Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:4282

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-09-2011
Datum publicatie
06-10-2016
Zaaknummer
HD 200.040.924
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2010:BO5064
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2013:2313
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2013:5452
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:616
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:5300
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:2343
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:4402
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

benoeming deskundige in letselschadezaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.040.924

arrest van de vierde kamer van 20 september 2011

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen:

de naamloze vennootschap LONDON VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 16 november 2010 in het hoger beroep van het door de rechtbank Roermond onder nummer 80773/HA ZA 07-529 gewezen vonnis van 15 oktober 2008.

6 Het tussenarrest van 16 november 2010

Bij genoemd arrest is een comparitie van partijen gelast en is iedere verdere beslissing aangehouden.

7 Het verdere verloop van de procedure

7.1.

Op 22 februari 2011 heeft genoemde comparitie plaatsgevonden. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt, dat zich in afschrift bij de stukken bevindt.

7.2.

London heeft zoals op de comparitie afgesproken als eerste een memorie na comparitie genomen en daarbij vijf producties overgelegd.

7.3.

[appellant] heeft onder overlegging van drie producties een antwoordmemorie na comparitie genomen.

7.4.

Vervolgens hebben partijen de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

8 De verdere beoordeling

8.1.

De comparitie is gelast om met partijen te bespreken hoe de verdere behandeling van de zaak het beste kan verlopen, meer in het bijzonder of nog nader deskundigenonderzoek nodig is. Op de comparitie is onder meer afgesproken dat beide partijen zich zouden uitlaten over de persoon van de te benoemen psychiater en London is toegestaan desgewenst een door een medicus opgesteld document te overleggen.

London heeft daartoe een rapport van 19 maart 2011 van prof. dr. [psychiater 1] , psychiater, overgelegd. In dit rapport reageert [psychiater 1] , mede naar aanleiding van door de medisch adviseur van London geformuleerde vragen, op de in opdracht van [appellant] uitgebrachte psychiatrische expertise van Pasmans. London heeft voorts nog een commentaar van haar medische deskundige van 19 april 2011 op het rapport van [psychiater 1] overgelegd.

8.2.

Daarmee heeft London haar bezwaren tegen het rapport van Pasmans nader onderbouwd. In het licht van deze gemotiveerde betwisting staan de door [appellant] gestelde psychische klachten als ook het causaal verband tussen die klachten en het ongeval nog niet vast. Het hof verwijst naar en persisteert bij hetgeen op dit punt in het arrest van 16 november 2010 is overwogen ( r.o. 4.9 t/m 4.11). Het hof volgt London niet in haar stelling dat door het overleggen van het rapport van [psychiater 1] is komen vast te staan dat het bewijs van het condicio sine qua non-verband ontbreekt dan wel dat het rapport van [psychiater 1] daartegen voldoende tegenbewijs oplevert. Aan het rapport van [psychiater 1] kleeft net als aan het rapport Pasmans het bezwaar dat het een eenzijdig rapport is. Het hof heeft daarom behoefte aan een psychiatrisch deskundigenonderzoek, dat moet worden verricht conform de regels van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

8.3.

Zoals in r.o. 4.4 van het arrest van 16 november 2010 overwogen, spitst het geschil in hoger beroep zich toe op de vraag of de schade van [appellant] ontstaan na 1 september 2000 aan het ongeval kan worden toegerekend. Daarbij gaat het meer in het bijzonder om de psychische klachten van [appellant] en diens arbeidsongeschiktheid van na 1 september 2000. Vaststaat dat [appellant] met name vanwege psychische klachten (uiteindelijk) volledig arbeidsongeschikt is verklaard. London betwist dat die arbeidsongeschiktheid in causaal verband met het ongeval staat. Zij stelt dat [appellant] ook zonder ongeval psychisch gedecompenseerd zou zijn en arbeidsongeschikt zou zijn geraakt.

Het hof verwijst met betrekking tot de relevantie van de psychische klachten van [appellant] naar hetgeen in r.o. 4.9 van het tussenarrest is overwogen en persisteert bij dat oordeel.

8.4.

