Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BT6272

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-02-2010
Datum publicatie
30-09-2011
Zaaknummer
HD 200.008.642 T
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2008:BC6333
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:BY7845, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2013:BY7845
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak waarbij bewijslast voor de juistheid van zekere diffamerende beweringen werd gelegd bij degene(n) die verantwoordelijk waren voor de publicatie van deze beweringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HD 200.008.642

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

zesde kamer, van 16 februari 2010,

gewezen in de zaak van:

1. UITGEVERSMAATSCHAPPIJ DE LIMBURGER B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [X.],

wonende te [woonplaats],

3. [Y.],

wonende te [woonplaats],

appellanten in principaal appel bij exploot van dagvaarding van 28 mei 2008,

geïntimeerden in incidenteel appel,

advocaat: mr. J.L.J.E. Koster,

tegen:

[Z.],

wonende te [woonplaats] (Duitsland),

geïntimeerde in principaal appel bij gemeld exploit,

appellant in incidenteel appel,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht gewezen vonnis van 12 maart 2008 tussen principaal appellanten – hierna gezamenlijk De Limburger c.s. en afzonderlijk respectievelijk De Limburger, [X.] en [Y.] - als gedaagden en principaal geïntimeerde – [Z.] - als eiser.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 120425/HA ZA07-548)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het beroepen vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

Bij memorie van grieven heeft De Limburger c.s. onder overlegging van producties negen grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en, kort gezegd, tot het alsnog niet ontvankelijk verklaren van [Z.] in zijn vorderingen dan wel deze aan hem te ontzeggen.

Bij memorie van antwoord heeft [Z.] onder overlegging van producties de grieven bestreden. Voorts heeft [Z.] incidenteel appel ingesteld, daarin één grief aangevoerd en geconcludeerd tot bekrachtiging van het beroepen vonnis met uitzondering van de hoogte van de toegewezen schadevergoeding en gevorderd deze te bepalen op € 10.000,=.

Bij memorie van antwoord in het incidenteel appel heeft De Limburger c.s. de grief bestreden. Tevens heeft De Limburger bij akte in principaal appel gereageerd op de door [Z.] ingeroepen exceptie van nietigheid en zich uitgelaten over de producties.

Vervolgens hebben partijen, beiden onder overlegging van producties, schriftelijk gepleit.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

3. De gronden van het beroep

Voor de exacte inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memories van grieven.

4. De beoordeling

in principaal en incidenteel appel

4.1 Geen expliciete grieven zijn gericht tegen de feiten zoals door de rechtbank vastgesteld in rechtsoverweging 2.1 van het beroepen vonnis. Het hof zal derhalve van dezelfde feiten uitgaan. Voorts staan nog enkele andere feiten tussen partijen onbetwist vast. Het hof zal voor de leesbaarheid van dit arrest hierna een overzicht van de relevante feiten geven.

(a) [Z.] heeft vanaf 1997 tot eind 2006 gewoond in het appartementencomplex La Tour Meuse in [plaatsnaam] (hierna: het appartementencomplex). In deze periode heeft [Z.] twee periodes zitting gehad in het bestuur van de Vereniging van Eigenaren van het appartementencomplex.

(b) [Z.] was van 31 januari 2003 tot en met 14 maart 2006 lid van de gemeenteraad van de gemeente Arcen en Velden.

(c) De Limburger is uitgever van Dagblad De Limburger, met verschillende edities in Limburg. [X.] en [Y.] waren ten tijde van de na te melden artikelen van 25 augustus en 15 november 2005 in dienst van Media Groep Limburg B.V., die alle aandelen houdt in De Limburger.

(d) Op 17 augustus 2005 heeft [Y.] [Z.] een aangetekende brief gestuurd (bijlage 6 bij prod. 5 inl. dagv.), waarin onder andere wordt vermeld:

“Ons telefoongesprek van heden noopt mij tot het maken van de volgende opmerkingen. Gistermiddag heb ik u gebeld met het verzoek een afspraak met mij te maken. Aanleiding is een artikel dat dagblad De Limburger in voorbereiding heeft over problemen in wooncomplex La Tour Meuse in [plaatsnaam]. Er zijn problemen tussen bewoners onderling, met de Vereniging van Eigenaren, de Woningstichting Venlo-Blerick en de gemeente Arcen en Velden. Naast deze bronnen heeft Dagblad De Limburger openbare bronnen geraadpleegd, zoals vonnissen van rechters.

