd:

Biljet Aantal Bedrag

EUR 5,= 137 EUR 685,=

EUR 10,= 22 EUR 220,=

EUR 50,= 5 EUR 250,=

EUR 100,= 1 EUR 100,=

Rol Aantal

EUR 1,= a EURO 25,= 40 EURO 1.000,=

EUR 2,= a EURO 50,= 30 EURO 1.500,=

Totaal EURO 3.755,=

Niet verklaarbaar EURO 2.419,=

Totaal overval EURO 6.174,42

13. De verklaring van [slachtoffer 1], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik ben werkzaam als filiaalmedewerker bij Lidl in Veldhoven, gelegen aan de

Burgemeester van Hoofflaan 35a in Veldhoven. Op 10 juli 2008 ben ik naar de Lidl gereden om te gaan werken. Ik zag mijn collega's, [benadeelde 4] en [slachtoffer 2] (het hof begrijpt: [slachtoffer 2]) staan. Gezamenlijk zijn we vervolgens naar de ingang van de Lidl gelopen. [benadeelde 4], assistent-filliaalleider heeft vervolgens het pand geopend en we zijn naar binnen gegaan.

Ik schat dat het enkele minuten over 6 was op het moment dat [benadeelde 4] de achterdeur/losdeur opgemaakt heeft om de spullen buiten te zetten. Vervolgens ben ik naar de achterdeur/losdeur gelopen omdat ieder moment de vracht aan kon komen.

Plots zag ik vanuit mijn rechter ooghoek een persoon op mij af komen rennen. Ik zag dat de persoon een pistool in zijn handen had en op mij gericht hield. Ik hoorde dat de persoon zei: "Dit is een overval, rustig blijven en meekomen." Ik zag dat alleen de ogen van de overvaller niet bedekt waren. Ik vermoed ook dat de man een capuchon over zijn hoofd had. Het vuurwapen was een pistool in de kleur zwart/donkergrijs.

Zoals ik reeds verklaard heb, kwam de overvaller vanuit mij rechter ooghoek aangerend. Tijdens het lopen had hij het wapen al op mij gericht. De overvaller liep op mij af en pakte mij vast bij mijn vest. Ik voelde dat de overvaller de loop van het vuurwapen achter op mijn hoofd drukte. Ik hoorde dat de overvaller tegen mij zei dat ik mee moest komen.

Op het moment dat de overvaller met mij vanuit het magazijn richting de winkel wilde lopen, zag ik [benadeelde 4] staan/lopen ter hoogte van de magazijn-/winkeldeur. Ik hoorde dat de overvaller tegen [benadeelde 4] zei:"dit is een overval, rustig blijven, meekomen naar de kluis."

[benadeelde 4] liep met mij en de overvaller richting het kantoor waar de kluis staat. De overvaller hield mij de gehele tijd onder schot en hield mij vast.

Op het moment dat we via de winkel naar het kantoor liepen, zag ik in een schim een tweede overvaller die in de richting van [slachtoffer 2] liep.

[benadeelde 4] en ik moesten van de overvaller naar het kantoor. [benadeelde 4] liep als eerste het kantoortje binnen. Ik volgde hem. De overvaller liep achter mij en hield mij nog steeds onder schot.

In het kantoortje vroeg de overvaller naar de kluissleutel. [benadeelde 4] zei dat deze in een kastje hing. De overvaller zei dat [benadeelde 4] de sleutel moest pakken. Dit heeft [benadeelde 4] ook gedaan. Meteen hierna kwam [slachtoffer 2] met de tweede overvaller bij het kantoortje. In eerste instantie was het de bedoeling dat [slachtoffer 2] ook het kantoortje binnen moest. Echter omdat het daar nogal klein/krap is moesten [slachtoffer 2] en ik in het halletje voor het kantoor op de grond gaan liggen. We zijn op de grond gaan zitten.

[benadeelde 4] is met de eerste overvaller in het kantoortje gebleven. [slachtoffer 2] en ik waren in het halletje met de tweede overvaller. Het viel mij op dat deze overvaller zijn pistool in zijn rechterhand had.

In de tijd dat ik in het halletje op de grond zat, hoorde ik dat de eerste overvaller met [benadeelde 4] sprak. Ik hoorde dat deze overvaller naar het kleine kluisje vroeg. Ik hoorde dat [benadeelde 4] zei dat hij daar geen sleutel van had en dat alleen Geldnet hierin kon. Ik hoorde verder dat de overvaller zei dat hij meer geld wilde. Hierna hoorde ik dat [benadeelde 4] zei dat hij alleen nog muntrollen had en dat de overvaller die dan maar mee moest nemen.

Kort hierna kwamen [benadeelde 4] en de eerste overvaller uit het kantoortje. [benadeelde 4] moest in het halletje op zijn buik gaan liggen met zijn handen op zijn rug. Wij moesten dat ook doen. Dit moesten wij van de eerste overvaller. Vervolgens werden mijn handen met tie-rips vastgemaakt. Ik kan me nog herinneren dat de tweede overvaller bij mij de tie-rips omgedaan heeft.

Nadat ze onze handen vastgemaakt hadden moesten we alle drie op onze buik blijven liggen.

Ik kan me nog herinneren dat de eerste overvaller zei:"Jullie moeten 10 minuten blijven liggen." De tweede overvaller was op dat moment al buiten het halletje en dus in de winkel. Hierna liep de eerste overvaller ook het halletje uit de winkel in. Vrijwel direct hierna kwam de eerste overvaller weer het halletje ingelopen en liep direct door het kantoor in. Ik hoorde geld rammelen als een kassalade leeggegooid werd. Hierna kwam de overvaller weer het kantoor uit het halletje in. De overvaller zei wederom dat we 10 minuten moesten blijven liggen. Hierna liep hij de winkel weer in.

Na enkele seconden kwam de eerste overvaller weer terug. Hij liep weer het kantoor binnen en ik hoorde weer het omgooien van een kassalade. Hierna kwam de overvaller het kantoor weer uit en zei wederom dat we 10 minuten moesten blijven liggen. Hierna liep de overvaller de winkel in.

14. De verklaring van [slachtoffer 2], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik werk in de supermarkt aan de Burg. van Hoofflaan 35 in Veldhoven. Dat is de Lidl.

Op 10 juli 2008 begon ik om 06.00 uur bij de Lidl. Ik parkeerde rond die tijd mijn auto aan de achterzijde van de Lidl. Ik zag dat mijn collega, [benadeelde 4], al in zijn auto zat te wachten.

[benadeelde 4] en ik zagen dat onze collega, [slachtoffer 1] (het hof begrijpt: [slachtoffer 1]), ook aan kwam rijden. Wij zijn vervolgens met zijn drieën naar de voordeur gelopen. Wij zijn alle drie naar binnen gegaan.

Ik ging in de winkel naar het gedeelte non-food. Toen ik terug wilde lopen naar de achterzijde van de winkel, waar het magazijn zit, hoorde ik [slachtoffer 1] gillen. Ik liep door het gangpad en liep recht op het magazijn af. Op dat moment zag ik [benadeelde 4] en [slachtoffer 1] het magazijn uit komen. Ik zag dat er twee gasten bij hun waren. Ik had meteen in de gaten dat het een overval was. Die twee gasten waren gemaskerd.

Een van die gasten kwam op mij af. Dat was de gast met de witte doek voor zijn gezicht. Ik zag dat hij in zijn linkerhand een revolver had. Hij zei tegen mij dat ik mee moest lopen. Ik liep achter hem aan richting het kantoor. Ik zag dat [benadeelde 4] en [slachtoffer 1] met die andere gast mee liepen. Ik zag dat zij de hal in liepen. Vanuit de hal kun je naar de kantine, het toilet en het kantoor. In de hal zag ik dat [benadeelde 4] en die gast in het kantoor stonden. [slachtoffer 1] stond in de deur opening van het kantoor. Die gast die bij mij was wilde ook naar binnen. Ik moest van hem ook naar binnen. Het kantoor is heel klein waardoor wij niet met zijn allen in het kantoor konden. [slachtoffer 1] en ik moesten de hal in. Daar moesten wij op de grond gaan liggen van die gast met die witte doek. [slachtoffer 1] en ik gingen zitten.

Ik hoorde [benadeelde 4] in het kantoor tegen die gast praten. Ik hoorde die gast die bij [benadeelde 4] was tegen [benadeelde 4] zeggen: "Is er niet meer geld." Ik hoorde dat [benadeelde 4] zei: "Als je meer geld wil hebben moet je de rollen pakken, want meer is er niet." Ik zag dat [benadeelde 4] en die gast het kantoor uit kwamen. Ik hoorde dat die gast die bij [benadeelde 4] was zei: "Op de grond liggen en handen op de rug, want je wordt met tie-rips vast gebonden." Wij gingen alle drie op onze buik liggen. Die twee gasten stonden voor ons. Die gast met die witte doek had nog steeds die revolver in zijn hand. Die andere gast had volgens mij een tas vast. Ik zag dat die gast met die tas op zijn hurken ging zitten. Ik zag dat hij uit die tas tie-rips pakte. Diezelfde gast heeft bij ons de tie-raps om gedaan. Die gast met die witte doek bleef voor ons staan.

Mijn handen werden niet op mijn rug vast gemaakt. Ik hield mijn handen naar boven. Ik hield mijn armen dus boven mijn hoofd gestrekt.