Mochten de psychische klachten op grond van het deskundigenbericht komen vast te staan, dan dient vervolgens te worden beoordeeld of deze psychische klachten aan het ongeval kunnen worden toegerekend. Het hof overweegt in dat verband reeds nu dat in verband met de aard van de aansprakelijkheid (een in het verkeer gepleegde onrechtmatige daad) en de aard van de schade (letselschade) in dit geval een ruime toerekeningsmaatstaf moet worden gehanteerd. Niet vereist is dat de klachten een direct gevolg zijn van het ongeval. Dit betekent dat ook de problemen, die [appellant] met het UVW heeft gehad in verband met het stopzetten van zijn uitkeringen en de daaruit voortvloeiende klachten, op grond van artikel 6:98 BW aan het ongeval moeten worden toegerekend. Indien daarbij sprake is van klachten die hun oorzaak vinden in de persoonlijkheid van [appellant] , maar die zonder het ongeval niet zouden zijn ontstaan, dan dient de schade die het gevolg is van deze klachten als gevolg van het ongeval aan de aansprakelijke partij te worden toegerekend. Dit is slechts anders ingeval van bijzondere omstandigheden.

Het hof merkt voorts in aanvulling op r.o. 4.9 van het tussenarrest op dat de pre-existente klachten, persoonlijkheid en moeilijke privé-situatie van [appellant] wel van belang zijn voor de beoordeling van de hypothetische situatie zoals die zonder ongeval zou zijn ontstaan. De arbeidsvermogensschade van [appellant] moet immers worden vastgesteld door een vergelijking te maken tussen de situatie met ongeval en de hypothetische situatie zonder ongeval. Ten aanzien van die laatste situatie is van belang of [appellant] ook zonder ongeval medische klachten en/of beperkingen zou hebben gehad, en zo ja, met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang die klachten zouden hebben geleid tot de arbeidsvermogensschade zoals gevorderd. Bij deze vergelijking komt het aan op de redelijke verwachting van de rechter omtrent toekomstige ontwikkelingen. Daarbij kan de inschatting van de deskundige omtrent de invloed van de pre-existente klachten, persoonlijkheid en moeilijke privé-situatie op die hypothetische situatie van belang zijn.

In de IWMD-vraagstelling worden daarover uitdrukkelijke vragen gesteld aan de deskundige (zie vraag 2).

8.5.

Partijen hebben zich bij akte uit gelaten over de persoon van de te benoemen deskundige.

London stelt voor de psychiaters [psychiater 2] , [psychiater 3] of [psychiater 4] jr. te benoemen. [appellant] deelt in de antwoordmemorie mede niet akkoord te gaan met de door London voorgestelde psychiaters, omdat deze vooral voor verzekeringsmaatschappijen optreden. [appellant] geeft er de voorkeur aan de expertise te laten verrichten door een van de door zijn medisch adviseur genoemde psychiaters, te weten prof. dr. [psychiater 5] , prof. dr. [psychiater 6] of prof. dr. [psychiater 7] .

8.6.

Nu partijen van mening verschillen over de persoon van de te benoemen deskundige, heeft de griffier van het hof zelf een psychiater, drs. J.L.M. Schoutrop, benaderd en deze is bereid in de onderhavige zaak een deskundigenonderzoek te verrichten.

Het hof zal deze tot deskundige benoemen.

8.7.

Partijen zijn het er over eens aan de deskundige de IWMD-vraagstelling ter beantwoording voor te leggen, zoals op de comparitie door het hof voorgesteld.

Het hof zal de deskundige voorts vragen het zogenaamde disclosure statement in te vullen. Dit betekent dat de volgende vragen ter beantwoording worden voorgelegd:

Disclosure statement

1 Persoonlijke gegevens

a. Waar bent u werkzaam?

(indien u bij meerdere organisaties werkzaam bent gaarne alle noemen)

b. Heeft u aan uw beroep gerelateerde nevenfuncties en zo ja, welke?

c. Wat kwalificeert u voor het uitbrengen van een expertiserapport in de onderhavige zaak?

(Te noemen zijn met name opleiding en professionele ervaring)

d. Heeft u in het verleden reeds als expertiserend deskundige opgetreden en zo ja, het vaak

en in wiens opdracht?

(met “in wiens opdracht” wordt bedoeld: in opdracht van de eisende partij, van de

aangesproken partij of van de rechter; het is uiteraard niet de bedoeling namen te noemen)

2 Medisch wetenschappelijke opvattingen

a. Bestaan er over het onderwerp van de expertise medisch wetenschappelijk uiteenlopende

opvattingen?

