Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BO4267

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
17-11-2010
Zaaknummer
20-001365-09
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2009:BI0918, Meerdere afhandelingswijzen
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:BZ1894, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ1894
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Pettelaermoord. Het hof veroordeelt de verdachte voor moord tot 17 jaren gevangenisstraf. Het door de verdediging gesuggereerde complot acht het hof niet aannemelijk geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-001365-09

Uitspraak : 17 november 2010

TEGENSPRAAK

PROMIS

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 15 april 2009 (LJN BI0918) met parketnummer 01/849038-08 in de strafzaak tegen

de verdachte,

[de verdachte C],

geboren te [geboorteplaats] [in het jaar 1980],

thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Zuid-Oost, locatie Roermond,

waarbij hij ter zake van de (impliciet primair) ten laste gelegde moord werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 jaren met aftrek van voorarrest, met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [de moeder van het slachtoffer R] en oplegging van de bijbehorende schadevergoedingsmaatregel.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 2 oktober 2009, 16 december 2009, 10 februari 2010, 7 april 2010, 16 juni 2010, 8 september 2010 en 3 november 2010, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 1 april 2009.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal mr. M.J.M. de Vries en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. J-H.L.C.M. Kuijpers naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, het impliciet primair ten laste gelegde medeplegen van moord bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 jaren met aftrek van voorarrest, met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [de moeder van het slachtoffer R] en oplegging van de bijbehorende schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman van verdachte heeft primair bepleit dat de verdachte integraal van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken en subsidiair dat in geen geval het impliciet primair ten laste gelegde te weten, (medeplegen van) moord, bewezen zal worden verklaard. In meer subsidiaire zin heeft hij een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal op een tweetal gronden worden vernietigd.

Allereerst is in dat vonnis de tenlastelegging van de dagvaarding d.d. 3 april 2008 opgenomen, terwijl die blijkens de inhoud van het procesdossier is ingetrokken bij de uitreiking van de dagvaarding d.d. 16 april 2008. De rechtbank heeft aldus recht gedaan op een onjuiste grondslag. Ondanks dat de rechtbank zodoende ten onrechte niet is toegekomen aan een inhoudelijke behandeling van het feit dat bij de geldige dagvaarding ten laste is gelegd, ligt terugwijzing van de zaak niet in de rede. De ter terechtzitting verschenen verdachte noch de advocaat-generaal hebben dat immers verlangd. Overigens is de verdachte daardoor niet in enig rechtens te respecteren belang geschaad, nu de tenlasteleggingen in beide besproken dagvaardingen nagenoeg gelijkluidend zijn.

Het hof is voorts van oordeel dat de rechtbank niet voldoende nauwkeurig heeft verwezen naar de bewijsmiddelen waaraan de door haar opgenomen feiten en omstandigheden zijn ontleend. Dat geldt in het bijzonder ten aanzien van de feiten en omstandigheden die aan de hand van de verklaringen van medeverdachte [T] zijn vastgesteld. Daarmee voldoet het vonnis waarvan beroep niet aan de eisen die de Hoge Raad bij arrest van 15 mei 2007 (LJN BA0424) aan een promis-werkwijze heeft gesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is bij inleidende dagvaarding d.d. 16 april 2008 ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 23 januari 2008 te 's-Hertogenbosch tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [het slachtoffer R] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de hals en/of de nek en/of de slokdarm en/of de (rechter)halsader, in elk geval in het lichaam, van die [R] gestoken en/of gebracht, tengevolge waarvan voornoemde [R] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverwegingen

• 1. Vastgestelde feiten en omstandigheden

Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, waarnaar in de voetnoten bij dit arrest wordt verwezen, stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

1.1 De dood van [R]: tijd, plaats en oorzaak

1.1.1

Op 23 januari 2008 werd midden in de nacht in serviceflat ‘De Pettelaer’ te ‘s-Hertogenbosch het levenloze lichaam van een man aangetroffen. De verbalisanten [1, 2, 3 en 4] kwamen ter plaatse en relateerden als volgt.

“Op 23 januari 2008 […] omstreeks 02.39 uur kregen wij van een medewerker van de regionale meldkamer […] de melding te gaan naar de serviceflat De Pettelaer, welke is gevestigd op het adres [adres] te [woonplaats]. [Daar] zou een persoon in de hal liggen, [die] hevig zou bloeden. […] Omstreeks 02.44 uur waren wij ter plaatse […].

Wij zagen dat er op de trap, aan de voorzijde van de flat, een grote hoeveelheid bloed lag. […] Wij zagen dat er in de hal van de flat een man [in een plas bloed] lag. […] Wij zagen dat de kleding van het slachtoffer volledig doordrenkt was met bloed. Wij zagen dat er in de hal een zeer grote hoeveelheid bloed lag [en] […] dat de muren en […] schuifdeuren besmeurd waren met bloed. […]

Door mij, [verbalisant 1], werd de ademhaling [en] hartslag van het slachtoffer gecontroleerd. […] Ik controleerde de hartslag van het slachtoffer aan zijn linkerpols. Ik voelde dat het slachtoffer geen hartslag had. Ik zag dat het slachtoffer niet ademde. […] Omstreeks 02.46 uur was de ambulance ter plaatse […]. Door het ambulancepersoneel werd geconstateerd dat het slachtoffer was overleden.”

1.1.2

De man werd door zijn broers geïdentificeerd als [R], alias ‘[alias]’.

Van deze identificatie is het volgende proces-verbaal opgemaakt.

“Op 24 januari 2008 te 19.40 uur werd […] het slachtoffer [R], geboren [in het jaar 1972] te [geboorteplaats] [in Suriname], […] in het mortuarium uitvaarthuis Sint Jan […] te ’s-Hertogenbosch getoond aan [zijn broer] [J] […]. Op de vraag of hij de broer van het slachtoffer betrof, zei [J]: ‘Ja, het is mijn broer’. […] Te 19.45 uur werd genoemd slachtoffer getoond aan [zijn broer] [H] […]. Op de vraag of het zijn broer was, deelde hij mede: ‘Ja, het is mijn broer’. Op de vraag welke naam het slachtoffer had, deelde hij mede: ‘[R] […], wij noemen hem ‘[alias]’.”

1.1.3

Op 24 januari 2008 heeft arts en patholoog H.A. Tromp een uit- en inwendige schouwing op het lijk van [R] verricht. Er werd een steekkanaal door de hals met een perforatie van de slokdarm en de rechterhalsader geconstateerd. De dood van [R] bleek door de gevolgen van dit steekletsel in de hals te zijn ingetreden. Het obductieverslag houdt dienaangaande het volgende in.

“Bij sectie op het lijk van [R] […] is het navolgende gebleken:

[…]

A1 Scherprandige huidperforatie (ca. 2,3 cm) hoog links in de hals met onderliggend steekkanaal door de hals met perforatie van de slokdarm (2x) en de halsader rechts met scherprandige huidperforatie (ca. 1,5 cm) hoog rechts in de hals. Er was bloeduitstorting rond het steekkanaal.

A2 Lucht in de bloedcirculatie.

A3 Bleke inwendige organen.

A4 Bloed in luchtpijp en in de longen.

Richting steekkanaal (waarschijnlijk) van links naar rechts en iets naar voetwaarts.

Richting van het steekkanaal bepaald aan het horizontaal gestrekte lichaam.

[…]

Interpretatie

[…]

Bij sectie bleek een doorsteek door de hals (A1) met perforatie van weke delen, de slokdarm en rechterhalsader. Deze letsels zijn bij leven ontstaan en veroorzaakt door de inwerking van uitwendig mechanisch scherprandig perforerend geweld, zoals bijvoorbeeld steken met een mes.

Ten gevolge van de doorsteek was er bloedverlies, inademing van bloed in de longen (A4) en er was lucht in de bloedcirculatie (A2), hetgeen het overlijden volledig verklaart. Bevinding A3 past bij bloedverlies.

[…]

Er waren geen overtuigende afweerletsels.

Er waren geen ziekelijke orgaanafwijkingen die het overlijden zouden kunnen verklaren dan wel hieraan een bijdrage zouden kunnen hebben geleverd.

Conclusie

Bij [R], oud 35 jaren, is de dood ingetreden door de gevolgen van steekletsel in de hals.”

1.1.4

[Verbalisant 5] ontwaarde een bloedspoor van de serviceflat ‘De Pettelaer’ naar de achterzijde van het naastgelegen Shell tankstation aan de Gestelseweg. Op dat terrein bleek de personenauto van [R] te zijn geparkeerd. Dit werd gerelateerd in het hierna weergegeven proces-verbaal.

“Ik, [verbalisant 4], zag dat er vanaf de trap, aan de voorzijde van de genoemde flat, een bloedspoor dan wel bloeddruppels lagen, welke mij in de richting van het [aan de Gestelseweg gelegen] Shell-tankstation leidde. […] Ik zag dat op het terrein van het tankstation tevens bloeddruppels dan wel een bloedspoor lag, welke mij in de richting van de achterzijde van het tankstation leidde. Ik zag dat er aan de achterzijde van het tankstation een personenauto, [een grijze Honda Civic], geparkeerd stond. […] De […] te naam gestelde [is]: [R], geboortedatum: [datum in het jaar 1972]. Naar aanleiding [daarvan] hebben wij, verbalisanten [1, 2, 3 en 4], de plaats delict ruimer afgezet […] [en] de technische recherche […] in kennis gesteld.”

1.1.5

De technische recherche was op 23 januari 2008 omstreeks 03.15 uur ter plaatse en heeft een technisch sporenonderzoek verricht. Daarbij werden onder meer de bloeddruppels, die zich aan het begin van het bloedspoor bij het Shell tankstation bevonden, voor nader onderzoek veiliggesteld. De bevindingen van de technische recherche ter zake luiden als volgt.

