Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BP1013

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-01-2011
Datum publicatie
17-01-2011
Zaaknummer
HD 200.027.009
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechterlijke bevoegdheid in arbeidszaak,

Art. 19 EEX-Verordening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2011/107
AR-Updates.nl 2011-0056
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.027.009

arrest van de achtste kamer van 11 januari 2011

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. A.G.W. Leysen,

tegen:

de vennootschap naar Duits recht ORION SCHALTGERÄTE GmbH,

gevestigd te [vestigingsplaats], Duitsland,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.L.M. Arets,

op het bij exploot van dagvaarding van 25 februari 2009 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Maastricht gewezen vonnis van 28 januari 2009 tussen appellant - [X.] - als eiser in conventie, verweerder in reconventie en geïntimeerde - Orion - als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 286301 CV EXPL 08-968)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het in dezelfde procedure gewezen tussenvonnis van 5 november 2008.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [X.] één grief aangevoerd en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep vernietigt en Orion veroordeelt tot betaling van de bedragen zoals in eerste aanleg gevorderd.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft Orion de grief bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, met veroordeling van [X.] in de kosten van beide instanties.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken in kopie overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grief verwijst het hof naar de memorie van grieven van [X.].

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

Op 1 januari 2007 is [X.] krachtens arbeidsovereenkomst als “Kaufman” (buitendienstmedewerker, verkoper) voor bepaalde tijd - namelijk voor de duur van twaalf maanden - bij Orion in dienst getreden. Het loon bedroeg € 2.800,-- bruto per maand. De door beide partijen ondertekende arbeidsovereenkomst vermeldt in paragraaf 2 onder 3 (productie 1 bij inleidende dagvaarding): ‘Arbeitsort ist der jeweilige Sitz der Firma, derzeit [vestigingsplaats]’. De arbeidsovereenkomst is per 1 oktober 2007 beëindigd op verzoek van [X.].

4.2. [X.] heeft na vermindering van eis gevorderd, kort gezegd, dat Orion wordt veroordeeld tot betaling van:

1. € 8.786,53 netto ter zake van salaris;

2. € 1.316,-- bruto ter zake van vakantiegeld;

3. de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over deze bedragen;

4. de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 15 december 2007;

5. € 1.158,-- aan incassokosten;

met veroordeling van Orion in de kosten van het geding.

4.3. Orion heeft in conventie primair geconcludeerd tot onbevoegdverklaring, subsidiair tot afwijzing van de vorderingen van [X.], met veroordeling van [X.] in de kosten van het geding. Orion heeft na vermeerdering van eis in reconventie gevorderd, kort gezegd, dat [X.] wordt veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording betreffende zijn activiteiten vanaf 1 januari 2007 tot 1 oktober 2007, onder bijvoeging van de cliëntenlijsten, overeenkomsten en omzetlijsten, tot afgifte van de personenauto merk VW, kenteken [kentekennummer], op verbeurte van een dwangsom, en tot betaling van € 8.487,44, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2008, met veroordeling van [X.] in de kosten van het geding.

4.4. De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan beroep in conventie en in reconventie zich onbevoegd verklaard om van de onderhavige vorderingen kennis te nemen en de proceskosten gecompenseerd.

4.5. [X.] komt in de grief op tegen de beslissing van de kantonrechter om zich onbevoegd te verklaren.

4.6. Het hof stelt het volgende voorop. De rechterlijke bevoegdheid moet in deze zaak worden beoordeeld aan de hand van het bepaalde in artikel 19 van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: de Verordening). Deze bepaling luidt als volgt:

De werkgever met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat kan voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

1. voor de gerechten van de lidstaat waar hij woonplaats heeft, of

2. in een andere lidstaat:

a) voor het gerecht van de plaats waar de werknemer gewoonlijk werkt of voor het gerecht van de laatste plaats waar hij gewoonlijk heeft gewerkt, of

b) wanneer de werknemer niet in eenzelfde land gewoonlijk werkt of heeft gewerkt, voor het gerecht van de plaats waar zich de vestiging bevindt of bevond die de werknemer in dienst heeft genomen.

