Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BP4373

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-09-2010
Datum publicatie
14-02-2011
Zaaknummer
09/00516 en 09/00535
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2009:BJ7712, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Twee broers dreven tot 1997 een agrarisch bedrijf middels een vof. Op 31 maart 1998 is belanghebbende door beide broers opgericht. Via geruisloze inbreng zijn onder meer landbouwgronden ingebracht. Deze gronden worden met terugwerkende kracht tot oktober 1996 verpacht aan een andere vennootschap van de broers. In geschil is of de gronden als gevolg van de verpachting kunnen worden afgewaardeerd. Het hof volgt de inspecteur in zijn stelling dat in gelieerde verhoudingen geen afwaardering mogelijk is, omdat de pacht in werkelijkheid onmiddellijk opzegbaar is. Het taxatierapport dat belanghebbende heeft overgelegd kan niet worden gevolgd omdat dat kennelijk uitgaat van niet-gelieerde verhoudingen, waarvan in het onderhavige geval geen sprake is. Het gelijk is aan de inspecteur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2011/28.11 met annotatie van Redactie
FutD 2011-0421
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Tweede meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 09/00516 en 09/00535

Uitspraak op het hoger beroep van

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Oost-Brabant van de rijksbelastingdienst, kantoor Helmond,

hierna: de Inspecteur,

en het incidenteel hoger beroep van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V., te Y,

hierna: belanghebbende,

respectievelijk

op het hoger beroep van

belanghebbende

tegen de schriftelijke uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 12 augustus 2009, nummer AWB 07/1947, in het geding tussen

belanghebbende

en

de Inspecteur

betreffende na te noemen aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2006 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 721.014 (€ 327.182).

Na daartegen gemaakt bezwaar is de aanslag bij uitspraak van de Inspecteur van 19 mei 2007 verminderd tot een naar een belastbaar bedrag van ƒ 596.014 (€ 270.459).

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 285.

Bij schriftelijke uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard en de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 17.255,17.

1.3. Tegen deze laatste uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. De Inspecteur heeft het incidentele hoger beroep beantwoord.

1.5. Belanghebbende heeft eveneens hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank, welk hoger beroep bij het Hof is geregistreerd onder nummer 09/00535.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 447.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6. De zitting heeft plaatsgehad op 1 juli 2010 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.7. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. De gebroeders A (verder ook: de broers) dreven tot 1997 voor eigen rekening en risico een agrarisch bedrijf onder de naam Firma Gebroeders A (hierna: de vof).

2.2. Op 1 maart 1996 hebben de broers ieder een perceel landbouwgrond (de gronden) gekocht, B voor ƒ 433.500 (€ 196.714) en C voor ƒ 399.500 (€ 181.285). Het gebruik en het genot van de gronden is aan de vof verstrekt. De broers hebben de gronden ieder op hun persoonlijke ondernemingsbalans geactiveerd als buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen.

2.3. De broers zijn, ieder voor 50 %, aandeelhouder in Gebroeders D B.V. (hierna: D).

2.4. Op 31 maart 1998 is belanghebbende opgericht. De broers werden daarin gezamenlijk aandeelhouder; B voor 51,3%, C voor 48,7%. Als storting op de aandelen hebben de broers op de voet van artikel 18 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (geruisloze inbreng) onder meer de gronden ingebracht.

2.5. Tot de gedingstukken behoren twee overeenkomsten van 2 april 1998 waarbij de gronden aan D worden verpacht met terugwerkende kracht tot 16 oktober 1996. In verband daarmede hebben de broers de grond in hun aangiften voor de inkomstenbelasting over het jaar 1996 afgewaardeerd ten laste van de winst, met respectievelijk ƒ 195.000 (B) en ƒ 180.000 (C).

2.6. De afwaarderingen waren gebaseerd op een taxatierapport van 12 maart 1998 van F, beëdigd agrarisch taxateur verbonden aan F Taxatie- vastgoedadviesburo te G, die de waarde van de gronden in verpachte staat per 1 januari 1997 heeft gewaardeerd op respectievelijk ƒ 238.425 en ƒ 219.725.

2.7. Bij de aanslagregeling voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 1996 heeft de Inspecteur de beide afwaarderingen gecorrigeerd. De aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen met deze correcties staan thans onherroepelijk vast.

2.8. Naar aanleiding van deze correcties is de inbrengbalans van belanghebbende aangepast: de gronden werden op haar fiscale beginbalans per 1 januari 1997 geactiveerd voor de oorspronkelijke aanschafwaarde, respectievelijk ƒ 433.500 en

ƒ 399.500.

