Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BO4725

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-11-2010
Datum publicatie
23-11-2010
Zaaknummer
20-001962-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 39 WED. Bevoegdheid economische rechter. Marginale toetsing van beslissing OM economische en commune feiten gezamenlijk ten laste te leggen. Toetsingscriterium: doelmatige rechtsbedeling.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer 9.2
Wet op de economische delicten
Wet op de economische delicten 39
Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004 6
Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004 8
Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/6
M en R 2011/15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-001962-09

Uitspraak : 23 november 2010

TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Breda van 25 mei 2009 in de strafzaak met parketnummer 02-994538-09 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1965],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal bevestigen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenerklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 16 december 2008, te Rucphen, al dan niet opzettelijk, consumentenvuurwerk, te weten 24, in elk geval één of meer flowerbeds en/of 7, in elk geval één of meer mortieren met bommen en/of 300, in elk geval één of meer signaalraketten en/of 1000, in elk geval één of meer nitraatklappers, voorhanden heeft gehad, ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen of de ter uitwerking van voornoemd besluit krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer gestelde regels, immers was voornoemd vuurwerk niet voorzien van de aanduiding: "Geschikt voor particulier gebruik" en/of een vermelding of afbeelding van de soort van het vuurwerk waaruit duidelijk bleek wat de te verwachten effecten tijdens het functioneren waren en/of een gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en/of waarschuwingen dat bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade bij de gebruiker en/of omstanders kon ontstaan en/of hadden 17, in elk geval één of meer flowerbeds en/of die mortieren met bommen een brutogewicht van meer dan 10 kilogram en/of waren die mortieren met bommen herlaadbaar en/of waren die signaalraketten in strijd met het bepaalde in Bijlage III behorende bij de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004 voorzien van een lading met een groter gezamenlijk gewicht dan ingevolge die Bijlage was toegestaan;

2.

hij op of omstreeks 16 december 2008 te Rucphen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 7260 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Bevoegdheid

De raadsman heeft betoogd dat tussen het onder 1 ten laste gelegde (een economisch delict) en het onder 2 ten laste gelegde (een niet economisch delict) onvoldoende samenhang bestaat en dat zulks gelet op het bepaalde in artikel 39 lid 1 van de Wet op de Economische delicten tot gevolg heeft dat de economische politierechter niet bevoegd was kennis te nemen van het onder 2 ten laste gelegde.

Het hof overweegt als volgt:

Artikel 38 van de Wet op de Economische Delicten luidde ten tijde van het ten laste gelegde als volgt:

“De kennisneming van economische delicten in eerste aanleg is bij uitsluiting opgedragen aan de rechtbank. Economische delicten worden behandeld en beslist door de economische kamers van de rechtbank, bedoeld in artikel 52 van de Wet op de rechterlijke organisatie.”

Artikel 39, eerste lid van de Wet op de Economische Delicten luidde ten tijde van het ten laste gelegde als volgt:

“De economische kamers van de rechtbank, bedoeld in artikel 52 van de Wet op de rechterlijke organisatie, behandelen en beslissen ook zaken betreffende strafbare feiten die geen economische delicten zijn, indien de rechtbank bevoegd is tot kennisneming van die strafbare feiten en die strafbare feiten zijn begaan in samenhang met een of meer economische delicten, en die strafbare feiten ten laste zijn gelegd samen met een of meer van die economische delicten.”

De tekst van artikel 39, eerste lid van de Wet op de Economische Delicten vindt zijn oorsprong in de ‘Partiële wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, de Wet op de rechterlijke organisatie, de Wet op de economische delicten, de Vreemdelingenwet en enkele andere wetten’ van 23 april 1986 (Stb. 1986, 206). In de Memorie van Toelichting bij deze wetswijziging (TK 1984-1985, 18 802, nr. 3) wordt – zakelijk weergegeven – het volgende overwogen:

“In de praktijk blijkt het plegen van economische delicten steeds vaker samen te vallen met misdrijven waarvan de rechtbank in eerste aanleg kennis neemt. [...] In de praktijk is het voorgekomen dat een getuigenverhoor (van tientallen personen) voor de commune strafkamer op grond van het voorschrift, neergelegd in bedoeld artikellid (hof: het tweede lid van artikel 39 WED zoals deze destijds gold), diende te worden herhaald voor de economische strafkamer (van dezelfde samenstelling). Een dergelijke gang van zaken moet vanuit een oogpunt van doelmatige rechtsbedeling ongewenst worden geacht. Vandaar dat wordt voorgesteld bij samenval van economische delicten en misdrijven waarvan de rechtbank in eerste aanleg kennis neemt, voortaan één instantie te weten de economische strafkamer, bevoegd te verklaren van beide delicten kennis te nemen. Hiermee wordt niet alleen een doelmatige rechtspleging gediend, maar tevens een betere bestrijding van economische en milieu-fraude. De vervlechting van – vaak ingewikkelde – economische fraude-zaken en commune delicten pleit tegen een afzonderlijke berechting en vóór het laten berechten van beide delicten voor één forum.”(pagina 6).