“Op 23 januari 2008 omstreeks 03.15 uur werd […] een technisch sporenonderzoek verricht. […] Vanaf de plaats van de hal van de [serviceflat ‘De Pettelaer’] werden door de aanwezige collega’s van een politie-eenheid bloedsporen aangetroffen, die liepen over een naastgelegen terrein van een tankstation tot aan de achterzijde van het tankstation.

[…]

Aan de achterzijde van het tankstation bevond zich de inrit naar de autowasstraat […] [en daar rechts naast] de deur van een wasbox. […] De ingang van de wasstraat was enkele meters terug gelegen ten opzichte van de deur van de wasbox. Parallel aan de linkerzijgevel van de wasbox lag een strook van ongeveer 60 centimeter breed, die bestraat is met trottoirtegels. De strook bevond zich ter hoogte van de ingang van de wasstraat. Rechts naast de wasbox bevonden zich twee stallingsplaatsen voor te verhuren aanhangwagens. Op deze plaatsen stonden ook twee aanhangwagens gestald. Links naast de linker aanhangwagen stond een vuilcontainer.

[…]

Op het terrein van het tankstation werd door ons, verbalisanten, een bloedspoor aangetroffen. […] De eerste bloeddruppels van het spoor werden door ons, verbalisanten, aangetroffen ter hoogte van de vuilcontainer [PD-08]. […] [Dat spoor werd] door ons, verbalisanten, [….] veiliggesteld en gewaarmerkt [met identiteitszegel ‘FXA808’ en omschrijving ‘bloedspoor wegdek’].”

1.1.6

Onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna te noemen: NFI) wees uit dat de veiliggestelde bloeddruppels zeer waarschijnlijk van [R] afkomstig zijn. Immers, de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon overeenkomt met het profiel dat uit deze bloeddruppels is verkregen, is kleiner dan één op één miljard. In het rapport werd dat als volgt uiteengezet.

“Onderzoeksmateriaal […]

TR-nummer: PD-08 | DNA-identiteitszegel: FXA808 | Omschrijving: een bemonstering van de plaats van het delict.

[…]

Onderzoek naar biologische sporen […]

Bemonstering [FXA808] […]

In de […] bemonstering is bloed aangetroffen. De bemonstering [is] als […] [FXA808]#1 veiliggesteld voor een DNA-onderzoek.

[…]

Resultaat DNA-onderzoek […]

Van het celmateriaal in de bemonstering [FXA808]#1 […] [is een DNA-profiel] verkregen. [Dat is] vergeleken met de DNA-profielen van de volgende personen: slachtoffer [R] [DAA049], verdachte [C] [REK697] en [mede]verdachte [T] [RHC641]. […]

Conclusie […]

Sporenmateriaal: de bemonstering [FXA808]#1 […] | Celmateriaal kan afkomstig zijn van: slachtoffer [R] [DAA049] | Berekende frequentie DNA-profiel: kleiner dan één op één miljard.”

1.1.7

Op grond van het vorenstaande stelt het hof vast dat [R] op 23 januari 2008 in ‘s-Hertogenbosch aan de gevolgen van een steekletsel in de hals is komen te overlijden, welk letsel hem aan de achterzijde van het Shell tankstation aan de Gestelseweg is toegebracht.

1.2 De beschikbare camerabeelden

Er bleek een videocamera op de achterzijde van het Shell tankstation te zijn gericht. Hoewel de kwaliteit van de daaruit voortgekomen camerabeelden te wensen over laat, kan aan de hand daarvan wel een globaal beeld worden gegeven van hetgeen zich daar in de nachtelijke uren van 23 januari 2008 heeft afgespeeld. Zo blijkt daaruit dat er omstreeks 02.23 uur een donkerkleurige BMW wordt geparkeerd ter hoogte van de aldaar gelegen wasbox. De bestuurder van die personenauto is niet uitgestapt. Enige tijd later verscheen er een persoon in de hoek van de wasstraat. Het bleek een man te zijn met donker haar, een donkere jas tot op zijn heup, een zwarte trainingsbroek met een witte streep en witte sportschoenen. De man is tot tweemaal toe van de hoek van de wasstraat naar het bijrijdersportier van de BMW gelopen en weer terug. Omstreeks 02:34 uur is een grijze Honda CRX gearriveerd met, zo kan uit de onder 1.1 weergegeven overwegingen worden afgeleid, [R] als bestuurder. [R] is uitgestapt en naar het bijrijdersportier van de BMW gelopen. Nog diezelfde minuut is de eerder beschreven man, op een moment dat [R] met zijn rug naar de wasbox stond, op [R] afgerend. Op de beelden is daarna achtereenvolgens te zien dat [R] wegliep, dat de man iets in zijn hand had dat oplichtte en dat [R] op zijn rechterbeen steunde en naar rechts overhing met zijn romp. Terwijl [R] wegsnelde, is de man - na aanvankelijk achter [R] aan te lopen - teruggelopen naar de BMW. Nadat hij aan de bijrijderszijde is ingestapt, reed de BMW weg. Deze schets van het voorval is bij proces-verbaal als volgt verwoord.

“Op de […] videocamerabeelden was op camera 8, die zicht gaf op de achterzijde van het Shell tankstation, gelet van links naar rechts, de wasstraat, de wasbox en daarnaast […] een tweetal gestalde aanhangwagens, te zien. […] Vervolgens werd […] het volgende waargenomen, waarbij de onderstaande tijden van de datum 23 januari 2008 zijn:

[…]

02:23:56 ? [Een] donkerkleurige personenauto [….] komt tot stilstand met de voorzijde richting Senecalaan [en] […] staat met de rechterzijde precies ter hoogte van de wasstraat

(gelet op de beschrijving van de achterzijde van het tankstation, zoals hierboven alsook onder overweging 1.1.5 is weergegeven, begrijpt het hof mede op basis van eigen waarneming: de wasbox). […] De bestuurder blijft achter het stuur zitten […].

02:24:10 ? Zichtbaar wordt een persoon, die zich ophield in de hoek van de wasstraat met de wasbox.[…]

02:30:19 ? De persoon komt naar voren en loopt richting de stilstaande donkerkleurige personenauto.

Signalement van de […] persoon, buiten de donkerkleurige personenauto, hierna te noemen man 1: man, donker gekleurd haar, donkere jas tot op de heup, zwarte trainingsbroek met witte streep/strepen en witte sportschoenen.

02:30:25 ? Man 1 komt bij de donkerkleurige personenauto aan de bijrijderszijde. […]

02:30:31 ? Man 1 loopt weer terug richting de hoek vanwaar hij kwam. […]

02:33:57 ? Man 1 komt vanuit de hoek gelopen, in beeld, en loopt richting de donkerkleurige personenauto. […]

02:34:01 ? Man 1 staat bij de donkerkleurige personenauto, aan de bijrijderskant en buigt voorover.

02:34:06 ? Het bijrijdersportier wordt geopend. Man 1 blijft achter de geopende portier staan.

02:34:17 ? Man 1 loopt terug richting wasstraat en het bijrijdersportier wordt gesloten.

[…]

02:34:25 ? Er komt een grijze personenauto, Honda Civic CRX, in beeld. De grijze Honda CRX parkeert aan de linkerzijde van de donkerkleurige personenauto […].

02:34:39 ? De bestuurder, hierna te noemen man 2, stapt uit aan de kant bestuurderszijde [en] […] loopt langs de achterzijde van de grijze Honda Civic CRX richting de donkerkleurige personenauto.

02:34:43 ? Man 2 loopt via de achterzijde van de donkerkleurige personenauto richting de rechterzijde van de personenauto […] naar het bijrijdersportier.

02:34:49 ? Man 2 staat stil ter hoogte van het bijrijdersportier en buigt dan licht voorover.

02:34:51 ? Man 2 staat met zijn rug richting de wasstraat en wasbox. Man 1 komt uit de hoek, in beeld, en loopt richting man 2 die met zijn rug naar man 1 staat.

02:34:53 ? Man 1 rent naar man 2 en heft hierbij zijn linkerarm van onder iets naar voren. Man 2 loopt achteruit, langs de rechterzijde van de donkerkleurige personenauto.

02:34:55 ? Man 1 heeft iets met schijnsel in zijn rechterhand. Man 2 steunt hierbij op zijn rechterbeen waarbij het linkerbeen gebogen is, waarbij de romp van man 2 overhangt naar rechts.

02:34:57 ? Man 2 verdwijnt rechts uit beeld van camera 8. Man 1 loopt achter man 2 aan. […]

02:35:04 ? Man 1 komt terug in beeld en loopt richting de donkerkleurige personenauto. Man 2 rent via de voorzijde weg voorlangs het Shell tankstation.

02:35:11 ? Man 1 komt bij de rechterzijde […] van de donkerkleurige personenauto en opent het bijrijdersportier.

02:35:15 ? Man 1 stapt in donkerkleurige personenauto en sluit het portier. De donkerkleurige personenauto wordt gestart waarbij de achteruitrijdverlichting oplicht.

02:35:21 ? Vervolgens rijdt de donkerkleurige personenauto achteruit met de achterzijde richting de gestalde aanhangwagen. Te zien is, dat de donkerkleurige personenauto een BMW 3 serie betreft. […]

02:35:48 – De donkerkleurige BMW rijdt weg in de richting van de Senecalaan.”

1.3 De BMW

1.3.1

Op woensdag 23 januari 2008 wordt omstreeks 03.46 uur tijdens de bewaking van de plaats delict een voorbijrijdende personenauto, van het merk BMW en voorzien van het kenteken [kenteken], waargenomen waarin zich een vrouwelijke bestuurder en een tweede inzittende bevinden. Dat blijkt uit het hierna weergegeven proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [6 en 7].

