Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:4280

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-09-2011
Datum publicatie
07-06-2016
Zaaknummer
HD 200.035.310
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2011:7190
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2013:1602
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:3563
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Letselschadezaak;

deskundigenonderzoek;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.035.310

arrest van de vierde kamer van 20 september 2011

in de zaak van

[Verzekeringen] VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

advocaat: mr. G.J.F.M. Linders,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 11 januari 2011 in het hoger beroep van de door de rechtbank Maastricht onder nummer 109221/HA ZA 06-270 gewezen vonnissen van 15 augustus 2007 en 18 maart 2009.

6 Het tussenarrest van 11 januari 2011

Bij genoemd arrest is een meervoudige comparitie gelast en is iedere verdere beslissing aangehouden.

7 Het verdere verloop van de procedure

De comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 19 april 2011. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt. Aan het proces-verbaal is gehecht een brief van 6 april 2011 van de advocaat van [geïntimeerde] met drie bijlagen.

[Verzekeringen] heeft een memorie na comparitie met zes producties genomen.

[geïntimeerde] heeft een memorie van antwoord na comparitie genomen.

Vervolgens hebben partijen de gedingstukken overgelegd en opnieuw uitspraak gevraagd.

8 De verdere beoordeling

in principaal en incidenteel appel

8.1

In het tussenarrest heeft het hof de volgende beslissingen genomen:

  1. ) Omdat [neuroloog 1] , [neuroloog 2] , [arts, medisch adviseur (RGA)] en [verzekeringsarts] alle vier hebben geoordeeld dat [geïntimeerde] beperkingen ondervindt als gevolg van het ongeval gaat ook het hof daarvan uit ( 4.6.1).

  2. ) Bij de klachten van [geïntimeerde] spelen andere factoren dan het ongeval geen rol (4.6.3).

  3. ) Het hof gaat ervan uit dat [geïntimeerde] als gevolg van het ongeval niet meer in staat was haar huishoudelijke werkzaamheden volledig te verrichten (4.10.1).

  4. ) Voor de behoefte aan huishoudelijke hulp als gevolg van het ongeval is een eindleeftijd van 70 jaar het uitgangspunt (4.12).

  5. ) Voor de kapitalisatie van de schade van [geïntimeerde] zal worden uitgegaan van de factor 14.5117 (4.13).

  6. ) De vergoeding voor ramenwassen, de vergoeding voor benzinegeld voor poetsvrouw of ramenwasser en de vergoeding voor brillenglazen zijn terecht afgewezen (4.14. en 4.18).

  7. ) Een vergoeding van € 3.500,-- voor immateriële schade is terecht toegewezen; rente daarover zal worden toegewezen over € 3.500,-- van 28 november 1994 tot 1 april 1996 en over € 2.592,44 vanaf 1 april 1996.

8.2.1.

Het hof heeft in het tussenarrest voorts aangegeven dat het over diverse onderwerpen nadere inlichtingen van [geïntimeerde] wenste te ontvangen.

8.2.2.

In dat kader heeft [geïntimeerde] inlichtingen verstrekt over de aard van haar werkzaamheden na het ongeval en de aanpassingen die daarin hebben plaatsgevonden. Zij heeft daartoe een door haar zelf opgestelde verklaring overgelegd die op 23 maart 2011 is ondertekend door de heer [medewerker van de gemeente] , werkzaam hij de gemeente Heerlen. Daarin is, kort gezegd, vermeld dat [geïntimeerde] aanvankelijk als typiste werkte, maar dat zij dat werk niet kon volhouden na het ongeval, omdat ze daarbij steeds dezelfde houding moest aannemen, en dat zij vervolgens is overgeplaatst binnen haar eigen dienst naar de afdeling Reprografie, waar ze steeds in een afwisselende houding heel gevarieerde werkzaamheden kon verrichten. Daardoor werden haar klachten draaglijk, zo stelt zij.

8.2.3.