In de Memorie van Toelichting wordt voorts overwogen:

“Het voorstel om bij samenval van economische delicten en misdrijven waarvan de rechtbank in eerste aanleg kennis neemt, voortaan één instantie te weten de economische strafkamer, bevoegd te verklaren van beide delicten kennis te nemen, is hierboven reeds toegelicht. Aan de hand van de concrete omstandigheden zal het openbaar ministerie tot het oordeel moeten komen of een economisch delict zozeer met een commuun delict samenhangt, dat berechtiging van beide delicten door één instantie te weten de economische strafkamer is aangewezen. Indien het meent dat deze samenhang bestaat, zal het beide delicten tezamen telasteleggen. Daarmee is aan de voorwaarde om de economische strafkamer bevoegd te laten zijn, voldaan.”(pagina 9).

Het hof leidt uit deze wetsgeschiedenis af dat bij het toetsen van de vraag of bij samenval van economische delicten en andersoortige delicten de economische kamer van de rechtbank bevoegd is, “de doelmatige rechtsbedeling” als maatstaf moet worden gehanteerd.

Het vorenstaande impliceert voorts dat enkel doordat het openbaar ministerie economische delicten en andersoortige delicten in één tenlastelegging opneemt de bevoegdheid van de economische kamer van de rechtbank om ook het commune delict te berechten in beginsel daarmee gegeven is.

Naar het oordeel van het hof dient deze beslissing van het openbaar ministerie om de tenlastelegging aldus vorm te geven echter nog wel marginaal te worden getoetst door de rechter aan de hierboven bedoelde maatstaf.

Met betrekking tot de onderhavige zaak overweegt het hof als volgt:

De aan verdachte ten laste gelegde feiten vertonen samenhang in tijd en plaats. Het vuurwerk en de drugs zijn tegelijkertijd en (deels) op dezelfde plaats aangetroffen.

Daardoor heeft de officier van justitie uit oogpunt van doelmatige rechtsbedeling in alle redelijkheid tot de beslissing kunnen komen om zowel het economische delict als het commune delict ter beslissing aan de economische rechter voor te leggen, zodat op een eventueel verweer over de rechtmatigheid van het politieoptreden door één gerecht kan worden beslist.

Geheel ten overvloede overweegt het hof dat door de raadsman in eerste aanleg ten aanzien van beide feiten ook verweer is gevoerd ten aanzien van de rechtmatigheid van de doorzoeking van de woning.

Het hof verwerpt mitsdien het verweer.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 16 december 2008, te Rucphen, opzettelijk, consumentenvuurwerk, te weten 23 flowerbeds en 7 mortieren met bommen en 300 signaalraketten en 1000 nitraatklappers, voorhanden heeft gehad, ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen of de ter uitwerking van voornoemd besluit krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer gestelde regels, immers was voornoemd vuurwerk niet voorzien van de aanduiding: "Geschikt voor particulier gebruik" en/of een gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en/of waarschuwingen dat bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade bij de gebruiker en/of omstanders kon ontstaan en/of hadden 16 flowerbeds en die mortieren met bommen een brutogewicht van meer dan 10 kilogram en waren die mortieren met bommen herlaadbaar en waren die signaalraketten in strijd met het bepaalde in Bijlage III behorende bij de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004 voorzien van een lading met een groter gezamenlijk gewicht dan ingevolge die Bijlage was toegestaan;

2.

hij op 16 december 2008 te Rucphen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 7260 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Door de raadsman zijn de navolgende verweren gevoerd:

A. Er is onvoldoende bewijs dat het vuurwerk dat in de aanhangwagen is aangetroffen van verdachte was.

B. Bij het door de verdachte aanwijzen van de aanhangwagen hadden de aanwezige verbalisanten verdachte op zijn zwijgrecht moeten wijzen. Door dat te verzuimen, is sprake van een onherstelbaar vormverzuim en mag het in de aanhangwagen aangetroffen vuurwerk niet tot bewijs worden gebruikt.

