Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BP9738

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-11-2010
Datum publicatie
31-03-2011
Zaaknummer
09/00438
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende dreef samen met haar echtgenoot een autobedrijf in de vorm van een vof. Voor het jaar 2002 heeft belanghebbende in haar aangifte rekening gehouden met de zelfstandigenaftrek en een toevoeging aan de FOR. De aanslag is overeenkomstig de ingediende aangifte opgelegd. Naar aanleiding van een boekenonderzoek in 2008 concludeert de inspecteur dat belanghebbende ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de zelfstandigenaftrek en de FOR. In geschil is of sprake is van een de navordering rechtvaardigend nieuw feit. Het hof oordeelt in navolging van de rechtbank dat de inspecteur bij de aanslagregeling redelijkerwijs niet hoefde te twijfelen aan de juistheid van de geclaimde zelfstandigenaftrek en toevoeging aan de FOR. De inspecteur was dan ook niet gehouden de aangifte, die was opgesteld door een belastingadviseur en er verzorgd uitzag, nader te onderzoeken. Derhalve is sprake van een nieuw feit.

(Hoger beroep ongegrond.)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2011/27.19.5
FutD 2011-0785
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Eerste meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 09/00438

Uitspraak op het hoger beroep van

mevrouw X

wonende te Y,

hierna: belanghebbende

tegen de schriftelijke uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 1 juli 2009, nummer AWB 08/3202, in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Zuidwest van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen navorderingsaanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 onder nummer 0000.00.000.H27 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.054 (hierna: de navorderingsaanslag). Tegelijkertijd heeft de Inspecteur bij beschikking aan belanghebbende € 908 heffingsrente in rekening gebracht (hierna: de heffingsrentebeschikking). Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken van 3 juli 2008 het bezwaar tegen de navorderingsaanslag en de heffingsrentebeschikking ongegrond verklaard.

1.2. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank een griffierecht geheven van € 39. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 110. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 16 september 2010 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5. De Inspecteur heeft ter zitting, zonder bezwaar van de wederpartij, een uitspraak van Hof Amsterdam van 2 juli 2009, nrs. 08/00266 tot en met 08/00273, overgelegd.

1.6. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.7. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende dreef samen met haar echtgenoot een autobedrijf in de vorm van een vennootschap onder firma (hierna: de vof). De winstverdeling was 30% voor belanghebbende en 70% voor haar echtgenoot. In 2002 bedroeg de omzet van de vof circa € 1.000.000 en de brutomarge € 125.000. Er was geen personeel in dienst.

2.2. Voor het jaar 2002 heeft belanghebbende een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.094 aangegeven. Daarbij heeft zij rekening gehouden met de zelfstandigenaftrek van € 4.906 en de toevoeging aan de fiscale oudedagsreserve (hierna: de FOR) van € 4.394. De aanslag voor het jaar 2002 is conform de ingediende aangifte opgelegd.

2.3. Op 1 februari 2008 is bij de vof een boekenonderzoek ingesteld. In het controlerapport van 27 maart 2008 wordt vermeld dat sprake is van een (deel)onderzoek, waarbij zal worden beoordeeld of belanghebbende in de jaren 2002 tot en met 2005 terecht gebruik heeft gemaakt van de zelfstandigenaftrek en de FOR.

Naar aanleiding van de bevindingen van het boekenonderzoek heeft de Inspecteur geoordeeld dat belanghebbende 1225 uren in de onderneming heeft gewerkt, maar dat de werkzaamheden van belanghebbende hoofdzakelijk ondersteunend van aard zijn én dat het samenwerkingsverband als het onderhavige ongebruikelijk is, dat wil zeggen door niet-verbonden personen niet wordt aangegaan, zodat de door belanghebbende in de jaren 2002 tot en met 2005 in aanmerking genomen zelfstandigenaftrek en de toevoeging aan de FOR moeten worden gecorrigeerd.

