Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:7190

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-01-2011
Datum publicatie
07-06-2016
Zaaknummer
HD 200.035.310
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2011:4280
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2013:1602
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:3563
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

letselschadezaak, lichte whiplash en langdurige procedure; smartengeld, verlies verdienvermogen, huishoudelijke hulp.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.035.310

arrest van de vierde kamer van 11 januari 2011

in de zaak van

[Verzekeringen] VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

advocaat: mr. G.J.F.M. Linders,

op het bij exploot van dagvaarding van 5 juni 2009 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank Maastricht gewezen vonnissen van 15 augustus 2007 en 18 maart 2009 tussen principaal appellante - [Verzekeringen] - als gedaagde en principaal geïntimeerde - [geïntimeerde] - als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 109221/HA ZA 06-270)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Nadat [Verzekeringen] [geïntimeerde] in hoger beroep had gedagvaard tegen 29 september 2009 heeft [geïntimeerde] een anticipatie-exploot uitgebracht.

2.2.

Bij memorie van grieven heeft [Verzekeringen] één productie overgelegd, zeven grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en, kort gezegd, tot alsnog afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] .

2.3.

Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden. Voorts heeft [geïntimeerde] incidenteel appel ingesteld, daarin één productie overgelegd, acht grieven aangevoerd en geconcludeerd kort gezegd, tot alsnog toewijzing van haar vorderingen in eerste aanleg

2.4. [Verzekeringen] heeft een akte in principaal appel genomen en in incidenteel appel geantwoord.

2.5.

[geïntimeerde] heeft een akte in incidenteel appel genomen, waarna [Verzekeringen] een antwoord akte in incidenteel appel heeft genomen.

2.6.

Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de exacte inhoud van de grieven verwijst het hof naar de tekst van beide memories. Met de grieven is het geschil in volle omvang aan het oordeel van het hof voorgelegd.

4 De beoordeling

in principaal en incidenteel appel

4.1.

Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1.

[geïntimeerde] , die is geboren op [geboortedatum] 1958, is op 28 november 1994, rijdend in haar auto, in de gemeente Brunssum betrokken geweest bij een verkeersongeval, ontstaan doordat een derde, een andere automobilist, haar geen voorrang verleende. Deze derde was op het moment van het ongeval WA verzekerd bij [Verzekeringen] . [Verzekeringen] heeft haar aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend.

4.1.2.

Ten tijde van het ongeval was [geïntimeerde] werkzaam als datatypiste bij de gemeente Heerlen. Het verloop van haar dienstverband bij de gemeente is als volgt:

mei 1981 – januari 1988: 40 uur per week;

januari 1988 – augustus 1989: 32 uur per week;

augustus 1989 – juli 2000: 8 uur per week;

juli 2000 – januari 2005: 16 uur per week;

januari 2005 – heden: 24 uur per week.

4.1.3.

Met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van [geïntimeerde] heeft zich het volgende voorgedaan. Op [geboortedatum] 1989 is haar enig kind, zoon [zoon] , geboren. In augustus 2001 is haar zoon naar de middelbare school gegaan. Vanaf april 2002 woonde [geïntimeerde] niet meer samen met haar man en zoon, maar zelfstandig. Zij is vervolgens van echt gescheiden. Sinds 9 januari 2006 is [geïntimeerde] een geregistreerd partnerschap aangegaan met een nieuwe partner, [nieuwe partner] , met wie zij is gaan samenwonen.

4.1.4.

Op verzoek van [chirurg, medisch adviseur bij Medas] , chirurg, medisch adviseur bij Medas, heeft een evaluatie van de gevolgen van het ongeval van 28-11-1994 plaatsgevonden door dr. [neuroloog 1] , neuroloog. Zijn rapport is uitgebracht in december 1996. Kort weergegeven houdt het rapport het volgende in:

“(…)

Bij sterke uitgesproken klachten is de volgehouden aandachtsconcentratie wat minder goed en kunnen dingen langs haar heen gaan. Is daarbij ook wat prikkelbaarder. (…)

De huidige klachten die werden geuit van nek en schouder, proximaal bovenarm zijn uitsluitend ongevalsgevolg. Andere factoren spelen daarbij geen rol.

(…) Gelet op de tijd die verstreken is kan een eindtoestand worden aangenomen al hoewel het bekend is dat na zeer lange termijnen geleidelijk aan toch nog een aantal mensen verbeteren.

(…) Betrokkene heeft haar beroepsuitoefening weer hervat. Zij werkte tevoren 1 dag per week administratief bij de gemeente Heerlen.

(…) Loonvormende arbeid in het algemeen hebben enige beperkingen: zware belasting van nek en schoudermusculatuur dient te worden vermeden. Werkzaamheden waar frequent heen en weer bewegen van het hoofd een integrerend bestanddeel is beperkt, zo ook het werken boven schouder hoogte en het dragen van lasten van meer dan 10kg incidenteel en 5kg constant.

(…) De activiteiten van het dagelijks leven kunnen gewoon worden uitgevoerd. In de recreatie zijn er beperkingen aan te geven wat betreft het trimmen op muziek en het langer lezen van een boek.(…) Het ligt niet in de lijn der verwachting dat op korte termijn hier veel verandering in zal optreden.