2.9. Bij het afsluiten van haar eerste boekjaar per 31 december 1998 heeft belanghebbende de gronden met ƒ 375.000 afgewaardeerd tot, naar zij stelt, de bedrijfswaarde, zijnde de waarde in verpachte staat. Op basis van voornoemd taxatierapport van F is de waarde in verpachte staat per 1 januari 1997 gewaardeerd op respectievelijk ƒ 238.425 en ƒ 219.725.

2.10. De Inspecteur heeft de afwaardering opnieuw geweigerd.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil in hoger beroep betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Heeft belanghebbende de in 2.9 bedoelde afwaardering terecht toegepast?

II. Zijn er bijzondere omstandigheden die er toe nopen de Inspecteur te veroordelen in de werkelijke proceskosten van belanghebbende?

Belanghebbende beantwoordt deze beide vragen bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

Wordt de tweede vraag bevestigend beantwoord, dan is tevens de omvang van de te vergoeden werkelijke kosten in geschil.

3.2. Partijen doen hun evenvermelde standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot een vermindering van het belastbaar bedrag van ƒ 596.014 met ƒ 375.000 (ƒ 195.000 plus ƒ 180.000) en tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van

ƒ 223.346 (€ 101.530). De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

De Inspecteur concludeert in incidenteel hoger beroep uiteindelijk tot een proceskostenvergoeding van € 2.057,50 (tweede zitting bij de Rechtbank) en nihil voor de overige kosten; belanghebbende concludeert tot een proceskostenvergoeding van € 7.215,43 (eerste zitting bij de Rechtbank) en € 26.000 voor haar overige kosten.

4. Gronden

Ten aanzien van vraag I

4.1. De Rechtbank heeft het volgende overwogen:

4.3.(...) Uitgaande van de stelling van belanghebbende dat de gronden pas in 1998 zijn verpacht, geldt evenzeer dat belanghebbende de gronden heeft verworven met als enig doel deze te gaan verpachten aan D. De rechtbank acht aannemelijk dat zij de uit die verpachting voortvloeiende waardevermindering alleen heeft geaccepteerd in het belang van haar aandeelhouders die immers ook aandeelhouders waren in D.

4.4. Het onder 4.3. overwogene leidt tot de conclusie dat de waardevermindering van de gronden geen zakelijk last is en dat in verband daarmee niets ten laste van de winst van belanghebbende kan worden gebracht. Het beroep is ongegrond.

4.2. Terecht merkt belanghebbende in hoger beroep op dat de Rechtbank niet duidelijk motiveert waarom de verpachting onzakelijk is. Verpachting kan onder de door de Rechtbank genoemde omstandigheden zakelijk zijn. Dan is er overigens een compenserende heffing bij D mogelijk over het verkregen pachtersvoordeel. Op deze wijze wordt in gelieerde verhoudingen als de onderhavige een evenwichtige heffing bereikt.

Daarvan is in deze zaak niet gebleken. Het tegendeel is het geval. Belanghebbende stelt tot in haar pleitnota in hoger beroep dat er geen vermogen is overgeheveld naar D. Dat roept dan wel meteen de vraag op of het verleende pachtrecht in het handelsverkeer waarde had. Belanghebbende opent met haar stelling dat niets aan het vermogen is onttrokken, aldus beschouwd zelf de poort naar een van de stellingen van de Inspecteur.

4.3. Als onderdeel van zijn subsidiaire stelling in zijn verweerschrift voor de Rechtbank (pagina 10 en 11) heeft de Inspecteur immers gesteld:

"Dus ook al zou sprake zijn van 'langdurige' pachtovereenkomsten [quod non] dan zal ondanks deze 'formele' lange duur toch sprake kunnen zijn van een 'materiële' korte duur omdat de pachtovereenkomsten zijn gesloten tussen partijen die niet zijn te beschouwen als willekeurige derden (noot 39: Bijvoorbeeld omdat tussen partijen een familieband bestaat en/of omdat de ene partij een rechtspersoon is die door middel van aandelenbezit of anderszins door de andere partij wordt beheerst) en het op grond van die omstandigheid mogelijk is dat de pachtrechten eerder zullen eindigen dan bij overeenkomst is overeengekomen of bij Pachtwet is geregeld. (...) Op grond hiervan moet geconcludeerd worden tot tijdelijke pachtovereenkomsten en dus tot een tijdelijke fluctuatie in de marktwaarde op grond waarvan er geen sprake is van een verlies. In casu is zeker geen sprake van een [geheel of gedeeltelijk] duurzaam verloren gaan van het geïnvesteerde bedrag. Afwaardering op bedrijfswaarde komt niet in beeld. (...)