2.4. Vervolgens heeft de Inspecteur over het jaar 2002 aan belanghebbende een navorderingsaanslag opgelegd, waarbij hij de zelfstandigenaftrek en de toevoeging aan de FOR niet in aftrek heeft toegelaten en het belastbaar inkomen uit werk en woning op € 42.054 heeft vastgesteld.

3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of ter zake van de door de Inspecteur gecorrigeerde zelfstandigenaftrek en FOR sprake is van een de navordering rechtvaardigend nieuw feit. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur en vermindering van de navorderingsaanslag tot een navorderingsaanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.754.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. De gronden voor de beslissing

4.1. De Rechtbank heeft in haar uitspraak overwogen dat:

- de inspecteur bij het vaststellen van een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen mag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige bij zijn aangifte heeft verstrekt en dat hij tot een nader onderzoek in beginsel niet is gehouden;

- hij wel tot een nader onderzoek is gehouden indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen en dat hij in dat geval nader onderzoek moet doen; en

- indien de inspecteur dit heeft nagelaten, hij dan niet de zorg in acht heeft genomen die redelijkerwijs van hem kan worden gevorderd en navordering van de aanvankelijk te weinig geheven belasting en premies niet mogelijk is.

Het Hof volgt de Rechtbank in die overwegingen.

4.2. Vaststaat dat de aangifte van belanghebbende is opgesteld door een belastingadviseur en dat de aangifte er verzorgd uitziet. De Rechtbank heeft geoordeeld dat uit de gedingstukken niet blijkt van enige omstandigheid op grond waarvan de Inspecteur bij de aanslagregeling over het onderhavige jaar aan de juistheid van de zelfstandigenaftrek en de toevoeging aan de FOR in redelijkheid behoorde te twijfelen. Het Hof volgt dat oordeel van de Rechtbank. Ook in hoger beroep is van een dergelijke omstandigheid niet gebleken. Hierbij merkt het Hof nog op dat de Inspecteur ter zitting heeft verklaard dat de aangifte geen aanleiding gaf tot twijfel. Ook merkt het Hof nog op dat het geloof hecht aan de stelling van de Inspecteur dat het instellen van het boekenonderzoek naar de juistheid van de ondernemersfaciliteiten niet was ingegeven door enige bestaande twijfel over de juistheid van de door belanghebbende geclaimde faciliteiten.

4.3. Gelet op het vorenstaande was de Inspecteur niet gehouden de aangifte van belanghebbende nader te onderzoeken in verband met de vraag of aan de voorwaarden voor zelfstandigenaftrek en de toevoeging aan de FOR was voldaan. Verder behoefde de invoering van artikel 3.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 voor de Inspecteur geen reden te zijn om aan de juistheid van de in het aangiftebiljet opgenomen zelfstandigenaftrek en de toevoeging aan de FOR te twijfelen. Een en ander wordt niet anders door "de huidige IT-mogelijkheden", zoals door belanghebbende in hoger beroep gesteld.

4.4. In het arrest Hoge Raad, 27 november 2009, nr. 07/13621, LJN: BJ7907, is beslist dat het bezwaar tegen een belastingaanslag tevens moet worden opgevat als bezwaar tegen een op hetzelfde aanslagbiljet vermelde beschikking inzake heffingsrente die met deze aanslag samenhangt. Nu belanghebbende in de stukken niets heeft gesteld omtrent de heffingsrente, gaat het Hof er van uit dat belanghebbende geen bezwaar heeft tegen de heffingsrente zoals deze volgt uit het systeem van de wet.

4.5. Gelet op het vorenstaande moet de in geschil zijnde vraag bevestigend worden beantwoord. Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond. Het gelijk is aan de zijde van de Inspecteur.

Ten aanzien van het griffierecht

4.6. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149 geheel of gedeeltelijk te vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.7. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof

* verklaart het hoger beroep ongegrond, en

* bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 26 november 2010 door P.A.M. Pijnenburg, voorzitter, P.A.G.M. Cools en J.W. Verstraate, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.