Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BP8525

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-04-2010
Datum publicatie
21-03-2011
Zaaknummer
HD 200.022.636 T
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling huurprijs bedrijfsruimte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.022.636

arrest van de zevende kamer van 20 april 2010

in de zaak van

1. [X.], wonende te [woonplaats],

2. [Y.], wonende te [woonplaats],

appellanten in principaal appel,

geïntimeerden in incidenteel appel,

hierna te noemen (in enkelvoud): [X.],

advocaat: mr. M.A.M. van Dooren,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [Z.] ZUID B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: [Z.],

advocaat: mr. R.J.G. Bäcker,

op het bij exploot van dagvaarding van 6 januari 2009 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Breda gewezen vonnissen van 14 mei 2008 en 8 oktober 2008 tussen [X.] als eiser en [Z.] als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnr. 464394 CV EXPL 07-7378)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven, met producties, heeft [X.] vijf grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en, kort gezegd en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, tot:

(I) bepaling van de huurprijs van de bedrijfsruimte [pand 1.] en [pand 2.] te [vestigingsplaats] op € 179.021,56 per jaar, jaarlijks te indexeren per 1 januari, voor het eerst per 1 januari 2008;

(II) veroordeling van [Z.] tot betaling van de inmiddels sedert 30 december 2005 ontstane huurachterstand, te vermeerderen met wettelijke rente, primair ex art. 6:119a BW, subsidiair ex art. 6:119 BW;

(III) verwijzing van [Z.] in de kosten van beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [Z.] de grieven bestreden. Voorts heeft [Z.] incidenteel appel ingesteld, daarin twee grieven aangevoerd en geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof de principale grieven van [X.] zal verwerpen en de huurprijs van het gehuurde zal bepalen op € 82.228,50 per jaar, met veroordeling van [X.] in de kosten van beide instanties.

2.3. [X.] heeft in incidenteel appel geantwoord.

2.4. Partijen hebben hun zaak door hun advocaten doen bepleiten ter zitting van 10 februari 2010, ieder aan de hand van ter zitting overgelegde pleitaantekeningen.

2.5. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het principale en incidentele hoger beroep verwijst het hof naar de betreffende memories.

4. De beoordeling

in principaal en incidenteel appel

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. Bij gebreke van daartegen gerichte grieven zal het hof uitgaan van de in het tussenvonnis van 14 mei 2008 onder 3.1 omschreven feiten.

4.1.2. Ingaande 1 februari 1968 heeft (de rechtsvoorganger, d.w.z. de inmiddels overleden vader van) [X.] aan (de rechtsvoorganger van) [Z.] verhuurd het perceel staande en gelegen aan de [pand 1.] en [pand 2.] te Zundert, (destijds) kadastraal bekend sectie [sectieletter], nrs. [kadastraalnummer A.] en [kadastraalnummer B.], voor de duur van 15 jaren en daarna te verlengen als bepaald in de huurovereenkomst. Een deel van dit perceel was bij aanvang huur bebouwd met bedrijfsruimte met een vloeroppervlakte van ongeveer 650 m2, door huurder te gebruiken als supermarkt, met (niet verhuurde) bovenwoning, en het overige gedeelte van het verhuurde perceel (circa 515 m2) was bij aanvang huur onbebouwd.

4.1.3. De rechtsvoorganger van [Z.] heeft de gehuurde bedrijfsruimte samengevoegd met de hem in eigendom toebehorende belendende bebouwing, en heeft na aanvang van de huurovereenkomst op eigen kosten op het perceelsgedeelte van 515 m2 (in 1977 en 1985) een uitbreiding van de bestaande winkelruimte gerealiseerd, zodat een gehuurde winkeloppervlakte van in totaal 1.165 m2 is ontstaan (als onderdeel van de ruimere supermarkt ter plaatse die mede op aangrenzende percelen is gevestigd).

4.1.4. [Z.] heeft in de loop van de jaren 90 het bedrijf van haar rechtsvoorganger overgenomen en is uit dien hoofde in de plaats getreden van haar rechtsvoorganger bij de huurverhouding.

4.1.5. De huurovereenkomst is voor het laatst per 1 februari 2003 met vijf jaren contractueel verlengd tot en met 31 januari 2008, en wordt sedertdien krachtens de wet voor onbepaalde tijd voortgezet.