[14] De onderhandse vrije verkoopwaarde kan niet gelijk gesteld worden aan de waarde verpacht, als gevolg van het aan elkaar gelieerd zijn pachter en verpachter."

terwijl de Inspecteur in onderdeel 7.5.7 (pagina 10) respectievelijk 7.6.7 (pagina 10) van zijn tot de stukken behorende uitspraken op het bezwaar van de broers van 3 februari 2003 respectievelijk 25 juli 2003 tegen de aan hen opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting over het jaar 1996 het standpunt verdedigt dat

"(...) gelieerde partijen te allen tijde de pachtovereenkomst meteen ongedaan (kunnen) maken zodat waardering naar vrije waarde moet plaatsvinden omdat aan de pacht een vrijwel direct opzegbare overeenkomst ten grondslag ligt (...)".

De Inspecteur heeft tweemaal gevraagd of de taxateur daarmede rekening had gehouden en, toen daar geen antwoord op kwam, in evenbedoelde uitspraken op pagina 8 in onderdeel 7.5.2 geconcludeerd dat

"(...) niet zichtbaar is gemaakt op grond van welke waardebepalende factoren de waarde verpacht feitelijk tot stand is gekomen (...)'

en onder verwijzing naar de bewijslast

'(...) de waarde verpacht uitdrukkelijk weersproken.".

4.4. De Inspecteur kent in de aanwezige verhoudingen geen enkele waarde toe aan de verpachting. Volgens hem is er helemaal geen waardedaling. De pacht kan morgen weer worden opgezegd. De inbrengwaarde in belanghebbende is dan juist geweest en er is geen bedrijfsvreemde last voor de vennootschapsbelasting. Er is dan ook niets te belasten bij D.

4.5. Belanghebbende, op wie te dezen de bewijslast van een waardedaling rust, heeft naar het oordeel van het Hof het goed gemotiveerde standpunt van de Inspecteur onvoldoende weerlegd.

Het Hof wijst er in dit verband op dat haar oprichters de grond voor de waarde vrij ter volstorting hebben aangewend en onmiddellijk na de inbreng hebben verpacht en nog wel met terugwerkende kracht. Zij maken daarmede zichtbaar dat ze in de geldende verhoudingen weinig waarde hechten aan verpachting.

4.6. De Inspecteur impliceert met zijn verwijzing naar de gelieerde verhoudingen tussen verpachter en pachter dan terecht dat niets hen weerhoudt de verpachting onmiddellijk ongedaan te maken. Van een waardedruk door het pachtrecht is dan in elk geval niet of slechts in te verwaarlozen mate sprake. Een taxateur die daar wel rekening mee houdt, sluit zijn ogen voor de werkelijkheid.

4.7. De Inspecteur heeft dat standpunt voor de vennootschapsbelasting herhaald op pagina 4 van zijn brief aan de broers en belanghebbende van 24 januari 2006.

Belanghebbende heeft ook nadien volstaan met de stelling dat er bij toepassing van de jurisprudentie geen rekening behoeft te worden gehouden met de gelieerdheid en heeft zich verder beperkt tot een verwijzing naar het taxatierapport van F.

4.8. Uit dat taxatierapport blijkt in elk geval niet dat er met de aanwezigheid van gelieerde verhoudingen rekening is gehouden. Het rapport kan - wat er overigens ook van zij - alleen betekenis hebben in niet-gelieerde verhoudingen. Daarvan is hier geen sprake. Het Hof legt dat rapport daarom terzijde.

4.9. Belanghebbende heeft ook geen subsidiaire stelling geformuleerd. Terecht stelt de Inspecteur dan dat belanghebbende helemaal niet mag afwaarderen. Het hoger beroep van belanghebbende is reeds daarom ongegrond.

In het midden kan om die reden dan verder blijven per wanneer er verpacht is, wat de waarde bij inbreng was, hoe de waarde daarna moet worden bepaald, met welk doel de gronden zijn aangeschaft, welke functie de gronden hadden en of verpachting zakelijk was. Aan de verpachting van de gronden kan in deze procedure in de gegeven omstandigheden immers toch geen drukkende invloed op de waarde worden toegekend.

Ten aanzien van vraag II

4.10. Partijen twisten over de vraag of werkelijke proceskosten moeten worden vergoed en, zo ja, tot welk bedrag.

Daarbij is bijzonder dat de Inspecteur de werkelijke kosten van de tweede zitting bij de Rechtbank wèl wil vergoeden.

