Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BQ3007

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-11-2010
Datum publicatie
29-04-2011
Zaaknummer
HD 200.018.411 H
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verwezen wordt naar de tussenuitspraak van 9 februari 2010 LJN BQ3003 en de einduitspraak van 20 juli 2010 LJN BQ3005

Schadestaatprocedure varkenshouder tegen gemeente, na eerdere veroordeling van de gemeente tot schadevergoeding op te maken bij staat aan de varkenshouder wegens onrechtmatig handelen, bestaande uit het verstrekken van onjuiste informatie over de mogelijkheid tot vestiging van een varkensbedrijf op het perceel van de varkenshouder. Herstel van kennelijke fout in de zin van artikel 31 Rv in het eindarrest van 20 juli 2010, waarin een niet bestreden deel van een schadepost, welk deel in het tussenarrest van 9 februari 2010 al toewijsbaar was geoordeeld, abusievelijk niet was toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.018.411

arrest van de zevende kamer van 23 november 2010

strekkende tot VERBETERING in de zin van artikel 31 Rv van het arrest, gewezen op 20 juli 2010

in de procedure in hoger beroep die bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch aanhangig is geweest tussen

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna aan te duiden als [X.]

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE ‘S-HERTOGENBOSCH,

zetelende te ‘s-Hertogenbosch,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.P.F.W. van Eijck.

Bij brief van 1 oktober 2010 heeft mr. J. van Groningen namens [X.] aan de griffier van het hof bericht dat het hem voorkomt dat het eindarrest van 20 juli 2010 een kennelijke fout bevat, te weten dat bij de berekening van de aan [X.] toegewezen schadevergoeding ten onrechte geen rekening is gehouden met het in rechtsoverweging 4.8.2 van het tussenarrest van 9 februari 2010 genoemde bedrag van € 13.766,91.

Bij brief van 8 oktober 2010 is de advocaat van de gemeente in de gelegenheid gesteld namens de gemeente zijn mening hierover aan het hof kenbaar te maken.

Namens de gemeente heeft mr. J.A.M. van der Velden zich vervolgens bij brief van 19 oktober 2010 op het standpunt gesteld dat van een kennelijke fout als bedoeld in artikel 31 Rv geen sprake is.

Het hof stelt vast dat het bovengenoemde bedrag van € 13.766,91 deel uitmaakt van de schadepost die in het tussenarrest en het eindarrest is aangeduid als “Post C”.

Ter zake post C vorderde [X.] in het geding in eerste aanleg een bedrag van € 46.557,89 aan gemaakte kosten. De rechtbank heeft ter zake post C slechts het genoemde (en door de gemeente erkende) bedrag van € 13.766,91 toegewezen.

[X.] heeft in hoger beroep aangevoerd dat een hoger bedrag had moeten worden toegewezen. De gemeente heeft geen (incidenteel) appel ingesteld tegen de toewijzing van € 13.766,91 ter zake post C. Dit brengt mee dat in hoger beroep met betrekking tot post C slechts ter discussie stond of een hoger bedrag dan € 13.766,91 moest worden toegewezen. Dit blijkt evident uit het tussenarrest.

Het hof heeft in het tussenarrest geoordeeld dat de rechtbank bij de begroting van post C van een te beperkte schadeperiode is uitgegaan (van december 1994 tot 10 juli 1997) en dat uitgegaan had moeten worden van de periode van december 1994 tot en met januari 1998. Het hof heeft [X.] in de gelegenheid gesteld om op te geven welke onder post C te vergoeden kosten hij in de periode van december 1994 tot en met januari 1998 heeft gemaakt.

[X.] heeft dit kennelijk opgevat als een verzoek om op te geven welke onder post C te vergoeden kosten hij in de periode van 10 juli 1997 tot en met januari 1998 heeft gemaakt.

Hij heeft opgegeven dat deze kosten € 111,97 bedroegen en daarbij verwezen naar een nota van 30 september 1997 (dus daterend uit een periode die volgens de rechtbank niet en volgens het hof wel onder de schadevergoeding moest worden begrepen).

Het hof heeft hierna in het eindarrest ter zake post C slechts het bedrag van € 111.97,-- toewijsbaar geacht. Mede gelet op het feit dat het tussenarrest en het eindarrest als één geheel moeten worden gezien, is dit een kennelijke fout in de zin van art. 31 Rv. Er kan geen twijfel over bestaan dat ter zake post C naast het bedrag van € 111,97 (over de periode van 10 juli 1997 tot en met januari 1998) ook het in het tussenarrest reeds genoemde bedrag van € 13.766,91 (over de periode van december 1994 tot en met 10 juli 1997) toegewezen had moeten worden.

Voor de goede orde merkt het hof op dat ten aanzien van de over post C toegewezen wettelijke rente over de periode tot 1 juli 2004 geen sprake is van een kennelijke fout van het hof. Dat dienaangaande slechts € 56,63 is toegewezen, is een gevolg van het feit dat de advocaat van [X.] zelf uitdrukkelijk heeft opgegeven dat de rente over het ter zake post C toewijsbare bedrag berekend tot 1 juli 2004 € 56,63 bedroeg.

Voor wat betreft het dictum van het eindarrest betekent het bovenstaande dat het toegewezen totaalbedrag van € 254.780,60 met € 13.766,91 dient te worden verhoogd tot € 268.547,51.

Vermeld arrest zal mitsdien op de volgende wijze worden verbeterd.

Het hof:

Bepaalt dat in het dictum van het tussen bovenvermelde partijen gewezen arrest van 20 juli 2010 het bedrag van € 254.780,60 tot betaling waarvan de gemeente is veroordeeld moet worden verbeterd en gewijzigd in € 268.547,51.

Bepaalt dat deze verbetering onder vermelding van de datum van 23 november 2010 wordt vermeld op de minuut van het arrest van 20 juli 2010.

Dit arrest is gewezen door mrs. Brandenburg, Keizer en Wabeke en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 november 2010.