4.1.6. De huurprijs van het gehuurde is, behoudens indexering volgens contract, nimmer aangepast en bedroeg per 1 januari 2005 € 24.939,60 op jaarbasis. [X.] heeft bij verzoekschrift d.d. 30 december 2005 op de voet van het bepaalde in artikel 7:304 BW verzocht om benoeming van een deskundige, teneinde advies te verkrijgen omtrent de door [X.] gewenste verhoging van de huurprijs van het gehuurde op basis van artikel 7:303 BW. De drie door de kantonrechter te Breda bij eindbeschikking van 22 februari 2006 benoemde deskundigen (hierna in enkelvoud: de BHAC) hebben bij rapport d.d. 2 april 2007, met nadere aanvulling d.d. 13 december 2007, geadviseerd de huurprijs per 1 februari 2006 vast te stellen op € 101.252,-- per jaar (€ 98.157,-- + € 3.095,--), uitgaande van de bij aanvang huur aanwezige vloeroppervlakte van 650 m2 ‘publieksruimte’ en 164 m2 kelderruimte, en van een gemiddelde huurprijs van € 151,01 resp. € 18,88 per m2 per jaar.

4.1.7. Bij inleidende dagvaarding d.d. 30 oktober 2007 heeft [X.] de kantonrechter onder meer verzocht de huurprijs vast te stellen op in totaal

€ 179.021,56 per jaar, daarbij stellende dat ook de uitbreiding van 515 m2 in de nieuwe huurprijs moet worden verdisconteerd tegen genoemde m2-prijs van € 151,01, en zulks met ingang van 30 december 2005, de datum van indiening van het verzoek ex artikel 7:304 lid 1 BW.

Na verweer door [Z.] en na het tussenvonnis d.d. 14 mei 2008 heeft de kantonrechter bij eindvonnis 8 oktober 2008 de huurprijs per 30 december 2005 vastgesteld op € 88.318,35 per jaar, jaarlijks per 1 januari te indexeren, voor het eerst per 1 januari 2008, volgens het CBS-indexcijfer voor de gezinsconsumptie, reeks alle huishoudens. Kort gezegd en voor zover nog van belang overwoog de kantonrechter daarbij dat (a) geen grond bestaat voor aanpassing van de huurprijs wegens bijzondere geschiktheid van het gedeelte van 515 m2 voor bebouwing als uitbreiding van de supermarkt, (b) het pand [pand 3.], zoals de BHAC ook had gedaan, in de vergelijking kan worden betrokken, (c) de gemiddelde huurprijs per m2 van het pand [pand 3.] met 10% naar beneden moet worden gecorrigeerd in verband met de grootte van dit vergelijkingsobject, (d) de gemiddelde huurprijs van de vergelijkingspanden aldus moet worden berekend op € 146,21 per m2 per jaar, zodat een totale huurprijs voor het object geldt van € 98.131,50 per jaar, (e) met ingang van 30 december 2005, (f) welke prijs met 10% naar beneden moet worden gecorrigeerd wegens de relatief grote oppervlakte van het gehuurde, tot een totale jaarhuurprijs van € 88.318,35.

4.1.8. [X.] is tijdig in hoger beroep gekomen van het tussen- en eindvonnis. [Z.] heeft in incidenteel appel tijdig geappelleerd tegen het eindvonnis.

4.2. Het principale hoger beroep betreft niet alleen het eindvonnis van 8 oktober 2008, maar ook het tussenvonnis van 14 mei 2008. [X.] heeft evenwel geen grieven tegen het tussenvonnis aangevoerd, en kan derhalve niet worden ontvangen in het hoger beroep voor zover dit is gericht tegen het tussenvonnis.

4.3. Het hof zal beginnen met de bespreking van de incidentele grieven.

4.4. Met incidentele grief 1 brengt [Z.] in stelling dat het pand [pand 3.] niet in de vergelijking mag worden betrokken. Volgens [Z.] is de huurprijs van dit pand buiten de vrije marktwerking tot stand gekomen, nu verhuurder en huurder feitelijk in één persoon zijn verenigd en het een feit van algemene bekendheid is dat in die verhouding de huurprijs om fiscale redenen zo hoog mogelijk wordt vastgesteld.