“Wij […] namen ter bewaking van de plaats delict, post in aan de zij- en achterkant van het Shell tankstation […]. Door ons werden enkele kentekens genoteerd van de voertuigen die op dat uur voorbij het tankstation kwamen gereden.

[Op 23 januari 2008] omstreeks 03.46 uur zagen wij een personenauto aan komen rijden […]. Wij zagen dat dit een personenauto betrof van het merk BMW dat voorzien was van het kenteken [kenteken]. Door ons werd gezien dat er twee personen in dat voertuig zaten, waarbij de bestuurder van dat voertuig een vrouwspersoon was.”

1.3.2

De BMW bleek eerder die nacht, omstreeks 03.05 uur, op de rijksweg A59 tussen Waalwijk en Drunen te hebben gereden. Dat blijkt uit de volgende verkeersregistratie.

“License: [kenteken]

Location: 51.6958 5.09368 | Tripstar: 767 | Camera: 2 | Recognition Time (CET): 1-23-08 3:05 AM

Link ID: 16 | Linkname: A59 Waalwijk-Oost (39) - Drunen-West (40) | Start crossing: 51.6958 5.09368”

1.3.3

Uit de hierna weergegeven uitdraai uit het kentekensysteem van de Rijksdienst voor het Wegverkeer, bezien in samenhang met de hierna onder 1.7 weergegeven verklaringen van de medeverdachte [T], leidt het hof af dat die BMW sinds 9 augustus 2006 op naam van de vader van de medeverdachte [T] is gesteld.

“Kenteken: [kenteken] (NL)

Merk: BMW

Type: 320I

Kleur: Blauw

[…]

Eigenaar

Soort: Natuurlijk persoon

Geslachtsnaam: [T]

Voorletters: [voorletters van de vader van medeverdachte T]

Geboortedatum: [jaar in 1959]

[…]

Begin aansprakelijkheid: 09-08-2006

[…]

Datum/tijd bevraging: 26-01-2008.”

1.3.4

Op 26 januari 2008 werd de BMW in beslag genomen en overgedragen aan de technische recherche. Zo blijkt uit het volgende proces-verbaal.

“Op 26 januari 2008 […] werd [de personenauto van het merk BMW, type 320I, voorzien van kenteken [kenteken] op de Ossenstraat te ’s-Hertogenbosch aangetroffen en in beslag genomen]. […] Het voertuig is overgedragen aan de technische recherche.”

1.3.5

Bij een technisch sporenonderzoek aan de BMW werden bloeddruppels op een CD-hoes en een vage bloedplek op de bekleding van de bijrijdersstoel aangetroffen. Deze stukken zijn voor nader onderzoek veiliggesteld. Dat blijkt uit het volgende proces-verbaal.

“Op 28 januari 2008 werd door ons […] een technisch sporenonderzoek ingesteld aan […] een personenauto [van het merk BMW, type 320I, kleur blauw en voorzien van kenteken

[kenteken]]. […]

Tijdens visueel onderzoek werd in het rechter voorportiervak een roodkleurig metalen

CD-hoes aangetroffen. Op de hoes werd bloed in de vorm van een druppel aangetroffen.

Het bloed werd bemonsterd en veilig gesteld onder spoornummer JL-01 [en identiteitszegel DDA337]. […] Aan de voorzijde van het zitvlak van de bijrijdersstoel werd bloed in de vorm van een vage plek aangetroffen. Vervolgens werd een deel van de bekleding van de zitting van de bijrijdersstoel eruit gesneden met behulp van een steriel mesje en veiliggesteld onder het spoornummer JL-02 [en identiteitszegel] DDA340.”

1.3.6

Uit onderzoek van het NFI kan worden afgeleid dat het bloed op de CD-hoes en de bekleding van de bijrijdersstoel van slachtoffer [R] afkomstig kan zijn. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon overeenkomt met het profiel dat uit het bloed is verkregen, is kleiner dan één op de één miljard. Dat blijkt uit het hierna weergegeven rapport.

“Onderzoeksmateriaal […]

TR-nummer: JL-01 | DNA-identiteitszegel: DDA337 | Omschrijving: een bemonstering van een CD-doos uit de BMW ([kenteken]);

TR-nummer: JL-02 | DNA-identiteitszegel: DDA340 | Omschrijving: een bemonstering van de zitting van de bijrijdersstoel van de BMW ([kenteken]).

[…]

Onderzoek naar biologische sporen […]

Bemonsteringen [DDA337] en [DDA340] […]

In de […] bemonsteringen is bloed aangetroffen. De bemonsteringen zijn als respectievelijk [DDA337]#1 en [DDA340]#1 […] veiliggesteld voor een DNA-onderzoek.

[…]

Resultaat DNA-onderzoek […]

Van het celmateriaal in de bemonsteringen [DDA337]#1 […] [en] [DDA340]#1 […] zijn DNA-(meng)profielen verkregen. [Die zijn] vergeleken met de DNA-profielen van de volgende personen: slachtoffer [R] [DAA049], verdachte [C] [REK697] en [mede]verdachte [T] [RHC641].

[…]

Conclusie […]

Sporenmateriaal: de bemonstering [DDA337]#1 […] | Celmateriaal kan afkomstig zijn van: slachtoffer [R] [DAA049] | Berekende frequentie DNA-profiel: kleiner dan één op één miljard […];

Sporenmateriaal: de bemonstering [DDA340]#1 […] | Celmateriaal kan afkomstig zijn van: slachtoffer [R] [DAA049] […] | Berekende frequentie DNA-profiel: kleiner dan één op één miljard.”

1.4 Het blikje bier en de sigarettenpeuk

1.4.1

Bij de wasstraat van het tankstation zijn nog twee andere stukken van overtuiging gevonden: een blikje Heineken bier en een sigarettenpeuk.

“Op de strook ter hoogte van de ingang van de wasstraat stond een geopend blikje Heineken-bier. Het blikje werd ter plaatse bemonsterd [PD-01a] en het blikje werd in zijn geheel veiliggesteld voor dactyloscopisch onderzoek [PD-01]. […] Ter hoogte van de ingang van de wasstraat lag voor een metalen eindstrip van de tegelvloer van de wasstraat een filterpeuk [PD04]. […]

De volgende sporen werden [….] veiliggesteld en gewaarmerkt:

Spoornummer PD-01a | Identiteitszegel FXA800 | Omschrijving: Speeksel, bemonstering blik Heineken pils; […]

Spoornummer PD-04 | Identiteitszegel FXA803 | Omschrijving: Speeksel, peuk achterzijde tankstation.”

1.4.2

Nog voordat de DNA-profielen van de verdachte en de medeverdachte [T] beschikbaar waren, werden het blikje bier en de sigarettenpeuk door het NFI onderzocht. Het DNA uit de bemonstering van het blikje bier vertoonde een match met het DNA-profiel van een ‘onbekende man A’, met dien verstande dat de kans dat een willekeurig gekozen persoon met datzelfde profiel matcht kleiner dan één op één miljard is. De bemonstering van het blikje bier bevatte tevens een geringe hoeveelheid celmateriaal van een ‘onbekende vrouw B’. Van het DNA op de sigarettenpeuk werd een mengprofiel verkregen met DNA-kenmerken van een man en een vrouw en bleek afkomstig te kunnen zijn van diezelfde onbekende man A en onbekende vrouw B. De daarbij berekende frequentie was één op 91.000, oftewel: de kans dat een willekeurig gekozen persoon met dat DNA-mengprofiel matcht, is gesteld op één op 91.000. Deze conclusies zijn neergelegd in het volgende rapport.

“Onderzoeksmateriaal […]

TR-nummer: PD-01a | DNA-identiteitszegel: FXA800 | Omschrijving: een bemonstering van een blikje Heineken pils;

TR-nummer: PD-04 | DNA-identiteitszegel: FXA803 | Omschrijving: een sigarettenpeuk (JPS).

[…]

Onderzoek naar biologische sporen […]

Bemonstering [FXA800] […]

De bemonstering is veiliggesteld als [FXA800]#1 voor een DNA-onderzoek.

Sigarettenpeuk [FXA803] […]

[Het] […] is […] veiliggesteld als [FXA803]#1 voor een DNA-onderzoek.

[…]

Resultaat DNA-onderzoek […]

Van het DNA […] in de bemonstering [FXA800]#1 […] [is een] DNA-profiel verkregen van een man. […]

Van het DNA op de sigarettenpeuk [FXA803]#1 is een DNA-mengprofiel verkregen waarin DNA-kenmerken zichtbaar zijn van (minimaal) twee personen, een man en een vrouw.

[…]

Conclusie

Sporenmateriaal: de bemonstering van [FXA800]#1 […] | Celmateriaal kan afkomstig zijn van: onbekende man A (geringe hoeveelheid celmateriaal van onbekende vrouw B niet uit te sluiten) (zie toelichting 1) | Berekende frequentie DNA-profiel: kleiner dan één op één miljard.

Sporenmateriaal: de sigarettenpeuk [FXA803]#1 | Celmateriaal kan afkomstig zijn van: onbekende man A en onbekende vrouw B | Berekende frequentie DNA-profiel: ongeveer een op 91 duizend (kans dat een willekeurige persoon matcht met dit DNA-mengprofiel).

[…]

Toelichting 1:

Naast het DNA-profiel van de onbekende man A zijn in het DNA-profiel van het DNA in de bemonstering [FXA800]#1 twee additionele zwak aanwezige DNA-kenmerken zichtbaar. Deze DNA-kenmerken matchen met de DNA-kenmerken van de onbekende vrouwelijke donor van het DNA in bemonstering [FXA803]#1. Dit betekent dat de bemonstering van [FXA800]#1 een geringe hoeveelheid celmateriaal bevat dat afkomstig kan zijn van de onbekende vrouw B.”

