Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BO7535

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-08-2010
Datum publicatie
16-12-2010
Zaaknummer
09/00211
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BU7111, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is een uitzendbureau voor Poolse uitzendkrachten en bezit een accommodatie waarin onderdak wordt geboden aan buitenlandse uitzendkrachten, voornamelijk werkzaam in de tuinbouw. In de accommodatie worden geen dranken of voedsel verstrekt , er is een gemeenschappelijke keuken waar de uitzendkrachten zelf koken; de uitzendkrachten zorgen zelf voor linnengoed en wassen dit ook zelf.

De gemeente legt een aanslag toeristenbelasting op en beroept zich daarbij op het feit dat artikel 224 van de Gemeentewet toestaat een toeristenbelasting te heffen van mensen die verblijf houden binnen de gemeente door personen die niet staan ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. Het Hof constateert dat de gemeentelijke verordening een stringentere omschrijving kent en spreekt van verblijf in pensions of hotels. Nu er naar het oordeel van het Hof bij de betreffende accommodatie niet gesproken kan worden van een hotel of pension kan er geen toeristenbelasting worden geheven. Hoger beroep van de gemeente ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 2936 met annotatie van Groenewegen
FutD 2010-2900

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Derde meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 09/00211

Uitspraak op het hoger beroep van

de Heffingsambtenaar van de gemeente Z,

hierna: de Heffingsambtenaar,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 16 maart 2009, nummer AWB 07/5115 in het geding tussen

X B.V., gevestigd te Y,

hierna: belanghebbende

en

de Heffingsambtenaar

betreffende na te noemen aanslag toeristenbelasting.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2006 een aanslag in de toeristenbelasting opgelegd naar een bedrag van € 52.200. De aanslag werd "ambtshalve" opgelegd, naar een geschat aantal slaapplaatsen en overnachtingen per slaapplaats, omdat belanghebbende geen aangifte had gedaan. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Heffingsambtenaar de aanslag verminderd tot een bedrag van € 37.887,92, berekend naar het door belanghebbende in bezwaar gespecificeerde aantal slaapplaatsen en overnachtingen.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 285. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag vernietigd, de Heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en gelast dat de gemeente Z het door belanghebbende betaalde griffierecht aan belanghebbende vergoedt.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft de Heffingsambtenaar hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 16 april 2010 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de heffingsambtenaar.

1.5. De Heffingsambtenaar heeft binnen 10 dagen voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof en aan de wederpartij. De Heffingsambtenaar heeft deze pleitnota ter zitting voorgedragen. De Heffingsambtenaar heeft voorts, zonder bezwaar van belanghebbende ter zitting een document overgelegd aan het Hof en aan belanghebbende. Het document betreft een 24 oktober 2007 gedagtekende brief van belanghebbende aan de gemeente.

1.6. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.7. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende is een uitzendorganisatie voor overwegend Poolse uitzendkrachten. Zij exploiteert sinds 2004 enkele bij elkaar behorende gebouwen, plaatselijk bekend als A-straat 31 tot en met 47 te B, gemeente Z (hierna: de accommodatie). De accommodatie is oorspronkelijk gebouwd als kazerne van de Koninklijke Marechaussee en diende later als opvang voor asielzoekers. De bestemming is volgens het bestemmingsplan "niet-agrarische bedrijven / functies met horeca toegestaan".

2.2. Op 7 juni 2004 is aan belanghebbende een vergunning verleend "voor het exploiteren van een horecabedrijf in de vorm van een pension annex kamerverhuurbedrijf" in de accommodatie. De vergunning vermeldt onder meer dat zij "uitsluitend [geldt] voor het in de vorm van het kamerverhuurbedrijf of het pension verschaffen van een nachtverblijf aan derden" en niet voor andere horecafuncties.

2.3. Belanghebbende biedt in de accommodatie onderdak aan buitenlandse uitzendkrachten die voornamelijk werkzaam zijn bij tuinbouwbedrijven in de omgeving. De uitzendkrachten verblijven voor de duur van hun arbeid voor kortere of langere tijd in een eenvoudig gemeubileerde kamer. Er is een gemeenschappelijke keuken. Belanghebbende verstrekt geen spijs of drank; er is geen restaurant of cafetaria of iets dergelijks. De uitzendkrachten voorzien zelf in hun maaltijden. Tevens zorgen zij zelf voor linnengoed en het wassen daarvan. De accommodatie kent een gemeenschappelijke ruimte.

2.4. Belanghebbende behoort tot de groep C B.V., handelend onder de naam D (hierna D). D is een uitzendorganisatie met overwegend Poolse arbeidskrachten. De dienstverlening van D is opgesplitst in drie divisies: D, E en F. Belanghebbende houdt zich bezig met het verschaffen van aanvullende diensten aan de uitzendkrachten. Deze diensten bestaan onder andere uit vervoer, medische begeleiding, assistentie bij communicatie met de opdrachtgever, vertaalwerkzaamheden en voorts de terbeschikkingstelling van een slaapplaats tijdens het verblijf in Nederland. Voor alle geleverde diensten tezamen betalen de uitzendkrachten een bedrag aan servicekosten. Zij betalen niet afzonderlijk voor de slaapplaats.