4.4.1. Het hof is, met de kantonrechter, van oordeel dat [Z.] haar stelling dat de huurprijs van het -in alle overige opzichten prima vergelijkbare- vergelijkingsobject [pand 3.] aan het vrije marktmechanisme onttrokken is geweest en louter om fiscale reden op dat (hoge) niveau is overeengekomen, onvoldoende heeft onderbouwd. [Z.] verzuimt gegevens te verstrekken die aannemelijk maken dat de betrokken verhuurder en huurder min of meer kunnen worden ‘vereenzelvigd’ en het in dergelijke relaties inderdaad algemene praktijk is om de huurprijs om fiscale redenen zo hoog mogelijk, los van de markthuurwaarde, vast te stellen. Door [Z.] is evenmin onderbouwd welke huurprijs zonder die omstandigheid voor dit pand reëel zou zijn. Verder gaat het hof tevens voorbij aan de stelling van [Z.] dat het -volgens de kantonrechter met

[pand 3.] vergelijkbare- huurprijsniveau van het vergelijkingspand [pand 4.] niet representatief is omdat de prijs van dit pand ongeveer 40% hoger is in vergelijking met de overige vergelijkingspanden. Bij de keuze van vergelijkingsobjecten is de hoogte van de huurprijs immers geen criterium (vgl. HR 10 mei 1996, NJ 1996, 670). Een en ander betekent dat [pand 3.] terecht in de vergelijking is betrokken. Incidentele grief 1 faalt.

4.5. Incidentele grief 2 houdt kort gezegd in dat de huurprijsvaststelling op een te smalle basis is verricht, doordat de BHAC en de kantonrechter zonder motivering, en dus ten onrechte, het pand [pand 5.] buiten de vergelijking hebben gehouden.

4.5.1. Het hof verwerpt deze grief. De BHAC overweegt immers in het rapport d.d. 2 april 2007, paragraaf 3, dat het door [Z.] aangereikte vergelijkingsobject [pand 5.] niet in het onderzoek is betrokken, omdat de betreffende verhuurder en huurder hun medewerking weigerden. Later, na het verschijnen van het advies van de BHAC, heeft [Z.] eerst bij conclusie van antwoord (prod. 4, brief d.d. 12 juli 2007) enige gegevens betreffende dit pand in het geding gebracht, die overigens niet zijn geverifieerd door de BHAC. Bovendien laat de herleide gemiddelde huurprijs per m2 van dit object zich klaarblijkelijk nog steeds niet duidelijk en eenvoudig berekenen, nu de door [Z.] in de toelichting bij incidentele grief 2 aangegeven (maximum)prijs is voorzien van een P.M.-aanduiding. Hoe dan ook, de BHAC heeft blijkens haar nadere rapportage d.d. 13 december 2007 in de later aangeleverde gegevens geen aanleiding gevonden voor herziening van haar visie dat de vier eerder geselecteerde panden, waaronder het gehandhaafde pand [pand 3.], een goed en toereikend referentiekader vormen voor het vergelijkingsonderzoek. De kantonrechter heeft zich, naar het oordeel van het hof terecht, aangesloten bij die (deskundige) visie. Bij handhaving van [pand 3.] als referentiepand bestond er geen sterke reden voor uitbreiding van de hoeveelheid vergelijkingsobjecten tot vijf, door het door [Z.] als alternatief aangedragen pand [pand 5.] alsnog toe te voegen en mede in het onderzoek te betrekken.

4.6. De principale grieven I, II en III sub a lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Met deze grieven voert [X.], met een beroep op HR 9 juli 1991, NJ 1991, 198, aan dat het gehuurde -een perceel grond met daarop een gebouwde bedrijfsruimte met een vloeroppervlakte van 650 m2 en een onbebouwd erf van 515 m2 dat later (in 1977 en 1985) door de (toenmalige) huurder volledig is bebouwd als uitbreiding van de supermarkt- wegens die mogelijkheid tot uitbreiding een bijzondere geschiktheid kent om het gehuurde met betrekkelijk geringe kosten beter in te richten voor het doel waarvoor het is verhuurd. Deze mogelijkheid tot uitbreiding van de bebouwde oppervlakte met 515 m2 is volgens [X.] wél van invloed op de huurwaarde en moet daarom bij de bepaling van de huurprijs in aanmerking worden genomen, zodanig dat niet slechts 650 maar 1.165 m2 publieksruimte tegen een m2-prijs van € 151,01 in de huurprijsberekening moet worden meegenomen. De BHAC en de kantonrechter hebben ten onrechte geen rekening gehouden met de aanwezigheid van deze 515 m2 als huurwaardeverhogende factor, aldus [X.].