Uw persoon speelt een belangrijke rol in het artikel dat in voorbereiding is. De reden om te vragen om een persoonlijke afspraak is dat de kwestie te belangrijk en complex is om af te doen met een telefoontje waarin u wordt gevraagd uw zienswijze te geven. Ik heb u in een ongeveer half uur durend telefoongesprek geprobeerd ervan te overtuigen dat het van belang is dat u uw mening kenbaar maakt. Ik wil u in een persoonlijk gesprek exact voorleggen wat uit andere bronnen is voortgekomen. Bovendien heb ik aangeboden - omdat u twijfelde aan de eerlijkheid van de journalist - een te produceren artikel aan u voor te leggen met deze restrictie dat u alleen gevraagd wordt te kijken naar feitelijke onjuistheden in passages waarin u wordt aangehaald. Bovendien heb ik nadrukkelijk gesteld dat er geen tijdsdruk is en dat u alle tijd krijgt om te reageren. Uw opmerking dat u wordt overrompeld, snijdt dus geen hout.

Het spijt mij te moeten constateren dat u ondanks herhaald aandringen van deze mogelijkheid geen gebruik wenst te maken.

(..)”

(e) Bij tot De Limburger gerichte e-mail van 16 augustus en brief van 19 augustus 2005 (bijlage 4 bij prod. 5 inl. dagv.) heeft [Z.] aangegeven enkel tot het geven van een weerwoord en/of commentaar bereid te zijn, wanneer aan zekere voorwaarden zou worden voldaan.

(f) Op 25 augustus 2005 is in Dagblad De Limburger, editie Venlo, een door [X.] en [Y.] geschreven artikel (prod. 1a inl. dagv.) op de voorpagina geplaatst, met de volgende kop:

“Bewoners: raadslid ‘terrorist’ in wooncomplex”

De eerste alinea van het artikel luidt als volgt:

“Raadslid [Z.] gedraagt zich als “een psychologisch terrorist” en “querulant” in het penthouse in wooncomplex La Tour Meuse in [plaatsnaam]. Dat zeggen enkele bewoners uit het complex. Hij dreigt met rechtszaken en zorgt voor een stroom (dreig)brieven. Ook Woningstichting Venlo-Blerick en de gemeente Arcen en Velden zijn meer dan eens voor de rechter gedaagd door [Z.].”

Het artikel sluit af met de volgende alinea:

“[Z.] wil niet met deze krant praten zolang zaken onder de rechter zijn.”

(g) Op 15 november 2005 is in Dagblad De Limburger, editie Venlo, een door [Y.] geschreven artikel (prod. 2 inl. dagv.) geplaatst waarvan de tweede alinea als volgt luidt:

“Zoals eerder gemeld vinden bewoners van het complex dat [Z.] zich als een “psychologisch terrorist” en “querulant” gedraagt. Hij dreigt met rechtszaken en zorgt voor een stroom (dreig)brieven. Met als gevolg dat bewoners in angst leven en zijn opgestapt uit het bestuur van de Vereniging van Eigenaren.”

Het artikel sluit af met de volgende alinea:

“[Z.] wil niet reageren zolang de zaken onder de rechter zijn.”

(h) [Z.] heeft naar aanleiding van voornoemde artikelen en twee artikelen van 13 april en 24 juni 2006 (prod. 3 en 4 inl. dagv.) een klaagschrift (prod. 5 inl. dagv.) ingediend tegen [Y.], [X.] en de hoofdredacteur van Dagblad De Limburger bij de Raad voor de Journalistiek.

(i) De Raad voor de Journalistiek heeft bij uitspraak van 28 september 2006 (prod. B cva) de klachten voor zover deze betrekking heeft op het artikel van 25 augustus 2005 niet ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. De klachten terzake de overige artikelen zijn door de Raad beoordeeld aan de hand van de norm of de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. De Raad heeft de klacht ter zake het gebruik van de term ‘terrorist’ in het artikel van 15 november 2005 gegrond verklaard. De klachten dat in de artikelen ten onrechte was vermeld dat [Z.] (oud) raadslid was en dat geen wederhoor zou zijn toegepast heeft de Raad ongegrond verklaard.

(j) Bij brief van 13 februari 2007 heeft [Z.] De Limburger gesommeerd een bedrag van € 10.613,70 vanwege immateriële schade vermeerderd met rente te voldoen. De Limburger heeft deze sommatie naast zich neergelegd.

4.2 In eerste aanleg vordert [Z.] dat De Limburger c.s. hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 10.000,=, vermeerderd met wettelijke rente.

