Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BP3535

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-10-2010
Datum publicatie
08-02-2011
Zaaknummer
09/00209
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft het erfpachtrecht van de tot zijn landbouwbedrijf behorende ruim 26 hectare verkocht aan de Stichting Brabants Landschap en vervolgens zijn onderneming gestaakt. De Stichting gaat de grond als natuurgebied gebruiken. Belanghebbende stelt dat de waarde in het economisch verkeer bij agrarische bestemming (WEVAB) gelijk is aan de verkoopprijs, de inspecteur taxeert de WEVAB, rekening houdend met een dertiental referentiepercelen ruim drie ton lager en belast het verschil, omdat dit niet onder de landbouwvrijstelling valt. Primair betwist belanghebbende de WEVAB zoals de inspecteur die getaxeerd heeft, maar legt geen eigen taxatierapport ter onderbouwing van zijn standpunt over. De grond is bestemd voor natuurbeheer dus behoudt niet zijn agrarische waarde. Het Hof verwerpt het primaire standpunt van belanghebbende. Subsidiair stelt belanghebbende dat er sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel en beroept zich daarbij op afspraken die er ooit zijn gemaakt tussen de Inspectie Kampen en enkele landbouwboekhoudbureaus over de erfpachtrechten in Flevoland. Het Hof verwerpt ook het subsidiaire standpunt omdat er geen sprake is van rechtens gelijke gevallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2011/11.2.1
FutD 2011-0357
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Eerste meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 09/00209

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X,

wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 30 maart 2009, nummer AWB 08/5044, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Zuidwest van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 215.285 (hierna: de aanslag), welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39.

Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 110.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de Inspecteur heeft schriftelijk gedupliceerd.

1.5. De zitting heeft plaatsgehad op 9 juni 2010 te

's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, vergezeld van zijn echtgenote, alsmede de Inspecteur.

1.6. De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en de wederpartij. Het Hof heeft de pleitnota tot de stukken van het geding gerekend.

1.7. Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.8. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende drijft in 2002 samen met zijn echtgenote een landbouwbedrijf in de vorm van een vennootschap onder firma (hierna: de VOF). Belanghebbende is gerechtigd tot 2/3 van de winst van de VOF, zijn echtgenote tot 1/3.

2.2. Tot het vermogen van de onderneming behoort in 2002 onder andere 26.05.25 ha cultuurgrond in erfpacht. Het erfpachtrecht is aangevangen op 1 november 1958 en heeft een looptijd van 100 jaar. In 2002 bedraagt de erfpachtcanon per hectare € 299.

2.3. Op 26 augustus 2002 hebben belanghebbende en zijn echtgenote het erfpachtrecht met betrekking tot de 26.05.50 ha tezamen met de andere onroerende zaken en een bietenquotum verkocht aan de Stichting A te B (hierna: de Stichting) voor € 1.600.000, en is de onderneming gestaakt.

In de koopovereenkomst zijn partijen een splitsing van de koopsom overeengekomen; daarbij is € 901.048 toegerekend aan de grond in erfpacht.

2.4. Blijkens artikel 6 van de koopovereenkomst is de Stichting voornemens de grond als natuurgebied te gaan gebruiken.

2.5. Belanghebbende heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2002 (hierna: de aangifte) ter zake van de winst bij verkoop van het erfpachtrecht de landbouwvrijstelling toegepast. Hij stelt dat de voormelde verkoopprijs van het erfpachtrecht gelijk is aan de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming (hierna: de WEVAB).

2.6. De Inspecteur heeft de WEVAB van het erfpachtrecht door een taxateur van de Belastingdienst, de heer C, laten taxeren. De WEVAB van het erfpachtrecht is daarbij, op basis van vergelijking met 13 referentiepercelen, getaxeerd op

€ 600.000, welk bedrag de Inspecteur als uitgangspunt heeft genomen bij het vaststellen van de stakingswinst.

2.7. De Inspecteur heeft het verschil tussen de waarde in het economische verkeer (hierna: de WEV) van het erfpachtrecht, zijnde € 901.048, minus de WEVAB van genoemd recht van

€ 600.000 = € 301.048 belast als stakingswinst. Van dit bedrag is € 200.698, zijnde 2/3 deel, toegerekend aan belanghebbende.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen.