4.11. Het Hof stelt voorop dat een inspecteur die twee keer in het gelijk wordt gesteld, niet snel zal kunnen worden veroordeeld in de werkelijke proceskosten. De kans dat belanghebbende dan de oorzaak van de kosten is geweest, is dan in elk geval groot.

Daar komt in dit geval nog het volgende bij:

De Inspecteur heeft vanaf het begin het standpunt ingenomen dat in gelieerde verhoudingen geen afwaardering mogelijk is, omdat de pacht in werkelijkheid onmiddellijk opzegbaar is. Door daar geen rekening mee te houden heeft belanghebbende zelf veel kosten opgeroepen.

Ook de taxateur had voorzichtiger kunnen zijn en ten minste de omstandigheid dat de belangen bij de grond en het pachtrecht uiteindelijk samenkwamen bij dezelfde personen, moeten melden.

4.12. De Rechtbank heeft ten aanzien van de proceskosten niettemin als volgt beslist:

5.1. Hoewel het beroep ongegrond is, vindt de rechtbank aanleiding de inspecteur te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Op grond van artikel 2, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) worden de te vergoeden kosten bepaald op een forfaitair bedrag. Artikel 2, derde lid, van het Besluit, biedt de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden af te wijken van de in het Besluit opgenomen forfaitaire normen.

5.2. Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van de werkelijke proceskosten ten bedrage van in totaal € 38.101,63. Het bedrag is als volgt samengesteld:

€ 7.255,17 in verband met de mondelinge behandeling van 2 april 2009; € 8.995,82 in verband met de bezwaarprocedure; € 21.850,65 in verband met de beroepsprocedure.

5.3. Nu de schorsing van de mondelinge behandeling van 2 april 2008 het rechtstreekse gevolg is van de omstandigheid dat een gedingstuk binnen de belastingdienst in het ongerede is geraakt, vindt de rechtbank hierin een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit. Om die reden heeft de inspecteur reeds ter zitting verklaard in te stemmen met een vergoeding van de werkelijke proceskosten die verband houden met de schorsing van de mondelinge behandeling van 2 april 2009. De rechtbank stelt deze kosten vast op € 7.255,17, overeenkomstig het door de gemachtigde van belanghebbende verstrekte overzicht van de aan belanghebbende gedeclareerde kosten. Voor een lagere vergoeding, zoals de inspecteur voorstaat, ziet de rechtbank geen aanleiding.

5.4. Ten aanzien van belanghebbendes verzoek om een integrale vergoeding van de overige proceskosten in verband met de bezwaar- en beroepsprocedure overweegt de rechtbank als volgt:

5.4.1. Bij de aanslagregeling in de inkomstenbelasting 1996 van de broers heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van verpachting van de grond in 1996. De broers hebben voor de inkomstenbelasting in dit standpunt van de inspecteur berust en hebben de grond per 1 januari 1997 in onverpachte staat in belanghebbende ingebracht. De inspecteur heeft daar mee ingestemd.

5.4.2. Nadat belanghebbende bezwaar had gemaakt tegen de aanslag vennootschapsbelasting over het jaar 1998 van belanghebbende, heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat de grond reeds in 1996 was verpacht en dat er dus sprake was van inbreng van grond in verpachte staat. Deze stelling heeft de inspecteur ook primair aangevoerd in de beroepsprocedure.

5.4.3. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur, door in de bezwaar- en beroepsprocedure in de vennootschapsbelasting een primair standpunt in te nemen dat volstrekt tegengesteld is aan het standpunt dat hij eerder had ingenomen voor de inkomstenbelasting, in de wetenschap dat zowel belanghebbende als haar inbrengers/aandeelhouders (de broers) in dat laatste standpunt hadden berust, heeft gehandeld in strijd met tot de algemene beginselen van behoorlijk bestuur behorende beginsel van fair play. Door deze handelswijze van de inspecteur is belanghebbende op een geforceerde wijze in de bezwaar-en beroepsprocedure op aanzienlijk hogere kosten uitgekomen dan het geval zou zijn geweest bij een correct optreden van de inspecteur. De rechtbank acht het redelijk de inspecteur te veroordelen tot vergoeding van deze extra kosten die zij, gelet op de omvang van de gehele procedure en de aan belanghebbende door haar gemachtigde gedeclareerde kosten, in goede justitie vaststelt op een bedrag van € 10.000.

5.5. Gelet op het hiervoor onder 5.3. en 5.4. vorenoverwogene veroordeelt de rechtbank de inspecteur in de proceskosten tot een bedrag van € 17.255,17.