(…) Binnen de groep van patiënten behoort zij tot de minder ernstige gevallen. Ik stel daarom een functionele invaliditeit van de gehele mens voor van 1%.

(…) “

4.1.5.

Op verzoek van [arts, medisch adviseur bij Medas] , arts, medisch adviseur Medas, heeft een geneeskundig onderzoek van [geïntimeerde] plaatsgevonden door [neuroloog 2] , neuroloog. Deze heeft een rapport uitgebracht op 9 juli 1999.

Voor de exacte vraagstelling van [arts, medisch adviseur bij Medas] verwijst het hof naar het rapport. Kort weergegeven heeft [neuroloog 2] de vragen als volgt beantwoord:

“1. (…) De diagnose is te stellen op een mild post-whiplash syndroom.

2. (…) 2. (…) Op grond van eigen onderzoek en de overige mij ter beschikking gestelde gegevens is niet komen vaststaan dat andere factoren dan het ongeval een rol spelen in het door onderzochte aangegeven klachtenpatroon.

2. (…) 3. (…)Gezien de tijdsduur die verstreken is tussen het ongeval en de datum van expertise op 7 juli 1999 kan, mede gezien de beantwoording op vraag 1, gesproken woren van een eindtoestand. Het ligt niet in de lijn der verwachting dat er nog verdere verbetering dan wel verslechtering zal optreden in het klachten.- of beperkingenpatroon.

2. (…) 4. (…) De beperkingen van betrokkene zijn met name zwaardere huishoudelijke activiteiten zoals bovenhandse werkzaamheden, bukken en langdurig handhaven van eenzelfde houding.(…) Deze klachten zijn aannemelijk gezien het doorgemaakte trauma. Onderzochte is door middel van werkplekaanpassing niet beperkt in loonvormende activiteiten. De beperkingen zijn met name in eigen huishouding en in hobby en met name sportbeoefening aanwezig.

2. (…) 5. (…) In de activiteiten voor wat betreft het dagelijks leven zijn er geen beperkingen. Voor wat betreft recreatie is ze niet meer in staat tot squash en handbal en past de fysieke belasting bij gymnastiek aan. (…)

2. (…) 6. (…) Op grond van de criteria aangegeven in de AMA guide, vierde druk, is op grond van het bovenstaande geen percentage blijvende functionele invaliditeit, ongeacht enig beroep vast te stellen.

Op grond van de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie is in het kader van het bestaan van mild post-whiplash syndroom een percentage blijvende functionele invaliditeit vast te stellen waarbij ik voorstel 1 % op grond van de aanwezige tendomyogeen bepaalde pijnklachten en 1 % op basis van de aangegeven cognitieve functiestoornissen in de zin van geheugenproblematiek en inprentingszwakte.

(…)”

4.1.6.

Mr. [arts, medisch adviseur (RG)] , arts, Medisch adviseur (RGA) heeft op 14 januari 2000 aan
[medewerker van Bedrijfsnaam] van [bedrijfsnaam] B.V. betreffende [geïntimeerde] onder meer het volgende geschreven:

“Ten tijde van het onderzoek door collega [neuroloog 2] blijkt dat de klachten aanzienlijk zijn verminderd en zij niet meer constant maar in wisselende mate aanwezig zijn. Zij klaagt vooral nog over een vermoeid gevoel terwijl de pijnklachten niet helemaal zijn verdwenen maar wel duidelijk verminderd, hetgeen ook geldt voor de duizeligheid klachten. Er resteren nog lichte geheugen en concentratiestoornissen maar die hebben betrokkene niet verhinderd haar administratieve werkzaamheden volledig te hervatten. Het blijkt dat betrokkene haar oorspronkelijke werkzaamheden niet meer volledig verricht en zijn er diverse aanpassingen op het werk geregeld. Van belang is dat de klachten toenemen na fysieke inspanning, waardoor betrokkene beperkt is in haar recreatieve activiteiten en ondervindt zij beperkingen bij de verrichtingen in het huishouden. Zij heeft 6 uur huishoudelijke hulp per week voor de zwaardere verrichtingen in het huishouden.

Bij onderzoek kan collega [neuroloog 2] geen neurologische uitvalsverschijnselen vaststellen. De diagnose wordt gesteld op een mild postwhiplashsyndroom, waarvoor een percentage blijvende functionele invaliditeit van 2% van de mens wordt toegekend. Dit percentage lijkt mij acceptabel, waarbij natuurlijk volkomen arbitrair is of men 2, 3 dan wel 4% van de mens toekent. Ik kan u in elk geval geen zwaarwegende argumenten aanreiken opgrond waarvan een hoger percentage zou moeten worden bedongen.

Duidelijk is dat betrokkenen belemmerd is voor die werkzaamheden die duidelijk nek en schouder belastend zijn zeker indien deze duurzaam dienen te worden volgehouden. (…)

[arts, medisch adviseur (RG)] heeft bij deze brief een belastbaarheidspatroon gevoegd.

4.1.7.

