Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BP6396

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-11-2010
Datum publicatie
02-03-2011
Zaaknummer
09/00374
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Het hof heeft in deze zaak op 12 mei 2010 uitspraak op het hoger beroep gedaan. Bij brief van 17 mei 2010 verzoekt belanghebbende om heropening van het onderzoek en tevens om herziening van de uitspraak. Beide verzoeken worden afgewezen. Heropening is slechts mogelijk vóór de datum van de uitspraak en bij herziening dient sprake te zijn van een onherroepelijk geworden einduitspraak, dat wil zeggen een uitspraak die rechtens onaantastbaar is geworden. Nu de termijn voor het instellen van beroep in cassatie nog niet was verstreken ten tijde van het indienen van het verzoek om herziening, zal het hof de brief van belanghebbende op grond van art. 6:15 Awb doorzenden naar de Hoge Raad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2011/17.2.1
FutD 2011-0545
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Tweede meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 09/00374

Uitspraak op het verzoek van

de erven van mevrouw X,

te Y (Spanje),

hierna: belanghebbenden,

tot heropening van het onderzoek op de voet van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in de zaak van belanghebbenden tegen na te noemen Inspecteur, kenmerk 09/00374,

en

tot herziening in de zin van artikel 8:88 van de Awb van de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, van 12 mei 2010, kenmerk 09/00374, op het hoger beroep van belanghebbenden tegen de mondelinge uitspraak tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 8 juli 2009, nummer AWB 08/3796, in het geding tussen

belanghebbenden

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Limburg, kantoor Buitenland van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen beschikking.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan mevrouw X (hierna: erflaatster) is voor het jaar 2006 een beschikking "Niet in Nederland belastbaar inkomen" afgegeven waarbij het wereldinkomen uit werk en woning is vastgesteld op € 4.890, het verzamelinkomen in Nederland op € 332 en het niet in Nederland belastbaar inkomen (hierna ook: NiNbi) op € 4.558.

Na daartegen gemaakt bezwaar zijn naar het Hof verstaat de inkomenselementen van de beschikking bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

1.2. Belanghebbenden zijn van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben belanghebbenden hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft op 12 mei 2010 uitspraak op het hoger beroep gedaan. Afschriften van de uitspraak zijn op 12 mei 2010 aan partijen verzonden.

1.3. Bij brief van 17 mei 2010, bij het Hof binnengekomen op 18 mei daaropvolgend, heeft de gemachtigde van belanghebbende verzocht om heropening van het onderzoek en het Hof tevens verzocht de uitspraak van 12 mei 2010 te herzien.

2. De gronden van de beslissing

Ten aanzien van het verzoek om heropening

2.1. Hoewel de Awb niet uitdrukkelijk voorziet in de mogelijkheid dat een partij verzoekt om heropening van het onderzoek op de voet van artikel 8:68 van de Awb, staat het een partij vrij het gerecht te verzoeken om van zijn bevoegdheid om het onderzoek te heropenen gebruik te maken (vergelijk Hoge Raad 20 februari 2009, nr 43.904, LJN: BH3344). Zodanig verzoek dient dan wel vóór de datum waarop uitspraak is gedaan bij het Hof te zijn ingediend.

Vaststaat dat op 12 mei 2010 uitspraak is gedaan en dat het verzoek op 18 mei 2010 bij het Hof is ingekomen. Hieruit volgt dat het verzoek niet is ingekomen vóór de datum waarop uitspraak is gedaan. Het verzoek van belanghebbenden dient dan ook te worden afgewezen, zodat belanghebbende niet ontvangen kunnen worden in hun verzoek.

Ten aanzien van het verzoek om herziening

2.2. Ingevolge artikel 8:88, lid 1, van de Awb kan op verzoek van een partij binnen de in dat artikel aangegeven grenzen een onherroepelijk geworden uitspraak worden herzien die berust op een ondeugdelijke feitelijke grondslag.

Onderwerp van een herzieningsverzoek dient dan ook een onherroepelijk geworden einduitspraak te zijn, dat wil zeggen een uitspraak die rechtens onaantastbaar is geworden.

Vast staat dat ten tijde van het indienen van het verzoek de uitspraak, waarvan herziening wordt gevraagd, nog niet onherroepelijk was en dat daartegen nog een gewoon rechtsmiddel kon worden ingesteld. Herziening heeft het karakter van een buitengewoon rechtsmiddel en kan derhalve in het onderhavige geval geen toepassing vinden.

Wel dient het verzoek met toepassing van het bepaalde in artikel 6:15 van de Awb doorgezonden te worden naar de Hoge Raad.

Slotsom

2.3. Belanghebbenden zijn op grond van het onder 2.1 overwogene niet-ontvankelijk in hun verzoek om heropening van het onderzoek. Onder deze omstandigheid is er aanleiding op het verzoek van belanghebbenden met toepassing van artikel 8:54 van de Awb zonder voortzetting van het onderzoek te beslissen.

Ten aanzien van de proceskosten

2.4. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

3. Beslissing

Het Hof

- verklaart belanghebbenden niet-ontvankelijk in hun verzoek om heropening van het onderzoek;

- bepaalt dat de griffier het verzoek om herziening doorstuurt naar de Hoge Raad.

Aldus gedaan op 22 november 2010 door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, J. Swinkels en V.M. van Daalen-Mannaerts, in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.