2.5. De Heffingsambtenaar heeft belanghebbende voor het jaar 2004 eveneens een aanslag in de toeristenbelasting opgelegd. De Rechtbank heeft deze aanslag vernietigd, omdat de accommodatie niet zou vallen onder één van de accommodatiecategorieën omschreven in de Verordening toeristenbelasting 2004. Tegen deze uitspraak is door de Heffingsambtenaar geen hoger beroep ingesteld. De omschrijving van de accommodatiecategorieën in de Verordening toeristenbelasting 2005 (hierna: de Verordening) is gelijk aan de omschrijving in de Verordening toeristenbelasting 2004.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de gemeente terecht aan belanghebbende een aanslag toeristenbelasting heeft opgelegd. Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Belanghebbende is primair van mening dat de accommodatie niet valt onder één van de in de Verordening genoemde categorieën onderkomens, en subsidiair dat, nu de kwestie reeds voor het jaar 2004 beslist werd, en de relevante feiten niet gewijzigd zijn, het de Heffingsambtenaar niet vrijstaat de kwestie in 2006 andermaal aan de rechter voor te leggen. Ten slotte is belanghebbende van mening dat de Gemeentewet slechts de vrijheid biedt om in de onderhavige situatie een woonforensenbelasting te heffen en geen toeristenbelasting. De Heffingsambtenaar is van oordeel dat de accommodatie wel onder één der in de Verordening genoemde categorieën valt; het staat hem voorts vrij, zo stelt hij, de zaak voor het jaar 2006 opnieuw aan de rechter voor te leggen, nu de omstandigheden waaronder het hoger beroep in 2004 achterwege zijn gebleven niet bij belanghebbende het vertrouwen hebben kunnen wekken dat hij zich bij het oordeel van de Rechtbank wenste neer te leggen. Ten slotte stelt hij dat de onderhavige situatie onder de reikwijdte van de toeristenbelasting valt, zodat het de gemeente vrij staat die te heffen, ongeacht de vraag of de situatie ook onder de reikwijdte van een eventuele woonforensenbelasting zou vallen.

3.3. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.4. Belanghebbende concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep en bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. De Heffingsambtenaar concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1. Artikel 224, eerste lid, Gemeentewet bepaalt:

Ter zake van het houden van verblijf binnen de gemeente door personen die niet als ingezetene in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens zijn ingeschreven, kan een toeristenbelasting worden geheven.

4.2. Niet in geschil is dat de uitzendkrachten niet in de gemeentelijke basisadministratie zijn ingeschreven en dat zij binnen de gemeente verblijf houden.

4.3. De Verordening kent echter een stringentere omschrijving van het belastbare feit dan de Gemeentewet. Artikel 2 van de Verordening luidt:

Artikel 2 Belastbaar feit

Ter zake van het houden van verblijf met overnachten binnen de gemeente in hotels, pensions, vakantie-onderkomens, mobiele kampeeronderkomens, niet-beroepsmatig verhuurde ruimten en op vaste standplaatsen tegen vergoeding in welke vorm dan ook door personen die niet als ingezetene in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente zijn opgenomen, wordt onder de naam 'toeristenbelasting' een directe belasting geheven.

4.4. Belanghebbende bestrijdt dat zij een vergoeding vroeg voor het ter beschikking stellen van een slaapplaats. Er zou daarom volgens belanghebbende geen sprake zijn van "overnachten tegen vergoeding", zoals vereist door de Verordening. Het Hof volgt belanghebbende niet op dit punt. Weliswaar bracht belanghebbende voor het overnachten niet een afzonderlijk gespecificeerd bedrag in rekening, maar onbetwist is dat de door haar in rekening gebrachte servicekosten mede betrekking hadden op het ter beschikking stellen van een slaapplaats. Dat is voldoende om te spreken van "tegen vergoeding in welke vorm dan ook" zoals bedoeld in de Verordening.

4.5. Het geschil spitst zich aldus toe op de vraag of de accommodatie valt aan te merken als één van de in de Verordening genoemde onderkomens, in het bijzonder of de accommodatie valt aan te merken als een hotel of pension. Bij de uitleg van deze termen dient te worden uitgegaan naar hun betekenis in het normale spraakgebruik. De Heffingsambtenaar heeft gesteld dat uitgegaan dient te worden van de bedoeling van de (gemeentelijke) wetgever, en dat het spraakgebruik daarbij een hulpmiddel is. Voor zover hij daarmee heeft bedoeld dat uit de bedoeling van de gemeentelijke wetgever een ruimere betekenis van de begrippen "hotel" en/of "pension" zou volgen, dan die welke daaraan volgens het normaal spraakgebruik wordt toegekend, verwerpt het Hof die stelling. Daartoe bestaan onvoldoende concrete aanwijzingen in de wetsgeschiedenis. Het Hof verwerpt voorts de stelling van de Heffingsambtenaar dat de opsomming van type onderkomens in artikel 2 van de Verordening niet limitatief bedoeld zou zijn. Deze stelling verdraagt zich niet met de duidelijke bewoordingen van genoemd artikel.