Op verzoek van het hof heeft [geïntimeerde] voorts de door [verzekeringsarts] opgestelde belastbaarheidspatronen in het geding gebracht. Eén formulier dateert van 28 oktober 2001. Daarin is vermeld dat [geïntimeerde] beperkingen ondervindt bij trappenlopen, klimmen en klauteren, knielen, kruipen en hurken, gebogen werken, kortcyclisch buigen en torderen, gebruik van de nek, reiken, bovenhands werken, tillen, duwen en trekken en dragen. Een tweede formulier dateert van 5 juni 2003. Voor wat betreft de lichamelijke activiteiten worden daarin dezelfde beperkingen vermeld. Daaraan is bij het onderdeel “psychisch belastende factoren” toegevoegd dat werken onder tijdsdruk en een dwingend werktempo niet mogelijk zijn en bij het onderdeel “niet toegestaan arbeidspatroon” dat wisselende diensten niet mogelijk zijn, evenmin als nachtdiensten en dat [geïntimeerde] maximaal 24 uur per week kan werken.

8.2.4.

Bij de comparitie van partijen heeft [geïntimeerde] met betrekking tot haar klachten en activiteiten verklaard, kort weergegeven, dat zij drie dagen per week werkt, op maandag, woensdag en vrijdag en dat zij dat redelijk kan volhouden omdat ze in de tussenliggende dagen kan herstellen. Extra stress levert meer klachten op. Met betrekking tot het huishoudelijk werk heeft [geïntimeerde] verklaard dat dit grotendeels door haar partner, [nieuwe partner van geintimeerde] , wordt gedaan, omdat [geïntimeerde] dat zelf niet kan. Zij stoft, strijkt en stofzuigt, maar kan dat niet lang achtereen volhouden. Boodschappen doen en koken doet zij samen met haar partner. Alleen voor het ramen zemen heeft zij hulp, niet voor de andere werkzaamheden omdat [nieuwe partner van geintimeerde] en zij dat niet kunnen betalen. [geïntimeerde] heeft met betrekking tot de situatie nadat zij met [nieuwe partner van geintimeerde] is gaan samenwonen, verklaard dat [nieuwe partner van geintimeerde] aanvankelijk werkte als onderhoudsmonteur bij DSM en dat hij, omdat hij dat werk niet kon volhouden omdat hij een gedeeltelijke knieprothese heeft gekregen, sinds oktober 2009 een eigen bedrijf heeft als zzp’er. De opbrengst uit dat bedrijf is niet erg hoog. [geïntimeerde] heeft verklaard dat zij gezien de financiële situatie, met name de kosten van de woning en een alimentatieverplichting van [nieuwe partner van geintimeerde] jegens zijn zoon, fulltime zou hebben gewerkt indien het ongeval haar niet was overkomen.

8.3.

Partijen hebben tijdens de comparitie geen overeenstemming over een schikking bereikt. [Verzekeringen] heeft tijdens die comparitie en ook in haar memorie na comparitie primair haar standpunt gehandhaafd dat de vordering van [geïntimeerde] moet worden afgewezen en subsidiair aangedrongen op de benoeming van een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige. [geïntimeerde] heeft haar bezwaren daartegen gehandhaafd.

8.4.

Ter onderbouwing van haar primaire standpunt dat de vordering van [geïntimeerde] moet worden afgewezen heeft [Verzekeringen] zich beroepen op door haar overgelegde uitspraken van het gerechtshof Amsterdam en de rechtbank Amsterdam van respectievelijk 12 april 2011 en 3 februari 2011. Het hof is van oordeel dat de geschillen die in die uitspraken aan de orde zijn, verschillen van het onderhavige geval, onder meer doordat in die zaken door door de rechter benoemde deskundigen is gerapporteerd dat er geen beperkingen voor het slachtoffer waren, respectievelijk geen verband kon worden gelegd tussen de pijnklachten van het slachtoffer en het ongeval, terwijl in het geschil dat nu aan de orde is door vier deskundigen is gerapporteerd dat [geïntimeerde] beperkingen ten gevolge van het ongeval ondervindt. Het hof volgt het, opnieuw naar voren gebrachte, primaire standpunt van [Verzekeringen] dan ook niet en blijft bij zijn oordeel dat van enige beperkingen als gevolg van het ongeval voor [geïntimeerde] moet worden uitgegaan.

8.5.1.