1.4.3

Een vergelijk met de DNA-profielen van de verdachte en de medeverdachte [T] leverde een match op met voornoemde onbekende man A en onbekende vrouw B, aldus het NFI in de navolgende rapportage.

“Conclusie

Sporenmateriaal: de bemonstering [FXA800]#1 […] | Celmateriaal kan afkomstig zijn van: verdachte [C] [REK697] (geringe hoeveelheid celmateriaal van de [medeverdachte T] [RHC641] niet uit te sluiten […] | Berekende frequentie DNA-profiel: kleiner dan één op één miljard.

Sporenmateriaal: de sigarettenpeuk [FXA803]#1 | Celmateriaal kan afkomstig zijn van: verdachten [C] [REK697] en [medeverdachte T] [RHC641] | Berekende frequentie DNA-profiel: ongeveer één op 91 duizend (kans dat willekeurige persoon matcht met dit DNA-mengprofiel).”

1.4.4

Volgens de manager van het Shell tankstation wordt zwerfvuil, daaronder mede begrepen blikjes, dagelijks door zijn personeel opgeruimd. Zijn verklaring is opgetekend in het volgende proces-verbaal.

“Op 11 februari 2008 […] is de stationsmanager van de Shell pomp […] dhr. [A] […] gehoord. Hij verklaarde:

- dat [het terrein] eenmaal per dag door de medewerkers van de Shell pomp […] [wordt] ontdaan van zwerfvuil; […]

- dat o.a. blikjes van drinken vallen onder zwerfvuil en ook dienen te worden opgeruimd.”

1.4.5

Een van de medewerkers van het Shell tankstation, die in de middag en avond van 22 februari 2008 heeft gewerkt, is [B]. Zij verklaarde voor zover hier van belang het volgende.

“Ik ben werkzaam bij het Shell tankstation […]. Op 22 januari 2008 heb ik […] tot 22.00 uur gewerkt. Ik was toen werkzaam met [D]. Op deze dag heb ik buiten het zwerfvuil opgeruimd. [….] Op deze dag, om 20.30 uur ben ik voor het laatst buiten geweest. Ik heb toen bij de zelf wasstraat een sigaret staan roken en ook heb ik daar opgeruimd. De stoep bij de zelf wasstraat was ook schoon. Voor zover ik weet was ook de straat bij de andere wasstraat opgeruimd. […] De hoek bij de wasstraat is meestal schoon. In die hoek staat eigenlijk nooit iemand.”

1.5 De trainingsbroek met witte bies en bloedvlekjes

1.5.1

Bij doorzoeking van de woning van de verdachte aan [het adres] te ‘s-Hertogenbosch werd naast een paar witte schoenen en een zwarte jas een aantal trainingsbroeken met een witte bies aangetroffen. Een van die trainingsbroeken bleek een op bloed gelijkende druppel of spat te bevatten en is om die reden veiliggesteld voor nader onderzoek. De verbalisanten [8 en 9] maakten van de doorzoeking het volgende proces-verbaal op.

“Op 26 januari 2008 […] werd door ons […] assistentie verleend bij een doorzoeking van de woning van [de verdachte C] aan [het adres] te ’s-Hertogenbosch.]

[…]

In de inloopkast bevonden zich aan de rechterzijde, gezien vanaf de toegangsdeur tot de inloopkast, legplanken. […] Op een van de legplanken werd een blauwe […] trainingsbroek, met witte bies aan weerszijden van de broekspijpen, aangetroffen [KA-01/EUA100]. Op deze broek bevond zich een op bloed gelijkende druppel/spat. […]

Onder het bed […] werd een paar witte Swiss schoenen [KA-02/EUA101] gevonden. Op de bank, aan de linker achterzijde van de woonkamer, lag een zwarte jas [KA-13/EUA112]. Op deze jas werd later een op bloed gelijkende substantie aangetroffen. […]

Meteen rechts na de toegangsdeur van de zolderkamer stond een wasmand. In en voor deze wasmand lagen verschillende kledingstukken […]. De navolgende goederen werden aangetroffen:

- een broek met weerszijden een bies, voor de wasmand [KA-07/EUA106] […]

- een broek met bies in de wasmand [KA-08/EUA107]

- een broek met bies in de wasmand [KA-09/EUA108].

[…]

Tijdens de zoeking in de woning [werd] door ons veiliggesteld en gewaarmerkt:

Spoornummer KA-01 | Identiteitszegel EUA100 | Omschrijving vindplaats: Broek met bies op plank inloopkast.”

1.5.2

Het NFI stelde vast dat de in beslag genomen trainingsbroek (met spoornummer KA-01 en identiteitszegel EUA100) bloed bevat dat van [R] afkomstig kan zijn, met een kans van minder dan één op één miljard dat een willekeurig persoon met het verkregen (onvolledige) DNA-profiel matcht. Ook werd op de broek een geringe hoeveelheid celmateriaal aangetroffen dat mogelijk afkomstig is van eerdergenoemde onbekende man A; aldus van de verdachte. Dat komt naar voren in het volgende rapport.

“Onderzoeksmateriaal […]

TR-nummer: KA-01 | DNA-identiteitszegel: EUA100 | Omschrijving: een joggingbroek.

[…]

Onderzoek naar biologische sporen […]

Joggingbroek [EUA100] […]

Op de buitenzijden van de joggingbroek zijn vier bloedvlekjes aangetroffen. [Twee] bloedvlekjes zijn als volgt bemonsterd […]:

- [EUA100]#2: een bemonstering van een bloedvlekje op de voorkant van de rechterbroekspijp, iets boven kniehoogte,

- [EUA100]#3: een bemonstering van een van de twee bij elkaar gelegen bloedvlekjes op de witte bies aan de rechterzijde (op 15 centimeter boven het uiteinde) van de rechterbroekspijp.

[…]

Resultaat

Van het DNA […] in de bemonsteringen [EUA100]#2 en #3 […] zijn (onvolledige) DNA-profielen verkregen van een man.

[…]

Conclusie […]

Sporenmateriaal: de bemonstering [EUA100]#2 […] | Celmateriaal kan afkomstig zijn van: slachtoffer [R] [DAA049] (geringe hoeveelheid celmateriaal van onbekende man A niet uit te sluiten) (zie toelichting 2) | Berekende frequentie DNA-profiel: kleiner dan één op één miljard.

Sporenmateriaal: de bemonstering [EUA100]#3 | Celmateriaal kan afkomstig zijn van: slachtoffer [R] [DAA049] (geringe hoeveelheid celmateriaal van onbekende man A niet uit te sluiten) (zie toelichting 2) | Berekende frequentie DNA-profiel: kleiner dan één op één miljard.

[…]

Toelichting 2:

Naast het DNA-profiel dat matcht met het DNA-profiel van het slachtoffer [R] [DAA049] zijn in de DNA-profielen van het DNA in de bemonsteringen [EUA100]#2 en #3 respectievelijk zes en vijf additionele zwak aanwezige DNA-kenmerken zichtbaar. Deze DNA-kenmerken matchen met het DNA-profiel van het celmateriaal in de bemonstering [FXA800]#1 van een blikje. Dit betekent dat de bemonsteringen [EUA100]#2 en #3 een geringe hoeveelheid celmateriaal bevatten dat afkomstig kan zijn van de onbekende man A.”

1.5.3

De verdachte verklaarde ter terechtzitting in hoger beroep van 3 november 2010 dat de trainingsbroeken met witte bies, die in en voor zijn wasmand zijn aangetroffen, van hem zijn en dat hij die broeken ook heeft gedragen. Zijn verklaring houdt hierover het volgende in.

“Ik heb allerlei broeken, ook trainingsbroeken met een bies. […] De trainingsbroeken met witte bies, die in en voor mijn wasmand zijn aangetroffen, zijn van mij. […] Die trainingsbroeken heb ik ook gedragen.”

1.5.4

Tegenover de politie verklaarde de verdachte verder, zoals uit de navolgende weergave blijkt, dat hij alleen broeken met de maat XL en XXL draagt.

“Ik draag alleen [broeken met de maten] XL en XXL.”

1.5.5

Een vergelijkend onderzoek tussen de onder de verdachte in beslag genomen broek en twee kennelijk voor de hierna te noemen passessie aangeschafte broeken leverde het volgende resultaat op.

“Op 1 september 2008 […] werd […] een vergelijkend onderzoek verricht tussen de navolgende stukken van overtuiging:

- Een broek KA-01 [merk Nike, maat XL, kleur blauw en voorzien van een brede witte bies langs beide pijpen], aangetroffen op 26 januari 2008 in de woning van de verdachte […];

- Een broek WI-01 [merk Nike, L, kleur blauw en voorzien van een smalle witte bies langs beide pijpen], gekocht in een winkel te ’s-Hertogenbosch op 27 augustus 2008;

- Een broek WI-02 [merk Nike, XL, kleur blauw en voorzien van een smalle witte bies langs beide pijpen], gekocht in een winkel te ’s-Hertogenbosch op 12 september 2008.

[…]

Door de importeur Nike Nederland BV werd […] medegedeeld dat de broeken met [hetzelfde] artikelnummer [als de broek KA-01] niet meer geproduceerd en/of verkocht werden. Door de importeur werd medegedeeld dat de broeken WI-01 en WI-02 soortgelijk waren aan de broek KA-01, maar voorzien waren van een ander artikelnummer en een smallere witte bies langs beide pijpen.

Vergelijkend onderzoek […]

De broek KA-01 had de volgende afmetingen:

- broeksband (taille): circa 37 centimeter met een maximale ‘rek’ van circa 58 centimeter;

- broekspijp in de lengte aan de buitenzijde: circa 106 centimeter;

- broekspijp in de breedte aan de onderzijde: circa 23 centimeter;

- broekspijp binnenzijde tot aan het kruis: circa 75 centimeter;

- broekspijp in de breedte ter hoogte van het kruis: circa 30 centimeter;

- broekhoogte van het kruis tot aan broeksband: circa 30 centimeter.