4.13. Het Hof komt tot een ander oordeel. Daarbij hanteert het Hof de volgende maatstaven:

De inspecteur kan alleen in de werkelijke kosten worden veroordeeld wanneer hij tegen beter weten in (door)procedeert.

Verder kent het fiscale procesrecht geen tussenvonnis.

Partijen mogen en moeten er rekening mee houden dat zij deels in het ongelijk worden gesteld, zowel bij de interpretatie van de feiten als bij die van het recht. De stelplicht is daardoor in het fiscale procesrecht een niet te onderschatten verplichting van partijen.

Verder mogen partijen hun verdediging aanpassen in reactie op stellingen van de tegenpartij of, meer in het algemeen, bij voortschrijdend inzicht. Het fiscale procesrecht zal niet snel een beperking van de omvang van stukken meebrengen. De enige beperking is dat de tegenpartij niet in haar verdediging mag worden geschaad. Dat laatste is gesteld noch gebleken.

4.14. Naar het oordeel van het Hof kan niet worden gezegd dat de Inspecteur tegen beter weten in heeft geprocedeerd.

Ook voor het overige valt de Inspecteur bij de bovengenoemde uitgangspunten niets te verwijten. De broers waarderen eerst af voor de inkomstenbelasting en belanghebbende daarna voor de vennootschapsbelasting zonder in te gaan op de vraag wat de gelieerdheid in werkelijkheid voor gevolgen heeft. De Inspecteur volgt onverstoorbaar de lijn dat geen afwaardering mogelijk is. Hij volgt dat standpunt voor de inkomstenbelasting en voor de vennootschapsbelasting. Anders dan de Rechtbank ziet het Hof voor een vergoeding van werkelijke kosten daarom geen enkele aanleiding.

4.15. De Inspecteur heeft wel zelf al toegezegd de werkelijke kosten te zullen vergoeden die opgeroepen zijn doordat er een tweede zitting bij de Rechtbank nodig was door aan hem toe te rekenen oorzaken. In geschil is de hoogte daarvan. De maatstaf is daarbij naar het oordeel van het Hof wat redelijk is. Daarbij moet marginaal worden getoetst. Het Hof mag niet te snel op de stoel van belanghebbende of haar belastingadviseur gaan zitten.

4.16. Een gedeelte van de betwiste kosten is belopen bij de eerste zitting bij de Rechtbank. Die komen gezien het bovenstaande helemaal niet voor vergoeding in aanmerking.

De tweede zitting bij de Rechtbank - drie maanden na de eerste - kan na de voorbereiding van de eerste zitting dan onmogelijk veel extra kosten hebben opgeroepen.

Belanghebbendes gemachtigde is al geruime tijd bij deze zaak betrokken en ook overigens zeer bekwaam, want gespecialiseerd in dit soort zaken. Vier uur inleestijd voor de tweede zitting is naar het oordeel van het Hof bij hantering van bovengenoemde maatstaven voor hem beslist genoeg. De becijfering van de Inspecteur kan bij die maatstaven ook overigens worden gevolgd.

4.17. Belanghebbende heeft naar het oordeel van beide partijen dan weliswaar recht op vergoeding van de werkelijke extra kosten van de tweede zitting bij de Rechtbank, maar die kosten zijn naar het oordeel van het Hof met € 2.057,50 bij bovengenoemde maatstaven en onder de gegeven omstandigheden redelijk vergoed.

Er zijn naar het oordeel van het Hof ook overigens geen redenen gesteld of gebleken belanghebbende enige vergoeding van proceskosten te verlenen.

Slotsom

4.18. Het voorgaande brengt het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep van de Inspecteur slaagt en het incidenteel hoger beroep en het hoger beroep van belanghebbende niet kunnen slagen.

5. Griffierecht en proceskosten

5.1. Gelet op het feit dat de uitspraak van de Rechtbank niet in stand blijft, is voor het heffen van griffierecht van de Inspecteur inzake het hoger beroep geen plaats.

Hoewel de uitspraak van de Rechtbank niet in stand blijft, is het Hof van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt vergoed. Het door belanghebbende ingestelde hoger beroep leidt immers niet tot een gunstiger uitspraak dan die van de Rechtbank, integendeel.

5.2. Ter zake van de behandeling van het hoger beroep acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep van de Inspecteur gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank uitsluitend voor wat betreft de beslissing omtrent de proceskosten;

- verklaart het incidentele hoger beroep ongegrond;

- verklaart het hoger beroep van belanghebbende ongegrond;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2.057,50.

Aldus gedaan op 10 september 2010 door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, J. Swinkels en J.A. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH

's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.