Nadat wij waren vast gebonden zei die gast met die witte doek: "10 minuten blijven liggen." Daarna gingen zij de winkel in. Toen zij de hal verlieten naar de winkel viel de deur achter hun dicht. Al heel snel kwam die gast die bij [benadeelde 4] was gebleven terug de hal in. Hij ging het kantoor binnen. Ik hoorde dat hij de kassalades pakte en deze om schudde. Vervolgens ging hij weer de winkel in. Kort daarna kwam hij weer de hal binnen en ging weer het kantoor in om kassalades om te schudden. Ik hoorde dat die gast zei: "10 minuten blijven liggen." Daarna zijn zij weggegaan.

Ik kan die gast met de witte doek als volgt omschrijven:

- Hij had iets donkers over zijn hoofd.

- Voor zijn gezicht had hij een witte doek.

Ik heb al de tijd gesproken over een revolver, maar ik zie nu dat dit een pistool moet zijn. De jongen met de witte doek had dus geen revolver in zijn hand, maar een pistool.

15. Het proces-verbaal bevindingen van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 15], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Onder nummer PL2233/08-128165 van de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost is aangifte opgenomen van een gewapende overval op het filiaal van de Lidl te Veldhoven, gevestigd aan de Burgemeester van Hoofflaan 35 a. Deze overval heeft plaatsgevonden op 10 juli 2008.

Ter plaatse is uit onderzoek gebleken dat in het winkelbedrijf dertien videocamera's zijn ingeschakeld die elk vanuit een verschillende invalshoek diverse lokaties van het bedrijf bestrijken en continue opnamen maken. Van de opnamen die betrekking hebben op de gepleegde gewapende overval zijn prints gemaakt.

Print 7. Tijd: 06 uur 02 minuten 42 seconden. Overvaller 2 heeft in zijn rechterhand een pistool; dit pistool is geheel donker van kleur. Hij richt dit pistool op het hoofd van werkneemster [slachtoffer 1].

Print 8. Tijd: 06 uur 02 minuten 49 seconden. Overvaller 1 houdt zijn pistool in de nek van aangever [benadeelde 4].

Print 9. Tijd: 06 uur 02 minuten 51 seconden. Overvaller 1 houdt zijn pistool in de nek van aangever [benadeelde 4]. De door hem gedragen bivakmuts met een lichtkleurige strip aan de onderzijde is duidelijk zichtbaar.

Print 10. Tijd: 06 uur 02 minuten 58 seconden. Overvaller 1 staat achter aangever [benadeelde 4] bij de kluis. Het pistool is in de nek van aangever [benadeelde 4] gericht.

Overvaller 1 draagt een donkerkleurige bivakmuts met één ooggat; vanaf de plaats van de ogen lopen naden naar de achterzijde van de bivakmuts. Deze naden lopen nagenoeg parallel naast elkaar. Hierdoor lijkt het alsof de bivakmuts binnenstebuiten wordt gedragen. De onderzijde van de bivakmuts is aanzienlijk donkerder gekleurd. Aan achterzijde is op het onderste deel een witte strip genaaid. Deze lichtkleurige strip lijkt een soort sluiting met klittenbandsysteem om de bivakmuts aan te snoeren/riemen.

Overvaller 1 heeft een pistool bij zich dat een donkerkleurige slede heeft. Het kastgedeelte is lichtkleurig / zilverkleurig.

Overvaller 2 heeft een lichtkleurige doek die zijn neus en zijn mond bedekken.

16. Het proces-verbaal technisch onderzoek van verbalisant [verbalisant 9], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 17 juli 2008 ontving ik van [verbalisant 10][verbalisant 11], rechercheur van de

Gezamenlijke Recherche, cluster Valkenswaard, een draagtas van Bart Smit. [verbalisant 11] deelde mede dat in deze draagtas van Bart Smit de goederen zaten die waren aangetroffen in een rugzak die was aangetroffen nabij drie aangehouden verdachten van 11 juli 2008 op de Raiffeisenstraat te Eindhoven.

Op 23 juli 2008 heb ik de inhoud van de draagtas van Bart Smit nader onderzocht. In de tas werden door mij de volgende goederen aangetroffen:

- een bivakmuts in de kleuren zwart en grijs met rood stiksel. Gewaarmerkt als

08-129482/04.

- een linker- en een rechterhandschoen in de kleur grijs. Gewaarmerkt als 08-129482/05 en 08-129482/06.

Op 10 juli 2008 werd in de ochtenduren een vestiging van de supermarkt Lidl, gevestigd aan de Burgemeester van Hoofflaan 35 te Veldhoven, overvallen. Van deze overval werden door bewakingscamera's beelden opgenomen. Door het onderzoeksteam werden mij enkele afdrukken van deze beelden ter beschikking gesteld. Op deze beelden was onder andere een persoon te zien die in zijn rechterhand een voorwerp vasthield dat leek op een vuurwapen. Verder was te zien dat deze persoon een zogenaamde bivakmuts droeg waarvan het bovenste deel lichter van kleur is dan het onderste deel. Op een afdruk van deze beelden was genoemde persoon van achteren te zien, terwijl hij met een op een vuurwapen lijkend voorwerp in zijn rechterhand achter vermoedelijk een personeelslid van de supermarkt stond. Opvallend hierbij was dat de door de overvaller gedragen bivakmuts aan de achterzijde ter hoogte van de nek een horizontale witte streep zichtbaar was. Op genoemde afdruk van de bewakingscamera was te zien dat deze streep aan de rechterzijde niet vast zat aan de bivakmuts. Ook was op deze afdruk te zien dat de overvaller een handschoen droeg over zijn rechterhand. Deze handschoen had een lichte kleur met een donkere tint bij de vingers.

Na het zien van de afdrukken van de bewakingscamera van de overval op de Lidl aan de Burgemeester van Hoofflaan 35 te Veldhoven op 10 juli 2008 waarop onder andere de achterzijde van de bivakmuts van de overvaller te zien was, heb ik de aangetroffen bivakmuts gewaarmerkt als 08-129482/04 nader onderzocht. Ik zag dat de vorm van de aangetroffen bivakmuts, in combinatie met de kleurstelling, gelijkenis vertoonde met de bivakmuts die de overvaller droeg op eerdergenoemde afdruk van de bewakingscamera. Nadat ik de aangetroffen bivakmuts binnenstebuiten had gekeerd zag ik aan de achterzijde van de bivakmuts, ter hoogte van de nek, twee witte etiketten direct naast elkaar zitten. Het samenstel van deze twee etiketten gaf het beeld van een horizontale witte streep aan de achterzijde van de bivakmuts waarvan het rechter deel niet vast zat aan de bivakmuts. Dit beeld kwam overeen met het beeld waarop de achterzijde van de bivakmuts staat die de overvaller droeg bij de overval op een filiaal van de Lidl aan de Burgemeester van Hoofflaan 35 te Veldhoven op 10 juli 2008.

De aangetroffen en veiliggestelde linker en rechter handschoen, gewaarmerkt als

08-129482/05 en 08-129482/06, zouden qua vorm en kleur dezelfde handschoenen kunnen zijn als die door de overvaller gedragen werden en die te zien waren op eerdergenoemde afbeelding van de beelden van de bewakingscamera van de overval op de Lidl te Veldhoven op 10 juli 2008.

17. Het proces-verbaal bevindingen van verbalisant [verbalisant 12], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 11 juli 2008 werd bij de politie melding gemaakt van een verdachte situatie aan de Raiffeisenstraat te Eindhoven. Er zijn aanhoudingen verricht van drie verdachten te weten: [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en [verdachte]. In hun onmiddellijke nabijheid werd een tas aangetroffen met daarin een bivakmuts.

Onder mutatienummer 08-128165 is een overval vastgelegd die op 16 juli 2008 (het hof begrijpt: op 10 juli 2008) heeft plaatsgevonden te Veldhoven. In het kader van onderzoek in verband met deze overval zijn beelden in beslag genomen, waarvan videoprints zijn gemaakt. Van deze videoprints is een proces-verbaal opgemaakt. Op videoprints 7, 8, 9, 16, 17, 18 en 23 is een bivakmuts te zien die een van de overvallers over zijn hoofd draagt. Met name op videoprint is te zien dat de bivakmuts aan de achterzijde een witte strip heeft, waarvan de rechterzijde los zit. Het lijkt een soort klittenbandsysteem. De muts is aan de bovenzijde lichter van kleur dan aan de onderzijde. De scheiding ligt horizontaal over het onderste deel van de muts. Er is tevens een kennelijke naad zichtbaar die aansluit op de witte strip. De bivakmuts heeft ter hoogte van de ogen een horizontale opening.

In de fotomap van de in beslag genomen bivakmuts aan de Raiffeisenstraat te Eindhoven staat de bivakmuts afgebeeld. Ik zag dat de bivakmuts op de videoprints grote gelijkenis vertoonde met de bivakmuts aangetroffen op de Raiffeisenstraat te Eindhoven, en dat er, voor zover de kwaliteit van de videoprints/opnamen dit duidelijk maakt, geen verschillen zijn waar te nemen.

18. Het proces-verbaal bevindingen van verbalisant [verbalisant 12], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 11 juli 2008 werd bij de politie melding gemaakt van een verdachte situatie aan de Raiffeisenstraat te Eindhoven. Er zijn aanhoudingen verricht van drie verdachten, te weten: [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en [verdachte]. In hun onmiddellijke nabijheid werd een tas aangetroffen met daarin een veerdrukwapen in de vorm van een pistool, zonder merk- of typeaanduiding, kaliber 6 millimeter, serienummer D57197, kleur zilver (kast) en zwart (handgreep en slede).

Onder mutatienummer 08-118810 is een overval vastgelegd die op 27 juni 2008 heeft plaatsgevonden te Eindhoven. In kader van onderzoek in verband met deze overval zijn beelden in beslag genomen, waarvan videoprints zijn gemaakt. Op videoprints 10, 11, 18, 19, 20, 21 en 25 is een pistool te zien dat een van de overvallers in zijn hand draagt. Op alle videoprints is te zien dat de bovenzijde van het pistool (slede), zwart is en dat onderzijde lichtkleurig is. Ook is te zien dat zich aan de linkerzijde een donkere stip/vlek bevindt.

