Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BQ2364

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-08-2010
Datum publicatie
22-04-2011
Zaaknummer
HD 200.028.317 E
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2009:BH5230, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BV9868, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BV9868
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg op de tussenuitspraak van 21 juli 2009, LJN BQ2363

Huurovereenkomst woonruimte. Ontbinding wegens overlast aan omwonenden en wangedrag jegens verhuurster.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.028.317

arrest van de zevende kamer van 31 augustus 2010

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant ,

hierna te noemen: [X.],

advocaat: mr. I.M. van den Heuvel,

tegen:

de stichting STICHTING WONEN WEST BRABANT,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de stichting,

advocaat: mr. M.P. Wolf,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 21 juli 2009 in het hoger beroep van het door de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Bergen op Zoom onder nummer 475959 CV EXPL 08-1009 gewezen vonnis van 4 maart 2009 tussen de stichting als eiseres in conventie en verweerster in reconventie en [X.] als gedaagde in conventie en eiser in reconventie.

6. Het tussenarrest van 21 juli 2009

Bij genoemd arrest heeft het hof beslist op de incidentele vorderingen van [X.] en de stichting en is de hoofdzaak verwezen naar de rol voor het nemen van een memorie van antwoord door de stichting. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

7. Het verdere verloop van de procedure

7.1. Nadat de hoofdzaak naar de rol was verwezen heeft [X.] een akte houdende vermeerdering van eis genomen, waarin hij zijn reconventionele vordering, zoals deze door hem in eerste aanleg was ingesteld, heeft gewijzigd.

Het door de stichting tegen die eiswijziging aangevoerde bezwaar is door de eerste enkelvoudige kamer van het hof bij uitspraak d.d. 27 oktober 2009, ongegrond verklaard. De zaak is opnieuw naar de rol verwezen voor memorie van antwoord aan de zijde van de stichting.

7.2 De stichting heeft een memorie van antwoord genomen en daarin de door [X.] aangevoerde grieven tegen het vonnis waarvan beroep bestreden.

7.3. Partijen hebben hun zaak mondeling doen bepleiten door hun voornoemde advocaten. Beide advocaten hebben gepleit aan de hand van een pleitnota.

7.4. Vervolgens hebben partijen uitspraak gevraagd, op basis van de voorafgaande aan het pleidooi toegezonden kopieën van de processtukken.

8 De verdere beoordeling

8.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

Tussen de stichting als verhuurster en [X.] als huurder is een huurovereenkomst gesloten, ingaande 16 september 1986, met betrekking tot de woning [perceel 1.] te [plaatsnaam]. De woning betreft een appartement op de derde verdieping van een flatgebouw.

De stichting heeft [X.] op 5 februari 2008 gedagvaard voor de kantonrechter te Bergen op Zoom en ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde gevorderd. Aan deze vorderingen heeft zij ten grondslag gelegd dat [X.] overlast veroorzaakt aan omwonenden door agressief en intimiderend gedrag en zich onbehoorlijk gedraagt jegens medewerkers van de stichting.

[X.] heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen van de stichting en van zijn kant in reconventie gevorderd dat door de stichting een aantal werkzaamheden aan de woning worden uitgevoerd.

De kantonrechter heeft, bij vonnis van 4 maart 2009, de vorderingen van de stichting in conventie toegewezen en die van [X.] in reconventie afgewezen. [X.] is in de proceskosten veroordeeld.

[X.] kan zich niet verenigen met deze uitspraak van de kantonrechter en is in hoger beroep gekomen.

De ontruiming van de woning heeft plaatsgevonden op 28 april 2009.

8.2. De grieven 1 t/m 8 van [X.] strekken ertoe het geschil in conventie in volle omvang aan het hof voor te leggen. Het hof zal die grieven gezamenlijk beoordelen.

Grief 9 richt zich tegen de afwijzing van de reconventionele vordering. Die reconventionele vordering is door [X.] in hoger beroep bij akte d.d. 11 augustus 2009 in die zin gewijzigd dat hij thans (samengevat) vordert dat de woning [perceel 1.] te [plaatsnaam] weer aan hem ter beschikking wordt gesteld en dat de goederen die zich bij de ontruiming nog in de woning bevonden, aan hem worden afgegeven.

Bij gelegenheid van het pleidooi heeft hij subsidiair de terbeschikkingstelling van een gelijkwaardige woning gevorderd.