Drs. [verzekeringsarts] , verzekeringsarts, heeft aan de advocaat van [geïntimeerde] bij brief van 5 juni 2003 onder meer het volgende geschreven:

“(…) Ik heb op 23 januari 2003 een gesprek gehad met betrokkene. Op 28 oktober 2001 heb ik u al een belastbaarheidspatroon laten toekomen waarbij nog geen beperkingen aangegeven waren ten aanzien van de psychisch belastende factoren aangezien hierover van mijn kant nog geen duidelijkheid bestond. (…)

Conclusie:

Betrokkene heeft ten gevolge van het ongeval nek, schouder en hoofdpijnklachten ontwikkeld. De klachten passen mijns inziens bij een post-whiplashsyndroom. Daarnaast zijn er nog geheugen en concentratiestoornissen die zeker kunnen samenhangen met de chronische pijnklachten. Overbelasting leidt duidelijk tot een toename van de klachten. 24 uur per week werken als maximum is mijns inziens dan ook reëel. Ik heb in mijn belastbaarheidspatroon van 28 oktober 2001 de lichamelijke belastbaarheid al in kaart gebracht. Deze situatie is mijns inziens nog steeds van toepassing. De psychische belastbaarheid is mijns inziens ook beperkt en ik ben het wat dat betreft eens met de hier door de neuroloog aangeven beperkingen. De neuroloog is van mening dat er geen beperking is ten aanzien van het arbeidspatroon. Ik ben echter van mening dat betrokkenen geschikt is om maximaal 24 uur per week te werken. De huidige 16 uur per week geeft immers al een forse toename van haar lichamelijke klachten. Ik heb opnieuw een belastbaarheidspatroon bijgevoegd. (…) “

Bij deze brief is geen door [verzekeringsarts] opgesteld belastbaarheidspatroon overgelegd.

4.1.8.

Door [medewerker van STO Zuid Limburg 1] van de Stiching Thuiszorg Oostelijk Zuid-Limburg is per brief van 7 maart 1996 aan [verzekering] verzekering B.V., destijds de belangenbehartiger van [geïntimeerde] , bericht dat voor [geïntimeerde] een indicatie was gesteld voor 8 uur huishoudelijke hulp per week. Deze indicatie is verduidelijkt in een brief van 27 juni 1996 van [medewerker van STO Zuid Limburg 2] van die stichting. Per brief van 8 april 1997 van Ketelaars is aan [verzekering] verzekering B.V. bericht dat de indicatie voorlopig gelijk blijft.

4.1.9.

[Verzekeringen] heeft bij wijze van voorschot aan [geïntimeerde] € 9.529,38 voldaan, waarvan € 907,56 voor smartengeld.

4.2.

[geïntimeerde] stelt dat zij als gevolg van het ongeval een post-whiplashsyndroom heeft opgelopen en dat zij daardoor materiële en immateriële schade heeft geleden.

Zij vordert, na vermeerdering van eis bij akte na tussenvonnis, voorzover in hoger beroep van belang, de volgende bedragen:

A. materiële schade € 111,11

B. medische kosten € 201,63

C. reiskosten € 142,08

D. hulp in de huishouding

Gehanteerd tarief tot 1 januari 2001 f 10, per uur, daarna € 10,-- per uur

Voor de periode van 28 november 1994 tot januari 2005

8 uur hulp per week à f 10,-- per uur € 181,51

Voor 1995 48 weken 8 uur per week à f 10,-- per uur € 1.742,51

Voor 1996 t/m 2001 idem € 10.455,06

Voor de periode januari t/m april 2002 8 uur à € 10,-- per uur € 1.360,00

Van 1 mei 2002 t/m december 2002 2 uur per week à € 10,-- per uur € 620,00

Voor 2003 t/m 2008 idem € 5.760,00

Vanaf 2009 tot het 70e levensjaar gekapitaliseerd € 13.931,00

Subsidiair

tot het 65e levensjaar gekapitaliseerd € 11.287,00

Daarbij:

1. x per maand ramenwassen tot 1 januari 2009 € 1.611,80

Tot het 70e levensjaar gekapitaliseerd € 871,00

Subsidiair

tot het 65e levensjaar gekapitaliseerd € 705,00

Benzinegeld voor hulp € 1.587,20

E. Verlies arbeidsvermogen

Twee dagen verlies per week ervan uitgaand dat [geïntimeerde]

fulltime zou zijn gaan werken ingaande september 2001 € 117.912,00

tot 65 jaar

subsidiair

één dag verlies per week ervan uitgaand dat [geïntimeerde]

32 uur per week zou zijn gaan werken € 75.135,00

32 uur per week zou zijn gaan werken € 75.135,00

F. Smartengeld € 3.500,00

Alles vermeerderd met wettelijke rente en met aftrek van hetgeen [Verzekeringen] bij wijze van voorschot heeft voldaan.

4.3.

