Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BP0736

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-08-2010
Datum publicatie
13-01-2011
Zaaknummer
09/00504
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Recht van erfpacht op onroerende zaak: geen eigen woning

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2011, 137
FutD 2011-0095 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2011/11.10

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Tweede meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 09/00504

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X, wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 20 juli 2009, nummer AWB 09/26 in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z, van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2004 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.952, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39.

Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 110.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 24 juni 2010 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.6. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

1.7. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

2.1. Volgens de notariële akte van oktober 1993 hebben belanghebbende en zijn echtgenote het recht van erfpacht op het woonhuis met schuur, erf en ondergrond, plaatselijk bekend als A-straat 158b te Y (hierna: de onroerende zaak), verkregen voor een duur van 15 jaar.

2.2. In circa tweederde deel van de onroerende zaak exploiteert belanghebbende als eenmanszaak een vergader- en cursusoord. In het resterende deel van de onroerende zaak (hierna: het woongedeelte) woont belanghebbende met zijn gezin. Belanghebbende heeft na verkrijging van het recht van erfpacht de onroerende zaak gerestaureerd; de kosten daarvan zijn deels als ondernemingskosten, deels als privé-uitgaven aangemerkt.

2.3. In 2004 bedroeg de canon € 14.748, waarvan belanghebbende in zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2004 een bedrag van € 9.832 in aftrek heeft gebracht bij de post "winst uit onderneming" en een bedrag van € 4.916 als "kosten ter zake van de eigen woning" heeft aangemerkt. De inspecteur heeft als saldo van de inkomsten uit eigen woning van € 4.278 (waarin is begrepen het bedrag van € 4.916) niet in aftrek toegelaten.

In aanvulling op de door de Rechtbank vastgestelde feiten stelt het Hof op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast:

2.4. Belanghebbende heeft in maart 2007 terzake van de erfpachtcanon een verzoek om toepassing van hardheidsclausule gedaan aan het Ministerie van Financiën. Dat verzoek is op 21 mei 2007 afgewezen.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of het woongedeelte van de onroerende zaak voor belanghebbende een eigen woning is als bedoeld in artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB).

Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert, naar het Hof verstaat, tot gegrondverklaring van hoger beroep, vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en van de Inspecteur en tot verlaging van het belastbare inkomen uit werk en woning tot een bedrag van € 14.674. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4. Gronden

4.1. De Rechtbank heeft overwogen:

" 2.5. Op 2 januari 2008 heeft de enkelvoudige belastingkamer van de rechtbank Breda uitspraak gedaan in de procedure van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2003, bekend onder procedurenummer 07/2360. In die procedure was eveneens in geschil of belanghebbende een deel van de erfpachtcanon als kosten ter zake van de eigen woning in aftrek kon brengen. De rechter heeft dat beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. Een afschrift van de uitspraak inzake 07/2360 is aan deze uitspraak gehecht.

2.6. Tegen voornoemde beslissing is belanghebbende in hoger beroep gegaan bij gerechtshof Den Bosch. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

2.7. Belanghebbende verwijst ter motivering van het onderhavige beroep naar de procedure over het jaar 2003. Als aanvulling op deze motivering heeft belanghebbende een erfpachtakte van mei 2009 overgelegd.

2.8. Uit de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting blijkt dat met betrekking tot de feiten en omstandigheden waarover in de procedure met nummer 07/2360 is geoordeeld, in 2004 geen veranderingen zijn opgetreden. Voor zover belanghebbendes betoog gelijk is aan procedurenummer 07/2360, herhaalt de rechtbank de overwegingen die dienaangaande zijn gemaakt, zodat belanghebbendes betoog in zoverre faalt.

2.9. Belanghebbende stelt aanvullend dat hij voldoet aan de voorwaarden van artikel 3.111 van de Wet IB 2001, omdat hij een economisch belang heeft aangaande de onroerende zaak en de waardeveranderingen hem voor meer dan 50% aangaan. Daartoe wijst belanghebbende op het bepaalde in de erfpachtakte van 29 mei 2009 en op een taxatierapport van B, als taxateur verbonden aan C te D, die de woning per 29 november 2006 heeft getaxeerd op € 527.000.

2.10. In de erfpachtakte van mei 2009 is vastgelegd, voor zover in onderhavig geschil van belang:

"A. OVEREENKOMST EN UITGIFTE ERFPACHT REGISTERGOED

1. "Eigenaar heeft vandaag met erfpachter een overeenkomst inzake de uitgifte in erfpacht van een perceel inclusief het recht van opstal en de verkoop van de opstallen gesloten, waarbij eigenaar heeft verkocht en erfpachter heeft gekocht het hierna onder A.2 omschreven erfpachtrecht, zulks als voortzetting van de tussen partijen bestaande erfpachtsovereenkomst."

2. Ter uitvoering van de hiervoor onder A.1 vermelde overeenkomst geeft eigenaar bij deze uit aan erfpachter, die bij deze aanvaardt, ieder voor de onverdeelde helft:

het recht van erfpacht voor dertig jaren, ingaande een januari tweeduizend negen en eindigende per een januari tweeduizendnegenendertig van het perceel [...] plaatselijk bekend A-straat 158B, ---- -- Y,

B. KOOPPRIJS EN KWIJTING

1. De verkoopprijs van het erfpachtsrecht bedraagt nihil.

De verkoopprijs van het aandeel van eigenaar inzake de

opstallen bedraagt tweehonderdvijftigduizend euro

(€ 250.000,00).

[...]