Ter onderbouwing van zijn vorderingen stelt [Z.] dat hij door de aanduidingen ‘terrorist’ en ‘psychologisch terrorist’ in de artikelen van 25 augustus 2005 en 15 november 2005 is aangetast in zijn persoonlijke integriteit, terwijl onvoldoende wederhoor heeft plaatsgevonden. Hierdoor heeft De Limburger c.s. onrechtmatig gehandeld hetgeen heeft geleid tot immateriële schade. De Limburger dient deze te vergoeden, aldus [Z.].

De Limburger heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

De rechtbank heeft geoordeeld dat De Limburger c.s. door het gebruik van de woorden ‘terrorist’ en ‘psychologisch terrorist’ onrechtmatig heeft gehandeld en een immateriële schadevergoeding ten bedrage van € 750,= toegewezen, onder veroordeling van De Limburger in de proceskosten.

4.3 [Z.] – die in Duitsland woont - stelt allereerst dat de appeldagvaarding hem nooit heeft bereikt en ook verkeerd is uitgebracht nu deze is verzonden per aangetekende post zonder ontvangstbevestiging. De dagvaarding is derhalve nietig, aldus [Z.].

De Limburger c.s. stelt dat de appeldagvaarding wel degelijk op juiste wijze is uitgebracht en dat deze [Z.] ook heeft bereikt. Verder is [Z.] door een eventuele nietigheid niet geschaad nu hij is verschenen, aldus De Limburger c.s.

Het hof verwerpt het beroep door [Z.] op de nietigheid van de appeldagvaarding. Voorzover [Z.] zich erop beroept dat hij de appeldagvaarding niet kent, heeft hij deze grond onvoldoende onderbouwd in het licht van het feit dat hij in de memorie van antwoord bij herhaling uit de appeldagvaarding citeert. Bovendien heeft [Z.] - naar hij stelt in afwachting van een juiste betekening in Duitsland – de zaak eerst geobserveerd en heeft hij later, nadat verstek was verleend, dit verstek laten zuiveren. [Z.] wist kennelijk wel degelijk van het bestaan van de procedure. Nu [Z.] in deze procedure is verschenen en hij geen, althans onvoldoende, feiten en omstandigheden heeft gesteld, waarom hij door de (gestelde) onjuiste betekening in zijn belangen zou zijn geschaad, wordt het beroep op de nietigheid verworpen.

Voorzover [Z.] bedoelt dat De Limburger c.s. – doordat de appeldagvaarding hem nooit zou hebben bereikt - niet tijdig in appel is gekomen en derhalve niet ontvankelijk is, verwerpt het hof dit verweer. Nu [Z.] in Duitsland woont en de onderhavige zaak een handelszaak betreft, volgt uit art. 56 lid 3 Rv dat als datum van betekening geldt de datum van verzending overeenkomstig art. 56 lid 2 Rv. Uit de appeldagvaarding blijkt dat deze op 28 mei 2008 door de verzendende instantie in Nederland (deurwaarder mr. R.J.V.M. Batta) naar de ontvangende instantie te Duitsland (het Ambtsgericht te Kleve) is gezonden. De appeldagvaarding is derhalve op 28 mei 2008 – en dus tijdig - betekend.

De klacht van [Z.] dat de appeldagvaarding per aangetekende post naar Duitsland is gestuurd, terwijl dat bij aangetekende post met bericht van ontvangst had moeten zijn, is eveneens ongegrond. Anders dan waar [Z.] van uitgaat, heeft De Limburger c.s. niet de weg van de rechtstreekse toezending van art. 14 van de EG-verordening nr. 1348/2000 van de Raad van de Europese Unie van 29 mei 2000 (de Betekeningsverordening) bewandeld, maar de weg van art. 4 e.v. van die verordening.

Toezending per aangetekende post met bericht van ontvangst was derhalve niet noodzakelijk (art. 4 lid 2 Betekeningsverordening).

4.4 Aangezien [Z.] woont in Duitsland, heeft het geschil internationale aspecten, zodat moet worden onderzocht of de Nederlandse rechter bevoegd is er kennis van te nemen. Dit is het geval: het geschil betreft een handelszaak als bedoeld in art. 1 van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-verordening).

Nu De Limburger c.s. in eerste aanleg is verschenen voor de Nederlandse rechter zonder diens bevoegdheid te betwisten, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht ingevolge art. 24 van genoemde verordening.