De tiende grief van [X.] heeft betrekking op de proceskostenveroordeling door de kantonrechter.

8.3. Het hof zal eerst de grieven 1 t/m 8, die gericht zijn tegen de toegewezen ontbinding en ontruiming, beoordelen.

Bij deze beoordeling stelt het hof voorop dat een huurder die onrechtmatige overlast bezorgt aan omwonenden, niet alleen onrechtmatig handelt jegens die omwonenden, maar ook tekort schiet in de nakoming van zijn verplichting jegens de verhuurder om zich als een goed huurder te gedragen. Dit geldt met name in een situatie als de onderhavige, waarin de verhuurde woning deel uitmaakt van een complex woningen die allemaal worden verhuurd door dezelfde verhuurder.

Het hof stelt bij de beoordeling voorts voorop dat uit artikel 6:265 BW volgt dat iedere tekortkoming van een huurder in de nakoming van zijn verplichtingen, de verhuurder de bevoegdheid geeft om de overeenkomst te laten ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, die ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Bij de beoordeling van de vraag of zich een dergelijke uitzondering voordoet, dienen alle omstandigheden van het geval, waaronder ook de aard van de overeenkomst (in dit geval: de huur van woonruimte in de sociale sector), in aanmerking te worden genomen.

8.4. De stichting stelt zich op het standpunt dat [X.] zich de afgelopen jaren met regelmaat schuldig heeft gemaakt aan agressief en intimiderend gedrag jegens omwonenden en jegens medewerkers van de stichting. Zij heeft een groot aantal incidenten opgesomd, die hierna in het kort worden weergegeven.

- Mevrouw [Y.], bewoonster van de woning [perceel 2.], heeft op 17 november 2006 bij de politie aangifte gedaan van belediging door [X.]. Op 16 september 2007 heeft zij opnieuw aangifte bij de politie gedaan, van belediging en bedreiging door [X.]. In 2008 heeft zij zich gewend tot de stichting met een schriftelijke klacht in verband met vergelijkbare misdragingen van [X.] op 13 mei 2008 en 21 juni 2008.

- De heer [Z.], bewoner van [perceel 3.], heeft op 28 juni 2007 aangifte bij de politie gedaan wegens bedreiging door [X.], verbaal en met een mesje. Dezelfde bewoner heeft op 2 juni 2008 bij de politie aangifte gedaan tegen [X.] wegens mishandeling op die datum. Op 1 april 2009 heeft hij opnieuw bij de politie aangifte gedaan in verband met mishandeling door [X.] op 13 maart 2009.

- De heer [A.], bewoner van [perceel 4.], geboren in 1927, heeft zich op 7 april 2008 tot de stichting gewend met een schriftelijke klacht jegens [X.] wegens bedreiging en belediging. Op 6 augustus 2008 heeft hij bij de politie aangifte gedaan wegens mishandeling en bedreiging door [X.] op die datum. Bij de stichting heeft hij voorts schriftelijk geklaagd over scheldpartijen door [X.] op 26 en 27 augustus 2008. Op 18 oktober 2008 heeft hij opnieuw aangifte gedaan bij de politie wegens mishandeling door [X.] en op 8 november 2008 wegens belediging en bedreiging.

- De heer [B.], bewoner van [perceel 5.], heeft bij de stichting schriftelijk geklaagd over intimiderend gedrag van [X.] op 11 maart 2008.

- [X.] uit zich in brieven grievend en bedreigend jegens medewerkers van de stichting, met name jegens de woonconsulente mevrouw [C.] en de manager wonen, de heer [D.]. [X.] heeft voorts op 21 maart 2008 in het kantoor van de stichting beledigingen en bedreigingen geuit jegens de manager wonen van de stichting, aan welke situatie pas een einde kwam door ingrijpen van de politie. Aan [X.] is een toegangsverbod voor de kantoren van de stichting gegeven.

8.5. Voormelde incidenten zijn door de stichting onderbouwd met schriftelijke verklaringen en processen-verbaal van aangifte bij de politie.

Voor de belediging en bedreiging van mevrouw [Y.] op 16 september 2007 is [X.] strafrechtelijk veroordeeld.

De gevolgen van de mishandeling van de heer [A.] op 6 augustus 2008 (een gebroken gebit en zwellingen) zijn door de desbetreffende verbalisant waargenomen en in het proces-verbaal van aangifte vastgelegd.