[verzekeringsarts] heeft in zijn rapport vermeld dat [geïntimeerde] maximaal 24 uur per week kan werken en hij heeft dat ook opgenomen in het in 8.2.3 genoemde beperkingenprofiel. [Verzekeringen] heeft tegen deze conclusie van [verzekeringsarts] bezwaar gemaakt. Zij heeft gesteld deze conclusie in tegenspraak is met die van [neuroloog 2] en aangevoerd dat [verzekeringsarts] eenzijdig door [geïntimeerde] is ingeschakeld en niet als onafhankelijke deskundige kan worden beschouwd.

8.5.2.

Het hof heeft in het tussenarrest vermeld dat [verzekeringsarts] verzekeringsarts is. [Verzekeringen] heeft dat in haar conclusie na comparitie weersproken, volgens [Verzekeringen] is [verzekeringsarts] medisch adviseur. [geïntimeerde] heeft in een reactie daarop gesteld dat [verzekeringsarts] inderdaad geen verzekeringsarts meer is, maar dat hij wel 14 jaar bij het UWV en haar rechtsvoorganger het GAK heeft gewerkt. Het hof merkt op dat uit het door [verzekeringsarts] gebruikte briefpapier kan worden afgeleid dat hij zich ten tijde van het uitbrengen van het advies aan de advocaat van [geïntimeerde] nog wel als verzekeringsarts presenteerde. Het hof gaat ervan uit dat [verzekeringsarts] op zichzelf deskundig is ter zake van het opstellen van een beperkingenprofiel.

8.5.3.

[Verzekeringen] heeft een commentaar d.d. 13 april 2011 op het rapport van [verzekeringsarts] van haar medisch adviseur [medisch adviseur] overgelegd. [medisch adviseur] merkt op dat het enigszins arbitrair tot stand gekomen percentage blijvende invaliditeit marginaal is te noemen en in geen verhouding staat tot de beperkingen die [geïntimeerde] zelf stelt te hebben. Hij meldt voorts dat de complexe familiaire verhoudingen waarmee [geïntimeerde] te kampen heeft oorzaak kunnen zijn van hoofdpijnklachten, nekklachten en andere a-specifieke lichamelijke klachten.

8.5.4.

[geïntimeerde] betwist met klem dat haar hoofdpijnklachten, nekklachten en andere a-specifieke klachten ergens anders vandaan komen dan van het ongeval.

8.5.5.

Het hof heeft in rechtsoverweging 4.6.3 van het tussenarrest reeds beslist dat niet is komen vast te staan dat andere factoren dan het ongeval een rol spelen bij de klachten van [geïntimeerde] en dat ook niet is komen vast te staan dat psychische factoren of de echtscheiding haar hebben beperkt in haar verdienvermogen. De opmerkingen van [medisch adviseur] , die geen nieuwe feiten noemt, brengen het hof niet tot een ander oordeel.

8.6.1.

Omdat [verzekeringsarts] inderdaad niet op verzoek van beide partijen heeft gerapporteerd, zal het hof het voorstel van [Verzekeringen] volgen en een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige tot deskundigen benoemen.

8.6.2.

Het hof verzoekt de verzekeringsarts aan de hand van de door [neuroloog 1] (productie 3 bij inleidende dagvaarding, kort weergegeven in rechtsoverweging 4.1.4. van het tussenarrest van 11 januari 2011) en [neuroloog 2] (productie 6 bij inleidende dagvaarding, kort weergegeven in rechtsoverweging 4.1.5. van dat tussenarrest) in hun rapporten aangegeven beperkingen een beperkingenprofiel van [geïntimeerde] op te stellen ten aanzien van loonvormende arbeid en huishoudelijk werk. Aan de verzekeringsarts wordt gevraagd ook aandacht te geven aan de rapporten van de medisch deskundigen [arts, medisch adviseur (RGA)] (productie 7 bij inleidende dagvaarding, kort weergegeven in rechtsoverweging 4.1.6 van het tussenarrest van 11 januari 2011) en [verzekeringsarts] (prod. 12 bij inleidende dagvaarding, kort weergegeven in rechtsoverweging 4.1.7 van dat tussenarrest, Formulieren Functie Informatie Systeem VA/AD gevoegd als bijlagen bij proces-verbaal comparitie van partijen van 19 april 2011).