4.6.1. Het hof verwerpt dit betoog van [X.], om de volgende reden. Indien de potentiële (en later ook door de huurder gerealiseerde) bebouwing van die 515 m2 slechts met meer dan geringe kosten te realiseren is, valt die mogelijkheid niet in aanmerking te nemen als factor die de huurwaarde van het gehuurde verhoogt (vlg. HR 15 juni 2001, NJ 2001, 478, rov 3.11.). Deze situatie doet zich hier voor, althans niet voldoende is met concrete gegevens onderbouwd dat er wel sprake is van zodanige mogelijkheid tot uitbreiding met geringe kosten. In dit geval zijn de met de uitbreiding gemoeide bouwkosten noch bij [X.] noch bij [Z.] bekend. Het hof acht evenwel onaannemelijk dat de uitbreiding -een volledige aanbouw met een vloeroppervlakte van 515 m2 op een nog geheel onbebouwd perceelsgedeelte- zich eenvoudig en met weinig middelen laat realiseren.

4.6.2. Door [X.] zijn in dit verband de volgende omstandigheden aangevoerd: bij contractssluiting waren partijen zich duidelijk bewust van de uitbreidingsmogelijkheid, de 1.165 m2 vormen het hart van de supermarkt en zijn cruciaal voor [Z.], niet [Z.] zelf maar haar rechtsvoorganger heeft de uitbreiding gerealiseerd en bekostigd, [Z.] heeft bij de bedrijfsovername aan de rechtsvoorganger geen vergoeding betaald voor die investering of, als dat wel het geval is, is die investering inmiddels volledig afgeschreven en staat die in geen verhouding tot het huurprijsvoordeel dat [Z.] al jaren geniet doordat de extra ruimte van 515 m2 nimmer tot huurprijsverhoging heeft geleid. Deze omstandigheden kunnen er naar het oordeel van het hof niet toe leiden dat, ook al zou er sprake zijn van ‘meer dan geringe kosten’, niettemin rekening mag en moet worden gehouden met de mogelijkheid tot uitbreiding van de supermarkt, en dat de door [X.] gevraagde huurprijsaanpassing tot € 179.021,56 per jaar niettemin gehonoreerd moet worden. Die omstandigheden, indien al juist, missen verder relevantie bij de beantwoording van de vraag waar het hier om gaat: bezit het erf, de inmiddels gerealiseerde uitbreiding weggedacht, bijzondere (huurwaardeverhogende) aantrekkelijkheid vanwege de mogelijkheid tot relatief ‘goedkope’ supermarktuitbreiding (met 515 m2), dat wil zeggen: met geringe bouwkosten. Ook maken die omstandigheden het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar om, voormelde door de Hoge Raad geformuleerde maatstaf toepassend, de door [X.] verdedigde huurprijsaanpassing achterwege te laten.

Principale grieven I, II en III sub a falen derhalve.

4.7. Evenmin kan worden aanvaard de door [X.] aangevoerde stelling dat het onredelijk en onbillijk is dat [X.], louter omdat de betreffende 515 m2 uitbreiding niet door en op kosten van hun rechtsvoorganger is gerealiseerd, nimmer aanspraak zal kunnen maken op een normale huurprijs met betrekking tot de uitbreiding en dus ongeveer € 75.000,-- huur per jaar mislopen (515 m2 x € 151,01), met welk bedrag [Z.] jaarlijks is en wordt bevoordeeld en ongerechtvaardigd wordt verrijkt. Wettelijk uitgangspunt (art. 7:303 lid 3 BW) is immers dat een verbetering zoals onderhavige uitbreiding, die volledig door de (vorige) huurder althans niet door de verhuurder is gerealiseerd en bekostigd, buiten aanmerking dient te blijven bij de rechterlijke huurprijsvaststelling. Voor een uitzondering op dit uitgangspunt, in verband met een bijzondere geschiktheid van het gehuurde voor een weinig kostbare uitbreiding van de bedrijfsruimte, is zoals hiervoor werd overwogen in casu geen plaats. [Z.] heeft voorts onvoldoende gesteld ter onderbouwing van haar beroep op ongerechtvaardigde verrijking, zodat dit beroep moet worden verworpen.