[Verzekeringen] heeft de door [geïntimeerde] gestelde klachten en beperkingen alsmede de omvang van de schade betwist. Zij heeft gesteld dat [geïntimeerde] volgens de expertises van [neuroloog 1] en [neuroloog 2] 99% valide was en heeft daarom betoogd dat [geïntimeerde] na het ongeval meer dagen per week kon werken dan zij feitelijk deed. Zij heeft voorts betwist dat [geïntimeerde] zonder ongeval fulltime zou zijn gaan werken. Bovendien heeft [Verzekeringen] er op gewezen dat [geïntimeerde] in het verleden klachten heeft gehad in het sacro-iliacale gebied en dat zij in 1995 en 1996 nogmaals door haar rug is gegaan. Daarnaast heeft [geïntimeerde] sinds juni 2001 psychische klachten die een negatieve invloed kunnen hebben gehad op de door [geïntimeerde] gestelde aan het ongeval gerelateerde klachten, terwijl ze bovendien te maken had met een negatief life-event, een echtscheiding, aldus [Verzekeringen] . [Verzekeringen] heeft ook de noodzaak en de omvang van de gevorderde huishoudelijke hulp betwist, gezien de beperkte functionele invaliditeit van [geïntimeerde] . Als al moet worden uitgegaan van de noodzaak van huishoudelijk hulp, dan is een eindleeftijd van 65 jaar reëel, daar zij ook zonder ongeval op die leeftijd huishoudelijke hulp nodig zou hebben gehad. De overige gevorderde kosten achtte [Verzekeringen] onvoldoende onderbouwd en zij achtte het wegens immateriële schade reeds uitgekeerde bedrag van € 907,56 toereikend.

4.4.

Nadat zij een comparitie van partijen had gehouden, heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 15 augustus 2007 met betrekking tot het verlies verdienvermogen het volgende overwogen. De rechtbank heeft de conclusies van [neuroloog 1] en [neuroloog 2] overgenomen dat bij [geïntimeerde] sprake is van ongevalsgerelateerde klachten. Of [geïntimeerde] rugklachten heeft gehad achtte de rechtbank niet relevant, nu gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] ’s beperkingen daarmee verband houden. Mede op grond van de rapporten van [arts, medisch adviseur (RG)] en [verzekeringsarts] heeft de rechtbank aannemelijk geacht dat [geïntimeerde] (lichte) beperkingen ondervindt bij loonvormende activiteiten. De rechtbank heeft het voorts, gelet op het arbeidsverleden van [geïntimeerde] niet voldoende aannemelijk geacht dat [geïntimeerde] per 1 september 2001, het ongeval weggedacht, fulltime zou zijn gaan werken. De rechtbank achtte het, gelet op haar arbeidsverleden, aannemelijk dat [geïntimeerde] per die datum 32 uur per week zou zijn gaan werken. Omdat [geïntimeerde] volgens [verzekeringsarts] geschikt is om maximaal 24 uur per week te werken, is de rechtbank uitgegaan van een verlies aan verdienvermogen van 8 uur per week. De rechtbank is er voorts van uitgegaan, dat een bevordering tot functierang 5 niet meer tot [geïntimeerde] ’s mogelijkheden zou behoren.

Met betrekking tot het smartengeld heeft de rechtbank het standpunt van [geïntimeerde] dat haar echtscheiding een gevolg van het ongeval is, verworpen. De rechtbank achtte een smartengeld van € 3.500,00 op zijn plaats.

Met betrekking tot de huishoudelijke hulp heeft de rechtbank de gevorderde hulp toewijsbaar geacht voor gemiddeld 4 uur per week in de periode 1994 tot 2000 en 2 uur per week voor de periode daarna tot het 65e levensjaar van [geïntimeerde] .

Medische kosten achtte de rechtbank toewijsbaar tot € 201,63, de vergoeding voor brillenglazen achtte de rechtbank niet toewijsbaar, voor reiskosten achtte de rechtbank een bedrag van € 142,08 toewijsbaar.

4.4.1.

In het eindvonnis van 18 maart 2009 heeft de rechtbank met betrekking tot het verlies verdienvermogen de door [geïntimeerde] overgelegde berekening van het NRL gevolgd, gebaseerd op een verlies verdienvermogen van 8 uur per week, welke berekening resulteert in een schade van € 75.135,00, waarbij rekening is gehouden met het feit dat [geïntimeerde] met ingang van 1 januari 2007, anders dan de rechtbank veronderstelde, toch is bevorderd tot functierang 5. De rente over de verschenen schade is toegewezen vanaf het moment waarop het verlies verdienvermogen is geleden, de rente over de toekomst- en pensioenschade vanaf 1 januari 2008. Voor kosten huishoudelijke hulp heeft de rechtbank

€ 21.281,12 toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente tot 2009 vanaf de datum waarop de kosten door [geïntimeerde] zijn voldaan en over de toekomstschade vanaf 1 januari 2009. De rechtbank heeft voor immateriële schade € 3.500,00 toegewezen met rente vanaf
28 november 1994. Aan medische kosten heeft de rechtbank € 201,63 toegewezen en aan reiskosten € 142,08, met de wettelijke rente daarover vanaf de datum waarop de kosten zijn gemaakt. De proceskosten heeft de rechtbank tussen partijen gecompenseerd en het meer of anders gevorderde is afgewezen.

4.5.

De eerste vier grieven van [Verzekeringen] zijn gericht tegen het tussenvonnis van
15 augustus 2007. [Verzekeringen] bestrijdt de uitgangspunten van de rechtbank met betrekking tot het verlies verdienvermogen, de behoefte aan huishoudelijke hulp en het smartengeld. De grieven V tot en met VII zijn gericht tegen de beslissing van de rechtbank op die punten in het eindvonnis.