C. Aangezien op grond van het dossier niet duidelijk is welk vuurwerk waar was aangetroffen, valt niet uit te sluiten dat het in de tenlastelegging bedoelde vuurwerk zich in de aanhangwagen bevond. Gelet op de onder A. en B. gevoerde verweren dient verdachte derhalve ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde in zijn geheel te worden vrijgesproken.

D. Aan de zijde van verdachte ontbrak het opzet op het illegaal zijn van het vuurwerk.

Het hof overweegt als volgt:

A.

In het proces-verbaal aanvulling van 29 juli 2009 van de Poltie Midden en West Brabant, PV-nummer PL20MT/08-339807, relateert verbalisant [verbalisant], brigadier van politie, – zakelijk weergegegevn – als volgt:

“Door de collega’s [verbalisant 1] en [verbalisant 2] werd verdachte [verdachte] medegedeeld dat er informatie was over de aanwezigheid van vuurwerk op meerdere plaatsen op de [adres] en dat de politie naar aanleiding van deze informatie op meerdere plaatsen zou binnentreden ter inbeslagneming. Hierop wees verdachte [verdachte] op het perceel [adres] te Rucphen een aanhangwagen aan. Hij zei dat in deze aanhangwagen vuurwerk zat, dat in de gehele omvang van hem was.”

Het verweer van verdachte dat er onvoldoende bewijs is dat het vuurwerk dat in de aanhangwagen is aangetroffen van hem was, vindt in genoemd proces-verbaal weerlegging en wordt mitsdien verworpen.

B.

Het verweer van de raadsman dat de verbalisanten bij het door de verdachte aanwijzen van de aanhangwagen hebben verzuimd hem op zijn zwijgrecht te wijzen, kan niet anders worden verstaan dan als het verweer dat op dat moment sprake was van een verhoor.

Naar het oordeel van het hof miskent de raadsman dat van een verhoor in strafvorderlijke zin geen sprake was. De verbalisanten waren op basis van artikel 18 van de Wet op de Economische Delicten bevoegd de uitlevering van voor inbeslagneming vatbare voorwerpen te vorderen. Naar het oordeel van het hof dient de handelwijze van de verbalisanten als zodanig te worden beschouwd.

Nu geen sprake was van een verhoorsituatie, was er geen sprake van de verplichting verdachte op het zwijgrecht te wijzen. Het verweer wordt derhalve verworpen.

C.

Aangezien het hof de verweren onder A. en B. verwerpt, behoeft het verweer onder C. geen verdere bespreking.

D.

Het verweer van de raadsman dat het opzet op het illegaal zijn van het vuurwerk ontbrak, kan niet slagen omdat het opzet in de zin van het bedoelde wetsartikel slechts ziet op het voorhanden hebben van het bedoelde vuurwerk en niet tevens op het illegale karakter daarvan. Dat verdachte het vuurwerk opzettelijk voorhanden heeft gehad wordt ook niet door hem betwist.

Het verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde onder 1 is voorzien krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, juncto 1a, aanhef en onder 1°, en 2, eerste lid, van de Wet op de economische delicten en strafbaar gesteld bij artikel 6, eerste lid, aanhef en onder 1°, van de Wet op de economische delicten, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Het bewezen verklaarde onder 2 is voorzien bij artikel 3, aanhef en onder C, van de Opiumwet en strafbaar gesteld bij artikel 11, tweede lid van die wet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het hof oplegging van een taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur passend en geboden.

Naar het oordeel van het hof kan daarbij niet worden volstaan met een straf als door de advocaat-generaal gevorderd omdat daarin onvoldoende tot uitdrukking komt:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, mede gelet op de OM-richtlijn voor strafvordering vuurwerkovertredingen;

- de gevaarlijke wijze waarop verdachte het vuurwerk heeft opgeslagen, te weten op verschillende plaatsen in en om de woning, waardoor het risico op een levensgevaarlijke situatie als gevolg van brand of explosie in het leven is geroepen;

- het totaalgewicht van het aangetroffen vuurwerk;

- de omstandigheid dat bij verdachte behalve vuurwerk tevens ruim zeven kilo hennep is aangetroffen.

Voorts zal aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf voor na te melden duur worden opgelegd. Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, de artikelen 1.2.2 en 2.1.3 van het Vuurwerkbesluit en de artikelen 6, 8 en 9 van de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

1 Opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet Milieubeheer, meermalen gepleegd.

2 Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt, dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Beveelt, dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering zal worden gebracht, naar de maatstaf van twee uur per dag.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. K. van der Meijde en mr. T.A. de Roos,

in tegenwoordigheid van mr. R.J. Gras, griffier,

en op 23 november 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.