4.5 Partijen hebben zich niet uitgelaten over het toepasselijke recht. Het hof begrijpt (ambtshalve) uit het feit dat partijen in hun stellingen aansluiting zoeken bij het Nederlandse recht, terwijl ook niet is gegriefd tegen de toepassing van Nederlands recht door de rechtbank, dat partijen – voor zover zulks overigens noodzakelijk was – voor de toepasselijkheid van het Nederlandse recht hebben gekozen.

4.6 De grieven in het principaal appel richten zich tegen alle oordelen van de rechtbank die de strekking hebben dat De Limburger c.s. onrechtmatig jegens [Z.] heeft gehandeld en derhalve aansprakelijk is voor de immateriële schade van € 750,=. Het hof zal de grieven gezamenlijk behandelen.

4.7 De grief in het incidenteel appel richt zich tegen de (geringe) hoogte van de toegekende immateriële schadevergoeding van € 750,=.

4.8 Het hof stelt in het principaal en incidenteel appel voorop dat het in deze zaak gaat om de botsing van twee fundamentele rechten namelijk aan de zijde van De Limburger c.s. het recht op vrijheid van meningsuiting en aan de zijde van [Z.] zijn recht op eer en goede naam en op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer

(HR 18 januari 2008, LJN: BB3210). Het antwoord op de vraag welk van beide rechten in het onderhavige geval zwaarder weegt, moet worden gevonden door een afweging van alle terzake dienende omstandigheden van het geval. Tot deze omstandigheden behoren onder meer enerzijds de aard van de publicatie en de ernst van de te verwachten gevolgen hiervan voor [Z.] en anderzijds de ernst – bezien vanuit het algemeen belang - van de misstand die de publicatie aan de kaak beoogt te stellen, de mate waarin ten tijde van de publicatie de feiten steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal, de inkleding van de feiten, en tenslotte, de mate van (de in het gegeven geval vereiste) zorgvuldigheid van het door De Limburger c.s. aan haar publicatie ten grondslag gelegde onderzoek.

4.9 [Z.] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij door de aanduidingen “terrorist” en “psychologisch terrorist” in de artikelen van 25 augustus 2005 en 15 november 2005 is aangetast in zijn persoonlijke integriteit. Verder heeft De Limburger c.s. bij de totstandkoming van het artikel van 25 augustus 2005 [Z.] onvoldoende de mogelijkheid tot wederhoor geboden. Vanwege dit onrechtmatig handelen door De Limburger c.s. heeft [Z.] hinder ondervonden, zowel als raadslid als in privé. Als gevolg hiervan heeft [Z.] een immateriële schade geleden van € 10.000,= die De Limburger c.s. dient te vergoeden, aldus [Z.].

4.10 De Limburger c.s. voert het verweer dat de aanduidingen “terrorist” en “psychologisch terrorist” afkomstig zijn van de medebewoners van het appartementencomplex, en dat zulks ook duidelijk blijkt uit de artikelen van

25 augustus 2005 en 15 november 2005. Verder heeft De Limburger c.s. [Z.] voor het artikel van 25 augustus 2005 wel degelijk in de gelegenheid gesteld zijn kant van het verhaal te vertellen. Ook de door [Z.] ondervonden hinder en de hoogte van de schade betwist De Limburger c.s.

4.11 Het hof begrijpt de door [Z.] gestelde grondslag van de vordering aldus dat (enkel) het gebruik van de woorden “terrorist” en “psychologisch terrorist” in de artikelen van 25 augustus 2005 en 15 november 2005 (zie rechtsoverweging 4.1 sub f en g) onrechtmatig is, mede in het licht van het gegeven dat [Z.] vóór de publicatie van het artikel van 25 augustus onvoldoende is gehoord.

Deze lezing impliceert dat het hof de klachten van [Z.] over het resterende deel van de artikelen van

25 augustus en 15 november 2005 en andere artikelen, niet opvat als een betoog dat ook (het resterende deel van) deze artikelen onrechtmatig zou zijn, maar als illustratie van zijn stelling dat De Limburger c.s. hem niet objectief behandelde.

4.12 Hierna zal het hof de relevante omstandigheden van het geval bespreken die – naast de vaststaande feiten – voor de beoordeling van de onderhavige zaak van belang zijn (rechtsoverwegingen 4.13-4.17).

Bij de bespreking gaat het hof uit van de veronderstelling dat – gelijk De Limburger c.s. stelt, maar [Z.] weerspreekt – De Limburger c.s. mocht aannemen dat meerdere bewoners van het appartementencomplex [Z.] “terrorist” en “psychologisch terrorist” hebben genoemd. Het hof komt op deze veronderstelling terug in rechtsoverweging 4.18.