4.5.1.

Grieven 1 tot en met 4 van [geïntimeerde] zijn gericht tegen het tussenvonnis van
15 augustus 2007, de overige grieven zijn gericht tegen het eindvonnis. Grief 1 betreft het verlies verdienvermogen, de grieven 3, 5 en 6 de huishoudelijke hulp, grief 2 houdt in dat de rechtbank ten onrechte niet heeft geoordeeld dat de echtscheiding een gevolg is van het ongeval, grief 4 betreft de afwijzing van de post voor brillenglazen, grief 7 de beslissing van de rechtbank om de proceskosten te compenseren en grief 8 is een algemene grief.

Verlies verdienvermogen

4.6.

Met grief I voert [Verzekeringen] aan dat de rechtbank onjuiste conclusies heeft verbonden aan de rapporten van de deskundigen die tot op heden in deze zaak zijn ingeschakeld. Volgens [Verzekeringen] heeft de rechtbank ten onrechte het rapport gevolgd van [verzekeringsarts] , die heeft geconcludeerd dat [geïntimeerde] 24 uur per week inzetbaar is. Volgens [Verzekeringen] heeft [verzekeringsarts] zijn conclusie niet onderbouwd en is hij bovendien geen arbeidsdeskundige. [Verzekeringen] betwist dat [arts, medisch adviseur (RG)] de conclusie van [verzekeringsarts] onderschrijft. [Verzekeringen] heeft er in haar antwoordakte na tussenvonnis op gewezen dat [neuroloog 2] een onafhankelijk deskundige is, terwijl [verzekeringsarts] de eigen medisch adviseur van [geïntimeerde] is en [arts, medisch adviseur (RG)] is ingeschakeld door [Verzekeringen] . Volgens [Verzekeringen] dient het rapport van [neuroloog 2] te worden gevolgd, wat volgens haar betekent dat [geïntimeerde] voor 99% normaal inzetbaar is en dus niet relevant is beperkt in haar mogelijkheden tot het verrichten van loonvormende arbeid, mits haar werkplek wordt aangepast, zodat van verlies van verdienvermogen geen sprake is. Subsidiair wenst [Verzekeringen] benoeming van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige om objectief vast te stellen of en zo ja in welke mate [geïntimeerde] beperkt is in haar arbeidsmogelijkheden.

4.6.1.

Het hof stelt vast dat beide neurologen, [neuroloog 1] – die blijkens de niet weersproken stelling van [geïntimeerde] door [Verzekeringen] is ingeschakeld - en [neuroloog 2] , hebben geconstateerd dat [geïntimeerde] als gevolg van het ongeval enige beperkingen ondervindt. Beiden stellen tevens vast dat zij behoort tot de minder ernstige gevallen. [neuroloog 2] heeft weliswaar gesteld dat [geïntimeerde] door middel van werkplekaanpassing niet is beperkt in loonvormende activiteiten, maar hij heeft anderzijds wel geconcludeerd dat sprake is van blijvende functionele invaliditeit van 2%, te weten 1% op grond van tendomyogene pijnklachten en 1% op grond van cognitieve functiestoornissen in de zin van geheugenproblematiek en inprentingzwakte. [arts, medisch adviseur (RG)] , de door [Verzekeringen] ingeschakelde medisch adviseur, heeft het percentage van 2 onderschreven, waarbij hij heeft aangegeven dat dat arbitrair is en ook op 4% zou kunnen worden gesteld. [arts, medisch adviseur (RG)] heeft geconstateerd dat [geïntimeerde] haar oorspronkelijke werkzaamheden niet meer volledig verricht en dat er diverse aanpassingen op het werk zijn geregeld. Uit het door [arts, medisch adviseur (RG)] opgemaakte belastbaarheidpatroon blijkt dat [arts, medisch adviseur (RG)] enige beperkingen in aanmerking neemt, ook op psychisch gebied. [verzekeringsarts] ten slotte, die verzekeringsarts is, is op basis van de anamnese tot de conclusie gekomen dat overbelasting van [geïntimeerde] leidt tot toename van haar klachten en dat 24 uur werken per week als maximum reëel is. [verzekeringsarts] noemt nek-, schouder- en hoofdpijnklachten en geheugen- en concentratiestoornissen die kunnen samenhangen met de chronische pijnklachten.

4.6.2.

Uit het voorgaande blijkt, dat alle deskundigen hebben geconstateerd dat [geïntimeerde] als gevolg van het ongeval beperkingen ondervindt. Ook het hof gaat daarvan uit. In zoverre faalt de grief van [Verzekeringen] dus. Dat “slechts” sprake is van 2% functionele invaliditeit, wil niet zeggen dat [geïntimeerde] geschikt is om in vrijwel dezelfde mate arbeid te verrichten als voorafgaand aan het ongeval. De mate van functionele ongeschiktheid zegt immers niet alles over de mate van arbeidsongeschiktheid.

4.6.3.