Onder mutatienummer 08-128165 is een overval vastgelegd die op 16 juli 2008 (het hof begrijpt: 10 juli 2008) heeft plaatsgevonden te Veldhoven. In kader van onderzoek in verband met deze overval zijn beelden in beslag genomen, waarvan videoprints zijn gemaakt. Op videoprints 6, 8, 9 en 16 is een pistool te zien dat een van de overvallers in zijn hand draagt. Op videoprint 6 is te zien dat het pistool is aan onderzijde lichtkleurig is en aan bovenzijde donker van kleur. Op videoprint 16 is te zien dat de voorzijde van het heft ook licht van kleur is alsmede de onderzijde van de voorzijde van dat pistool. Op fotoprint 8 en 9 is te zien dat het pistool aan achterzijde ook licht van kleur is.

In de fotomap van de in beslag genomen pistolen aan de Raiffeisenstraat te Eindhoven is op foto 3 en 4 een pistool afgebeeld, waarvan de handgreep en slede zwart zijn en de rest (behuizing) zilverkleurig is. Ik zag dat dit pistool grote gelijkenis vertoonde met het pistool op de videoprints en dat er, voor zover de kwaliteit van de videoprints/opnamen dit duidelijk maakt, geen verschillen zijn waar te nemen.

19. Het proces-verbaal bevindingen van verbalisant [verbalisant 13], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 28 juli 2008 werd door mij onderstaand voorwerp nader omschreven en gecategoriseerd.

Voorwerp 2:

Ik zag dat dit voorwerp een veerdrukwapen was in de vorm van een pistool, zonder merk- of typeaanduiding, kaliber 6 millimeter, serienummer D57197, kleur zilver (kast) en zwart (handgreep en slede). Ik zag dat dit voorwerp zodanig op een vuurwapen leek dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt was. Ik zag dat dit voorwerp voor wat betreft vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een bestaand vuurwapen, namelijk een pistool van het merk Sig-Sauer, type P228.

20. Het proces-verbaal bevindingen van verbalisanten [verbalisant 22] en [verbalisant 23], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 10 februari 2009 kregen wij de opdracht om samen verdachte [verdachte] op te halen van verhoor uit RIA-2 en terug te brengen naar zijn cel.

Terwijl wij met de verdachte de lift in liepen vroeg ik, verbalisant [verbalisant 22], hem hoe het met hem ging en of hij een goed gesprek had gehad. Wij hoorden dat hij antwoordde dat hij dat nog niet wist. Ik deelde hem mede dat hij niet verplicht was om op mijn vragen te antwoorden en ik vroeg hem hierna waar hij dan van verdacht werd.

Wij hoorden dat hij antwoordde dat hij van een overval verdacht werd. Vervolgens hoorden wij dat hij zei: "Op de Karel de Grotelaan en Veldhoven". Hierop vroeg ik, [verbalisant 22], hem: "Heb je dan een friettent ofzo overvallen?" Wij hoorden dat hij antwoordde :"Nee, geen friettent, een supermarkt." Hierop vroeg ik, [verbalisant 22], hem: "En ben, je er nou ook beter op geworden?" Vervolgens hoorden en zagen wij dat hij ons glimlachend antwoordde:"Ja, echt wel...".

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

K.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

L.

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat hij moet worden vrijgesproken van het hem onder 1. en 2. ten laste gelegde, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte deze feiten heeft begaan. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

1. de in de woning aangetroffen jas niet kan meewerken aan het bewijs, omdat deze jas slechts mogelijk gelijkenis vertoont met de door één van de daders gebruikte jas en deze jas eigendom was van [medeverdachte 1];

2. de bij de overval van 27 juni 2008 gebruikte tas weliswaar overeenkomsten vertoont met de bij verdachte in de woning aangetroffen tas, maar niet is gebleken dat het een dermate unieke tas was dat dit verdachte direct verdacht maakt;

3. het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 22] en [verbalisant 23], inhoudende een verklaring van verdachte, niet kan meewerken aan het bewijs;

4. de uitlatingen van verdachte tegenover de arrestantenverzorgers niet als een bekentenis kan worden beschouwd en ook niet serieus kunnen worden genomen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

M.

Met betrekking tot het hiervoor onder L. 1. en 2. gestelde:

Anders dan de raadsman heeft betoogd, draagt naar het oordeel van het hof de omstandigheid dat de in de woning aangetroffen zwart-wit gestreepte tas qua model/type exact overeenkomt met de tas die een van de overvallers op 27 juni 2008 droeg alsmede de omstandigheid dat de in de woning aangetroffen driekwart stoffen jas met capuchon qua model/type exact overeenkomt met de jas die een van de overvallers op 27 juni 2008 droeg, wel degelijk bij aan het bewijs dat verdachte de onder 1. ten laste gelegde overval heeft begaan.

Ten aanzien van de jas kan aan het voorgaande niet afdoen dat deze eigendom was van [medeverdachte 1]. Daarbij heeft het hof allereerst acht geslagen op de omstandigheid dat verdachte ten tijde van zijn aanhouding op 11 juli 2008 een jas droeg die qua capuchon en model overeenkomt met de jas die op 27 juni 2008 door een van de overvallers gedragen werd. Uit de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband bezien, leidt het hof af dat dit voormelde jas is die in de woning is aangetroffen. Daarnaast heeft het hof acht geslagen op de verklaring van [medeverdachte 1] dat er een mogelijkheid is dat verdachte deze jas ook wel eens draagt.

N.

Met betrekking tot het hiervoor onder L. 3. gestelde:

N.1

Aan het verweer is ten grondslag gelegd dat er sprake was van een verhoorsituatie zonder dat aan verdachte de cautie was gegeven. Verdachte had uitdrukkelijk gewaarschuwd moeten worden dat hetgeen hij eventueel zou vertellen tegen hem zou kunnen worden gebruikt. Immers, verdachte hoefde er geen rekening mee te houden dat zijn eventuele uitlatingen tegenover arrestenverzorgers tegen hem zouden kunnen worden gebruikt.

N.2

Op grond van artikel 29, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering dient een verdachte voor een verhoor te worden medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden. Daaraan is in het onderhavige geval voldaan. Allereerst houdt het betreffende proces-verbaal in dat verdachte is medegedeeld dat hij niet verplicht was om op vragen te antwoorden , hetgeen door de verbalisanten ten overstaan van de rechter-commissaris is bevestigd.

De stelling van de raadsman dat verdachte uitdrukkelijk had moeten worden gewaarschuwd dat hetgeen hij zou verklaren tegen hem zou kunnen worden gebruikt, vindt geen steun in het recht.

N.3

Gelet op het bovenstaande is geen sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, zodat bewijsuitsluiting niet aan de orde is. Het hof bezigt het proces-verbaal daarom tot het bewijs.

O.

Met betrekking tot het hiervoor onder L. 4. gestelde:

O.1

Aan het verweer is allereerst ten grondslag gelegd dat verdachte werd gevraagd waarvoor hij was aangehouden en dus waarvan hij verdacht werd en niet wat hij gedaan had. Voorts past de uitlating van verdachte, met de strekking dat hij er financieel beter van zou zijn geworden, volgens de raadsman in het beeld dat hij zich realiseerde dat men op dat moment in de veronderstelling verkeerde dat het geen serieus verhoor was.

O.2

Het hof acht evenwel op grond van de uitlatingen van verdachte, gezien in onderling verband met de overige gebezigde bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte één van de personen is die de onder 1. en 2. ten laste gelegde overvallen hebben gepleegd. Naar het oordeel van het hof zijn geen omstandigheden gesteld of (anderszins) aannemelijk geworden op grond waarvan het hof tot het oordeel zou moeten komen dat de verklaring van verdachte niet serieus kan worden genomen.

P.

Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen (genoemd in de voetnoten), in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof het aan verdachte onder 1. en 2. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 27 juni 2008 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld

[benadeelde 3] (assistent-bedrijfsleider Lidl) heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van ongeveer 5.270,- euro, toebehorende aan de Lidl, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en zijn, verdachtes, mededader

- met (deels) bedekte gezichten/hoofden het Lidl-filiaal zijn binnen gegaan en

- voornoemde [benadeelde 3] en [benadeelde 1] (chauffeur) en [benadeelde 2] (personeelslid Lidl) op vuurwapens gelijkende voorwerpen hebben getoond en voorgehouden en

- op vuurwapens gelijkende voorwerpen hebben gericht op die [benadeelde 3] en [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en

- die [benadeelde 1] en [benadeelde 2] hebben vastgepakt en

- op vuurwapens gelijkende voorwerpen tegen de hoofden van die [benadeelde 3] en [benadeelde 1] hebben geduwd en gehouden en

- tegen die [benadeelde 3] hebben gezegd:"Dit is een overval, naar binnen, waar is de kluis. Geld geld" en tegen die [benadeelde 3] hebben gezegd "Maak de kluis open, geld, ik wil geld" en "Ik schiet je kapot" "Geld geld, opschieten, ik wil al het geld" en "schiet op" en "Als je nu de kluis niet open doet schiet ik hem door zijn kop", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of of strekking, en

- die [benadeelde 1] en [benadeelde 2] onder dreiging van vernoemde op vuurwapens gelijkende voorwerpen gedwongen hebben op de grond te gaan liggen;

2.

hij op 10 juli 2008 te Veldhoven tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld

[benadeelde 4] (assistent-filliaalleider Lidl) heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van 6.174,42 euro, toebehorende aan de Lidl, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en zijn, verdachtes, mededader

- met bedekte gezichten/hoofden de Lidl supermarkt zijn binnen gegaan en

- die [benadeelde 4] en [slachtoffer 1] (personeelslid Lidl) en [slachtoffer 2] (personeelslid Lidl) op vuurwapens gelijkende voorwerpen hebben getoond en op vuurwapens gelijkende voorwerpen hebben gericht op die [benadeelde 4] en [slachtoffer 1] en

- die [slachtoffer 1] hebben vastgepakt en

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] hebben geduwd en gehouden en

- tegen die [slachtoffer 2] hebben gezegd dat zij mee moest komen en

- tegen die [benadeelde 4] en [slachtoffer 1] hebben gezegd: "Dit is een overval, rustig blijven en meekomen" en/of "Dit is een overval, rustig blijven, meekomen naar de kluis" en

- tegen die [benadeelde 4] hebben gezegd: "Geen rare bewegingen maken" en "Papiergeld" en "Meer, ik moet meer" en "Pakken" en tegen die [benadeelde 4] en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben gezegd dat zij op de grond moesten gaan liggen, waarna hij of zijn medeverdachte draadbinders om de handen van die [benadeelde 4] en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gedaan en

- vervolgens tegen die [benadeelde 4] en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben gezegd "Rustig blijven liggen, dan schiet ik jullie niet dood" en "Jullie moeten 10 minuten blijven liggen", althans woorden van gelijke aard en/of strekking.

Met betrekking tot het onder 4. ten laste gelegde

Vrijspraak

Het hof acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4. primair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. Daartoe overweegt het hof dat uit het voorhanden bewijs niet kan worden afgeleid wanneer verdachte de in de tenlastelegging genoemde goederen voorhanden heeft gekregen en / of verdachte ten tijde van dat voorhanden krijgen wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze goederen van misdrijf afkomstig waren.

Het bewijs

Q. Door het hof vastgestelde feiten

Het hof stelt op grond van de wettige bewijsmiddelen, waarnaar in de hieronder opgenomen noten wordt verwezen, het volgende vast.

Op 31 december 2008, tussen 07.45 uur en 08.00 uur, vond een overval plaats in de supermarkt Aldi, gevestigd aan de De Bontstraat 84 te Son. Uit de supermarkt zijn zes geldkistjes weggenomen. Deze geldkistjes behoorden toe aan Aldi Best BV.

R. Overige bewijsmiddelen

i.

Op 31 december 2008 heeft [getuige 1] een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Op 31 december 2008 werd ik gewaarschuwd door een buurtbewoner. Toen ik bij de woning aan de [adres] te Eindhoven aankwam, ben ik middels een sleutel, die ik in bezit heb, de woning binnen gegaan. Ik zag toen [medeverdachte 5] (het hof begrijpt: [medeverdachte 5]) staan. Ik ben hierop verder de woning ingegaan. Ik zag toen dat er vier andere jongens in de huiskamer stonden. Ik zag dat deze jongens spullen bij elkaar aan het rapen waren. De jongens renden via de voordeur naar buiten. Ik zag dat een van de jongens een grijze ‘geld’kist meenam.”

ii.

Op 7 januari 2009 heeft [getuige 1] een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“[getuige 4], de buurtgenoot, waarschuwde mij dat hij vier personen uit een auto had zien stappen en die bij de bestelbus van mijn broer, die voor de woning van hem geparkeerd stond had zien rommelen. [getuige 4] wees toen een auto aan die daar stond. Het kenteken was [kenteken]. Dit was een zwarte Seat.

Ik heb 112 gebeld. Het bellen liep eigenlijk gelijktijdig met het naar binnen gaan van de woning. Ik ben de woning via de voordeur betreden. Ik kwam binnen en ik werd meteen geconfronteerd met [medeverdachte 5] (het hof begrijpt: [medeverdachte 5]). Een fractie later doe ik een stap verder en zie ik in de woning, ik ben dan de deur van de kamer door, vier jongens in een bepaalde hoek van de woonkamer. De jongens stonden allemaal bij elkaar.

Ik zag dat die jongens op dat moment allemaal spullen bij elkaar aan het rapen waren en vervolgens gingen ze allemaal weg. Iedereen, buiten [medeverdachte 5], was eigenlijk bezig met spullen in een tas te doen en de benen te nemen. Ze namen de benen via de voordeur.

U vraagt mij te omschrijven wat voor spullen de jongens bij elkaar aan het rapen waren.

Ik heb maar één ding gezien. Ik dacht: Ohjee, een geldkist. Als ik de geldkist moet omschrijven kan ik zeggen dat het een grijze kist was. Hij had ook een hengsel van boven.

Heel kort daarna kwam de politie. [medeverdachte 5] en ik waren naar buiten gegaan.

Met de politie ben ik weer de woning binnen gegaan. Toen viel mij op dat er allemaal gereedschap in de woonkamer lag op diverse plaatsen. Er lag een blauwe set met steeksleutels volgens mij. Die lag op de secretaire. Er lag een tangetje op de tafel, iets met een oranje heft. Ook opvallend was dat op die tafel ook een stuk of zes tot acht zwarte bakjes van hard plastic lagen. Die bakjes liggen er nu nog. Voor de schouw, de haard, lag een decoupeerzaag. Op de schouw lag ook nog iets, heb ik gezien. Het was gereedschap.

Opmerking verbalisant: Ik toon u een foto van een geldkistje.

De kleur van het geldkistje komt overeen. Het handvat komt mij wel bekend voor. ”

iii.

Het Delict Proces verbaal BRZ77.012 houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:

“Aan [getuige 1] werd een foto getoond van een soortgelijke geldkist als die tijdens de overval op de Aldi werd weggenomen.

Op 7 januari 2009 werd een onderzoek ingesteld in de woning aan de [adres] te Eindhoven. Hierbij werd een aantal goederen aangetroffen en in beslag genomen, onder andere acht zwarte plastic muntbakjes. Eén van deze bakjes werd voor nader onderzoek veiliggesteld.

Op 8 januari 2009 werden de overige zeven bakjes getoond aan getuige [getuige 2].”

iv.

Op 8 januari 2009 heeft [getuige 2] een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Ik ben als assistent bedrijfsleider werkzaam bij Aldi gevestigd aan de De Bontstraat 84 te Son. Op 31 december 2008 heeft in de ochtend een gewapende overval plaatsgevonden op deze winkel. Bij deze overval hebben drie daders geld en geldkistjes weggenomen.

In onze winkel heeft iedere caissière een eigen geldkistje. In ieder geldkistje zitten acht geldbakjes. U toont mij nu een geldbakje. Ik kan verklaren dat ik dit bakje ken. Dit is een van de muntbakjes die bij de overval zijn meegenomen. Dit model is redelijk specifiek voor de kassa’s van Aldi.”

v.

Op 15 september 2009 heeft [verbalisant 17] een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt dat – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“De Aldivestiging in Son en Breugel valt organisatorisch onder de regio Aldi Best B.V.. De Aldi-vestiging Best B.V. valt organisatorisch onder het concern Aldi-Nord.

Door mij werd telefonisch contact opgenomen met [getuige 7] van Aldi Best B.V. [getuige 7] deelde mij mede dat de geldbakjes in gebruik bij de Aldi-vestigingen uniek zijn voor Aldi Best en zelfs voor Aldi Nederland. Bij Aldi Best zijn geen andere geldbakjes in gebruik dan deze.

De kassa’s met geldkistjes en geldbakjes zijn ingekocht bij de fa. NCR GmbH Düsseldorf Duitsland. Door mij zijn de geldbakjes gefotografeerd. Ik heb vervolgens telefonisch en per e-mail contact gehad met deze firma en hen een aantal foto’s beschikbaar gesteld. Door [getuige 8], account manager bij de fa. NCR GmbH werd medegedeeld dat zij inderdaad deze geldkistjes/geldbakjes alleen nog de laatste 1½ jaar exclusief leveren aan Aldi Nord Nederland.

De firma NCR GmbH betrekt deze kassa’s, geldkistjes en geldbakjes van de firma CashBases NEwhaven Engeland. De fa. Akam Electronics B.V. uit Zoetermeer is de Nederlandse distributeur van de fa. Cash Bases Ltd uit Engeland. Door [getuige 9] van de firma Akam werd medegedeeld dat deze bakjes niet van hen afkomstig zijn. Ook hebben zij deze niet aan Nederlandse bedrijven verkocht. [getuige 10] van de fa. Cash Bases Ltd bevestigde dat de geldbakjes die zijn aangetroffen in de woning aan de Rijnstraat alleen aan Aldi worden geleverd en dat deze niet in Nederland zijn gedistribueerd.”

vi.

Op 31 december 2008 heeft [getuige 3] een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Op 31 december 2008 was ik in mijn woning aan de [adres] te Eindhoven. Ik zag een auto parkeren in een parkeervak voor onze woning. Ik zag dat het een voertuig was met het kenteken [kenteken]. Ik zag dat het een donkerkleurige Seat was. Ik zag vervolgens dat er twee van de vier personen in de kofferbak van de auto aan het rommelen waren. De andere twee kon ik toen niet meer zien. Vervolgens liepen ze richting het pad. Beide personen hadden één tas vast. Ongeveer 10 à 15 minuten later zag ik dat dezelfde vier personen als tien minuten geleden terug kwamen uit het pad. Ik zag dat ze aan het rennen waren in de richting van de Seat. Eén van de personen had een grijs kistje vast. Vervolgens zag ik dat ze in de zwarte Seat stapten. Daarna zag ik ze wegrijden.”

vii.