[…]

De broek WI-01 had de volgende afmetingen:

- broeksband (taille): circa 37 centimeter met een maximale ‘rek’ van circa 56 centimeter;

- broekspijp in de lengte aan de buitenzijde: circa 108 centimeter;

- broekspijp in de breedte aan de onderzijde: circa 24 centimeter;

- broekspijp binnenzijde tot aan het kruis: circa 75 centimeter;

- broekspijp in de breedte ter hoogte van het kruis: circa 31 centimeter;

- broekhoogte van het kruis tot aan broeksband: circa 31 centimeter

[…]

De broek WI-02 had de volgende afmetingen:

- broeksband (taille): circa 41 centimeter met een maximale ‘rek’ van circa 58 centimeter;

- broekspijp in de lengte aan de buitenzijde: circa 111 centimeter;

- broekspijp in de breedte aan de onderzijde: circa 26 centimeter;

- broekspijp binnenzijde tot aan het kruis: circa 84 centimeter;

- broekspijp in de breedte ter hoogte van het kruis: circa 35 centimeter;

- broekhoogte van het kruis tot aan broeksband: circa 35 centimeter.”

1.5.6

Op 19 september 2008 werd de verdachte door [verbalisant 10] onderworpen aan een zogenaamde passessie. Ten aanzien daarvan werd het volgende gerelateerd.

“Op 19 september 2008 werd door mij […] in het kader van het onderzoek een sessie uitgevoerd waarbij door verdachte [C] een tweetal aangekochte sportbroeken van het merk Nike met maatvoering L en XL werd gepast. […]

Ik zag dat verdachte [C] beurtelings beide sportbroeken paste, beginnende met de sportbroek welke maatvoering L draagt, gevolgd door de sportbroek met maatvoering XL.

[…] Ik zag dat het postuur van verdachte [C] nu, in vergelijking met zijn postuur tijdens de door mij verrichte verhoren in de periode eind januari 2008 tot 21 april 2008, behoorlijk in omvang was toegenomen.

Ik zag dat de pijpen van de Nike sportbroek met maatvoering L enigszins strak om de bovenbenen […] zaten. Ik zag dat de pijpen van deze broek qua lengte aansloten op de bovenzijde van de door de verdachte [C] gedragen zwarte sportschoenen van het merk Nike.

Ik zag dat de pijpen van de Nike sportbroek met maatvoering XL qua lengte ruim over de tong van de door verdachte [C] gedragen sportschoenen […] vielen.”

1.6 Het mes

1.6.1

Op aanwijzing van de medeverdachte [T] werd op 1 februari 2008 langs de rijksweg A2/A59 bij de afslag Waalwijk (A59), in een gat van een talud, een groot keukenmes gevonden. Bij proces-verbaal werd hierover het volgende vermeld.

“Op 1 februari 2008 werd […] een technisch sporenonderzoek verricht […] Op aanwijzing van de [medeverdachte T] werd […] gezocht naar het mes waarmee vermoedelijk het slachtoffer [R] om het leven was gebracht. Volgens de verklaring van de [medeverdachte T] had de verdachte [C] het mes weggegooid op de rijksweg A2, gaande de richting Utrecht, op de afslag Waalwijk (A59). […]

De rijksweg A2 is ter plaatse gelegen in de gemeente ’s-Hertogenbosch […]. De afslag Waalwijk (A59) draait 270 graden en loopt middels een viaduct over de rijksweg A2 waarna de weg overgaat in de Rijksweg A59. In de binnenring van deze afslag waren recentelijk grondwerkzaamheden verricht. Hierbij was ter hoogte van lichtmast CA 044 in het [talud] een gedeelte afgegraven dan wel grond aangebracht, waardoor een gat in het [talud] ontstond. […]

In [dat] gat […] [werd] een keukenmes [gevonden] met een zwart houten heft, dat aan het lemmet was geklonken. Het mes had een lengte van ongeveer 36 centimeter. […]

Het mes werd […] voor eventueel DNA-onderzoek veiliggesteld middels een zogenaamde messenkoker en [met spoornummer] A2-01 genummerd [en voorzien van identiteitszegel FXA836].

1.6.2

Op het lemmet van het mes werd bloed aangetroffen. Het onvolledige DNA-profiel dat daarin werd aangetroffen, matcht met het DNA-profiel van [R]. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man met dit onvolledige DNA-profiel matcht kleiner dan één op één miljard is. Het NFI vermeldde dit in het hierna weergegeven rapport.

“Onderzoeksmateriaal […]

Het betreft een verzoek tot aanvullend onderzoek aan het mes [FXA836] aangetroffen langs de rijksweg A2/A59.

[…]

Onderzoek naar biologische sporen […]

Het lemmet van het mes [FXA836] is in zijn geheel bemonsterd. […] Deze bemonstering is als [FXA836]#4 veiliggesteld voor DNA-onderzoek. [In de bemonstering] […] is bloed aangetroffen.

[…]

Resultaat DNA-onderzoek […]

Van het DNA in de bemonstering [FXA836]#4 […] is een onvolledig DNA-profiel verkregen. Dit onvolledige DNA-profiel is vergeleken met de DNA-profielen van de volgende personen: slachtoffer [R] [DAA049], verdachte [C] [REK697] en [medeverdachte T] [RHC641].

Conclusie

Van het DNA in de bemonstering [FXA836]#4 […] is een onvolledig DNA-profiel van een man verkregen. Het DNA-profiel van het slachtoffer [R] [DAA049] matcht met dit onvolledige DNA-profiel. […] Dit betekent dat het bloed in de bemonstering [FXA836]#4 afkomstig kan zijn van het slachtoffer [R] [DAA049]. De berekende frequentie van het onvolledige DNA-profiel is kleiner dan een op een miljard. Oftewel, de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit onvolledige DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.”

1.6.3

Het mes is voorgelegd aan H.A. Tromp, de arts en patholoog die ook de sectie op het lijk van [R] heeft verricht. Haar conclusie luidt dat de doorsteek in de hals van [R] door het mes kan zijn veroorzaakt, mits er sprake is van een steekrichting van links naar rechts. Zij expliciteert dat als volgt.

“Beschrijving van het mes

Door mij ontvangen een mes met een totale lengte van ca. 36,5 cm. […] Het heft […] heeft een lengte van ca. 12,2 cm. Het lemmet heeft een lengte van ca. 24,3 cm en loopt uit in een spitse punt. De breedte van het lemmet bij het heft bedraagt ca. 2,8 cm, deze breedte blijft over vrijwel de hele lengte van het lemmet gehandhaafd en neemt pas af op ca. 9 cm voor de punt. Het lemmet is aan een zijde afgevlakt met een breedte van ca. 0,2 cm, de andere zijde is scherp gesneden (eenzijdig snijdend mes).

Beschrijving van de letsels in de hals.

Bij de sectie is gebleken dat er sprake is geweest van een doorsteek door de hals met scherprandige horizontale huidperforaties links en rechts in de hals. Het letsel links in de hals had een lengte van ca. 2,3 cm. Het uiteinde van dit letsel had aan de nekzijde een scherprandig aspect, aan de gelaatszijde een enigszins stomp aspect. Dit letsel zou goed kunnen zijn veroorzaakt door een eenzijdig snijdend mes.

Het letsel rechts in de hals had een lengte van ca. 1,5 cm. […]

Bespreking

Het betrof een doorsteek in de hals. De lengte van het lemmet is zeker voldoende om hiermee een doorsteek te kunnen realiseren. De breedte van het mes is over de grootste lengte van het lemmet iets groter dan de afmeting van het letsel links in de hals (ca. 2,8 cm versus ca. 2,3 cm). Dit komt dus niet helemaal overeen. Bedacht dient te worden dat de huid elastisch is en er sprake is van een stompe rand bij een eenzijdig snijdend mes: de huid kan worden ‘meegetrokken’ en uitgerekt door de stompe zijde van het lemmet om daarna in zijn oorspronkelijke toestand terug te keren. Deze eigenschap van de huid zou het verschil van enkele millimeters in afmeting kunnen verklaren.

Het letsel rechts in de hals (ca. 1,5 cm) is veel kleiner dan links. Aangezien het een doorsteek betrof en het lemmet slechts over een lengte van ca. 9 cm smaller is dan ca. 2,8 kan het letsel rechts in de hals alleen zijn veroorzaakt door het smallere uiteinde van het mes. Het aspect van het letsel links in de hals zou kunnen zijn veroorzaakt door een eenzijdig snijdend mes, zoals het aangeboden mes.

Conclusie

De doorsteek door de hals zou kunnen zijn veroorzaakt door het aangeboden en beschreven mes, echter alleen onder de voorwaarde dat de steekrichting verliep van links naar rechts.”

1.7 De verklaringen van de medeverdachte [T]

1.7.1

Uit de verklaringen van de medeverdachte [T] komt naar voren dat [R] een oude liefde van haar was en dat zij ten tijde van het ten laste gelegde een relatie had met de verdachte. Hierover verklaarde zij op 5 februari 2008 als volgt.

“Een tijd geleden heb ik […] bij [C] (het hof begrijpt: [C], de verdachte) gewoond. […] Ik ben daar toen weer weggegaan. Later ben ik weer bij hem ingetrokken. […] Ongeveer 10 jaar geleden kreeg ik een relatie met [R]. Ik was toen zelf ongeveer 18 jaar oud. Twee à drie jaar was de relatie goed. […] Na ongeveer één jaar heb ik zijn naam op mijn lichaam laten tatoeëren. […]

Na twee à drie jaar kwam er een ommekeer in onze relatie. […] Ik [weet dat] aan zijn drugsgebruik. Op een gegeven moment kwam ik een jongen tegen […] [en] kon ik wat loskomen van [R], [maar ik heb [R] nooit echt los kunnen laten. Ik maakte me altijd zorgen om hem. Ik heb hele goede tijden met [R] gekend. Het was mijn grote liefde.]”