ARTIKEL 10

Bij het eindigen van het erfpachtrecht en het daarin begrepen opstalrecht, treedt de eigenaar van rechtswege in de eigendom van de thans aanwezige en door en voor rekening van de erfpachter op de met het erfpachtrecht belaste onroerende goederen gestichte opstallen en aangebrachte werken en beplantingen onder de verplichting voor de eigenaar om binnen drie maanden daarna aan de gewezen erfpachter te vergoeden de waarde die in onderling overleg zal worden vastgesteld en bij gebreke aan eenstemmigheid daarover door twee deskundigen, waarvan ieder der partijen er elk één aanwijzen."

2.11. Belanghebbende stelt dat de door hem in het verleden gedane investeringen voor herstelwerkzaamheden aan de onroerende zaak van

ƒ 600.000 zodanig groot zijn, dat de waardeveranderingen hem grotendeels aangaan. Het belang bij de waardeveranderingen blijkt volgens belanghebbende ook uit de koopsom voor het aandeel van de eigenaar in de opstallen van € 250.000 zoals deze is overeengekomen in bovengenoemde erfpachtakte in relatie tot de taxatiewaarde per 29 november 2006 van € 527.000.

2.12. Naar het oordeel van de rechtbank vloeit uit het bepaalde in de erfpachtakte van 1993 in elk geval niet voort dat de waardeveranderingen van het woongedeelte belanghebbende grotendeels aangaan. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij beëindiging van het erfpachtrecht recht had op een vergoeding van de waardeontwikkeling van de onroerende zaak zelf, naast de vergoeding van de waarde van door belanghebbende aan de onroerende zaak aangebrachte verbeteringen, aangebrachte werken en/of beplantingen. De verklaring van de rentmeester dat het steeds de bedoeling van partijen is geweest om na afloop van de erfpachtovereenkomst een vergoeding daarvoor overeen te komen, brengt hierin geen verandering, nu deze verklaring niet in 2004, maar pas op 7 juli 2009 is afgegeven en deze verklaring bovendien in strijd is met hetgeen is overeengekomen in de akte.

2.13. Met betrekking tot de koopsom van € 250.000 overweegt de rechtbank als volgt. Noch uit de akte van 29 mei 2009, noch uit enig ander stuk blijkt hoe de prijs van € 250.000 tot stand is gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank is er in elk geval niet uit af te leiden dat de waardeveranderingen van de onroerende zaak belanghebbende reeds vóór 29 mei 2009 grotendeels aangingen. De nieuwe erfpachtakte brengt geen verandering in het feit dat belanghebbende in 2004 slechts een regulier erfpachtrecht bezat dat, op grond van de memorie van toelichting bij de Wet IB (MvT, Kamerstukken II 1998/1999, 26.727, nr. 3 blz. 144-147) moet worden gelijkgesteld met een huurrecht zodat in het onderhavige jaar de eigenwoningregeling toepassing mist.

2.14. Gelet op het bovenstaande is het beroep ongegrond verklaard."

4.2. Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank op goede gronden de juiste beslissing genomen. Belanghebbende, op wie in dezen de bewijslast rust, heeft ook in hoger beroep met hetgeen hij ter zake stelt niet aannemelijk gemaakt, dat de onroerende zaak hem in 2004 ter beschikking stond op grond van economische eigendom en de waardeveranderingen hem grotendeels aangingen, als bedoeld in artikel 3.111, lid 1, letter a, van de Wet IB. Belanghebbendes verwijzing naar de in de erfpachtakte aan hem opgelegde verplichting tot herbouw van de opstallen, indien deze door welke oorzaak ook zijn tenietgegaan, maakt dat oordeel van het Hof niet anders, nu die verplichting naar het oordeel van het Hof als een dwangmiddel moet worden gezien om de onroerende zaak te verzekeren, en geenszins de economische eigendom van de onroerende zaak doet ontstaan.

4.3. In hoger beroep klaagt belanghebbende over de inconsistentie binnen de Wet IB, waar enerzijds bij het eigen woning begrip in het erfpachtsrecht een huuranalogie wordt gezien en anderzijds bij de rendementsheffing het erfpachtsrecht weer lijkt te worden beschouwd als een bezitting en niet als een huurrecht. Voorts klaagt belanghebbende over het ontbreken van een overgangsregeling in de Wet IB voor bestaande gevallen, hetgeen hij in strijd acht met de rechtszekerheid. Ten slotte beklaagt belanghebbende zich over de weigering van de Belastingdienst om in zijn schrijnende geval tegemoet te komen.

4.4. Belanghebbendes grieven falen, nu de rechter volgens artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemene bepalingen, het recht moet spreken en hij in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet mag beoordelen. Voor zover belanghebbende beroep bedoelt te doen op internationale verdragen zoals het EVRM, overweegt het Hof, dat de wetgever een betrekkelijk ruime marge toekomt bij zijn rol als bepaler van de inhoud van de wetgeving. Naar het oordeel van het Hof mocht de wetgever vanaf 2001 een onderscheid maken tussen situaties van volle eigendom en erfpacht. Van strijd met enige internationale verdragsbepaling is geen sprake. Voor zover belanghebbende bedoelt te klagen over de afwijzing van zijn verzoek om toepassing van de hardheidsclausule, overweegt het Hof dat tegen die afwijzing geen beroep bij de rechter openstaat. Overigens is het Hof in casu niet gebleken van enige strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

4.5. Het vorenoverwogene brengt met zich dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond moet worden verklaard.

4.6. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

4.7. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep ongegrond;

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 20 augustus 2010 door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, J. Swinkels en V.M. van Daalen-Mannaerts, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.