I. Heeft de Inspecteur terecht, in afwijking van de aangifte, de WEVAB van het erfpachtrecht gesteld op € 600.000?

II. Indien vraag I. bevestigend wordt beantwoord, heeft de Inspecteur het gelijkheidsbeginsel geschonden door afspraken die met belastingplichtigen in Flevoland zijn gemaakt, niet op belanghebbende toe te passen?

Belanghebbende is van mening dat de eerste vraag ontkennend en de tweede vraag bevestigend moet worden beantwoord.

De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak van de Inspecteur en vermindering van het vastgestelde belastbaar inkomen uit werk en woning met € 200.698. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1. In artikel 3.12 van de Wet inkomstenbelasting 2001 is bepaald dat tot de winst niet behoren voordelen uit landbouwbedrijf ter zake van waardeveranderingen van gronden - daaronder begrepen de ondergrond van gebouwen - voorzover de waardeverandering van de grond is toe te rekenen aan de ontwikkeling van de waarde in het economische verkeer bij voortzetting van de aanwending van de grond in het kader van een landbouwbedrijf, en niet is ontstaan in de uitoefening van het bedrijf (hierna: de landbouwvrijstelling) Niet in geschil is dat de winst bij verkoop van het erfpachtrecht in beginsel geheel of gedeeltelijk de landbouwvrijstelling deelachtig kan zijn. Tussen partijen is evenmin in geschil dat de WEV

€ 901.048 bedraagt. Het Hof sluit zich ter zake van de WEV van het erfpachtrecht bij die waarde aan.

4.2. Het Hof stelt vast dat de Inspecteur de door hem in aanmerking genomen WEVAB van € 600.000 heeft onderbouwd met een taxatierapport waarin 13 referentieverkopen zijn opgenomen. Het onderbouwen van de taxatie door middel van de referentiemethode is, naar het oordeel van het Hof, een werkwijze die goede benadering kan geven van de te taxeren waarde. Gelet op de in het taxatierapport door de taxateur vermelde percelen, de transactiedatum en de ligging is aannemelijk dat de percelen waarnaar in het rapport wordt verwezen in dezen als referentieobjecten kunnen dienen.

4.3. Belanghebbende, op wie de bewijslast rust zijn stelling zoals geformuleerd in 2.5 aannemelijk te maken, heeft de inhoud van het taxatierapport van de Inspecteur niet gemotiveerd betwist. Belanghebbende heeft evenmin een eigen taxatierapport of daarmee vergelijkbaar geschrift overgelegd. Belanghebbende heeft slechts aangevoerd dat de WEV en de WEVAB wel aan elkaar gelijk moeten zijn, omdat de in erfpacht overgedragen grond zijn agrarische bestemming heeft behouden. Deze stelling wordt verworpen. Blijkens artikel 6 van de koopovereenkomst is de Stichting voornemens de grond als natuurgebied te gaan gebruiken. Dit voornemen past bij de doelstelling van de Stichting, te weten het beschermen van de natuur en het landschap in Noord-Brabant. De Stichting verwezenlijkt onder andere haar doel door het verwerven van gronden en deze te bestemmen tot natuurgebied. Daarbij is het, naar het oordeel van het Hof, niet van belang dat de feitelijke aanwending als natuurgebied op een later tijdstip plaatsvindt, noch dat een deel van de grond vooralsnog in het kader van het landbouwbedrijf wordt aangewend (zie ook Hoge Raad, 16 januari 2009, nr. 43 048, onder andere gepubliceerd in BNB 2009/67).