8.6.3.

Het hof verzoekt de arbeidsdeskundige aan de hand van het door de verzekeringsarts opgestelde beperkingenprofiel de belastbaarheid van [geïntimeerde] en haar behoefte aan hulp voor huishoudelijk werk te onderzoeken.

8.7.

[Verzekeringen] heeft voorgesteld als verzekeringsarts drs S. Knepper te [vestigingsplaats] te benoemen en als arbeidsdeskundige mevrouw H. Artoos te [vestigingsplaats] . Ten aanzien van de persoon van Artoos heeft [geïntimeerde] geen bezwaar gemaakt. Ten aanzien van Knepper heeft [geïntimeerde] aanvankelijk wel bezwaar gemaakt, in die zin dat zij stelde er geen zicht op te hebben of en zo ja in hoeverre Knepper gelieerd is geweest aan verzekeringsmaatschappijen en [Verzekeringen] in het bijzonder. [Verzekeringen] heeft bij haar memorie na comparitie een tweetal disclosure statements van Knepper overgelegd, welke in andere procedures door hem zijn verstrekt. [geïntimeerde] heeft daarop geen commentaar geleverd, zodat het hof ervan uitgaat dat zij haar aanvankelijke bezwaren tegen Knepper heeft laten varen. Ook ten aanzien van de persoon van de te benoemen deskundigen zal het hof daarom het voorstel van [Verzekeringen] volgen. Het hof ziet aanleiding het voorschot voor de deskundigen ten laste van [Verzekeringen] te brengen.

8.8.1.

[Verzekeringen] heeft in de memorie na comparitie onder randnummer 3 en in de memorie van grieven onder randnummer 101 een voorstel gedaan met betrekking tot de aan de deskundigen te stellen vragen. [geïntimeerde] heeft in haar antwoordmemorie na comparitie onder randnummer 12 voorgesteld aan Knepper ook de vraag voor te leggen waar [verzekeringsarts] de beperkingen van [geïntimeerde] te zwaar heeft aangezet. Het hof gaat ervan uit dat [geïntimeerde] voor het overige instemt met de door [Verzekeringen] voorgestelde vragen.

8.8.2.

Het hof zal de door [geïntimeerde] geformuleerde vraag niet afzonderlijk voorleggen, maar de verzekeringsarts verzoeken alle voorliggende medische stukken in zijn oordeel te betrekken, zoals aangegeven in rechtsoverweging 8.6.2. Ook zal het hof de verzekeringsdeskundige vragen aandacht te besteden aan de recente klachten van [geïntimeerde] met betrekking tot haar schouder. Het hof zal aan de deskundigen de volgende vragen voorleggen:

aan de verzekeringsarts:

  1. Wilt u betrokkene oproepen voor een gesprek en aan de hand van de rapporten van [neuroloog 1] en [neuroloog 2] de functionele beperkingen van betrokkene omschrijven en haar belastbaarheid neerleggen in een belastbaarheidsprofiel ten aanzien van loonvormende arbeid en het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden, een en ander ten behoeve van een arbeidsdeskundig onderzoek? Het hof verzoekt u uw oordeel te vormen aan de hand de zich in het dossier bevindende medische stukken, genoemd in rechtsoverweging 8.6.2.

  2. Wilt u daarbij zo mogelijk onderscheid maken tussen de periode kort na het ongeval en latere perioden?

  3. Zijn er overigens nog opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zijn? Het hof verzoekt u in dit kader aandacht te besteden aan de klachten die betrokkene aan haar schouder ondervond/ondervindt, waarvoor zij onlangs een operatie heeft ondergaan.

aan de arbeidsdeskundige:

  1. Betekenen de functiebeperkingen, zoals deze zijn beschreven in de rapporten van de deskundigen [neuroloog 1] en [neuroloog 2] en het op basis van die rapporten vervaardigde belastbaarheidsprofiel dat betrokkene arbeidsdeskundig gezien beperkingen ondervindt bij het verrichten van loonvormende arbeid en huishoudelijk werk?

  2. Is betrokkene als gevolg van de eventuele beperkingen bij het verrichten van loonvormende arbeid geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt te achten voor het eigen beroep (zie rechtsoverwegingen 4.1.2. van het tussenarrest van 11 januari 2011 en 8.2.2 van dit arrest) en zo ja in welke mate?