4.7. Op grond van deze bepaling kan de werkgever met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat dus worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de werknemer gewoonlijk werkt of voor het gerecht van de laatste plaats waar hij gewoonlijk heeft gewerkt. Uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU volgt dat, indien de arbeid in meer dan één lidstaat wordt verricht, als plaats waar de werknemer gewoonlijk de arbeid verricht aangemerkt moet worden de plaats waar of van waaruit de werknemer feitelijk het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervult (zie HvJ EG 13 juli 1993, NJ 1997, 61, HvJ EG 9 januari 1997, NJ 1997, 717 en HvJ EG 27 februari 2002, JAR 2002, 208).

4.8. [X.] betoogt in de grief dat de plaats waar of van waaruit hij feitelijk het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens Orion vervulde binnen het arrondissement van de rechtbank Maastricht was gelegen. [X.] stelt in dit verband op blz. 2 en 3 van de memorie van grieven dat hij door Orion was aangetrokken om de producten van Orion op de Nederlandse markt te verkopen en dat hij vanuit zijn woonplaats te [woonplaats] bedrijven bezocht. Hij voert aan dat hij met het bezoeken van de in Nederland gevestigde klanten gemiddeld twee dagen per week onderweg was, dat hij daarnaast - zeer incidenteel - klanten in België en andere EG-landen moest bezoeken en dat hij de resterende tijd vanuit zijn woning in [woonplaats] allerlei andere werkzaamheden verrichtte zoals het uitbrengen van offertes en het per telefoon of per e-mail voeren van overleg met klanten en met Orion. [X.] biedt bewijs aan van zijn stellingen.

4.9. Naar het oordeel van het hof heeft [X.] zijn stelling - dat de plaats waar of van waaruit hij feitelijk het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens Orion vervulde binnen het arrondissement Maastricht was gelegen - onvoldoende onderbouwd. Het hof overweegt daartoe als volgt. [X.] heeft zijn stelling onvoldoende geconcretiseerd en in het geheel niet met stukken gestaafd. De door [X.] in deze procedure overgelegde e-mails zijn niet ter zake dienend. [X.]s stelling dat hij was aangetrokken voor de Nederlandse markt - welke stelling Orion heeft weersproken - is evenmin voldoende onderbouwd. [X.] heeft, ondanks betreffende verzoeken van Orion, nagelaten om namen te noemen van door hem bezochte (potentiële) klanten en inlichtingen te verstrekken over de offertes die hij zou hebben uitgebracht en over andere werkzaamheden van hem. Ook in de onderhavige procedure heeft [X.] daarover geen informatie verschaft. Wel staat vast dat in de beginperiode van het dienstverband meermalen overleg tussen [X.] en Orion heeft plaatsgehad in [vestigingsplaats]. Voorts is van belang dat in de schriftelijke overeenkomst “[plaatsnaam]” als plaats van arbeid wordt aangemerkt en dat [X.] zelf in hoger beroep heeft aangegeven dat hij - zij het incidenteel - klanten in België en andere EG-landen moest bezoeken. Gelet op het voorgaande mocht van [X.] een nadere onderbouwing van zijn stellingen worden verwacht.

4.10. Omdat [X.] zijn stelling onvoldoende heeft onderbouwd, wordt deze verworpen. Voor bewijslevering is dan ook geen plaats. Het voorgaande betekent dat niet geoordeeld kan worden dat [X.] zijn werkzaamheden voor Orion gewoonlijk in het arrondissement Maastricht verrichtte. De kantonrechter heeft zich dan ook terecht onbevoegd verklaard.

4.11. De slotsom is dat het hoger beroep faalt. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [X.] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [X.] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van Orion tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 262,-- aan verschotten en € 894,-- aan salaris advocaat;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Smeenk-van der Weijden, Waaijers en Walsteijn en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 januari 2011.