Indien uw antwoord op vraag 2a bevestigend luidt:

b. Kunt u in hoofdlijnen uiteenzetten in welk opzicht de meningen uiteenlopen (voor zover

mogelijk met verwijzing naar literatuur)?

c. Welke is uw eigen opvatting?

d. Kunt u aangeven of een deskundige met een andere opvatting in het onderhavige geval tot

een ander oordeel was gekomen dan waartoe u komt?

e. Als inderdaad een deskundige met een andere opvatting in het onderhavige geval tot een

ander oordeel was gekomen: kunt u aangeven wat dat oordeel zou zijn geweest?

IWMD-vraagstelling

1 DE SITUATIE MET ONGEVAL

Anamnese (aanbeveling 2.2.4 RMSR)
a. Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en de ernst van het letsel, het verloop van de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen? Welke overige klachten en beperkingen op uw vakgebied worden desgevraagd gemeld? Wilt u in uw anamnese vermelden welke beperkingen op uw vakgebied de onderzochte aangeeft in relatie tot de activiteiten van het algemene dagelijkse leven (ADL), loonvormende arbeid en het uitoefenen van hobby’s, bezigheden in recreatieve sfeer en zelfwerkzaamheid?

Medische gegevens (aanbeveling 2.2.6 RMSR)
b. Wilt u op basis van het medisch dossier van de onderzochte een beschrijving geven van:
- de medische voorgeschiedenis van de onderzochte op uw vakgebied;
- de medische behandeling van het letsel van de onderzochte en het resultaat daarvan.

Medisch onderzoek (aanbeveling 2.2.5 en 2.2.7 RMSR)
c. Wilt u een beschrijving geven van uw bevindingen bij lichamelijk en eventueel hulponderzoek?

Consistentie (aanbeveling 2.2.8 RMSR)
d. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek?
e. Voor zover u de vorige vraag ontkennend beantwoordt, wilt u dan aangeven wat de reactie was van de onderzochte op de door u geconstateerde inconsistenties en welke conclusies u daaruit trekt?

Diagnose (aanbeveling 2.2.15)
f. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven?

Beperkingen (aanbeveling 2.2.17 en 2.2.18 RMSR)
g. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?

Medische eindsituatie (aanbeveling 2.2.14 RMSR)
h. Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel?
i. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?
j. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?
k. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 1g)?

2 DE SITUATIE ZONDER ONGEVAL

Meestal zal het niet mogelijk zijn om onderstaande vragen (met name de vragen 2c - 2e) met zekerheid te beantwoorden. Van u wordt ook niet gevraagd zekerheid te bieden. Wel wordt gevraagd of u vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied uw mening wilt geven over kansen en waarschijnlijkheden. Het is dus de bedoeling dat u aangeeft wat u op grond van uw deskundigheid op uw vakgebied op deze vragen kunt antwoorden (aanbeveling 2.2.14 en 2.2.16 RMSR)

Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval

a. Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft?
b. Zo ja, kunt u dan aangeven welke beperkingen (aanbeveling 2.2.17 en 2.2.18 RMSR) voor het ongeval uit deze klachten en afwijkingen voortvloeiden en thans nog steeds uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien?

Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval
c. Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzochte niet was overkomen?
d. Zo ja (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?
e. Kunt u aangeven welke beperkingen (aanbeveling 2.2.17 en 2.2.18 RMSR) uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid?

f. Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde niet ongevalgerelateerde klachten en afwijkingen?
g. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?
h. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?
i. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 2e)?

3 OVERIG(aanbeveling 2.2.11 RMSR)

a. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak.

8.8.

Uit de vraagstelling volgt dat de deskundige dient te kunnen beschikken over de medische informatie betreffende de psychische klachten van [appellant] . Het gaat daarbij onder meer om de informatie uit de behandelende sector, zoals de informatie over de dagbehandeling van [appellant] bij Vincent van Gogh te Venray. Uit het rapport van Van den Doel blijkt (zie het overzicht van de medische informatie op p. 4 t/m 7) dat deze niet de beschikking heeft gehad over die informatie. Ook uit het rapport van Pasmans blijkt niet dat deze daarover heeft kunnen beschikken.

In de antwoordmemorie geeft [appellant] aan dat deze informatie beschikbaar is.

Het komt het hof praktisch voor als [appellant] - kopieën van - deze informatie, desgewenst via zijn medisch adviseur, ter beschikking stelt aan de deskundige en deze informatie tegelijkertijd, eveneens desgewenst via zijn medisch adviseur, toestuurt aan de medisch adviseur van London. Het is onjuist dat er processueel geen ruimte meer zou zijn om deze informatie over te leggen, zoals London betoogt.

