Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BP7289

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-11-2010
Datum publicatie
10-03-2011
Zaaknummer
09/00113
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is op 8 februari 2006 gaan samenwonen met mevrouw S en haar 14-jarige dochter. Belanghebbende stelt dat zijn belastbaar inkomen uit werk en wonen voor de toepassing van artikel 8.12 verminderd moet worden met het gedeelte dat tijdsevenredig toerekenbaar is aan de periode 1 januari 2006 tot 8 februari, te weten de periode dat hij geen gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met mevrouw S.

Belanghebbende verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt op de in artikel 8.12 gebezigde term "onderhouden" . De rechtbank heeft in zijn uitspraak het beroep van belanghebbende verworpen onder verwijzing naar de artikelen 2.3 en 2.18 Wet IB 2001, waarin het verzamelinkomen per kalenderjaar is bepaald. Het Hof sluit zich hierbij aan. Hoger beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2011/16.22.17
FutD 2011-0600
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Eerste meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 09/00113

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X,

wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

en op het incidenteel hoger beroep van

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Limburg van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 27 februari 2009, nummer AWB 08/2950, in het geding tussen

belanghebbende

en

de Inspecteur

betreffende na te noemen aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2006 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.193, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur van 25 juni 2008 is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39.

Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en wonen van € 31.236, met toepassing van de kinderkorting tot een bedrag van € 29 en handhaving van de overige elementen van de aanslag. Voorts heeft de Rechtbank de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 402,50 en gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoedt.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 110. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. Belanghebbende heeft op het incidenteel hoger beroep gereageerd.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 3 juni 2010 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.6. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.7. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.8. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Op 8 februari 2006 is belanghebbende met mevrouw A en haar toen veertienjarige dochter een gezamenlijke huishouding gaan voeren op het adres B-straat 42 te Y.

2.2. Belanghebbende en mevrouw A hebben voor het jaar 2006 gekozen voor kwalificatie als partner als bedoeld in artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).

2.3. Voor het jaar 2006 hebben belanghebbende en zijn partner aangifte in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van respectievelijk € 32.193 en € 12.854.

2.4. Met dagtekening 29 februari 2008 heeft de Inspecteur aan belanghebbende en zijn partner overeenkomstig de ingediende aangiften aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen

uit werk en woning van respectievelijk € 32.193 en € 12.854.

2.5. Belanghebbende heeft tegen deze aan hem opgelegde aanslag met dagtekening 27 februari 2008 een bezwaarschrift ingediend. In het bezwaarschrift, dat op 3 maart 2008 bij de Inspecteur is binnengekomen, heeft belanghebbende verzocht hem in verband met de dochter van zijn partner kinderkorting als bedoeld in artikel 8.12 van de Wet IB 2001 en aftrek wegens uitgaven voor levensonderhoud van kinderen als bedoeld in artikel 6.13 van de Wet IB 2001 te verlenen.

2.6. In zijn uitspraak van 25 juni 2008 heeft de Inspecteur het bezwaar afgewezen. Belanghebbende heeft volgens de Inspecteur geen recht op kinderkorting omdat het gezamenlijke verzamelinkomen van belanghebbende en zijn partner (€ 45.047) meer bedraagt dan de in artikel 8.12, lid 1, onderdeel b, van de Wet IB 2001 genoemde inkomensgrens van € 44.591 (tekst 2006). Bovendien heeft belanghebbende geen recht op aftrek wegens uitgaven voor levensonderhoud van kinderen omdat zijn partner voor haar dochter recht heeft op kinderbijslag volgens de Algemene Kinderbijslagwet.

2.7. Met dagtekening 26 juni 2008 heeft belanghebbende tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de Rechtbank. Tijdens het onderzoek ter zitting op 5 december 2008 heeft belanghebbende gesteld dat het gezamenlijke verzamelinkomen van hem en zijn partner minder bedraagt dan de inkomensgrens van artikel 8.12, lid 1, onderdeel b, van de Wet IB 2001 omdat hij abusievelijk geen rekening heeft gehouden met buitengewone uitgaven als bedoeld in afdeling 6.5 van de Wet IB 2001. Daarnaast stelde hij zich op het standpunt dat zijn belastbaar inkomen uit werk en woning voor de toepassing van artikel 8.12 van de Wet IB 2001 verminderd dient te worden met het gedeelte dat tijdsevenredig toerekenbaar is aan de periode 1 januari 2006 tot 8 februari 2006. Dat is de periode gedurende welke hij in 2006 geen gezamenlijke huishouding met zijn partner heeft gevoerd. Voorts heeft hij zijn grief tegen het niet verlenen van aftrek wegens uitgaven voor levensonderhoud van kinderen ingetrokken.

2.8. Na schorsing van het onderzoek ter zitting en heropening van het vooronderzoek zijn belanghebbende en de Inspecteur overeengekomen dat belanghebbende van de buitengewone uitgaven van € 6.137, na toepassing van de drempel van artikel 6.24, lid 2 van de Wet IB 2001, een bedrag van € 957 in aftrek kan brengen, zodat zijn belastbaar inkomen uit werk en woning nader vastgesteld dient te worden op € 31.236. De Rechtbank heeft partijen hierin gevolgd en heeft vervolgens de te verlenen kinderkorting vastgesteld op een bedrag van € 29.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Nadat belanghebbende tijdens het onderzoek ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij akkoord is met het door dat de Rechtbank vastgestelde bedrag van € 402,50 aan proceskostenvergoeding, betreft het geschil uitsluitend nog het antwoord op de volgende vragen:

3.1.1. Dient belanghebbendes belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.236 voor de toepassing van artikel 8.12 van de Wet IB 2001 verminderd te worden met het bedrag dat tijdsevenredig toerekenbaar is aan de periode 1 januari 2006 tot 8 februari 2006?