4.13 Wat betreft de factoren ‘de aard van de publicatie’ en ‘de inkleding van de feiten’ heeft [Z.] onder meer gesteld dat hij door de aanduiding “terrorist” en "psychologisch terrorist" is aangetast in zijn persoonlijke integriteit. Volgens het woordenboek Van Dale is een terrorist iemand die daden van terreur pleegt, waaronder wordt verstaan ‘het ontwrichten van een samenleving door daden van terreur, met een politiek oogmerk’. Deze kwalificatie is niet van toepassing op [Z.]. De toevoeging ‘psychologisch’ zou bovendien de indruk wekken dat hij gek is, aldus [Z.].

De Limburger c.s. voert onder meer het verweer dat de aanduidingen "terrorist" en "psychologisch terrorist" afkomstig zijn van de andere bewoners van het appartementencomplex en dat zulks ook blijkt uit de artikelen. Bovendien blijkt uit de artikelen dat de kwalificatie “terrorist” door de bewoners wordt verbonden aan het feit dat [Z.] dreigt met rechtszaken en een stroom (dreig)-brieven stuurt, terwijl uit de toevoeging “psychologisch" blijkt dat de bewoners zich psychisch en niet fysiek onder druk gezet voelen. Voor de lezers was derhalve duidelijk dat de bewoners [Z.] niet zagen als iemand die terreur bedreef in zin van de Van Dale, aldus De Limburger c.s. Bovendien heeft het woord terrorist bij het publiek niet de zware betekenis die [Z.] hieraan toedicht, terwijl heden ten dage regelmatig mensen terrorist worden genoemd die geen terreur bedrijven in de zin van de Van Dale. Daarbij is in het algemeen sprake van taalverruwing. Bovendien liet [Z.] zich regelmatig gelden in de media, zodat hij ook zelf tegen een stootje moest kunnen, aldus De Limburger c.s.

Enerzijds is het hof van oordeel dat de aanduidingen "terrorist” en "psychologisch terrorist" diffamerend zijn voor [Z.]. Welke betekenis het woord terrorist precies bij het publiek heeft laat het hof daarbij in het midden, maar een substantieel deel van het gemiddelde publiek zal doorgaans een betekenis aan dit woord hechten die in grote lijnen overeenkomt met de betekenis van het woord terreur in de Van Dale, zoals hierboven aangehaald. De aanduiding “terrorist” is dus een ernstige aantijging aan het adres van [Z.], met name ook gezien zijn raadslidmaatschap, en vormde dus een inbreuk op zijn eer en goede naam. Daar komt bij dat het artikel van 25 augustus 2005 is geplaatst op de voorpagina van de krant en dat de vermelding “terrorist” wordt vermeld in de kop. Dit terwijl de beschuldigingen aan het adres van [Z.] in de artikelen van 25 augustus 2005 en 15 november 2005 niet de kwalificatie terreur opleveren in de vorenbedoelde zin.

Anderzijds is het hof van oordeel dat het de lezers van zowel het artikel van 25 augustus 2005 als het artikel van 15 november 2005 direct duidelijk moet zijn geweest dat de aanduiding “terrorist” niet afkomstig is van De Limburger c.s., maar van de medebewoners. Dit wordt in de artikelen immers duidelijk vermeld, terwijl de aanduidingen “terrorist” en “psychologisch terrorist” steeds tussen aanhalingstekens zijn geplaatst. Ook de kop maakt duidelijk dat de aanduiding afkomstig is van de medebewoners, terwijl bovendien uit de kop niet zonder meer blijkt dat de aanduiding slaat op [Z.]. De Limburger c.s. heeft dus voldoende duidelijk afstand van de uitlatingen genomen. Daar komt bij dat het tot de taak van de pers behoort verslag te doen van hetgeen leeft in de maatschappij. Bovendien maakt de toevoeging “psychologisch” duidelijk dat de medebewoners zich psychisch onder druk gezet voelen, en niet fysiek. Uit de artikelen blijkt immers dat de druk niet bestaat uit het ontwrichten van de samenleving door daden van terreur, maar uit het dreigen met procedures en een stroom (dreig)brieven. Het moet de lezers dus duidelijk zijn geweest dat [Z.] geen terreur bedreef in de betekenis van dit woord in de Van Dale. Wat betreft de kop boven het artikel van 25 augustus 2005 is van belang dat op de plaats waar de term “terrorist” in verband wordt gebracht met [Z.] aan deze kwalificatie de vorenomschreven nadere invulling is gegeven. Ook geldt als uitgangspunt dat [Z.] als (lokale) public figure in de regel meer moet dulden van de pers dan een doorsnee persoon.