4.4. Het vorenstaande in overweging nemend, acht het Hof aannemelijk dat de Stichting bereid was om voor de in erfpacht overgedragen grond meer te betalen dan de WEVAB. Het vorenstaande vindt steun in hetgeen belanghebbende aanvoert in zijn hoger beroepschrift, onder punt 5, alwaar hij onder meer opmerkt:

'(...) Op grond van haar betere financiële positie, heeft de Stichting A een hogere prijs betaald dan de andere kandidaat-kopers, zijnde de gebruikelijke landbouwbedrijven die ook een bod op de boerderij en de erfpachtgronden hadden uitgebracht. De hogere prijs, welke van de Stichting A door belanghebbende is ontvangen, is derhalve een kwestie geweest van vraag en aanbod. (...)'

4.5. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de Inspecteur met het bedrag van € 600.000 dat hij heeft aangemerkt als WEVAB van het erfpachtrecht in voldoende mate aannemelijk gemaakt dat deze door hem verdedigde waarde niet te laag is. Hetgeen belanghebbende daartegen heeft ingebracht is onvoldoende om zijn stelling te schragen. Het gelijk ten aanzien van de eerste in geschil zijnde vraag is aan de Inspecteur.

4.6. Subsidiair stelt belanghebbende dat de afspraken die met de Belastingdienst zijn gemaakt over de fiscale behandeling van erfpachtrechten in Flevoland, op grond van het gelijkheidsbeginsel, ook te zijnen aanzien dienen te worden toegepast. Volgens belanghebbende zou het gevolg daarvan zijn dat de bij verkoop gerealiseerde meerwaarde van het erfpachtrecht onder de landbouwvrijstelling zou vallen.

Voor wat betreft het door belanghebbende gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel oordeelt het Hof als volgt.

4.7. Belanghebbende beroept zich op afspraken die in 1989-1990 zijn gemaakt tussen inspecteurs der directe belastingen in Kampen en Lelystad en accountants- en belastingadvieskantoren in die regio over de fiscale behandeling van erfpachtrechten in Flevoland.

4.8. De gemaakte afspraken hingen samen met de gang van zaken die tot 1988 gebruikelijk was bij de uitgifte van domeingronden in de IJsselmeerpolders, waarbij waardevolle erfpachtrechten veelal om niet of voor een te laag bedrag werden uitgegeven. In een aantal gevallen vormde het waardevolle erfpachtrecht een vergoeding voor het feit dat het bestaande bedrijf tegen de waarde in verpachte staat werd verkocht aan de Directie Beheer Landbouwgronden (hierna: de Directie).

De verwerver van het erfpachtrecht realiseerde derhalve een voordeel bij de uitgifte van het erfpachtrecht ter grootte van het verschil tussen de waarde van het erfpachtrecht op het moment van uitgifte en de feitelijk daarvoor betaalde prijs, maar bracht een offer ter grootte van het verschil tussen de waarde van de grond die aan de Directie werd verkocht en geleverd en de (te lage) prijs die daarvoor werd ontvangen.

De kern van de gemaakte afspraak was dat op het moment dat een voordeel uit het erfpachtrecht zou worden gerealiseerd, het positieve verschil tussen het voordeel bij uitgifte en het offer bij verkoop en levering zou worden aangemerkt als een niet onder de landbouwvrijstelling vallende belastbare bate. Een en ander werd ter zake vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst.

4.9. Gelet op hetgeen in 4.7 en 4.8 is overwogen is, naar het oordeel van het Hof, ter zake van de verkoop van het in 2.2 vermelde erfpachtrecht door belanghebbende en zijn echtgenote aan de Stichting feitelijk noch rechtens sprake van gelijke gevallen. Belanghebbende heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat enig ter zake van (de verkrijging van) het erfpachtrecht in aanmerking te nemen opgeofferd bedrag bij de berekening van de verkoopwinst in de beschouwing dient te worden betrokken. Belanghebbende heeft desgevraagd ter zitting ook overigens niet kunnen aangeven waar de door hem gestelde gelijkheid op berust.

4.10. Het gelijk ten aanzien van de tweede in geschil zijnde vraag is eveneens aan de Inspecteur. Voor dat geval zijn partijen het eens dat het beroep ongegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.18. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.19. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep ongegrond

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 7 oktober 2010 door J.W.J. Huige, voorzitter, P.A.G.M. Cools en P.A.M. Pijnenburg, in tegenwoordigheid van R.O.J.M. de Windt, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.