Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BQ0021

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-12-2010
Datum publicatie
04-04-2011
Zaaknummer
09/00572
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft van 1-1-2008 tot 28-4-2008 een Toyota ter beschikking gesteld gekregen van zijn werkgever en kan over die periode middels een kilometeradministratie aantonen dat hij in die periode een zodanig laag privé gebruik dat een bijtelling achterwege is gebleven. Vanaf 1 juli 2008 rijdt belanghebbende een door de werkgever ter beschikking gestelde Volvo en hij heeft met deze auto na 1 juli 2008 meer dan 500 kilometers prive gereden. De inspecteur heeft een naheffingsaanslag opgelegd over de periode 1 januari 2008 tot en met 30 jun1 2008. Het Hof oordeelt, conform wettekst en de jurisprudentie ( Hoge Raad 6 juni 2008, nr. 44.069, LJN BD 3192) dat de 500 kilometergrens per kalenderjaar moet worden bezien en dat de naheffingsaanslag derhalve terecht is. Van opgewekt vertrouwen door informatieverstrekking vanwege de fiscus blijkt niet uit de door belanghebbende aangevoerde brief. Hoger beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2011/25.18.20
NTFR 2011/760
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Eerste meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 09/00572

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda

(hierna: de Rechtbank) van 7 september 2009, nummer AWB 09/682, in het geding tussen

belanghebbende

en

het hoofd van de eenheid Belastingdienst/Oost/Coördinatiepunt Privégebruik Auto van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen naheffingsaanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 30 juni 2008 onder nummer 0000.000.000.00000 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd van € 2.110 (hierna: de naheffingsaanslag). De naheffingsaanslag is gedagtekend 22 oktober 2008 en is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank een griffierecht geheven van € 39. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 110. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 1 oktober 2010 te 's-Hertogenbosch. De Inspecteur is verschenen en gehoord.

De griffier heeft verklaard dat hij belanghebbende bij op 11 augustus 2010, met nummer 3SRGHR6173797, aangetekend met Handtekening Retourkaart naar het door belanghebbende zelf opgegeven adres verzonden uitnodiging, waarvan een afschrift tot de stukken behoort, heeft kennis gegeven van datum, plaats en tijdstip van de zitting. Tot de stukken van het geding behoort de op de onderhavige uitnodiging betrekking hebbende ondertekende Handtekening Retourkaart.

1.5. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende had van 1 januari 2008 tot en met 27 april 2008 een Toyota Avensis met kenteken 00-XX-XX en een cataloguswaarde van € 25.625 (hierna: de Toyota) ter beschikking van zijn werkgeefster. Vanaf 28 april 2008 tot en met 31 december 2008 is aan belanghebbende een Volvo S60 met kenteken 11-XX-XX en een cataloguswaarde van € 44.800 (hierna: de Volvo) door zijn werkgeefster ter beschikking gesteld.

2.2. Belanghebbende heeft in september 2007 een door de Inspecteur afgegeven "verklaring geen privé-gebruik" als bedoeld in artikel 13bis, lid 10, van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2008; hierna: de Wet) aan zijn werkgeefster overgelegd. Op basis van die verklaring (hierna: de verklaring) is de forfaitaire loonbijtelling wegens privé-gebruik auto over (onder meer) het loontijdvak 1 januari 2008 tot en met 30 juni 2008 achterwege gebleven. Belanghebbende heeft de Toyota in 2008 gedurende de periode dat die auto hem ter beschikking was gesteld, in het geheel niet voor privé-doeleinden gebruikt.

2.3. Nadat belanghebbende de belastingdienst en zijn werkgeefster had medegedeeld met de Volvo ingaande 1 juli 2008 ook privé te gaan rijden, heeft belanghebbendes werkgeefster in 2008 bij de loonbetalingen over het tijdvak 1 juli 2008 tot en met 31 december 2008 rekening gehouden met de forfaitaire loonbijtelling wegens privé-gebruik van de Volvo. Belanghebbende heeft de Volvo in 2008 na 1 juli voor meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden gebruikt.

2.4. Op de grond dat hem op 21 augustus 2008 was gebleken dat belanghebbende met de door belanghebbendes werkgeefster ter beschikking gestelde auto "met ingang van 2008 voor meer dan 500 kilometer op kalenderjaarbasis voor privé-doeleinden had gebruikt of ging gebruiken", heeft de Inspecteur belanghebbende bij brief d.d. 12 september 2008 medegedeeld de verklaring te zullen intrekken.

De verklaring is per 1 juli 2008 ingetrokken.

De desbetreffende beschikking is op 23 september 2008 genomen.