4.8. Principale grief III, sub b, strekt -subsidiair- ten betoge dat het onbebouwde perceelsgedeelte van 515 m2, ook afgezien van de door [X.] bepleite extra waarde uit hoofde van bijzondere geschiktheid tot bebouwing/uitbreiding van de bedrijfsruimte, een huurwaarde ten bedrage van € 35,00 per m2 per jaar vertegenwoordigt, omdat dit gedeelte in onbebouwde staat vanwege opslag- of parkeermogelijkheden de gehuurde opstal (650 m2) wel degelijk een meerwaarde verschaft boven een bedrijfsruimte zonder een dergelijk erf. De BHAC en de kantonrechter hebben ten onrechte geen rekening gehouden met deze 515 m2 buitenterrein, ook niet als onbebouwd terrein, doch uitsluitend met de gehuurde 650 m2 opstal/bedrijfsruimte, aldus [X.].

4.8.1. Aan [X.] kan worden toegegeven dat de BHAC en de kantonrechter niet vermelden of en in hoeverre de 515 m2, naast de 650 m2 publieksruimte en de kelderruimte, in beschouwing zijn genomen bij de huurprijsvaststelling. Dat wil echter nog niet zeggen dat zij bij de huurwaardering helemaal geen rekening hebben gehouden met de aanwezigheid van 515 m2 onbebouwd terrein. Terecht heeft de BHAC de 515 m2 bebouwing, als gerealiseerd en bekostigd door huurder, buiten aanmerking gelaten bij de huurprijsberekening. Of die 515 m2 onbebouwde grond, met bijvoorbeeld mogelijkheden voor opslag of parkeren, wel of niet van belang is voor de huurwaardebepaling van het gehuurde (waarbij het accent ligt op de 650 m2 opstal), en wel of niet in de huurprijsberekening daarvan is meegenomen, is evenwel onduidelijk.

4.8.2. Het hof ziet aanleiding om aan de BHAC met betrekking tot deze kwestie de volgende nadere vragen te stellen:

a. heeft de BHAC bij haar huurprijsadvies wel of geen rekening gehouden met de aanwezigheid van 515 m2 grondperceel (met mogelijkheden voor opslag of parkeren, en afgezien van de gerealiseerde bebouwing of de mogelijkheid daartoe)?

b. is de aanwezigheid van een dergelijk onbebouwd erf relevant voor de bepaling van de hoogte van de huurprijs voor de bedrijfsruimte (650 m2 bebouwing), in gebruik als supermarkt?

c. ervan uitgaande dat de vergelijkingsobjecten niet over een (vergelijkbaar) erf beschikken, is de aanwezigheid van dit erf een factor die de huurwaarde van het gehuurde ten opzichte van de vergelijkingspanden verhoogt? Zo ja, in welke mate, en tot welke correctie van het huurprijsadvies van de BHAC behoort dit te leiden?

4.9. Met principale grief IV maakt [X.] bezwaar tegen de door de kantonrechter toegepaste correctie van 10% op enerzijds (1) de gemiddelde huurprijs per m2 voor het vergelijkingspand [pand 3.], hetgeen de kantonrechter tot herberekening van de gemiddelde huurprijs per m2 van alle vergelijkingspanden bracht, en anderzijds (2) op de herberekende huurprijs voor het gehuurde. De kantonrechter bracht die correcties aan, omdat [pand 3.] en het huurobject gemiddeld groter zijn dan de (overige) in de vergelijking betrokken panden en het een feit van algemene bekendheid is dat de huurprijs per m2 voor grotere bedrijfsruimte relatief lager is dan voor vergelijkbare kleinere bedrijfsruimte. Hiertegen keert zich principale grief IV.

4.9.1. Het hof overweegt als volgt. [X.] betwist dat er eenstemmigheid bestaat over de door de kantonrechter gevolgde handelwijze. Deze handelwijze spoort in ieder geval niet met de door de BHAC gevolgde berekeningswijze. De BHAC zag kennelijk geen plaats voor een dergelijke correctie wegens oppervlakteverschillen. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, kan het hof de kantonrechter niet volgen in de zienswijze dat het algemene praktijk is om op basis van relevante oppervlakteverschillen een correctie, in dit geval van 10%, aan te brengen op een in de vergelijking te betrekken huurprijs van een vergelijkingspand, of op de voor het huurobject berekende huurprijs. Daar komt nog bij dat in de vergelijking niet alleen kleinere, maar ook een grotere bedrijfsruimte ([pand 3.], 780 m2 publieksruimte) is betrokken.