  3. Indien betrokkene geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt is voor het eigen beroep: is betrokkene wel geheel of gedeeltelijk arbeidsgeschikt te achten voor ander passend werk, rekening houdende met de beperkingen, het opleidings- en arbeidsverleden van betrokkene en haar belangstelling? Zo ja:

- hoeveel uur per week zou betrokkene met deze arbeid belast kunnen worden?

- welk bruto- inkomen kan betrokkene met deze arbeid verdienen?

- welke opleidingen zou betrokkene eventueel moeten volgen, hoe lang duren deze opleidingen en welke kosten zijn daaraan verbonden?

- hoe groot zijn de kansen van betrokkene op de arbeidsmarkt voor dit soort werk bij bedrijven/instellingen in de omgeving van [omgeving] ?

4. Hoe groot is de behoefte aan huishoudelijke hulp per week als gevolg van de eventuele beperkingen bij het verrichten van huishoudelijk werk?

5. Wilt u daarbij zo mogelijk onderscheid maken tussen de periode kort na het ongeval en latere perioden?

6. Zijn er overigens nog opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zijn?

8.9.

Knepper wordt gewezen op het in artikel 7:464 lid 2 aanhef en sub b BW neergelegde inzage- en blokkeringsrecht van [geïntimeerde] . Dit recht houdt in dat hij [geïntimeerde] in de gelegenheid moet stellen mede te delen of zij de uitslag en de gevolgtrekking van het onderzoek wenst te vernemen en, zo ja, of zij daarvan als eerste wenst kennis te nemen, teneinde te kunnen beslissen of daarvan mededeling aan anderen wordt gedaan. De deskundige wordt verzocht in zijn rapport te vermelden of en zo ja, op welke wijze, hij aan deze verplichting heeft voldaan. Voor de goede orde wijst het hof erop dat het krachtens het bepaalde in artikel 198 lid 3 Rv uit een gebrek aan medewerking van [geïntimeerde] de gevolgtrekking kan maken die het geraden acht.

8.10.

Het hof verzoekt eerst Knepper een rapport op te maken binnen drie maanden nadat door de griffier is bericht dat met het onderzoek kan worden begonnen en het definitieve rapport toe te zenden aan mevrouw Artoos en aan het hof. Het hof verzoekt Artoos vervolgens aan de hand van dit rapport binnen drie maanden een rapport op te maken.

8.11.1.

Naast hetgeen is overwogen met betrekking tot de benoeming van deskundigen komen nog twee vragen aan de orde.

8.11.2.

Allereerst moet de vraag beantwoord worden of [geïntimeerde] , het ongeval weggedacht, fulltime zou hebben gewerkt. In rechtsoverweging 4.9 van het tussenarrest heeft het hof het voorshands aannemelijk geacht dat [geïntimeerde] na de echtscheiding fulltime zou zijn gaan werken. De comparitie heeft niet tot een ander oordeel geleid, zodat het hof het voorlopig oordeel definitief maakt. Het hof acht het thans ook aannemelijk dat [geïntimeerde] fulltime zou zijn blijven werken nadat zij met [nieuwe partner van geintimeerde] is gaan samenwonen, op grond van hun financiële situatie. Het is juist, dat de problemen die [nieuwe partner van geintimeerde] met zijn knie heeft ondervonden en het feit dat hij beperkte inkomsten uit zijn bedrijf heeft niets met het ongeval te maken hebben, zoals [Verzekeringen] stelt, maar dat is niet van belang. Het gaat slechts om de vraag in welke situatie [geïntimeerde] zou hebben verkeerd zonder ongeval. In dat geval zou zij naar het oordeel van het hof vanwege een niet rooskleurige financiële situatie fulltime hebben moeten werken.

8.11.3.