2.5. Vervolgens heeft de Inspecteur over het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 30 juni 2008 de naheffingsaanslag opgelegd, met toepassing van artikel 13bis, lid 14, van de Wet.

3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is of terecht bij belanghebbende loonbelasting/premie volksverzekering is nageheven over het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 30 juni 2008, ter zake van privé-gebruik auto. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

De berekening als zodanig van de naheffingsaanslag is niet in geschil.

Ter zitting heeft de Inspecteur zijn in het verweerschrift ingenomen stelling, dat belanghebbende in verband met overschrijding van de beroepstermijn niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep, ingetrokken.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting zijn geen andere gronden aangevoerd.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. De gronden voor de beslissing

Ten aanzien van het geschil

4.1. Artikel 13bis van de Wet, voor zover hier van belang, luidt als volgt:

"1. Indien ook voor privé-doeleinden een auto ter beschikking is gesteld, wordt het voordeel op jaarbasis gesteld op ten minste 25% van de waarde van de auto,(...)

(...)

2. Indien uit een rittenregistratie of anderszins blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis niet voor meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt, wordt het voordeel gesteld op nihil.

(...).".

4.2. Belanghebbende heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij "geruime tijd niet boven de 500 kilometergrens is uitgekomen" en dat "over de betreffende periode een sluitende kilometeradministratie kan worden overgelegd". Met de betreffende periode wordt door belanghebbende het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 30 juni 2008 aangeduid.

4.3. Of al dan niet boven de grens van 500 kilometer wordt uitgekomen dient per kalenderjaar te worden beoordeeld. In zijn arrest van 6 juni 2008 (nr. 44.069, LJN BD3192) besliste de Hoge Raad: "Nu aan belanghebbende gedurende het gehele kalenderjaar 2006 een personenauto ter beschikking is gesteld en hij die auto gedurende dat kalenderjaar voor meer dan 500 voor privé-doeleinden heeft gebruikt, is het voordeel terecht op kalenderjaarbasis gesteld op 22 percent van de waarde van de auto. De omstandigheid dat belanghebbende de auto gedurende een gedeelte van het jaar niet voor privé-doeleinden heeft gebruikt - en hij toen over een 'verklaring geen privé-gebruik' beschikte - staat aan voormelde toepassing op kalenderjaarbasis niet in de weg". Het is daarbij ook niet van belang of belanghebbende in een kalenderjaar over één personenauto de beschikking heeft gehad, of achtereenvolgens over meerdere personenauto's. De grens van 500 kilometer wordt niet vastgesteld per personenauto, maar betreft het privé-gebruik van alle in dat jaar ter beschikking gestelde personenauto's.

4.4. Nu vaststaat dat belanghebbende de Volvo in 2008 na 1 juli voor meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden heeft gebruikt, moet worden geconcludeerd dat de Inspecteur terecht heeft nageheven over het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 30 juni 2008. Dat belanghebbende, zoals hij heeft gesteld, voor dat tijdvak een sluitende kilometeradministratie kan overleggen, baat belanghebbende niet.

4.5. Belanghebbende heeft voorts aangevoerd dat hij "in september 2007 is gestopt met de bijtelling en destijds niet juist is geïnformeerd door de belastingdienst over de termijnen die gelden bij deze regeling".

4.6. Dienaangaande overweegt het Hof het volgende.

In de brief van de Inspecteur aan belanghebbende d.d. 19 september 2007, houdende de beslissing van de Inspecteur aan belanghebbende een "verklaring geen privé-gebruik" te verstrekken, is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld.

"Als blijkt dat u op kalenderjaarbasis niet meer dan 500 kilometer voor privé rijdt, wordt het voordeel gesteld op nihil. U heeft aangeven dat u op kalenderjaarbasis niet meer dan 500 kilometer rijdt.".

Uit het vorenstaande blijkt dat de Inspecteur belanghebbende in september 2007 duidelijk heeft geïnformeerd omtrent de regel dat op kalenderjaarbasis wordt beoordeeld of al dan meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden is gereden.

Belanghebbendes grief ter zake mist feitelijke grondslag.

Voor zover belanghebbende met die grief heeft bedoeld te stellen dat de Inspecteur heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel, door de naheffingsaanslag op te leggen, faalt die stelling.

4.7. Gelet op het vorenstaande moet de in geschil zijnde vraag in de door de Inspecteur voorgestane zin worden beantwoord. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.9. De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd. Het Hof acht geen redenen aanwezig om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.9. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 23 december 2010 door G.J. van Muijen, voorzitter, J.G. Verseput en W.A. Sijberden, in tegenwoordigheid van R.O.J.M. de Windt, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.