Evenals de rechtbank acht het hof niet relevant dat [geïntimeerde] rugklachten heeft gehad, omdat gesteld noch gebleken is dat haar beperkingen daarmee verband houden. [neuroloog 1] en [neuroloog 2] verklaarden respectievelijk dat haar klachten uitsluitend ongevalsgevolg zijn en dat niet is komen vaststaan dat andere factoren dan het ongeval een rol spelen in het klachtenpatroon. Evenmin is komen vast te staan dat psychische factoren of de echtscheiding [geïntimeerde] hebben beperkt in haar verdienvermogen, zoals door [Verzekeringen] geopperd, zodat het hof daarmee geen rekening houdt.

4.6.4.

Door [geïntimeerde] is niet weersproken dat [verzekeringsarts] door haar is ingeschakeld. Dat heeft tot gevolg dat aan zijn oordeel niet zonder meer dezelfde waarde kan worden toegekend als aan het oordeel van een in overleg tussen partijen ingeschakelde deskundige. Het enkele feit dat het rapport van [verzekeringsarts] van recenter datum is dan dat van [neuroloog 2] , brengt niet mee dat het rapport van [verzekeringsarts] moet worden gevolgd. Het hof volgt [Verzekeringen] in haar stelling dat uit de brief van [arts, medisch adviseur (RG)] niet kan worden afgeleid dat ook hij van mening is dat [geïntimeerde] maximaal 24 uur per week kan werken. Ook het enkele feit dat [geïntimeerde] daadwerkelijk 24 uur per week is gaan werken kan niet tot het oordeel leiden dat de conclusie van [verzekeringsarts] juist is. Wat precies de beperkingen van [geïntimeerde] met betrekking tot loonvormende arbeid zijn staat daarom nog niet vast. Het hof heeft daarom behoefte aan nadere inlichtingen van [geïntimeerde] , onder meer met betrekking tot de aard van haar werkzaamheden na het ongeval en de aanpassingen die daarin hebben plaatsgevonden alsmede over het verloop van haar klachten. Het hof zal daarom een comparitie van partijen gelasten. Beide partijen kunnen zich daarbij uitlaten over de vraag of het wenselijk is alsnog deskundigen te benoemen, zoals door [Verzekeringen] voorgesteld. Het hof zal [geïntimeerde] ook in de gelegenheid stellen de door [verzekeringsarts] opgestelde belastbaarheidpatronen voor de comparitie in het geding te brengen.

4.7.

Grief II van [Verzekeringen] is gericht tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het carrière perspectief van [geïntimeerde] . Volgens [Verzekeringen] is dat door het ongeval niet verminderd. Het hof ziet niet in welk belang [Verzekeringen] bij deze grief heeft. De overweging van de rechtbank hield in dat een bevordering naar (eind)functierang 5 voor [geïntimeerde] niet meer tot de mogelijkheden behoorde. Consequentie van die overweging was, dat dit verlies in carrièreperspectief in de berekening zou moeten worden meegenomen. In het eindvonnis overwoog de rechtbank dat gebleken is dat [geïntimeerde] toch tot eindfunctierang 5 is bevorderd en dat NRL deze bevordering heeft meeberekend. Niet valt in te zien in welk opzicht een eventueel verlies van carrièreperspectief van [geïntimeerde] nog van belang is. [Verzekeringen] heeft in dit verband ook nog aangevoerd dat uit het POP gesprek dat in 2002 met [geïntimeerde] werd gevoerd dat uitbreiding van haar uren niet werd gehonoreerd. Uit de zinsnede “Voorlopig zal geen invulling gegeven kunnen worden aan een wens meer uren te werken.” kan echter niet worden afgeleid dat een dergelijke uitbreiding ook niet mogelijk zou zijn geweest indien het ongeval niet had plaatsgevonden.

De grief faalt dus.

4.8.

Grief V van [Verzekeringen] is gericht tegen het in het eindvonnis toegewezen bedrag ter zake van verlies verdienvermogen. Het hof stelt vast dat [Verzekeringen] geen bezwaren aanvoert tegen de berekening door het NRL als zodanig en de door dit centrum gehanteerde financiële uitgangspunten van die berekening, maar uitsluitend tegen het door de rechtbank bepaalde uitgangspunt, te weten dat sprake is van een verlies verdienvermogen van 8 uur per week. Indien ook het hof in hoger beroep tot dat verlies verdienvermogen zou komen, kan de berekening van het NRL dus worden gevolgd. Alleen indien dat uitgangspunt verandert, moet opnieuw gerekend worden.

4.9.

Ook de eerste grief van [geïntimeerde] heeft betrekking op de beslissing van de rechtbank in het vonnis van 15 augustus 1007 met betrekking tot het verlies verdienvermogen. Volgens [geïntimeerde] heeft de rechtbank ten onrechte aangenomen dat zij, het ongeval weggedacht, na 1 september niet voltijds zou zijn gaan werken. Volgens [geïntimeerde] heeft de rechtbank daarbij onvoldoende rekening gehouden met het feit dat zij is gescheiden, terwijl van haar ex-echtgenoot weinig alimentatie kon worden verwacht omdat de zoon van partijen bij hem bleef. De rechtbank heeft volgens [geïntimeerde] ten onrechte gewicht toegekend aan het feit dat zij vóór de geboorte van haar zoon al 32 uur per week was gaan werken. Het hof is voorshands van oordeel dat aannemelijk is dat [geïntimeerde] , het ongeval weggedacht, na haar echtscheiding fulltime zou zijn gaan werken. Zij had toen immers niet meer de zorg voor haar zoon en het ligt voor de hand dat zij in die situatie in haar eigen onderhoud moest voorzien. Voor wat betreft de situatie van [geïntimeerde] nadat zij met haar nieuwe partner is gaan samenwonen heeft het hof behoefte aan nadere inlichtingen van [geïntimeerde]

Huishoudelijke hulp

4.10.