Enkel beoordeeld aan de hand van de factoren ‘de aard van de publicatie’ en ‘de inkleding van de feiten’ - en verondersteld dat De Limburger c.s. mocht aannemen dat bewoners [Z.] “terrorist” en "psychologisch terrorist" hebben genoemd -, is het hof van oordeel dat het gebruik door De Limburger c.s. van deze woorden in de artikelen van 25 augustus 2005 (op de voorpagina) en 15 november 2005 en de kop van het artikel van 25 augustus 2005, in beginsel was geoorloofd.

4.14 Ter zake de factor ‘de ernst van de te verwachten gevolgen’ stelt [Z.] onder meer dat hij door het gebruik van de woorden "terrorist" en “psychologisch terrorist" in zijn eer en goede naam en persoonlijke integriteit is geschaad. Zowel als raadslid als in privé heeft hij veel hinder ondervonden van de – ook op internet geplaatste – publicaties. Daarbij hebben buiten het appartementencomplex pamfletten gehangen waarop hij als terrorist werd aangeduid, aldus [Z.].

De Limburger c.s. betwist de gevolgen van de publicaties en voert met name het verweer dat de verspreiding van de pamfletten geen gevolg is van de publicaties.

Het hof benadrukt dat het bij deze factor gaat om de vraag in welke mate – voordat tot openbaarmaking werd overgegaan - te verwachten viel dat het bestreden deel van de publicaties (ernstige) gevolgen voor [Z.] zou kunnen hebben (en dus niet wat in werkelijkheid de gevolgen van de publicatie zijn geweest). Het hof is van oordeel dat de aanduidingen “terrorist” en “ psychologisch terrorist" dermate diffamerend zijn, vooral voor [Z.] als raadslid, dat te verwachten viel dat publicatie van deze kwalificaties voor [Z.] tamelijk ernstige – in ieder geval immateriële - gevolgen zou hebben.

4.15 Ter zake de factor ‘de ernst – bezien vanuit het algemeen belang - van de misstand die de publicatie aan de kaak beoogt te stellen’, betoogt [Z.] dat bij openbaarmaking van de aanduidingen “terrorist” en “psychologisch terrorist” geen publiek belang bestond. De toestanden in het appartementencomplex gingen immers over hem als privépersoon, aldus [Z.].

De Limburger c.s. voert het verweer dat bedoelde kwalificaties niet slaan op [Z.] als privépersoon maar als (gewezen) bestuurder van de Vereniging van Eigenaren van het appartementencomplex. Aangezien [Z.] in die tijd ook raadslid was, bestond bij openbaarmaking van deze informatie een publiek belang, aldus De Limburger c.s.

Nog steeds verondersteld dat De Limburger c.s. mocht aannemen dat de medebewoners [Z.] “terrorist” en “psychologisch terrorist” hebben genoemd, is het hof van oordeel dat bij publicatie van deze kwalificaties voldoende publiek belang bestond, ook al betrof het geen ernstige misstand. [Z.] had destijds als raadslid immers een maatschappelijke functie, terwijl de informatie niet zijn intieme gezins- en privéleven betrof maar wel iets zei over hoe de medebewoners hem als (gewezen) bestuurder van de Vereniging van Eigenaren hebben ervaren.

Het hof gaat niet in op de discussie tussen partijen voorzover deze betrekking heeft op de vraag of De Limburger c.s. bij het resterende deel van de artikelen van 25 augustus en 15 november 2005 al dan niet onjuist en eenzijdig over [Z.] heeft gepubliceerd. [Z.] heeft immers niet aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat het resterende deel onrechtmatig zou zijn (rechtsoverweging 4.11).

4.16 Ter zake de factor ‘de mate van (de in het gegeven geval vereiste) zorgvuldigheid van het door De Limburger c.s. aan haar publicatie ten grondslag gelegde onderzoek’ stelt [Z.] onder meer dat hij voor de verschijning van het artikel van 25 augustus 2005 door De Limburger c.s. niet is gehoord, terwijl hij steeds te kennen heeft gegeven graag bereid te zijn zijn standpunt kenbaar te maken.

De Limburger c.s. voert het verweer bij herhaling te hebben geprobeerd een weerwoord van [Z.] te krijgen, maar dat hij hiertoe slechts bereid was onder niet acceptabele voorwaarden.