1.7.2

Er zijn drie van elkaar te onderscheiden momenten te destilleren uit haar verklaringen, welke het hof in het kader van deze zaak van belang acht: haar eerste ontmoeting met [R] in de avond van 22 januari 2008 bij het Shell tankstation aan de Gestelseweg te ’s-Hertogenbosch, het gebeuren in de nacht van 23 januari 2008 bij de verdachte thuis en de daaropvolgende tweede ontmoeting bij datzelfde Shell tankstation.

1.7.3

Over de eerste ontmoeting met [R] in de avond van 22 januari 2008 verklaarde de medeverdachte [T] desgevraagd als volgt.

“Ik stond [in de avond van 22 januari 2008 bij het Shell tankstation] te bellen en ik zag [R] er aan komen rijden. […] [R] kwam aanrijden en zag mij kennelijk staan. Hij zette zijn auto achter mijn auto. Ik kon daardoor niet wegrijden. […] [R] stapte uit en wilde bij mij voorin de auto stappen. Ik had de portieren op slot gemaakt toen ik hem aan zag komen rijden. Wij hadden geen afspraak. Wij ontmoetten elkaar daar toevallig. Ik maakte duidelijk dat hij naar mijn portierraam moest komen. Dat deed hij ook. Ik zag aan zijn ogen dat hij verdovende middelen had gebruikt. Hij had een agressieve houding. We kregen daar woorden over geld. [R] wilde geld hebben voor de ‘rommel’. Ik bedoel daarmee drugs. […] Ik heb [R] toen door het portierraam EUR 20,00 gegeven. […] [R] bleef maar om geld vragen. Ik heb [R] toen voorgesteld om maar achter mij aan te rijden naar de woning van [C] om meer geld te halen. Dat wilde [R] niet. […] Uiteindelijk heeft [R] zijn auto weggezet. […] Ik ben daarna naar een kennis in Zaltbommel gegaan, genaamd [naam]. […] Ik heb toen van [naam] geld gekregen.”

1.7.4.1

In de daaropvolgende nacht van 22 op 23 januari 2008 was zij omstreeks 01.30 uur weer terug in de woning van de verdachte. Over hetgeen zich daar afspeelde, verklaarde zij als volgt.

“Ik denk dat ik rond half twee weer bij […] [C] was. […] Dit is dan geweest 23 januari 2008 omstreeks 01.30 uur. […] [Ik werd weer gebeld door [R]] […] toen ik naar bed toe wilde. Ik was net thuis bij [C]. […] [C] zei tegen mij: ‘neem de telefoon maar op.’ Ik had al eerder tegen [C] gezegd dat ik contact had gehad met [R].

Ik had [R] aan de telefoon en [C] luisterde mee. [C] wees nog met zijn vinger voor zijn mond om te gebaren dat hij er niet was of in ieder geval dat [R] dit niet merkte dat hij meeluisterde. [C] maakte mij tijdens het gesprek met gebaren duidelijk dat ik maar met [R] moest afspreken. Ik knikte toen tegen [C] dat ik dit niet wilde, maar [C] gebaarde dit toch te doen om af te spreken. Deze afspraak wilden we maken om geld. [R] wilde geld. Hij bleef ook echt om geld zeuren. [R] gaf aan dat we af zouden spreken op dezelfde plek. Dit was dus dezelfde plek als waar wij elkaar [eerder op de avond] hadden gezien. De Shellpomp dus.”

1.7.4.2

Tijdens een later met haar gehouden verhoor, voegde zij daaraan het volgende toe.

“Toen ik bij [C] kwam, heeft hij nog geïnformeerd of dat ik [R] nog gezien had. Ik heb hem verteld dat ik [R] had gezien bij de Shell. Ik heb [C] verteld dat het weer hetzelfde was als altijd. [C] vroeg aan mij wat ik [R] gegeven had. Ik heb gezegd dat ik [R] EUR 20,00 had gegeven. [C] zei tegen mij dat [R] van mij profiteerde en dat ik hem maar bleef helpen. Het moest maar eens afgelopen zijn. [C] snapte maar niet van mij waarom ik dat bleef doen.

[…]

Als u zegt dat ik op woensdag 23 januari 2008 te 01.48 uur gebeld word door de gsm die bij [R] in gebruik is, dan kan dat kloppen. […] Het kan best zijn dat ik toen niet opgenomen heb. Ik had geen zin om met hem af te spreken. Ik had geen zin om hem te zien. Ik wilde naar bed.

Als u zegt dat ik op woensdag 23 januari 2008 te 01.59 uur wederom door [R] gebeld word, dan klopt dat, dan is dat het gesprek geweest dat ik gevoerd heb toen ik wel opgenomen had.

[…]

Ik heb dus opgenomen op advies van [C]. Ik wilde niet opnemen. Ik had daar geen zin in. Het is iedere keer hetzelfde gezeur om geld. [C] wilde dat ik de telefoon opnam en de zaak afhandelde. [C] wilde geen overlast hebben in de buurt [door] [R]. [C] zei: ‘Anders staat hij ([R]) hier dadelijk weer voor de deur te vervelen…’. Toen ik de telefoon opnam, zag ik dat [C] gebaren maakte met zijn vinger voor de mond. Ik moest doen alsof [C] er niet bij was. Normaal bemoeide [C] zich vaak met het gesprek als hij hoorde dat [R] aan de lijn was. […] [R] vroeg mij of dat ik nog geld voor hem had. Hij zeurde dat hij niets meer had. […] Ik heb hem gezegd dat het iedere keer hetzelfde liedje met hem was. Ik wilde niet met hem afspreken, maar [C] gebaarde om dat wel te doen. Ik heb er toch op een gegeven moment mee ingestemd om ergens af te spreken. [R] stelde voor om weer op dezelfde plek af te spreken als waar we elkaar eerder hadden ontmoet, enkele uren daarvoor. Ik wist dat hij daarmee het Shell tankstation bedoelde bij het provinciehuis. Ik heb toen ingestemd dat we elkaar daar zouden ontmoeten. Ik heb niet gezegd dat [C] mee zou komen. Ik had dat toen ook nog niet verwacht.

[…]

Na het telefoongesprek met [R] zei [C] tegen mij dat hij nog drinken wilde. Hij wilde een biertje. Ik ben toen naar beneden gegaan en [C] kwam mij achterna gelopen. […] [C] en ik zijn toen naar de BMW van papa gelopen die ik in de straat geparkeerd had […]. Ik ben toen achter het stuur gaan zitten en [C] is rechts naast mij gaan zitten. We zijn toen naar de shoarmazaak gereden. […] Ik heb daar toen twee blikjes Heineken bier gekocht. […] Om dat bier deed men een wit plastic tasje. […] [C] stelde vervolgens voor om met mij mee te rijden naar [R].”

1.7.5.1

De verdachte en de medeverdachte [T] zijn daarop samen vertrokken naar het Shell tankstation. Daaromtrent legde de medeverdachte [T] onder meer de volgende verklaring af.

“[C] pakte, dacht ik, een blikje dat hij meteen opdronk. […] Het tweede blikje bier heeft [C] meegenomen toen hij eerder uitstapte bij aankomst op het Shell tankstation. […] [C] was eigenlijk gewoon rustig. […] [Toen we al bijna bij het Shell tankstation waren], wilde [C] eerder uitstappen […]. Hij vertelde daarbij dat hij eerder uit wilde stappen voor als [R] lastig zou worden. Hij zou dan [R] waarschuwen. […] [C] zei dat hij tussendoor naar het tankstation zou lopen en verder wat rond zou gaan lopen en het in de gaten zou gaan houden. […]

Ik kwam het eerst daar op het tankstation aan. […] Het duurde best wel lang voordat [R] kwam. […] [[C] liep] daar ergens rond. Hij is wel een keer naar mijn auto komen lopen en vroeg een sigaret. Die heb ik hem toen gegeven. Het was een sigaret die ik al aangemaakt had en waarvan ik al gerookt had. Ik heb toen niets met [C] besproken. […] Als [C] weer bij mijn auto wegliep, dan liep hij vanaf de voorzijde van mijn auto rechts schuin weg uit mijn gezichtsveld in de richting van de wasserette.”

1.7.5.2

Bij een eerdere gelegenheid verklaarde zij over het moment dat zij de sigaret aan de verdachte gaf en de daaropvolgende komst van [R] als volgt.

“[R] naar de pomp kwam, is [C] een keer naar mijn auto gelopen. Hij wilde een sigaret. Ik was toen een sigaret aan het roken en ik heb deze sigaret aan [C] gegeven. Deze sigaret was al aan. Dit moet een John-Player Special zijn of Marlboro. Ik had hier al van gerookt, maar ik heb hem toen aan [C] gegeven. [C] is toen weer weggelopen. Hij had zijn zwarte jas aan met een grote kraag of capuchon.

[…]

[[R] kwam via de grote weg aangereden. [R] zette zijn auto naast mij neer. Dit was aan de linkerzijde.] Ik zag autolichten komen, deze auto kwam vanaf de pomp. […] [R] kwam aangereden en [parkeerde zijn auto aan mijn linkerzijde], [waarop] ik […] mijn raam aan mijn kant [heb] opengemaakt. […] Ik riep tegen [R] dat hij naar mijn raam moest komen. Dit deed hij niet, hij liep naar de andere kant van de auto en probeerde het portier te openen. Hij riep ook: ‘Doe nou open, doe nou open.’ Nee, riep ik en zei dat hij naar de andere kant moest komen. [R] riep: ‘Doe nou open, ik doe je niks.’”