De grieven III en VI van [Verzekeringen] en de grieven 3, 5 en 6 van [geïntimeerde] betreffen de toegewezen bedragen voor huishoudelijke hulp.

4.10.1.

[Verzekeringen] stelt in grief III dat onvoldoende is aangetoond dat [geïntimeerde] als gevolg van het ongeval behoefte heeft aan huishoudelijke hulp. Het hof overweegt daaromtrent het volgende. In het rapport van [neuroloog 1] staat dat zware belasting van nek- en schoudermusculateur moet worden vermeden, dat het werken boven schouderhoogte is beperkt en dat dat ook geldt voor het dragen van lasten. [neuroloog 2] vermeldt in zijn rapport dat [geïntimeerde] beperkt is met name voor zwaardere huishoudelijke activiteiten zoals bovenhandse werkzaamheden, bukken en langdurig handhaven van eenzelfde houding. Uit hetgeen is vermeld in 4.1.8. blijkt dat in 1996 en 1997 door Thuiszorg een indicatie was gesteld voor 8 uur huishoudelijke hulp per week. Er is niet gebleken dat dit met andere omstandigheden verband houdt dan het ongeval. Het hof gaat er daarom van uit dat [geïntimeerde] als gevolg van het ongeval niet meer in staat was haar huishoudelijke werkzaamheden volledig te verrichten, zodat enig bedrag aan schade in elk geval toewijsbaar is. In zoverre faalt de grief. Aan [Verzekeringen] kan worden toegegeven dat er geen beperkingenprofiel voor handen is. Het hof heeft behoefte aan nadere inlichtingen van [geïntimeerde] met betrekking tot de feitelijke situatie ten aanzien van de huishoudelijke taken, welke kunnen worden gegeven bij de comparitie.

4.11.

Grief VI van [Verzekeringen] betreft het door de rechtbank toegewezen bedrag voor huishoudelijke hulp. Ook hier gaat het [Verzekeringen] om de daaraan ten grondslag liggende uitgangspunten, niet om de berekening zelf. Partijen zijn het er over eens dat tot en met 2001 een tarief wordt gehanteerd van f 10,00 per uur en van € 10,00 per uur met ingang van 2002. Deze grief dient derhalve te worden aangehouden tot over het aantal uren huishoudelijke hulp kan worden beslist.

4.12.

In grief 3 stelt [geïntimeerde] dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van 4 uur huishoudelijke hulp, in plaats 8 uur kort na het ongeval. Het hof verwijst hier naar hetgeen het hiervoor onder 4.10.1 heeft overwogen met betrekking tot het benodigde aantal uren hulp. [geïntimeerde] heeft verder het uitgangspunt van de rechtbank bestreden dat zij vanaf 65 jaar om andere reden dan het ongeval hulp in de huishouding zou hebben gehad. Dit onderdeel van de grief slaagt. Niet valt in te zien dat [geïntimeerde] , het ongeval weggedacht, vanaf haar 65e levensjaar behoefte zou hebben gehad aan huishoudelijke hulp. [Verzekeringen] heeft dat onvoldoende onderbouwd. Het hof volgt het standpunt van [geïntimeerde] dat de eindleeftijd op 70 zou moeten worden gesteld, waarbij het hof aansluiting zoekt bij het uitgangspunt van de Nederlandse Letselschade Raad voor de berekening van verlies zelfwerkzaamheid, dat volgens die Raad tot het 70e jaar in aanmerking dient te worden genomen.

4.13.

Grief 5 van [geïntimeerde] betreft de berekening door de rechtbank. Volgens [geïntimeerde] heeft de rechtbank ten onrechte niet gerekend met de kapitalisatie factor die door [expert] wordt gehanteerd. [Verzekeringen] heeft daartegen aangevoerd dat niet valt in te zien waarom de kapitalisatieschijf van [expert] maatgevend is, zij meent dat de rechtbank is uitgegaan van een correcte berekening. Het hof stelt vast dat de rechtbank haar berekening niet heeft toegelicht. Nu de uitgangspunten voor de behoefte aan huishoudelijke hulp nog niet vastliggen, kan de schadesom nog niet worden berekend, maar het hof overweegt reeds nu dat het de door [geïntimeerde] gehanteerde factor van 14.5117 redelijk acht, nu de contante waardetabel die wordt gehanteerd door het NRL in het geval van een vrouw van 50 en een looptijd van 20 jaar uitkomt op een factor van 14.5189.

4.14.

Grief 6 van [geïntimeerde] is gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van de vergoeding gevorderd voor ramenwassen en benzinegeld voor de poetsvrouw of ramenwasser. Deze grief faalt, nu [geïntimeerde] ook in hoger beroep niet heeft aangetoond dat zij deze kosten heeft gemaakt.