Ook moet de vraag beantwoord worden in hoeverre van [nieuwe partner van geintimeerde] een bijdrage in de huishoudelijke werkzaamheden kan worden verlangd. [Verzekeringen] heeft gesteld dat [geïntimeerde] op dat vlak geen schade lijdt omdat al het huishoudelijke werk door [nieuwe partner van geintimeerde] wordt gedaan. Het hof verwerpt dit verweer van [Verzekeringen] . Indien [geïntimeerde] als gevolg van bij het ongeval opgelopen letsel huishoudelijke taken niet meer kan verrichten, mag zij aanspraak maken op vergoeding van huishoudelijke hulp, voor zover het gaat om werkzaamheden waarvan het in de situatie waarin [geïntimeerde] verkeert normaal en gebruikelijk is dat zij worden verricht door professionele, voor hun diensten gehonoreerde hulpverleners. Dat is niet anders als die werkzaamheden – bij gebrek aan voldoende financiële middelen – thans worden verricht door [nieuwe partner van geintimeerde] (verg. HR 05-12-2008, LJN BE9998).

8.12. In afwachting van de deskundigenberichten wordt iedere beslissing aangehouden.

9 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel

9.1.

bepaalt dat een deskundigenonderzoek wordt verricht naar de in rechtsoverweging 8.8.2 van dit arrest geformuleerde vragen;

9.2.

benoemt tot deskundigen ter beantwoording van deze vragen:

dhr. drs. S. Knepper, verzekeringsarts,

[adres] ,

[postcode] [vestigingsplaats] (Gld),

tel. [telefoonnummer]

en:

mw. R.E.E.M. Artoos, arbeidsdeskundige

[Expertise] Expertise

Postbus [postbusnummer]

[postcode] [vestigingsplaats]

tel. [telefoonnummer] ;

9.3.

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van dit arrest aan de deskundigen toezendt;

bepaalt dat partijen binnen één week na de datum van dit arrest (een afschrift van) de verdere processtukken aan de deskundigen ter beschikking zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

9.4.

bepaalt dat de deskundige Knepper eerst met het onderzoek begint nadat daartoe van de griffier bericht is ontvangen en dat de deskundige Artoos met het onderzoek zal aanvangen nadat zij van Knepper het definitieve belastbaarheidsprofiel van Knepper heeft ontvangen;

bepaalt dat de deskundigen bij het onderzoek – en ten aanzien van de conceptrapportage – partijen in de gelegenheid stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk bericht van de deskundigen moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het bericht tevens melding wordt gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;

verzoekt de deskundigen ieder afzonderlijk een schriftelijk en met redenen omkleed bericht, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof en tegelijkertijd een afschrift van het bericht aan de advocaten van partijen toe te zenden;

bepaalt de termijn waarbinnen de beide schriftelijke, ondertekend berichten ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op zes maanden nadat door de griffier is bericht dat met het onderzoek kan worden begonnen;

wijst de deskundige Knepper en partijen op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 8.9 is overwogen met betrekking tot het inzage- en blokkeringsrecht;

bepaalt dat de deskundige Knepper in zijn rapport vermeldt of en zo ja op welke wijze hij heeft voldaan aan zijn verplichting om [geïntimeerde] in de gelegenheid te stellen mede te delen of zij van haar inzage- en blokkeringsrecht gebruik wenste te maken;

9.5.

bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundigen op het door de deskundigen begrote bedrag van € 5.000,-- inclusief btw voor Knepper en € 8.092,-- inclusief btw voor Artoos, in totaal € 13.092,-- tenzij partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij (die binnen twee dagen hierop kan reageren bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij) tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval het hof op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen en de hoogte van het voorschot zal bepalen;

bepaalt dat [Verzekeringen] genoemd voorschot van € 13.092,-- binnen 2 weken na heden zal overmaken naar rekeningnummer 56.99.90.572 ten name van Arrondissement 536

‘s-Hertogenbosch onder vermelding van zaaknummer HD 200.035.310;

verzoekt de deskundigen, indien hun kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;

9.6.

benoemt mr. P.M. Huijbers-Koopman tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundigen zich, door tussenkomst van de griffier dienen te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;

9.7.

verwijst de zaak naar de rol van 17 april 2012 voor memorie na deskundigenonderzoek, aan de zijde van [Verzekeringen] ;

9.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M.A. de Groot-van Dijken, P.M. Huijbers-Koopman en H.A.W. Vermeulen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 20 september 2011.

griffier rolradsheer

typ. JB