1.7.5.3

Op dat moment had [R] naar haar gevoel nog geen agressieve houding aangenomen. Zij was dan ook verbaasd dat de verdachte op [R] afliep, zo blijkt uit de hierna weergegeven verklaring.

“Ik had toen oogcontact met [R] door het raam van het rechter voorportier. [R] moest daardoor dus een beetje voorover bukken. Op dat moment zie ik [C] aankomen. [Hij had zijn zwarte jas aan, die erg zwaar en dik is.] Hij kwam gezien mijn positie vanaf de rechter voorkant van mijn auto en liep in de richting van [R]. Ik zag hem toen heel kort achter [R] opdoemen. [C] was er ineens. Ik had [C] niet verwacht want [R] had nog niets gedaan. Hiermee bedoel ik dat hij nog niet lastig was geweest naar mij toe. [R] kwam er nota bene net pas aanlopen. Omdat ik [C] kennelijk verbaasd aankeek, bemerkte [R] dat. Hij keek ook meteen in de richting waarin ik keek, dus in de richting van [C]. […] Ik heb […] gehoord dat [R] riep van: ‘[C] niet doen…!’ […] Ik zag toen dat [R] snel wegliep bij de auto. Toen ik achterom keek, zag ik [R] hard over de weg achter mij weglopen.”

1.7.5.4

Nadat [R] was weggerend, kwam de verdachte bij de auto en wilde hij het tankstation verlaten. Eerst toen de medeverdachte [T] op verzoek van de verdachte de snelweg is opgereden, zag zij een mes met bloedvegen daarop. Dat mes heeft de verdachte bij afslag Waalwijk (A59) weggegooid. Daarna zijn zij nog langs het Shell tankstation gereden. Dat komt naar voren uit de volgende verklaring.

“[C] rende een paar passen achter [R] aan, maar kwam weer terug. [C] klopte hard tegen het raam van de auto en riep: ‘Doe open, open.’ Ik heb het portier geopend en [C] is ingestapt. Het portier was eerst gesloten voor [R]. [C] riep: ‘Rijen rijen.’ Ik heb toen gevraagd hoezo? Ik heb de auto gestart en de lampen aangezet. Ik ben eerst achteruit gereden en om de auto van [R] weggereden. ‘Welke kant moet ik op’ riep ik tegen [C]. Hij riep ‘snelweg op, snelweg op’. Ik heb toen ook nog gezegd dat mijn benzine bijna op was. [C] riep: ‘rij nou maar de snelweg op’.

[…]

Via een kruising zijn we de snelweg opgereden richting Utrecht. […] Tijdens het rijden heb ik toen naar [C] gekeken en zag [ik] een ding. [C] zei: ‘Hé kijk’. Ik zag toen een mes en een wit zakje. […] Door de lichtval van lantaarnpalen heb ik toen een mes gezien met vegen. Ik denk dat deze vegen van bloed zijn.

[…]

[C] zei toen tegen mij: ‘neem afslag Waalwijk maar even’. Ik heb dit gedaan en halverwege de afslag in de bocht ben ik op de vluchtstrook gestopt. Het is best wel een scherpe bocht. [C] riep: ‘Stoppen, stoppen’. Ik ben gestopt op de vluchtstrook. [C] stapte aan zijn kant uit. Ik zag dat hij iets weggooide in de richting van het middelste gedeelte van de weg.

[…]

[C] stapte toen weer in de auto. […] Op zijn verzoek zijn we teruggereden naar de Shellpomp waar we eerder [R] hadden getroffen. Ik zag ineens allemaal rood/witte linten en ik zag twee mannen. Deze linten stonden helemaal rond de pomp heen. Ik dacht toen meteen dat het fout was, goed fout.”

1.7.6

Tijdens een op 23 april 2008 gehouden verhoor werden aan de medeverdachte [T] de camerabeelden van het Shell tankstation getoond. De verklaring die zij vervolgens heeft afgelegd, luidt als volgt.

“[Nadat de (het hof begrijpt: de onder 1.2 beschreven) videobeelden werden getoond], […] verklaarde [medeverdachte T] […] samengevat als volgt:

- dat die broek van hem was;

- dat de persoon op de video [C] is;

- dat je op de videobeelden niet kunt zien dat het [C] is, doch dat het niet anders kan want die persoon kwam naar haar auto, en dat was [C]; […]

- dat de broek met de witte streep die de persoon op de video draagt, de broek van [C] is, een Adidas trainingsbroek die in zijn kast ligt;

- dat zij die broek vaker heeft gezien en dat [C] die broek altijd droeg als hij naar de sportschool ging; […]

- dat de jas die de persoon op de video draagt, de zwarte jas van [C] is; […]

- dat de witte schoenen die de persoon op de video draagt, de schoenen van [C] zijn.”

• 2. Het primair en tot integrale vrijspraak strekkend verweer

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs integraal van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. De gronden, die daarvoor zijn aangedragen, worden in de navolgende overwegingen tegen het licht gehouden.

2.1 De verklaringen van de medeverdachte [T]

2.1.1

De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaringen van de medeverdachte [T] het enige directe bewijs jegens de verdachte vormen en dat die verklaringen niet betrouwbaar kunnen worden geacht. De verdachte heeft zijn betrokkenheid steeds met de grootst mogelijke klem ontkend. Bij het waarderen van de waarachtigheid van de verklaringen van de medeverdachte [T] is daarom een kritische houding vereist.

Illustrerend is in dit opzicht dat zij zich als getuige in de strafzaak van de verdachte steevast op haar verschoningsrecht heeft beroepen zonder in haar eigen strafzaak een beroep te doen op haar zwijgrecht. Dat maakt haar verklaringen tot ‘verdachte’ verklaringen. Zij heeft kennelijk over de betrokkenheid van de verdachte verklaard om zodoende een derde uit de wind te houden, aldus de raadsman.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

2.1.2

Anders dan de raadsman ziet het hof geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de medeverdachte [T]. Een kritische blik ten aanzien van haar tegenover de politie afgelegde verklaringen, daarbij in aanmerking nemend dat zij zich als getuige in de strafzaak van de verdachte om haar moverende redenen op haar verschoningsrecht heeft beroepen, kan niet anders maken dan dat die verklaringen, ook voor zover zij betrekking hebben op de betrokkenheid van de verdachte, in de kern gelijkluidend zijn en bovendien in belangrijke mate steun vinden in technisch bewijs. Immers, niet alleen zijn een blikje bier en een sigarettenpeuk op de plaats van het delict aangetroffen, waarvan het daarop aangetroffen DNA-profiel dan wel DNA-mengprofiel matcht met het DNA-profiel van de verdachte, ook werd bij een doorzoeking van de woning van de verdachte een broek met daarop van [R] afkomstig bloed achterhaald.

2.2 Het blikje Heineken bier en de sigarettenpeuk

2.2.1

Ten aanzien van het aantreffen van verdachtes DNA op het blikje bier en de sigarettenpeuk heeft de raadsman in stelling gebracht dat de bewijswaarde daarvan niet voor het ten laste gelegde redengevend kan zijn, omdat het DNA - in welke variant het ook wordt bezien - niet aantoont dat de verdachte op de plaats delict aanwezig was toen [R] werd neergestoken.

Slechts indien de verdachte zou hebben erkend daar te zijn geweest - quod non - dan zou het aangetroffen DNA bewijswaarde hebben. Afgezien dat te betwijfelen valt of de medewerkers van het tankstation het zwerfafval werkelijk dagelijks geheel hebben opgeruimd, moet bij DNA op dit soort verplaatsbare objecten rekening gehouden worden met de leer van de indirecte overdracht. DNA kan namelijk eerder op zulke objecten zijn achtergelaten. Daarbij is ook van belang wat de bron van het aangetroffen DNA is (speeksel, huidepitheel, zweet e.d.), hetgeen ten aanzien van het blikje bier en de sigarettenpeuk niet duidelijk is geworden.

Gelet daarop is het bijvoorbeeld denkbaar dat de medeverdachte [T] de sigarettenpeuk uit de woning van de verdachte heeft meegenomen en daarmee haar DNA op de sigaret heeft achtergelaten. Nu zij ten tijde van haar verhoor bekend was met de ‘onbekende vrouw B’ die in het deskundigenrapport naar voren kwam, is het niet vreemd dat zij heeft verklaard een door haar aangemaakte sigaret aan de verdachte te hebben gegeven. Voor het blikje bier zijn soortgelijke aanwijzingen te vinden. Zo heeft de uitbater van de shoarmazaak niet bevestigd dat de medeverdachte [T] die nacht twee blikjes bier had gekocht.

De sigaret en het blikje bier moeten met behulp van de medeverdachte [T] door de echte dader aan de achterzijde van het tankstation zijn geplant.

Het was weliswaar niet slim van de verdachte om - ondanks het uitdrukkelijke advies van zijn toenmalige raadsman om zich te beroepen op zijn zwijgrecht - te gaan filosoferen en te verklaren over de vraag op welke wijze zijn DNA op de plaats delict terecht zou kunnen zijn gekomen, maar begrijpelijk is het gelet op de aard van de beschuldiging wel. De inconsistente verklaringen die daaruit zijn voortgekomen, moeten daarom in dat licht worden bezien, aldus de raadsman.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

2.2.2

Het hof stelt voorop dat het standpunt van de raadsman, voor zover inhoudende dat de bewijswaarde van een op een plaats delict aangetroffen biologisch spoor op een verplaatsbaar object volledig afhankelijk moet worden gesteld van een bevestiging door de donor van dat spoor dat hij of zij ter plaatse is geweest, geen steun vindt in het recht.

Het hof is wel van oordeel dat dergelijk DNA-bewijs, moet worden bezien in de context van de omstandigheden van het geval, waarbij de mogelijkheid in ogenschouw moet worden genomen dat het spoor door middel van indirecte overdracht op dat verplaatsbaar object terecht is gekomen.