Op 9 januari 2009 heeft [getuige 3] een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Op 31 december 2008 omstreeks 12.30 uur - 12.45 uur bevond ik mij in mijn woning aan de [adres] te Eindhoven. Ik zag voor mijn woning een auto stoppen. De bestuurder parkeerde zijn auto achteruit in het parkeervak tegenover mijn woning. Ik zag dat de auto het kenteken [kenteken] had. De auto was van het merk Seat.

Ik heb kort daarna nogmaals naar buiten gekeken en zag dat er vier personen in de auto zaten.

Toen ik enkele minuten later weer naar buiten keek zag ik twee personen bij de kofferbak van de auto staan. De kofferbak was geopend. Ik zag dat allebei deze personen een tas in hun hand hadden. Ik zag vervolgens dat beide personen het paadje in liepen wat naast onze rij woningen ligt. Dit is het Kloosterpad.

Omstreeks 13.00 uur hoorde ik hard schreeuwen en vloeken op straat. Ik zag dat vier personen naar de auto renden. Ik zag dat twee van hen weer diezelfde tassen in hun handen hadden. Ik zag dat een derde persoon een koffertje in zijn hand had. Dit koffertje was grijs van kleur en had een handvat.

Ik zag dat de chauffeur snel instapte en de auto startte. De anderen stapten ook snel in en de auto reed weg.”

viii.

Op 31 december 2008 heeft [getuige 4] een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Op 31 december 2008, omstreeks 12.30 uur, was ik aanwezig in mijn woning. Ik zag vanuit mijn woning een auto parkeren in een parkeervak tegenover mijn woning. Ik zag dat het om een donkerkleurige Seat ging. Deze had het volgende kenteken: [kenteken].

Ik zag dat er vijf personen in het voertuig zaten. Vervolgens zag ik dat er één persoon uit het voertuig stapte. Deze persoon liep vervolgens in de richting van het pad dat naar [adres] gaat. Nog voor 13.00 uur zag ik dat de andere vier inzittenden van de Seat uit de auto stapten en ook richting het pad liepen. Even daarna zag ik dat er twee van de personen terug kwamen gelopen. Beide personen hadden een tas vast.

Vervolgens ben ik naar mijn auto toe gelopen en ben ik weg gereden. Onderweg kwam ik de zus tegen van de bewoner van pandnummer [huisnummer] op de Rijnstraat. Ik heb haar verteld dat ik een aantal personen richting het huis van haar broer had zien lopen.”

ix.

Op 9 januari 2009 heeft [getuige 4] een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Op 31 december 2008 omstreeks 12.30 uur bevond ik mij in mijn woning aan de [adres] te Eindhoven. Ik zag dat er een auto stopte en dat de bestuurder de auto achteruit in het parkeervak parkeerde. Ik zag dat het kenteken [kenteken] was. Ik zag tevens dat het een personenauto was van het merk Seat.

Ik zag dat er vier personen in het voertuig zaten. Twee personen zaten voorin het voertuig, Twee personen zaten achterin het voertuig.

De persoon die rechts achterin zat stapte uit het voertuig. Ik zag dat de persoon die uitstapte linksaf het Kloosterpaadje inliep. Het Kloosterpad komt uit op de Rijnstraat te Eindhoven.

Ongeveer 5 minuten later stapten ook de overige personen uit de auto. Ik zag dat er twee personen voor uitstapten en twee personen achter. Op dat moment realiseerde ik me dat er in totaal vijf personen in de auto hadden gezeten. In eerste instantie had ik er namelijk maar vier gezien. Deze personen liepen ook het Kloosterpad in.

Terwijl ik naar mijn auto liep, zag ik twee personen weer bij de auto staan. Op dat moment was de achterklep van de auto geopend. Ik zag dat één van deze twee personen een tas in zijn hand had.

Toen ik vervolgens langs de woning van [betrokkene] reed, die achter mij woont, op het hoekhuis in de Rijnstraat, zag ik één van de personen naast het busje staan wat bij de woning van [betrokkene] geparkeerd stond.”

x.

Op 22 januari 2009 heeft [getuige 5] een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Ik ben op 31 december 2008 naar de Rijnstraat gereden. Toen ik daar aankwam zag ik dat mijn tante, [getuige 1], samen met [medeverdachte 5] uit de woning van mijn vader kwam.

Ik weet dat [medeverdachte 1] (het hof begrijpt: [medeverdachte 1]) altijd in een zwarte Seat Leon rijdt.

Ik heb een verklaring afgelegd bij een vrouwelijke politieagent. Ik heb de verklaring op straat afgelegd. Toen deze klaar was ben ik met een politieagent de woning ingelopen. Toen zag ik gereedschap in de woonkamer liggen. Er lag in ieder geval zo’n blauw mapje met allemaal van die sleutels. Het mapje lag op de computertafel.

Ik heb zwarte bakjes zien liggen toen ik met die politieagent naar binnen liep. Die lagen op de eettafel in de woonkamer.

Dus daar lagen die geldbakjes, of ja geldbakjes, dat denk ik. Die lagen op tafel en die politieagent zat erbij.

Ik werd gebeld door [medeverdachte 4] (het hof begrijpt: [medeverdachte 4]). [medeverdachte 4] vertelde mij dat ik tegen [medeverdachte 5] moest zeggen dat hij gewoon kon zeggen dat het illegaal vuurwerk was.

[medeverdachte 5] vertelde mij dat het niet om illegaal vuurwerk ging.

Ik heb tegen die politieman in de woning gezegd dat die bakjes niet uit dewoning konden komen.”

xi.

Op 12 januari 2009 heeft [verbalisant 18] een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt dat – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Op 7 januari 2009 heb ik in het bijzijn van getuige [getuige 1] een onderzoek ingesteld in de woning [adres] te Eindhoven.

Ik zag op de secretaire verschillende ring/steeksleutels liggen, in een bijbehorende groenkleurige gereedschapsrol. Deze gereedschapsrol lag open. Op de schouw, in de woonkamer, zag ik twee ring/steeksleutels liggen, nummer 22 en nummer 17. Op de grond, voor de schouw, zag ik een decoupeerzaag liggen. Op de tafel in het voorgedeelte van de woonkamer zag ik zeven zwarte plastic muntbakjes liggen. Hierbij lag een punttang met oranje handvaten. Onder de tafel zag ik één zwart plastic muntbakje liggen. Op een klein kastje, in het voorgedeelte van de woonkamer, zag ik een kleine ijzerzaag liggen en een langwerpig keukenmes met wit heft.

In mijn bijzijn werd door getuige [getuige 1] gebeld met de bewoner van het pand. De aanwezige zwarte plastic bakjes waren niet van hem.”

xii.

Op 30 januari 2009 hebben [verbalisant 19] en [verbalisant 20] een proces-verbaal bevindingen opgemaakt dat – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Op 31 december 2008, omstreeks 13.15 uur, zijn wij de woning binnen gegaan op de [adres] te Eindhoven.

Wij zagen dat er een aantal gereedschappen in de woning lagen. Toen wij de woning binnenkwamen, zagen wij aan de rechterkant een openhaard. Wij zagen dat er een donkerkleurige decoupeerzaag op de grond lag, rechts van de openhaard. Wij zagen dat er op de rand van de openhaard, aan de rechterzijde, twee steek-ringsleutels lagen. Wij zagen verder dat er op de computertafel een aantal steeksleutels en ringsleutels lagen. Wij zagen dat deze van verschillende maten waren.

Toen wij de woning binnenkwamen, zagen wij rechts om de hoek, een ‘eettafel’ staan. Wij verbalisanten zagen dat er op deze eettafel ongeveer een zestal plastic doosjes van de kleur zwart stonden. Wij zagen dat de onderkant van deze doosjes een schuine zijde hadden. Wij zagen dat de bovenzijde van de doosjes een open zijde hadden.”

xiii.

Op 8 januari 2009 heeft [verbalisant 21] een proces-verbaal opgemaakt dat – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Op de personenauto Seat Leon met kenteken [kenteken] is plaatsbepalingapparatuur bevestigd. Door het observatieteam van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost is reeds vastgesteld dat [medeverdachte 1] als bestuurder van genoemde auto optreedt.

Op 31 december 2008 werd melding gemaakt van een overval op de supermarkt Aldi, gevestigd op het adres De Bontstraat 84, 5691 SX te Son en Breugel. De overval werd op

31 december 2008 gepleegd tussen 07.45 uur en 08.00 uur.

Aan de hand van het baken is vastgesteld dat het genoemde voertuig zich op

31 december 2008 te 05.30.03 uur (werkelijke tijd: 06.30.03 uur) bevond op de Tulpstraat te Son en Breugel.

Op 31 december 2008 bevond het genoemde voertuig zich te 05.30.55, 05.36.25 en 05.36.52 uur (werkelijke tijden: 06.30.55, 06.36.25 en 06.36.52 uur) in de directe omgeving van de Tulpstraat en Crocusstraat te Son en Breugel, tot om en nabij 07.00.03 uur.

Op 31 december 2008 te 07.00.03 uur (werkelijke tijd: 08.00.03 uur) bevond het genoemde voertuig zich op de Hendrik Veenemanstraat te Son en Breugel.

Op 31 december 2008 te 07.05.40 uur (werkelijke tijd: 08.05.40 uur) bevond het genoemde voertuig zich op de A50 te Son en Breugel.

De afstand van de plaatsbepaling van het baken op de Tulpstraat tot aan de Aldi is hemelsbreed ongeveer 270 meter.

De afstand van de plaatsbepalingen van het baken in de directe omgeving van de Tulpstraat en Crocusstraat tot aan de Aldi is hemelsbreed ongeveer tussen de 340 en 410 meter.