Het hof constateert dat uit de brief van De Limburger c.s. van 17 augustus 2005 blijkt dat zij [Z.] in voldoende mate duidelijk heeft gemaakt waarover de op handen zijnde publicatie zou gaan en dat zij graag met [Z.] – nu hij een belangrijke rol in de publicatie speelde - wilde praten over haar bevindingen. Verder blijkt uit de brief dat De Limburger c.s. bereid was een concept van het artikel op voorhand aan [Z.] voor te leggen. Uit de e-mail van [Z.] d.d. 16 augustus en zijn brief d.d. 19 augustus 2005 blijkt dat [Z.] duidelijk was waarover de publicatie zou gaan, maar pas met De Limburger c.s. wilde praten wanneer deze haar bronnen en stukken waarover zij beschikte bekend zou maken. In rechte heeft [Z.] herhaald dat De Limburger c.s. hem in ieder geval tevoren de stukken bekend had moeten maken.

Gezien het voorgaande is het hof van oordeel dat De Limburger c.s. voldoende moeite heeft gedaan een weerwoord van [Z.] te krijgen alvorens op 25 augustus 2005 tot publicatie van haar bevindingen over te gaan. De Limburger c.s. heeft genoegzaam aangegeven waarover de publicatie ging en waarom het voor [Z.] van belang was zijn weerwoord te geven. De Limburger c.s. behoefde op dat moment niet in te gaan op de eisen van [Z.], te weten het bekendmaken van haar bronnen en het verstrekken van de stukken waarop zij haar bevindingen baseerde. Door deze onevenredige eis te stellen valt het aan [Z.] zelf te wijten dat hij geen weerwoord heeft kunnen geven, en het artikel niet in concept op voorhand heeft ontvangen. Voorzover De Limburger c.s. overigens bedoelt te stellen dat [Z.] door een weerwoord te weigeren min of meer vogelvrij was, is dit standpunt onjuist.

Het hof passeert het aanbod van [Z.] om te bewijzen dat [Y.] in het telefoongesprek op 16 augustus 2005 had medegedeeld bereid te zijn het artikel voor plaatsing ter correctie aan [Z.] te sturen. Dit gegeven is immers niet in geschil en wordt bevestigd door de brief van De Limburger c.s. van 19 augustus 2005.

Dat De Limburger c.s. anderszins onvoldoende zorgvuldig zou zijn geweest bij haar onderzoek is door [Z.] - tenminste voor zover het het bestreden deel van de publicaties betreft - onvoldoende duidelijk en concreet gesteld.

4.17 Op basis van de hierboven besproken omstandigheden komt het hof – nog steeds verondersteld dat De Limburger c.s. mochten aannemen dat enkele bewoners van het appartementencomplex [Z.] hebben aangeduid als “terrorist” en “psychologisch terrorist” - tot de volgende belangenafweging.

Het bestreden deel van de publicaties – het gebruik van de woorden “terrorist” en "psychologisch terrorist" in de artikelen van 25 augustus 2005 en 15 november 2005 en de kop van het artikel van 25 augustus 2005 – vormde een aantasting van de eer en goede naam van [Z.] en heeft hem geschaad. Aangezien in bedoelde artikelen werd duidelijk gemaakt dat de kwalificaties afkomstig waren van bewoners van het appartementencomplex, was het gebruik van deze kwalificaties in de artikelen en in de kop van het artikel van 25 augustus 2005 in beginsel toelaatbaar. Gezien de publieke functie van [Z.] als raadslid bestond bij het openbaar maken van bedoelde aanduidingen voldoende publiek belang, ook al ging het niet om een ernstige misstand. De Limburger c.s. heeft bij de totstandkoming van de publicaties voldoende wederhoor aan [Z.] geboden, terwijl ook niet is gebleken dat De Limburger c.s. anderszins bij de totstandkoming onzorgvuldig heeft gehandeld.

Verondersteld dat De Limburger c.s. mocht aannemen dat enkele bewoners van het appartementencomplex [Z.] hebben aangeduid als “terrorist” en “psychologisch terrorist”, luidt de slotsom van de belangenafweging dat het gebruik van deze kwalificaties in de artikelen van 25 augustus 2005 en 15 november 2005 en in de kop van het artikel van 25 augustus 2005, niet onrechtmatig was.