4.6. Naar het oordeel van het Hof valt de accommodatie noch aan te merken als een hotel noch als een pension. De Heffingsambtenaar heeft weliswaar terecht gesteld dat hotels en pensions bestaan in een grote mate van verscheidenheid wat betreft aard en omvang van voorzieningen, en dat men ook zeer eenvoudige etablissementen met een laag serviceniveau met deze termen aanduidt, maar naar het oordeel van het Hof ontbreken aan de accommodatie de minimaal noodzakelijke voorzieningen om deze als hotel of pension aan te kunnen duiden. De aard van de accommodatie is een andere. Naar het oordeel van het Hof is sprake van de huur van een onzelfstandige, gemeubileerde, woonruimte, althans van een situatie die daarmee op één lijn is te stellen. In het kader van het verblijf in de accommodatie wordt geen spijs of drank verstrekt; de bewoners koken zelf; het linnengoed wordt niet geleverd noch verschoond. De omstandigheid dat artikel 224 Gemeentewet de heffing van toeristenbelasting in een situatie als de onderhavige zou toestaan, doet aan het voorgaande niet af, nu het de gemeente vrijstaat de Verordening zodanig in te richten dat de door de Gemeentewet geboden ruimte niet geheel wordt benut. Het Hof begrijpt dat de gemeente inmiddels de verordening voor latere jaren heeft aangepast en de beperking tot overnachtingen in bepaalde accommodatiecategorieën heeft geschrapt. Voor het onderhavige jaar baat dat haar echter niet.

4.7. De Heffingsambtenaar heeft er nog op gewezen dat wel degelijk diensten aan de bewoners-uitzendkrachten worden verleend. Het Hof begrijpt deze stelling aldus, dat geen sprake is van het louter aanbieden van een slaapplaats, zodat, als gevolg van dit verhoogde serviceniveau, wel sprake zou zijn van een pension of hotel. Het Hof kan de Heffingsambtenaar niet volgen. Het betreft de hiervoor in 2.4. genoemde diensten. Deze diensten zijn echter wezensvreemd aan het bedrijf van een hotel of pension en worden bovendien niet in of vanuit de accommodatie geboden.

4.8. De Heffingsambtenaar heeft zich voorts beroepen op de omstandigheid dat de bestemming volgens het bestemmingsplan luidde "niet-agrarische bedrijven / functies met horeca toegestaan" en dat belanghebbende geen klachten tegen deze bestemming heeft ingediend; voorts beroept hij zich op de bewoordingen van de voor de accommodatie verleende vergunning, te weten "exploiteren van een horecabedrijf in de vorm van een pension annex kamerverhuurbedrijf". Niet valt in te zien hoe deze omstandigheden de Heffingsambtenaar kunnen baten; uit deze omstandigheden kan men niet afleiden dat belanghebbende ermee zou hebben ingestemd dat - desnoods contra legem (althans in strijd met de Verordening) - van haar toeristenbelasting geheven zou kunnen worden.

4.9. Uit het voorgaande volgt, dat het gelijk is aan de zijde van belanghebbende en dat haar klacht inhoudende dat het de Heffingsambtenaar na de procedure over het jaar 2004 niet meer zou vrijstaan de zaak opnieuw aan de rechter voor te leggen, geen behandeling meer behoeft. Het hoger beroep van de Heffingsambtenaar is ongegrond.

Ten aanzien van het griffierecht

4.10. Nu de uitspraak van de Rechtbank in stand blijft, wordt ter zake van het door de Heffingsambtenaar ingestelde hoger beroep een griffierecht geheven van € 448.

Ten aanzien van de proceskosten

4.11. Nu het door de Heffingsambtenaar ingestelde hoger beroep ongegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.12. Daarbij wordt uitgegaan van twee samenhangende zaken waarin belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk is gesteld. Dit betreft de onderhavige zaak en de zaak met kenmerk 09/00210.

4.13. Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 322 (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) x 1 (factor samenhangende zaken) is € 966.

4.14. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

4.15. Het Hof zal in deze zaak en in de samenhangende zaak een proceskostenvergoeding toekennen van (€ 966 : 2 =) € 483.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep ongegrond;

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;

- bepaalt dat door tussenkomst van de griffier van de gemeente Z ter zake van het door de Heffingsambtenaar ingestelde hoger beroep een griffierecht wordt geheven van € 448;

- veroordeelt de Heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 483.

Aldus gedaan op 20 augustus 2010 door W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, voorzitter, N. van Beelen en W.A. Sijberden, leden, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.