De afstand van de plaatsbepaling van het baken op de Hendrik Veenemanstraat tot aan de Aldi is hemelsbreed ongeveer 767 meter.

De afstand van de plaatsbepaling van het baken op de A50 tot aan de Aldi is hemelsbreed ongeveer 1235 meter.

Op 31 december 2008 werd melding gemaakt van een inbraak in een woning gelegen aan de [adres], [postcode] te Eindhoven, gepleegd tussen 12.30 uur en 13.00 uur.

Aan de hand van het baken is vastgesteld dat het genoemde voertuig zich op

31 december 2008 te 11.34.22 uur (werkelijke tijd: 12.34.22 uur) bevond op de Rijnstraat te Eindhoven.

Op 31 december 2008 te 11.37.21 uur (werkelijke tijd: 12.37.21 uur) bevond het genoemde voertuig zich op de Niersstraat te Eindhoven tot om en nabij 11.56.04 uur (werkelijke tijd: 12.56.04 uur).

De afstand van de plaatsbepalingen van het baken op de Niersstraat te Eindhoven tot aan de [adres] te Eindhoven is hemelsbreed ongeveer 100 meter.”

xiv.

Op 27 februari 2009 heeft [getuige 6] een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Eigenlijk rijden alleen [medeverdachte 1] (het hof begrijpt: [medeverdachte 1]) en ik in de zwarte Seat Leon voorzien van het kenteken [kenteken]. Ik leen eigenlijk alleen de auto uit aan [medeverdachte 1].

Alleen [medeverdachte 1] en ik hebben sleutels van de voornoemde zwarte Seat Leon.”

xv.

Op 29 juni 2009 heeft [verbalisant 21] een proces-verbaal opgemaakt dat – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Op 15 april 2009 is een gesprek opgenomen tussen verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte]. Dit gesprek werd door mij uitgewerkt en hieronder weergegeven.

[verdachte]: Hoe ga je eh met die automobiel regelen

[medeverdachte 1]: Die is van eh dinges, die is van [getuige 6]

[verdachte]: Nee maar eh die baken

[medeverdachte 1]: ehh, da regel ik wel

[verdachte]: jij moet gewoon zeggen van luister eens da dat is mijn auto niet.

[medeverdachte 1]: Da da daarom. Daarom zwijg ik.

[verdachte]: Je moet met [getuige 6] onderhandelen.”

xvi.

Op 26 maart 2009 heeft verdachte een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Op 31 december 2008 ben ik samen met [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] gaan rijden met de Seat Leon. Wij vieren zijn met de auto [medeverdachte 5] op gaan halen.

Wij reden toen met de Seat Leon naar de woning van de vader van [getuige 5] toe. De auto parkeerden wij achter de woning van die vader. Toen wij de auto geparkeerd hadden zijn we naar de woning gelopen. Daar aangekomen zijn we naar binnen gegaan.

Volgens mij zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] terug gelopen naar de Seat Leon.

In de tassen zaten kistjes. Het waren twee kistjes. Ze waren grijs van kleur.

Wij wilden de kistjes open gaan maken, maar toen kwam de tante van [getuige 5]. Ik zag en hoorde dat die tante de politie belde. Wij besloten toen om de spullen te pakken en weg te rennen. Ik, [medeverdachte 1], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] zijn weggerend. [medeverdachte 5] bleef achter.”

xvii.

Op 11 februari 2009 heeft [medeverdachte 4] een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Op 31 december 2008 zijn [medeverdachte 1] en [verdachte] mij op komen halen met de auto, een zwarte Seat Leon. We zijn vervolgens [medeverdachte 3] op gaan halen. Nadat we [medeverdachte 3] hadden opgehaald, hebben we [medeverdachte 5] opgehaald. We zijn naar het huis van de vader van [getuige 5] gereden en hebben de auto in de straat achter het huis geparkeerd. [medeverdachte 5] is uitgestapt om te gaan kijken of er iemand in dat huis was.

Toen we binnen in dat huis waren, kwam er opeens een Nederlandse vrouw binnen die de deur met een sleutel openmaakte. Die vrouw heeft vervolgens met de telefoon van [medeverdachte 5]

met [getuige 5] gesproken. De vrouw belde de politie. [medeverdachte 3], [verdachte], [medeverdachte 1] en ik zijn toen weggegaan. Wij zijn via de gang en de voordeur het huis uitgerend, naar de auto. [medeverdachte 5] bleef achter. Wij zijn in de auto gestapt. [medeverdachte 1] zat achter het stuur. We zijn toen weggereden.

Opmerking verbalisant: [medeverdachte 5] heeft verklaard dat jullie met tassen de woning zijn binnengekomen.

Ik had een tas vast. [medeverdachte 1] droeg een andere tas. Ik heb een tas uitgepakt. Hier zaten twee doosjes in die grijs van kleur waren. Ik heb ze niet opengemaakt omdat we daar de tijd niet voor kregen, omdat die vrouw al snel binnenkwam.

Vraag: Jullie zijn door verschillende getuigen gezien. Één van die getuigen heeft verklaard dat ze jongens heeft zien lopen waarvan er eentje een grijs kistje bij zich had. Wat kun je daar op zeggen?

Antwoord: Dat zal dan wel een van die twee grijze doosjes zijn geweest die we binnen hadden.”

xviii.

Op 10 februari 2009 heeft [medeverdachte 3] een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Ik ben op 31 december 2008 opgehaald door [verdachte]. Hij was met zijn broer [medeverdachte 1]. Een neef van hen, [medeverdachte 4] was er ook bij. Ze zijn me komen halen met de auto. Dat is een zwarte Seat Leon. [medeverdachte 1] was de bestuurder van de auto. We zijn een jongen die [medeverdachte 5] heet op gaan halen.

We zijn met zijn vijven weggegaan met de zwarte Seat. We gingen naar het huis van de vader van [getuige 5] in Acht.

We hebben de auto geparkeerd in een straat achter het huis van de vader van [getuige 5]. [medeverdachte 5] had de sleutel en we zijn vervolgens de woning van de vader van [getuige 5] binnen gegaan. We zijn via de voordeur naar binnen gegaan.

We zijn aan de grote tafel gaan zitten. [medeverdachte 1], [verdachte] en ik zaten aan de tafel. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] stonden. [medeverdachte 5] liep een beetje door de kamer heen.

Er stonden twee dozen op tafel. Op dat moment hoorden we het geluid van een sleutel in de voordeur. Er kwam een vrouw binnen. Dat bleek de zus van de vader van [getuige 5] te zijn. Ik hoorde dat ze de politie belde. Ik ben samen met [medeverdachte 4], [verdachte] en [medeverdachte 1] weggerend. We zijn via de voordeur naar buiten gerend. We zijn vervolgens naar de auto gegaan en met de auto weggereden. [medeverdachte 5] is achtergebleven bij die mevrouw in het huis van de vader van [getuige 5].

Ik was bezig met de twee doosjes die nog op tafel stonden in de tas te stoppen toen die mevrouw binnenkwam.”

xix.

Op 31 december 2008 heeft [medeverdachte 5] een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“[medeverdachte 4] zei dat hij me kwam ophalen. Ik werd opgehaald in een zwarte Seat Leon. Deze auto is van ene [medeverdachte 1] (het hof begrijpt: [medeverdachte 1]). Deze bestuurde de auto ook. In de auto zaten toen ik werd opgehaald vier personen. Ik weet dat de andere jongens [medeverdachte 3] en [verdachte] heten.

We zijn naar de Rijnstraat gereden. We hebben de auto in een straat geparkeerd achter het huis.

[medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] zijn terug gelopen naar de auto. Vervolgens kwamen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] binnen. Deze hadden twee tassen bij zich. Een was een sporttas. Uit de sporttas werden twee kistjes gehaald. Dit waren grijze kistjes. Ze waren metaalkleurig grijs van kleur. De kistjes waren allebei gelijk. Voor mijn gevoel waren het geldkistjes.

Ze probeerden deze kistjes vervolgens met gereedschap te openen. Ik zag dat [medeverdachte 3] probeerde met een moersleutel een kistje open te maken. Aan het kistje zat een draaghendeltje dat ze probeerden op te tillen om dan de moersleutel er tussen te krijgen. Aan de voorzijde van het kistje zat een slot. De moersleutel zat aan de voorzijde in het kistje om hem open te breken.

Op dat moment kwam de tante van mijn vriendin binnen en deze heeft de politie gebeld.

De andere vier jongens zijn weggerend en ik ben blijven staan. De vier zijn met de tassen in de hand weer naar buiten gerend.”

xx.

Op 30 januari 2009 heeft [medeverdachte 5] een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Op 31 december 2008 kwam [medeverdachte 4] mij ophalen. Toen [medeverdachte 4] mij op kwam halen was hij samen met [medeverdachte 1] en [verdachte] en [medeverdachte 3]. Ze waren in een zwarte Seat Leon. Ik zie [medeverdachte 1] vaak in die auto rijden.

Wij zijn met zijn vijven, [medeverdachte 4], [medeverdachte 3], [verdachte], [medeverdachte 1] en ik, naar de woning van de vader van [getuige 5] gereden. Wij zijn daar met de Seat Leon naar toe gereden. Wij hebben de auto vervolgens achter de oprit geparkeerd. [medeverdachte 1] reed in de auto.

Nadat wij geparkeerd hadden ben ik alleen naar de woning gelopen. Toen ik binnen was heb ik [medeverdachte 4] gebeld en gezegd dat ze konden komen. Daarna zijn [medeverdachte 4], [verdachte], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] gekomen en zijn de woning ingegaan.

[medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] hadden twee tassen bij zich.