4.9.2. Het hof ziet aanleiding om met betrekking tot deze kwestie de volgende nadere vragen aan de BHAC te stellen:

a. is het gebruikelijk om bij de vaststelling van (1) de gemiddelde huurprijs van een vergelijkingsobject dat verhoudingsgewijs groter is dan (de gemiddelde oppervlakte van) de overige vergelijkingspanden en (2) van de huurprijs van een huurobject dat verhoudingsgewijs groter is dan (de gemiddelde oppervlakte van) alle vergelijkingspanden, rekening te houden met dit soort oppervlakteverschillen?

b. bestaat er in dit geval aanleiding om wegens de omvang van het pand [pand 3.] en die van het huurobject, de door de kantonrechter toegepaste correcties (op de referentiehuur van [pand 3.], en op de (her)berekende huurprijs voor het gehuurde) aan te brengen?

c. zo ja, in welke mate? En tot welke correctie van het huurprijsadvies van de BHAC dient dit te leiden?

4.10. Het hof verzoekt de BHAC -dat wil zeggen: de door de kantonrechter benoemde leden van de BHAC voor Midden Brabant te [vestigingsplaats], te weten: (a) [A.], makelaar te [vestigingsplaats], (b) [B.], accountant-administratieconsulent te [vestigingsplaats] en (c) [C.], ondernemer te [vestigingsplaats], dan wel hun plaatsvervangers- het hof nader schriftelijk te informeren over de in rov. 4.8.2. en 4.9.2. geformuleerde vraagpunten, zulks in aanvulling op de eerdere berichten d.d. 2 april 2007 en 13 december 2007, met nummer 381266/OV/06-14.

4.10.1. Het hof zal het voorschot op de kosten die gemoeid zullen zijn met dit nadere deskundigenbericht voorshands ten laste van [X.] brengen, en bepaalt dit voorschot op € 1,750,-- te voldoen door [X.].

4.11. Na het verschijnen van het nadere deskundigenbericht zullen [X.] en [Z.] achtereenvolgens gelegenheid krijgen om bij memorie na deskundigenbericht daarop te reageren.

4.12. In afwachting van de bevindingen van de BHAC zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

5. De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel

bepaalt dat een nader deskundigenonderzoek zal worden verricht naar de in rov. 4.8.2 en 4.9.2 van dit arrest geformuleerde vragen;

bepaalt dat dit nader onderzoek wordt verricht door de in rov. 4.10 genoemde leden van de BHAC voor Midden Brabant te [vestigingsplaats] of, bij hun ontstentenis, door hun door de BHAC aan te wijzen plaatsvervangers;

verzoekt de deskundigen een schriftelijk en met redenen omkleed bericht, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof;

verzoekt de BHAC tegelijkertijd een afschrift van het bericht aan de advocaten van partijen toe te zenden;

contactpersoon BHAC/ KvK:

de heer [D.]

Postbus [postbus]

[postbode] [plaastnaam]

Tel [telefoonnummer]

bepaalt dat de BHAC eerst met het nader onderzoek zal aanvangen nadat de griffier heeft bericht dat het voorschot is ontvangen;

bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijk, ondertekend bericht ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op drie maanden nadat door de griffier is bericht dat het voorschot is ontvangen en dat met het onderzoek kan worden aangevangen;

bepaalt het voorschot op de kosten van de BHAC op het door de BHAC begrote bedrag van € 1.750,--, tenzij partij/partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt; in dat geval zal het hof op het bezwaar/de bezwaren beslissen en de hoogte van het voorschot bepalen;

bepaalt dat [X.] genoemd voorschot van € 1.750,-- binnen 4 weken na heden zal overmaken naar rekeningnummer 56.99.90.572 ten name van Arrondissement 536 ’s-Hertogenbosch, onder vermelding van HD 200.022.636;

verzoekt de BHAC, indien de kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van dit arrest, alsmede van de vonnissen waarvan beroep, aan de deskundigen zal toezenden;

bepaalt dat partijen binnen één week na de datum van dit arrest (een afschrift van) de verdere processtukken aan de BHAC ter beschikking zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

bepaalt dat de BHAC partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk bericht van de BHAC moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het bericht tevens melding dient te worden gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;

benoemt mr. B.A. Meulenbroek tot raadsheer-commissaris, tot wie de BHAC zich, door tussenkomst van de griffie, dient te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het nader onderzoek daartoe aanleiding geeft;

verwijst de zaak naar de rol van 7 september 2010 voor memorie na deskundigenbericht, aan de zijde van [X.];

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Meulenbroek, Kleijngeld en Theuws en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 20 april 2010.