Smartengeld

4.15.

Grief IV van [Verzekeringen] is gericht tegen de hoogte van het toegewezen smartengeld, te weten € 3.500,00. Volgens [Verzekeringen] is het door haar al betaalde bedrag van € 907,56 voldoende. Het hof neemt in aanmerking dat [geïntimeerde] als gevolg van het ongeval een mild post- whiplashsyndroom heeft opgelopen, waardoor zij pijnklachten heeft ondervonden en waardoor haar psychische belastbaarheid blijvend is beperkt, terwijl zij bovendien blijvend beperkt is in het uitoefenen van haar sportactiviteiten. Dit alles in aanmerking nemend acht het hof evenals de rechtbank een vergoeding voor immateriële schade van

€ 3.500,00 op zijn plaats.

4.16.

In grief VII maakt [Verzekeringen] bezwaar tegen de beslissing dat [Verzekeringen] over het gehele bedrag van € 3.500,00 rente vanaf het moment van het ongeval, omdat [Verzekeringen] heeft nagelaten te stellen wanneer zij het voorschot van € 907,56 heeft betaald. Volgens [Verzekeringen] heeft die betaling plaatsgevonden op 12 maart 1996. [geïntimeerde] heeft in een reactie daarop gesteld dat [Verzekeringen] op genoemde datum heeft aangekondigd dat zij het geld zou overmaken, maar dat zij dat daadwerkelijk niet heeft gedaan voor 1 april 1996. Het hof overweegt als volgt. [Verzekeringen] is het bedrag van € 3.500,00 verschuldigd per datum ongeval, 28 november 1994. Indien [Verzekeringen] een deel van dit bedrag reeds heeft voldaan ligt het op haar weg aan te tonen wanneer die betaling heeft plaatsgevonden. [Verzekeringen] heeft geen bewijs van betaling overgelegd. Het hof gaat daarom uit van de door [geïntimeerde] gestelde datum van betaling. Bij het dictum zal te zijner tijd hiermee rekening worden gehouden, in die zin dat [Verzekeringen] over € 3.500,00 rente verschuldigd is van 28 november 1994 tot 1 april 1996 en over

€ 2.592,44 vanaf 1 april 1996.

Overige grieven

4.17.

Grief 2 van [geïntimeerde] klaagt over het feit dat de rechtbank het geenszins aannemelijk heeft geacht dat de echtscheiding het gevolg is geweest van het ongeval. Het is het hof niet duidelijk welk belang [geïntimeerde] bij deze grief heeft. Theoretisch zou de echtscheiding een rol kunnen spelen bij de hoogte van het smartengeld, maar nu het hof de grief van [Verzekeringen] daartegen heeft verworpen en het smartengeld wordt toegewezen, speelt die kwestie geen rol meer. Het hof bespreekt de grief daarom niet.

4.18.

Grief 4 van [geïntimeerde] betreft de afwijzing van een bedrag voor brillenglazen. De rechtbank heeft deze post, die door [Verzekeringen] werd betwist, afgewezen omdat [geïntimeerde] deze post niet heeft onderbouwd met een aankoopbewijs c.q. nota. Ook in hoger beroep heeft [geïntimeerde] geen bewijsstuk overgelegd. Zij acht het niet reëel te eisen dat zij 14 jaar na dato nog over dergelijk bewijzen beschikt. Het hof verwerpt de grief. [geïntimeerde] dient nu eenmaal haar schadevordering te onderbouwen indien die door haar wederpartij gemotiveerd wordt betwist. Bij gebreke aan een onderbouwing is de vordering niet toewijsbaar.

4.19.

De bespreking van de grief 7, die betrekking heeft op het feit dat de rechtbank de proceskosten heeft gecompenseerd, houdt het hof aan tot de einduitspraak. Hetzelfde geldt voor grief 8, die geen zelfstandige betekenis heeft.

4.20.

In afwachting van de comparitie van partijen wordt iedere beslissing aangehouden.

5 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel

bepaalt dat partijen in persoon dan wel deugdelijk vertegenwoordigd door een persoon die tot het treffen van een minnelijke regeling bevoegd is, zullen verschijnen voor mrs. De Groot-van Dijken, Huijbers-Koopman en Vermeulen, die daartoe zitting zullen houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door hen te bepalen datum, met de hiervoor onder 4.6.4, 4.9 en 4.10.1 vermelde doeleinden;

verwijst de zaak naar de rol van 25 januari 2011 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf en hun raadslieden op dinsdagen in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de advocaat van [geïntimeerde] bij zijn opgave op genoemde rol drie fotokopieën van het procesdossier zal overleggen;

bepaalt dat het hof na genoemde roldatum dag en uur van de comparitie zal vaststellen;

stelt [geïntimeerde] in de gelegenheid kopieën van de hiervoor onder 4.6.4 bedoelde informatie uiterlijk één week voor de comparitie te doen toekomen aan de wederpartij en aan het hof;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. De Groot-van Dijken, Huijbers-Koopman en Vermeulen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 januari 2011.

griffier rolraadsheer

typ. JB