[getuige 1] (het hof begrijpt: [getuige 1]) deed de deur open en zag mij gelijk. Ik hoorde dat [getuige 1] 112 aan de telefoon had.

Ik stond samen met [getuige 1] in de gang van de woning. [medeverdachte 4] kwam op een gegeven moment naast mij staan. Hij kwam van de woonkamer af. [verdachte], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] waren nog in de woonkamer. Vervolgens zijn zij hem gesmeerd. Ze renden gewoon langs mij en [getuige 1],

de voordeur uit en naar buiten. Eerst gingen [verdachte] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] naar buiten en [medeverdachte 4] rende achter hen aan.

U vraagt mij waar de tassen waren gebleven. Die namen ze mee. Ik zag dat [medeverdachte 1] een tas had. [verdachte] of [medeverdachte 3] moet de andere tas mee hebben genomen. Ik zag dat ze iets in hun hand hadden. Het was een kistje, een donkere kleur. Heel donker grijs. Eén van hun, [verdachte] of [medeverdachte 3], hield het kistje onder zijn arm.

U vraagt mij waar de tassen waren toen ik in de auto zat. Volgens mij in de kofferbak, want toen ik zelf in de auto zat, waren er geen tassen.

Ik had twee kistjes gezien. Een van hun had twee kistjes onder zijn arm. [medeverdachte 1] had de grote tas vast en [medeverdachte 3] of [verdachte] had twee kistjes onder de arm en de ander had de tas. Dus één van hun de kistjes en één van hun de tas. Ik heb gezien dat de kistjes van metaal waren en donkergrijs van kleur. Het waren twee kistjes.

U zegt mij dat ik wist dat er zwarte plastic bakjes in de woning lagen. Vierkante

zeg maar. Die had ik gezien die dag, de 31ste, toen ik mijn Ipod ging halen.”

xxi.

Op 25 februari 2009 heeft [medeverdachte 5] een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Ik ga naar boven. Op dat moment waren [verdachte] en [medeverdachte 3] binnen. Toen ik terug beneden kwam, waren [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] ook naar binnen gekomen. Ik zag toen ook dat er twee

tassen binnen stonden. Ik zag dat het een grote tas was en een kleinere tas. Verder waren er twee kistjes. Ze stonden bij de eettafel. En daar stonden ook de kistjes op.

Ik moet u nog vertellen dat [medeverdachte 1] in de auto aan mij had gevraagd of dat hij een zaag mocht lenen.

Ik zag dat [medeverdachte 3] aan de eettafel zat. Ik zag dat er op de eettafel kistjes stonden. Ik zag ook de twee tassen staan. Die stonden ook bij de eettafel.

Ik ben vervolgens naar de bus gelopen om daar een zaag te pakken. De zaag die [medeverdachte 1] had gevraagd. Ik ben gelijk naar buiten gelopen, naar de bus van [betrokkene] toe. Uit de bus pakte ik toen een elektrische zaag. Ik ben met die zaag naar binnen gelopen en liet die aan [medeverdachte 1] zien. [medeverdachte 1] vertelde mij dat die zaag niet goed was. Hij liet mij een andere zaag zien, een kleintje, een handzaag en vertelde dat die ook niet goed was.

U vraagt mij naar de zwarte plastic bakjes. Die zag ik voor de eerste keer toen ik weer naar binnen ging die dag, toen de politie er was. Net voordat ik werd aangehouden ben ik de woning weer binnen gegaan om mijn iPod te pakken. Toen zag ik zwarte bakjes op de eettafel liggen.

Al heel snel kwam die tante dus binnen. De tante van [getuige 5] was aan de telefoon en ik hoorde dat ze met de politie aan het bellen was. Ik zag vervolgens dat de andere jongens de woning uit renden. Ik weet nog dat [medeverdachte 1] iets in zijn handen had. Dit was een tas volgens mij en een kist. Ik heb twee tassen gezien en twee kisten.

De kistjes leken van metaal. Ik heb ook een hendel gezien.”

xxii.

Op 25 februari 2009 heeft [medeverdachte 5] een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Ik zag twee tassen staan. Ik zag ook die kistjes staan.

Ik zag dat [medeverdachte 3] die kisten probeerde open te maken. De kisten stonden op de tafel.

Vraag: Hoe probeerde hij de kist open te maken.

Antwoord: Gewoon met die sleutel.

Vraag: Hoe probeerde hij dat?

Antwoord: Gewoon door die sleutel er tussen te krijgen. Naar mijn mening zat de deksel van de kisten erg los en kon je daar die sleutel gewoon tussen duwen.

Vraag: Hoe kwam [medeverdachte 3] aan die sleutels?

Antwoord: Die lagen al bij [betrokkene] thuis. Die lagen op de computertafel.

Vraag: Weet je wat voor sleutels het zijn. Moersleutels?

Antwoord: Ja moersleutels.

Die tante en ik zijn een beetje achter die andere jongens aan gerend. Vervolgens zijn we weer terug naar de woning gegaan. Ik ben de woning binnen gegaan om mijn Ipod te pakken. Ik pakte mijn Ipod en toen ik keek zag ik die bakjes liggen. Ik zag een stuk of vier a vijf zwarte bakjes liggen. Die lagen op de eettafel.

Vraag: Wil je nog iets zeggen over hoe de kistjes eruit zagen?

Antwoord: Ze waren donker van kleur en niet zo groot.

Vraag: In je eerste verklaring omschrijf je de kistjes nauwkeurig.

Antwoord: Wat ik gezien heb is dat er een hendel op zat en een gat aan de voorkant. Van het gat dacht ik dat het een slot was. De hendel zat aan de bovenzijde.”

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

S.

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem onder 4. ten laste gelegde, omdat niet bewezen kan worden dat verdachte de geldbakjes opzettelijk voorhanden heeft gehad. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

- de verschillende verklaringen in het dossier tegenstrijdig zijn, maar dat daaruit in ieder geval kan worden afgeleid dat men slechts gedurende zeer korte tijd in de woning is geweest en dat verdachte direct naar het toilet is gegaan;

- het de vraag is of verdachte gezien moet hebben dat werd getracht de geldkistjes open te breken.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt het hof af dat in aanwezigheid van onder meer verdachte door [medeverdachte 3] is getracht een (gelet op de aanwezigheid van een sleutelgat, kennelijk door middel van een sleutel) afgesloten geldkistje open te breken met een moersleutel, terwijl bij in ieder geval verdachte blijkbaar het doel voor ogen stond deze geldkistjes open te maken,

Gelet op deze feiten en omstandigheden, een en ander in onderlinge samenhang gezien, bezien, ook met hetgeen overigens uit de bewijsmiddelen naar voren komt, acht het hof de voor het medeplegen van witwassen vereiste bewuste samenwerking en gezamenlijke uitvoering aanwezig en acht het hof tevens bewezen dat verdachte in vereniging met anderen de litigieuze voorwerpen voorhanden heeft gehad terwijl hij minstgenomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze voorwerpen onmiddellijk of middellijk van misdrijf afkomstig waren

Bijgevolg verwerpt het hof het verweer.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, zoals die naar voren komen uit de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen (genoemd in de voetnoten), alsmede hetgeen onder R. is weergegeven, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof het aan verdachte onder 4. subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat hij:

hij op 31 december 2008 te Eindhoven tezamen en in vereniging met anderen voorwerpen, te weten geldkistjes en geldbakjes, voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededaders wisten dat die bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven telkens is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde onder 1. en 2. is telkens als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 317, eerste lid, juncto artikel 312, tweede lid onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Het bewezen verklaarde onder 3. is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 46, eerste lid, juncto de artikelen 310 en 312, tweede lid, aanhef en onder 2º, juncto artikel 47, eerste lid, aanhef en onder 1º van het Wetboek van Strafrecht,

dan wel juncto de artikelen 317, eerste en derde lid, en 312, tweede lid, aanhef en onder 2º, juncto artikel 47, eerste lid, aanhef en onder 1º van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Het bewezen verklaarde onder 4. is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 420bis, eerste lid, aanhef en onder b, juncto artikel 47, eerste lid, aanhef en onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Zij worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan – kort weergegeven –:

- tweemaal afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

- het medeplegen van voorbereiding van afpersing in vereniging dan wel diefstal met geweld in vereniging;

- het medeplegen van witwassen.

De eerste rechter heeft de verdachte ter zake van – kort weergegeven – tweemaal afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, het medeplegen van voorbereidingshandelingen van diefstal met geweld en of afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, en het medeplegen van opzetheling een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar en 6 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht opgelegd.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het hof verdachte voor de door de eerste rechter bewezen verklaarde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van het onder 4. primair ten laste gelegde en komt aldus tot een bewezenverklaring van minder feiten dan de eerste rechter en van minder feiten dan waarvan de advocaat-generaal bij het bepalen van zijn vordering is uitgegaan.

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf zal worden opgelegd indien het hof alle ten laste gelegde feiten bewezen zal verklaren.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat het bij het om het onder 1. en 2. bewezen verklaarde gaat om brutale overvallen op supermarkten, waarbij verdachte en zijn mededaders personeelsleden onder bedreiging met op vuurwapens gelijke voorwerpen hebben gedwongen tot de afgifte van geld;

- de omstandigheid dat slachtoffers als gevolg van feiten als de onder 1. en 2. bewezen verklaarde nog langdurig last kunnen hebben van nadelige psychische gevolgen, zoals gevoelens van angst en onveiligheid;

- de omstandigheid dat door gewelddadige feiten als de onder 1. en 2. bewezen verklaarde de rechtsorde ernstig is geschokt en dat dergelijke feiten in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid te weeg brengen;

- de mate waarin de onder 1. en 2. bewezen verklaarde feiten hebben geleid tot financiële schade;

- de omstandigheid dat de onder 3. bewezenverklaarde voorbereiding betrekking had op een gewapende overval;

- de omstandigheid dat verdachte met het onder 4 subsidiair bewezenverklaarde voorwerpen, verkregen door een overval, voorhanden heeft gehad en voor anderen verborgen heeft gehouden, althans heeft willen houden;

één en ander in samenhang met het gegeven dat verdachte zich van evengenoemde omstandigheden geen enkele rekenschap heeft gegeven en kennelijk slechts heeft gehandeld met het oog op eigen financieel gewin.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof gelet op:

- de omstandigheid dat verdachte, blijkens het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 25 oktober 2010, niet eerder door een strafrechter is veroordeeld;

- de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van behoorlijke duur met zich brengt.

