Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BR1521

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-03-2010
Datum publicatie
13-07-2011
Zaaknummer
HD 200.010.088 T2
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voortzetting van LJN BR 1519.

Bewijslevering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.010.088

arrest van de eerste kamer van 30 maart 2010

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X.] BEHEER B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [Y.],

wonende te [woonplaats],

appellanten in principaal appel,

geïntimeerden in incidenteel appel,

advocaat: mr. P.J.L. Tacx,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WIMA STUKADOORSWERKEN B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats], kantoorhoudende te [kantoorplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

advocaat: mr. P.J.A.M. Baudoin,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 3 november 2009 in het hoger beroep van de door de rechtbank ’s-Hertogenbosch op 25 april 2007, 10 oktober 2007 en 21 mei 2008 onder nummer 154665/HA ZA 07-340 gewezen vonnissen.

Het hof zal hierna de nummering van het tussenarrest voortzetten.

6. Het tussenarrest van 3 november 2009

Bij genoemd arrest heeft het hof de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte aan de zijde van [Z.] c.s. als onder 4.21 en 4.23 van dat arrest bedoeld, en is iedere verdere beslissing aangehouden.

7. Het verdere verloop van de procedure

[Z.] c.s. hebben een akte uitlating met vier bijlagen genomen Wima heeft hierop bij antwoordakte gereageerd.

Vervolgens hebben partijen de gedingstukken weer overgelegd en uitspraak gevraagd.

8. De verdere beoordeling

in principaal en incidenteel appel

8.1 Bij voormeld tussenarrest heeft het hof [Z.] c.s. op grond van art. 22 Rv bevolen om de door Wima gesignaleerde discrepantie tussen de in het geding gebrachte jaarstukken en de aan de Kamer van Koophandel overgelegde stukken alsnog toe te lichten, alsmede om de (ontbrekende) jaarstukken dan wel boekhouding van Bidec over 2006 over te leggen of te deponeren.

8.2 [Z.] c.s. hebben bij akte uitlating te kennen gegeven dat in verband met het faillissement van Bidec in 2006 geen jaarstukken meer zijn opgemaakt, en hebben als bijlagen overgelegd het grootboek per datum 28 november 2006, de saldilijst crediteuren per datum 15 november 2006 en de saldilijst debiteuren per datum 29 november 2006.

8.3 [Z.] c.s. hebben zich voorts op het standpunt gesteld dat Wima haar stelling dat er onjuiste jaarstukken zouden zijn overgelegd niet zou hebben geconcretiseerd, zodat zij niet weten waar Wima precies op doelt. [Z.] c.s. hebben volstaan met het overleggen van een brief van haar nieuwe accountant [C.] AA d.d. 12 november 2009 waarin wordt ingegaan op een verschil tussen de posten “kortlopende schulden” en “vorderingen” in de publicatiestukken 2005 en de jaarstukken 2004.

8.4 Wima heeft bij antwoordakte gereageerd met te stellen dat door haar reeds in eerste aanleg concreet is aangegeven waarom er haars inziens sprake is van een discrepantie tussen de in het geding gebrachte jaarstukken en de ter publicatie aan de Kamer van Koophandel overgelegde stukken. Zij heeft in dit verband verwezen naar (en geciteerd uit) de inhoud van de voorafgaand aan de comparitie van partijen in eerste aanleg aan de rechtbank toegezonden brief van 15 augustus 2007, en naar het besprokene zoals vastgelegd in het van de zitting opgemaakte proces-verbaal. Wima constateert dat [Z.] c.s. feitelijk niet hebben voldaan aan hetgeen het hof ex artikel 22 Rv heeft bevolen. Wima verzoekt het hof de gevolgtrekking te maken die het geraden acht, dan wel [Z.] c.s. te gelasten alsnog volledig en deugdelijk (onderbouwd) te voldoen aan het bevel in het tussenarrest.

8.5 Het hof vindt aanleiding om [Z.] c.s. andermaal te gelasten om aan het bevel als vervat in r.o. 4.21 van het tussenarrest te voldoen, en de zaak te dien einde naar de rol te verwijzen. Een toelichting zoals gevraagd in r.o. 4.20 van het tussenarrest ontbreekt immers.

8.6 Het hof overweegt voorts dat niet uit te sluiten is dat het hof in deze procedure zal dienen over te gaan tot het benoemen van een deskundige teneinde vraag te beantwoorden of er (op enig moment) in 2006 sprake was van een situatie bij Bidec dat zij niet (meer) over voldoende middelen beschikte om aan de met Wima aangegane c.q. voortgezette verplichtingen te voldoen. Vanuit een oogpunt van proceseconomie zal de rolverwijzing tevens worden benut om partijen in staat te stellen zich reeds thans uit te laten over de perso(o)n(en) van de te benoemen deskundige(n), en suggesties te doen ten aanzien van de formulering van de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen.

8.7 In de tussentijd zal het hof elke verdere beslissing aanhouden.

9. De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel

verwijst de zaak naar de rol van 13 april 2010 voor het nemen van een akte aan de zijde van [Z.] c.s. als hiervoor onder 8.5 en 8.6 bedoeld, waarop Wima bij akte zal kunnen reageren.

Dit arrest is gewezen door mrs. Begheyn, Hendriks-Jansen en Riemens en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 30 maart 2010.