Gelet op de hiervoor aangegeven werkwijze ziet het hof geen reden om, zoals door London voorgesteld, haar eerst in staat te stellen daarover medisch advies in te winnen. De medisch adviseur van London beschikt aldus tijdig over dezelfde informatie als de deskundige en om die reden gaat het hof ervan uit dat London na ontvangst van het conceptrapport in staat is daar via haar medisch adviseur indien nodig op- en aanmerkingen bij te maken, zoals in art. 198 Rv voorzien.

Voor het geval de deskundige nog nadere medische informatie nodig mocht achten, gaat het hof ervan uit dat [appellant] deze aan de deskundige – en via zijn medisch adviseur ook aan de medisch adviseur van London - zal aanreiken. Overigens gaat het hof ervan uit dat [appellant] inmiddels alle relevante medische informatie voor zover nog aanwezig heeft overgelegd.

8.9.

Het hof ziet aanleiding de kosten van het deskundigenbericht vooralsnog ten laste van London te brengen.

8.10.

In afwachting van het deskundigenonderzoek wordt iedere verdere beoordeling aangehouden.

9 De uitspraak

Het hof:

bepaalt dat een deskundigenonderzoek zal worden verricht naar de in onderdeel 8.7 van dit arrest geformuleerde vragen;

benoemt tot deskundige ter beantwoording van deze vragen:

drs. J.L.M. Schoutrop,

p/a Medisch Expertisecentrum Dekkerswald,

Postbus [postbus]

[postcode] [kantoorplaats]

Tel. [netnummer + telefoonnummer] ;

verzoekt de deskundige een schriftelijk en met redenen omkleed bericht, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof;

verzoekt de deskundige tegelijkertijd een afschrift van het bericht aan de advocaten van partijen toe te zenden;

bepaalt dat de deskundige eerst met het onderzoek zal aanvangen nadat de griffier heeft bericht dat het voorschot is ontvangen;

bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijk, ondertekend bericht ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ ‘'s-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op drie maanden nadat door de griffier is bericht dat het voorschot is ontvangen en dat met het onderzoek kan worden aangevangen;

bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundige op het door de deskundige begrote bedrag van € 5.081,30, tenzij partij/partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt; in dat geval zal het hof op het bezwaar/de bezwaren beslissen en de hoogte van het voorschot bepalen;


bepaalt dat London genoemd voorschot van € 5.081,30 binnen 2 weken na heden zal overmaken naar rekeningnummer 56.99.90.572 ten name van Arrondissement 536

‘s-Hertogenbosch onder vermelding van zaaknummer HD 200.040.924;

verzoekt de deskundige, indien zijn kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;

bepaalt dat de griffier een afschrift van dit arrest alsook van het tussenarrest van
16 november 2010 aan de deskundige zal toezenden;

bepaalt dat partijen binnen één week na de datum van dit arrest (een afschrift van) de verdere processtukken aan de deskundige ter beschikking zullen stellen en alle gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijke bericht van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het bericht tevens melding dient te worden gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;

de deskundige wordt gewezen op het in artikel 7:464 lid 2, aanhef en sub b, BW neergelegde inzage- en blokkeringsrecht van [appellant] ; dit recht houdt in dat hij [appellant] in de gelegenheid moet stellen mede te delen of hij de uitslag en de gevolgtrekking van het onderzoek wenst te vernemen, en zo ja, of hij daarvan als eerste wenst kennis te nemen, teneinde te kunnen beslissen of daarvan mededeling aan anderen wordt gedaan;

de deskundige wordt verzocht in zijn rapport te vermelden of en zo ja, op welke wijze, hij aan deze verplichting heeft voldaan;

voor de goede orde wijst het hof erop dat het krachtens het bepaalde in artikel 198 lid 3 Rv uit een gebrek aan medewerking van [appellant] de gevolgtrekking kan maken die het geraden acht;

benoemt mr. H.A.W. Vermeulen tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundige zich, door tussenkomst van de griffie dient te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het verzoek daartoe aanleiding geeft;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 7 februari 2012 voor memorie na deskundigenonderzoek aan de zijde van [appellant] ;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M.A. De Groot-van Dijken, P.M. Huijbers-Koopman en H.A.W. Vermeulen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 20 september 2011.

griffier rolraadsheer