Bij het bepalen van de duur van deze straf heeft het hof aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd. Aan de hand daarvan heeft het hof een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren en 6 maanden tot uitgangspunt genomen.

In het onderhavige geval is echter sprake van een aantal strafverhogende omstandigheden, te weten:

- de aard en ernst van de bedreigingen in het kader van de onder 1. en 2. bewezen verklaarde feiten;

- de omstandigheid dat de verdachte kennelijk op geen enkele wijze heeft doen blijken het laakbare van zijn handelen in te zien, integendeel. Op 27 maart 2009 werd namelijk een gesprek opgenomen tussen de zich reeds in voorlopige hechtenis bevindende verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] dat onder meer het volgende inhoudt:

“[verdachte]: wanneer ik vrij ben …

[medeverdachte 2]: ja …

[verdachte]: ga ik het goed aanpakken vriend, ik ga niet stoppen, nog een paar keer goed

(…)

[verdachte]: ja, nog een paar keer keihard maar dan praat ik over keihard he, en dat doe ik op mijn eigen manier hè en dan neem ik met mij mensen die ik echt vertrouw, en dan stop ik, en dan kan ik … “hasjiesj” of wiet, of niet!

(…)

[verdachte]: Want als ik nu stop heb ik niks ik kan wel gaan werken maar met werken kan ik niet veel geld verdienen. En jij … ga jij stoppen?

[medeverdachte 2]: waarmee?

[verdachte]: met stelen!”.

Gelet daarop is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een gevangenisstraf van voormelde duur; een verhoging daarvan ligt in de rede. Gelet daarop kan niet worden volstaan met straffen als opgelegd door de eerste rechter, geëist door de advocaat-generaal en bepleit door de verdediging. Het hof zal daarom een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar opleggen.

Maatregelen ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht

1. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat [benadeelde 1], wonende te [woonplaats], [adres], als gevolg van het onder 1. bewezen verklaarde feit, schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 1.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer een bedrag van EUR 1.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

2. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat [benadeelde 2], wonende te [woonplaats], [adres], als gevolg van het onder 1. bewezen verklaarde feit, schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 1.607,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer een bedrag van EUR 1.607,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

3. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat [benadeelde 3], wonende te [woonplaats], [adres], als gevolg van het onder 1. bewezen verklaarde feit, schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 1.607,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer een bedrag van EUR 1.607,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

4. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat [benadeelde 4] (gemachtigde:

[gemachtigde], [adres], [woonplaats]), als gevolg van het onder 2. bewezen verklaarde feit, schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 2.783,90, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer een bedrag van EUR 2.783,90, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Vorderingen van de benadeelde partijen

1. [benadeelde 1], wonende te [woonplaats], [adres], heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend ten bedrage van

EUR 2.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering is door de eerste rechter toegewezen tot een bedrag van EUR 1.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De voeging duurt in zoverre van rechtswege voort in hoger beroep.

De vordering is inhoudelijk niet betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan de verdachte toe te rekenen ook al zouden ook andere daders daarbij zijn betrokken. Aan de wettelijke vereisten, waaronder art. 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid moet deze schade worden begroot op het bedrag van EUR 1.500,00. De vordering zal tot dat beloop worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het onder 1. bewezen verklaarde feit werd begaan tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal de verdachte tevens veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

2. [benadeelde 2], wonende te [woonplaats], [adres], heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend ten bedrage van

EUR 1.607,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is door de eerste rechter toegewezen.

De benadeelde partij heeft in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg gedane vordering.

Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden schade.

De vordering is inhoudelijk niet betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan de verdachte toe te rekenen ook al zouden ook andere daders daarbij zijn betrokken. Aan de wettelijke vereisten, waaronder art. 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid moet deze schade worden begroot op het gevorderde bedrag van EUR 1.607,00. De vordering zal tot dat beloop worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het onder 1. bewezen verklaarde feit werd begaan tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal de verdachte tevens veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

3. [benadeelde 3], wonende te [woonplaats], [adres], heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend ten bedrage van

EUR 1.607,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is door de eerste rechter toegewezen.

De voeging duurt van rechtswege voort in hoger beroep.

Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden schade.

De vordering is inhoudelijk niet betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan de verdachte toe te rekenen ook al zouden ook andere daders daarbij zijn betrokken. Aan de wettelijke vereisten, waaronder art. 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid moet deze schade worden begroot op het gevorderde bedrag van EUR 1.607,00. De vordering zal tot dat beloop worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het onder 1. bewezen verklaarde feit werd begaan tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal de verdachte tevens veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

4. De benadeelde partij [benadeelde 4] (gemachtigde: [gemachtigde], [adres], [woonplaats]) heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend ten bedrage van EUR 2.783,90, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is door de eerste rechter toegewezen.

De voeging duurt van rechtswege voort in hoger beroep.

Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden schade.

De vordering is betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan de verdachte toe te rekenen ook al zouden ook andere daders daarbij zijn betrokken. Aan de wettelijke vereisten, waaronder art. 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid moet deze schade worden begroot op het gevorderde bedrag van EUR 2.000,00.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde handelen materiële schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 783,90. De vordering dient ook in zoverre te worden toegewezen.

Het hof zal de verdachte tevens veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

En ten aanzien van elk van de evenvermelde schadevergoedingsmaatregelen en vorderingen:

Het hof zal bepalen dat indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer komt daarmede zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre te vervallen).

Het hof zal bepalen dat indien en voor zover een mededader van verdachte het slachtoffer schadeloos heeft gesteld, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Voorts zal het hof bepalen dat indien en voor zover een mededader van verdachte de benadeelde partij schadeloos heeft gesteld, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 46, 47, 57, 310, 312, 317 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 4. primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1., 2., 3. en 4. subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1., 2., 3. en 4. subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

1. Afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

2. Afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

3. Medeplegen van voorbereiding van diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen,

of

medeplegen van voorbereiding van afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

4. Medeplegen van witwassen.

Verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [benadeelde 1], wonende te [woonplaats], [adres], aan de Staat een bedrag te betalen van

EUR 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het onder 1. bewezen verklaarde feit werd begaan tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door

25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd, een bedrag te betalen van EUR 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het onder 1. bewezen verklaarde feit werd begaan tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van het geding door de benadeelde partij

[benadeelde 1] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voor zover deze aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, heeft voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voor zover deze aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, heeft voldaan.

Bepaalt dat indien en voor zover een mededader van verdachte het slachtoffer schadeloos heeft gesteld, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat indien en voor zover een mededader van verdachte de benadeelde partij schadeloos heeft gesteld, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [benadeelde 2], wonende te [woonplaats], [adres], aan de Staat een bedrag te betalen van

EUR 1.607,00 (duizend zeshonderdzeven euro), te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het onder 1. bewezen verklaarde feit werd begaan tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door

26 (zesentwintig) dagen hechtenis.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd, een bedrag te betalen van EUR 1.607,00 (duizend zeshonderdzeven euro), te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het onder 1. bewezen verklaarde feit werd begaan tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij

[benadeelde 2] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voor zover deze aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, heeft voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voor zover deze aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, heeft voldaan.

Bepaalt dat indien en voor zover een mededader van verdachte het slachtoffer schadeloos heeft gesteld, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat indien en voor zover een mededader van verdachte de benadeelde partij schadeloos heeft gesteld, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [benadeelde 3], wonende te

[woonplaats], [adres], aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 1.607,00 (duizend zeshonderdzeven euro), te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het onder 1. bewezen verklaarde feit werd begaan tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door

26 (zesentwintig) dagen hechtenis.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd, een bedrag te betalen van EUR 1.607,00 (duizend zeshonderdzeven euro), te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het onder 1. bewezen verklaarde feit werd begaan tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [benadeelde 3] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voor zover deze aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, heeft voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voor zover deze aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, heeft voldaan.

Bepaalt dat indien en voor zover een mededader van verdachte het slachtoffer schadeloos heeft gesteld, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat indien en voor zover een mededader van verdachte de benadeelde partij schadeloos heeft gesteld, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [benadeelde 4] (gemachtigde:

[gemachtigde], [adres], [woonplaats]), aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 2.783,90 (tweeduizend zevenhonderddrieëntachtig euro en negentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het onder 2. bewezen verklaarde feit werd begaan tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 37 (zevenendertig) dagen hechtenis.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4] toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd, een bedrag te betalen van EUR 2.783,90 (tweeduizend zevenhonderddrieëntachtig euro en negentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het onder 2. bewezen verklaarde feit werd begaan tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [benadeelde 4] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voor zover deze aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, heeft voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voor zover deze aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, heeft voldaan.

Bepaalt dat indien en voor zover een mededader van verdachte het slachtoffer schadeloos heeft gesteld, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat indien en voor zover een mededader van verdachte de benadeelde partij schadeloos heeft gesteld, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. K. van der Meijde en mr. F.P.E. Wiemans,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 18 januari 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.