3.1.2. Is de Inspecteur in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank terecht veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende?

Belanghebbende is van mening dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het door hem ingestelde hoger beroep, ongegrondverklaring van het door de Inspecteur ingestelde incidenteel hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak van de Inspecteur, alsmede tot vermindering van de aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen berekend tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.236 en met toepassing van een kinderkorting van, naar het Hof begrijpt, € 216. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het door belanghebbende ingestelde hoger beroep, gegrondverklaring van het door hem ingestelde incidenteel hoger beroep en vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betreft de veroordeling van de Inspecteur tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1. Naar het Hof begrijpt stelt belanghebbende dat zijn belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.236 voor de toepassing van artikel 8.12 van de Wet IB 2001 moet worden vastgesteld op 327/365 x € 31.236 = € 27.984. Het gezamenlijke verzamelinkomen van belanghebbende en zijn partner bedraagt daardoor voor de toepassing van dat artikel € 40.838, zodat de te verlenen kinderkorting € 216 (€ 924 minus 5,75% van

(€ 40.838 -/- € 28.521)) bedraagt. Ter onderbouwing van een tijdsevenredige vaststelling van zijn belastbaar inkomen uit werk en woning verwijst belanghebbende naar de in artikel 8.12, lid 1, onderdeel a van de Wet IB 2001 opgenomen uitdrukking "onderhouden", welke uitdrukking naar zijn oordeel voor zijn situatie betrekking heeft op de periode gedurende welke uitgaven voor de dochter van zijn partner (mede) ten laste van zijn inkomen zijn gekomen (in 2006 betreft het de periode 8 februari tot en met 31 december), naar de bedoeling die de wetgever met de invoering van de kinderkorting heeft gehad alsmede naar het draagkrachtbeginsel.

4.2. Onder verwijzing naar de artikelen 2.3 en 2.18 van de Wet IB 2001 heeft de Rechtbank geoordeeld dat voor de toepassing van de Wet IB 2001 het verzamelinkomen per kalenderjaar moet worden vastgesteld alsmede dat daarop in de Wet IB 2001 geen uitzondering is geformuleerd voor de toepassing van artikel 8.12 van die wet. Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank daarmee op goede gronden een juiste beslissing genomen en doen de door belanghebbende aangevoerde argumenten hieraan niet af. Nu voorts niet is gebleken dat de Rechtbank de aan belanghebbende te verlenen heffingskorting van € 29 onjuist heeft berekend, verwerpt het Hof belanghebbendes stelling.

4.3. In het arrest Hoge Raad, 27 november 2009, nr. 07/13621, LJN: BJ7907, is beslist dat het bezwaar tegen een belastingaanslag tevens moet worden opgevat als bezwaar tegen een op hetzelfde aanslagbiljet vermelde beschikking inzake heffingsrente die met deze aanslag samenhangt. Nu belanghebbende in de stukken niets heeft gesteld omtrent de heffingsrente, gaat het Hof er van uit dat belanghebbende geen bezwaar heeft tegen de heffingsrente zoals deze volgt uit het systeem van de wet.

Ten aanzien van het griffierecht

4.4. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.5. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

4.6. In zijn incidenteel hoger beroep stelt de Inspecteur dat uit de in 2.7 beschreven handelwijze van belanghebbende volgt dat de noodzaak tot het instellen van beroep bij de Rechtbank uitsluitend aan belanghebbende zelf is te wijten en dat om die reden de uitspraak van de Rechtbank vernietigd dient te worden voor zover deze betreft de veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrag van € 402,50 (zie het arrest van de Hoge Raad van 12 mei 2006, nr. 42 446, onder andere gepubliceerd in BNB 2006/270). Het Hof verwerpt deze stelling van de Inspecteur. Uit de gedingstukken volgt dat belanghebbende aan de Rechtbank de - door de Inspecteur in zijn uitspraak van 25 juni 2008 negatief beantwoorde - rechtsvraag heeft voorgelegd of hij voor het jaar 2006 in verband met de dochter van zijn partner in aanmerking komt voor de kinderkorting en aftrek wegens uitgaven voor levensonderhoud van kinderen omdat hij eerst op 8 februari 2006 met zijn partner een gezamenlijke huishouding is gaan voeren. Om die reden kan naar het oordeel van het Hof niet worden gezegd dat de noodzaak tot het instellen van beroep bij de Rechtbank uitsluitend aan belanghebbende zelf is te wijten, wat er verder ook zij van de in 2.7 beschreven handelwijze van belanghebbende. Het Hof verwerpt het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur.

Slotsom

4.7. Gelet op al het vorenoverwogene is het door belanghebbende ingestelde hoger beroep ongegrond en is het door de Inspecteur ingestelde incidenteel hoger beroep ongegrond.

5. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 11 november 2010 door P.A.G.M. Cools, voorzitter, J.W.J. Huige en M.B.A. van Hout, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.