[X.] heeft de voormelde incidenten slechts in algemene termen betwist. De mishandeling van de heer [Z.] op 13 maart 2009 is in het geheel niet weersproken.

In het licht van de gedetailleerde gegevens en verklaringen van de voornoemde incidenten, acht het hof de betwisting door [X.] ontoereikend, zodat het hof uitgaat van de juistheid van de gestelde incidenten.

8.6. Ter rechtvaardiging van zijn handelen voert [X.] aan dat hij zelf in 2004 door omwonenden is mishandeld. Een zekere [E.] zou voor die mishandeling strafrechtelijk veroordeeld zijn. Ook in 2008 zou hij mishandeld en bedreigd zijn door een onbekend gebleven persoon, in het bijzijn van de heer [A.]. Hij heeft daarvan aangifte gedaan bij de politie. [X.] verwijt de stichting dat deze geen stappen heeft ondernomen jegens degenen die hem mishandeld hebben. Dit verwijt geldt ook andere klachten die hij de afgelopen jaren bij de stichting heeft neergelegd, onder meer over rommel in de woonomgeving, illegale bewoning en een illegale satellietschotel.

De stichting stelt dat zij wel degelijk adequaat heeft gereageerd op de klachten van [X.]. Zij heeft correspondentie overgelegd om dit te onderbouwen.

8.7. Het hof overweegt hieromtrent dat de omstandigheid dat [X.] zelf ook overlast heeft ondervonden en klachten heeft geuit waarop in zijn ogen ontoereikend door de stichting zou zijn gereageerd, geen rechtvaardiging kan vormen voor zijn wangedrag zoals hiervoor onder 4.4. is weergegeven.

Ditzelfde geldt voor de omstandigheid dat de stichting bij de afhandeling van de klachten van [X.] niet haar eigen klachtenregeling zou hebben nageleefd, zoals [X.] stelt en de stichting betwist.

In het licht van het voorgaande is er geen aanleiding om het aanbod van [X.] te honoreren om zijn hier bedoelde stellingen door middel van getuigen te bewijzen.

8.8. Ook overigens is er naar het oordeel van het hof geen grond om het in algemene termen gestelde bewijsaanbod van [X.] om zijn stellingen door middel van getuigen te bewijzen, te honoreren.

8.9. Het hof is van oordeel dat het wangedrag van [X.] jegens omwonenden en medewerkers van de stichting zodanig ernstig is, dat de ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen gerechtvaardigd is.

Het hof laat hierbij meewegen dat de problemen zich over een periode van jaren hebben voorgedaan en dat de stichting aannemelijk heeft gemaakt dat zij adequate pogingen heeft gedaan om in overleg met [X.] tot een oplossing te komen, onder meer door het aanbieden aan [X.] van een vervangende woning, maar dat die pogingen vruchteloos zijn geweest door gebrek aan medewerking aan de zijde van [X.]. Zo heeft hij bij gelegenheid van het pleidooi bij het hof erkend dat hij een hem aangeboden vervangende woning heeft geweigerd.

8.10. De conclusie is dat de grieven 1 t/m 8 falen en dat de beslissing van de kantonrechter in conventie dient te worden bekrachtigd.

8.11. Uit het voorgaande volgt tevens dat er geen grond is voor toewijzing van de vordering van [X.] tot het opnieuw ter beschikking stellen van de woning [perceel 1.] dan wel van een vervangende woning.

De vordering van [X.] tot afgifte van de goederen die zich bij de ontruiming van de woning nog in de woning bevonden, is evenmin toewijsbaar. De stichting heeft betwist dat zij goederen van [X.] onder zich heeft en [X.] heeft dit onderdeel van zijn vordering onvoldoende onderbouwd.

Een ander betekent dat grief 9 faalt.

8.12. Grief 10 faalt eveneens. [X.] is als de in het ongelijk gestelde partij terecht in de kosten van de eerste aanleg veroordeeld.

Omdat hij ook in hoger beroep in het ongelijk wordt gesteld, zal het hof [X.] tevens in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

9. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

wijst de in hoger beroep gewijzigde eis van [X.] af;

veroordeelt [X.] in de kosten van het hoger beroep, waaronder begrepen die van de incidenten en begroot die kosten aan de zijde van de stichting op € 262,- voor verschotten en op € 2.682,- voor salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Keizer en Kleijngeld en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 31 augustus 2010.