4.18 De belangenafweging in de rechtsoverwegingen 4.13-4.17 heeft plaatsgevonden in de veronderstelling dat De Limburger c.s. mocht aannemen dat enkele bewoners van het appartementencomplex [Z.] “terrorist” en “psychologisch terrorist” hebben genoemd. Dat dit het geval zou zijn geweest staat echter niet vast. De Limburger c.s. stelt weliswaar dat meerdere bewoners van het appartementencomplex [Z.] “terrorist” en “psychologisch terrorist” hebben genoemd, maar dit wordt door [Z.] gemotiveerd betwist en voor deze beweringen zijn onvoldoende aanknopingspunten in het thans voorliggende bewijsmateriaal. Het hof is derhalve van oordeel dat nu [Z.] deze stelling gemotiveerd betwist, De Limburger c.s. feiten en omstandigheden dient te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat – vóórdat De Limburger c.s. op 25 augustus 2005 tot publicatie overging - meerdere bewoners van het appartementencomplex [Z.] “terrorist” en “psychologisch terrorist” hebben genoemd, dan wel dat De Limburger c.s. er niet lichtvaardig vanuit ging dat dit het geval was. Voorzover deze bewijslastverdeling afwijkt van de hoofdregel van art. 150 Rv, is er voldoende aanleiding voor een - in het algemeen met terughoudendheid en slechts onder bijzondere omstandigheden toe te passen - uitzondering op de hoofdregel. Immers is in het algemeen wenselijk dat degene die een diffamerende bewering openbaar maakt, - bij tegenspraak – in rechte aantoont over voldoende aanknopingspunten voor de (feitelijke) juistheid van deze bewering te beschikken, dan wel anderszins niet lichtvaardig te hebben gehandeld. Het is naar het oordeel van het hof in overeenstemming met dit uitgangspunt De Limburger c.s. voormelde bewijsopdracht te geven. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat De Limburger c.s. in casu stelt voorafgaand aan de publicatie met meerdere bewoners te hebben gesproken, terwijl in die gesprekken het woord terrorist werd gebruikt. Bovendien betreft de onderhavige aantijging beweringen door derden over [Z.], en dus niet beweringen of handelingen door [Z.] zelf. De bewijslastverdeling is naar het oordeel van het hof niet strijdig met art. 10 EVRM (vergelijk: EHRM 7 mei 2002, NJ 2004, 337; EHRM 11 maart 2003, Mediaforum 2003-5, nr. 24; EHRM 15 februari 2005, NJ 2006, 39).

4.19 Indien De Limburger c.s. in haar bewijsopdracht mocht slagen volgt uit het hiervoor overwogene dat De Limburger c.s. niet onrechtmatig heeft gehandeld door in de artikelen van 25 augustus 2005 en 15 november 2005 en in de kop van het artikel van 25 augustus 2005 te beweren dat meerdere medebewoners [Z.] “terrorist” en “psychologisch terrorist” noemden.

Slaagt De Limburger c.s. niet in haar bewijsopdracht, dan heeft De Limburger c.s. door voormelde beweringen te doen wél onrechtmatig gehandeld. De Limburger c.s. heeft deze beweringen alsdan immers gedaan, terwijl ze wist of behoorde te weten dat onvoldoende aannemelijk was dat de beweringen klopten, terwijl ze voor [Z.] diffamerend waren, mede gezien zijn (toenmalige) positie als raadslid. Dat [Z.] zichzelf in een positie had gemanoeuvreerd waardoor geen wederhoor heeft plaatsgevonden en dat hij als lokale public figure tegen een stootje moest kunnen, staat aan dit oordeel niet in de weg.

4.20 In afwachting van voormelde bewijslevering wordt iedere beslissing aangehouden.

5. De uitspraak

het hof:

op het principaal en incidenteel appel

laat De Limburger c.s. toe feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat – vóórdat De Limburger c.s. op 25 augustus 2005 tot publicatie overging - meerdere bewoners van het appartementencomplex [Z.] “terrorist” en “psychologisch terrorist” noemden, dan wel dat De Limburger c.s. er niet lichtvaardig vanuit ging dat dit het geval was;

bepaalt, voor het geval De Limburger c.s. bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. Van Harinxma thoe Slooten als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te ’s-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 2 maart 2010 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partij zelf, hun raadslieden en de getuige(n) op donderdagen in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de advocaat van De Limburger c.s. bij zijn opgave op genoemde rol een fotokopie van het procesdossier zal overleggen;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde rolzitting dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van De Limburger c.s. tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Antens, Beekhoven van den Boezem en Van Harinxma thoe Slooten en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 februari 2010.