2.2.3

Bij deze beschouwing stelt het hof voorop dat uit de overwegingen 1.4.4 en 1.4.5 kan worden afgeleid dat de plaats waar in de nacht van 23 januari 2008 het blikje bier en de sigarettenpeuk zijn aangetroffen, in de avond van 22 januari 2008 opgeruimd was. Dat aan de andere zijde van het tankstation in de nacht van 23 januari 2008 twee flesjes Bavaria bier en wat andere rommel werd aangetroffen, doet daaraan niet af.

Wat er ook zij van de wisselende verklaringen van de verdachte waaraan de raadsman heeft gerefereerd en die door de raadsman als “filosoferen” worden betiteld, het hof acht zijn verklaring dat hij op de vrijdag en dinsdag voor het gepleegde delict, te weten op 18 en 22 januari 2008, met de hond van zijn woning aan de Kalverstraat naar het tankstation aan de Gestelseweg is gelopen om daar de hond uit te laten - een afstand van ruim 4 kilometer - niet geloofwaardig, laat staan dat het aannemelijk is dat hij daarbij een bierblikje en een sigarettenpeuk op dusdanige wijze heeft laten rondslingeren dat deze precies aan de achterzijde van het tankstation bij de wasbox zijn terechtgekomen.

2.2.4

Dat het bierblikje en de sigarettenpeuk met behulp van de medeverdachte [T] door een derde aan de achterzijde van het tankstation zijn geplant, acht het hof evenmin aannemelijk geworden. In dit verband stelt het hof in de eerste plaats vast dat de camerabeelden van 22 januari 2008 en 23 januari 2008 zulks niet hebben geregistreerd. In aanmerking genomen dat de achterzijde van het tankstation op 22 januari 2008 voor het laatst omstreeks 20.30 uur is schoongemaakt en de technische recherche het technisch sporenonderzoek op 23 januari 2008 omstreeks 03.15 uur heeft verricht, kan het door de verdediging geschetste scenario zich slechts hebben voorgedaan indien een derde de bewijsstukken binnen die tijdspanne zou hebben geplant.

Een dergelijk scenario wordt, mede in aanmerking genomen dat er naast een match met de DNA-profielen van de verdachte en de medeverdachte [T] geen derde DNA-profiel is achterhaald, op geen enkele wijze ondersteund door objectieve aanknopingspunten en om die reden terzijde gesteld. Hetgeen de raadsman in dit verband overigens nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

2.3 De trainingsbroek

2.3.1

Ten aanzien van de bebloede trainingsbroek, die in de woning van de verdachte is aangetroffen, heeft de raadsman de stelling betrokken dat de resultaten daarvan dienen te worden uitgesloten van het bewijs. De broek is niet van de verdachte en moet door de medeverdachte [T] in zijn kast zijn neergelegd, aldus de raadsman.

Nu aan de verdachte - in verband met de mogelijkheid van contaminatie van het materiaal - niet de gelegenheid is geboden om de in beslaggenomen broek te passen, moet worden afgegaan op de verklaringen van de verdachte en diens moeder over de broek. De moeder van de verdachte, die al zijn kleding kocht en waste, verklaarde dat zij die broek niet voor hem heeft gekocht. De verdachte draagt in verband met zijn werk op de bouw namelijk graag trainingsbroeken met ‘rechte’ pijpen. De verdachte en zijn moeder zijn op dit gebied ervaringsdeskundigen en de vraag of de broek de juiste pasvorm heeft, kunnen dan ook alleen zij op deugdelijke wijze beantwoorden. Aan een beoordeling door een verbalisant of een vergelijkbare broek de verdachte past, terwijl niet is gebleken dat deze verbalisant op dat gebied geschoold of opgeleid is, kan geen waarde worden gehecht.

Toen tijdens de passessie bleek dat de volgens de recherche vergelijkbare broek enigszins ‘krapjes’ zat, haastte de verbalisant in kwestie zich aan het proces-verbaal toe te voegen dat de verdachte tijdens zijn detentie was aangekomen. De verdachte betwist dat evenwel met klem.

Dat er DNA van de verdachte op de broek terecht is gekomen, is overigens niet meer dan logisch te noemen, aldus de verdediging. De broek lag immers in zijn kast en is zodoende in aanraking gekomen met andere kleren van de verdachte. Voor de stelling dat de broek door de medeverdachte [T] is geplant, pleit dat op de camerabeelden te zien is dat de dader witte schoenen heeft gedragen, terwijl zulke schoenen niet in de woning van de verdachte zijn aangetroffen. De verdachte verklaarde bovendien al bij de politie dat hij de broek zou hebben verbrand, indien hij een moord zou hebben gepleegd en derhalve niet in zijn woning zou bewaren. De medeverdachte [T] was bovendien in de dagen na het delict in de woning van de verdachte aanwezig en heeft dan ook alle gelegenheid gehad om de broek daar neer te leggen.

De verdediging heeft nog aangevoerd dat, voor het geval het hof het vorenstaande naast zich neer zou leggen, het voorwaardelijke verzoek wordt gedaan tot het wijzen van een tussenarrest teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen om de in beslag genomen broek (met spoornummer KA-01 en identiteitszegel EUA100) alsnog te passen en/of deze broek alsnog te laten onderzoeken op mogelijk aanwezig huidepitheel.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

2.3.2

In aanmerking wordt allereerst genomen dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep opnieuw heeft verklaard dat hij de bewuste nacht van 23 januari 2008 alsook de daaropvolgende dagen ziek thuis was en dat het hem verbaasde dat medeverdachte [T] die dagen vrijwel voortdurend bij hem was. Dat was opvallend, omdat zij normaliter juist vaak weg was. Zelf is de verdachte, zo verklaarde hij, alleen op de dag van de arrestatie - aldus op 26 januari 2008 - van huis weggeweest. Mede in aanmerking genomen dat de woning van de verdachte een zolderkamer betreft die uit slechts één ruimte bestaat, trekt het hof uit die omstandigheden het gevolg dat de gelegenheid voor medeverdachte [T] om de broek ongezien in de kast van de verdachte neer te leggen, anders dan door de verdediging is gesteld, er nagenoeg niet is geweest.

2.3.3

In dat verband is voorts van belang dat uit het rapport van het NFI, zoals dat is weergegeven in overweging 1.5.2, niet alleen volgt dat het bloed op de trainingsbroek zeer waarschijnlijk van [R] afkomstig is, maar tevens dat daarbij een geringe hoeveelheid celmateriaal is aangetroffen dat mogelijk van de verdachte afkomstig is. De raadsman kan worden toegegeven dat de enkele constatering, dat een geringe hoeveelheid celmateriaal van de verdachte is aangetroffen, weinig bevreemding wekt. In het licht van de door de raadsman gememoreerde leer van de indirecte overdracht frappeert het het hof wel dat bij het onderzoek van die broek geen, zelfs geen geringe hoeveelheid, celmateriaal van de medeverdachte [T] is aangetroffen. Dat had immers in de rede gelegen, indien zij de trainingsbroek in de kast van de verdachte zou hebben neergelegd. Dat klemt temeer, nu de verdachte blijkens zijn hiervoor weergegeven verklaring vrijwel bij voortduring in haar aanwezigheid heeft verkeerd. De stelling van de verdediging op dit punt wordt mitsdien verworpen.

De stelling van de raadsman dat in de woning van de verdachte geen witte schoenen zijn aangetroffen, ontbeert feitelijke grondslag en vormt daarom evenmin een aanwijzing voor het door de verdediging geschetste scenario. Zoals reeds in overweging 1.5.1 naar voren is gebracht, is immers bij de doorzoeking onder het bed een paar witte Swiss schoenen gevonden.

2.3.4

Op grond van overwegingen 1.5.5 en 1.5.6 stelt het hof vast dat de voor de passessie aangekochte broek met spoornummer WI-01 qua afmetingen vrijwel exact gelijk is aan de litigieuze broek met spoornummer KA-01. [Verbalisant 10] heeft tijdens een op 19 september 2008 gehouden passessie waargenomen dat de pijpen van de sportbroek WI-01 “enigszins strak om de bovenbenen” van de verdachte zaten. Hij merkte daarbij echter op dat de verdachte sinds de door hem verrichte verhoren in de maanden januari tot april 2008 “behoorlijk in omvang was toegenomen”. Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, vermag het hof niet in te zien waarom aan deze beoordeling geen bewijswaarde kan worden toegedicht. Naar het oordeel van het hof zijn noch uit de aangevoerde argumenten noch anderszins uit het onderzoek ter terechtzitting objectieve aanknopingspunten naar voren gekomen voor de stelling dat op ondeugdelijke gronden tot de door de verdediging betwiste beoordeling is gekomen. Bovendien zou het volgens de medeverdachte [T] om een broek gaan die de verdachte droeg als hij naar de sportschool ging, derhalve - zo concludeert het hof - om een broek die de verdachte in zijn vrije tijd droeg. Daaraan kan niet afdoen dat de verdachte volgens zijn moeder voor zijn werk het liefst broeken met rechte pijpen draagt en zij deze broek niet voor hem heeft gekocht. Het hof wijst de stelling van de verdediging daarom van de hand en komt - gelet op het vorenstaande - tot de conclusie dat de verdachte de eigenaar en drager is van de in zijn kast aangetroffen en in beslag genomen trainingsbroek (met spoornummer KA-01 en identiteitszegel EUA100).

2.3.5

Mede bezien in het licht van de onder 1.5 gebezigde bewijsmiddelen en bovenvermelde nadere bewijsoverwegingen, acht het hof noch het alsnog in de gelegenheid stellen van de verdachte om voormelde in beslag genomen broek te passen noch het alsnog laten onderzoeken van die broek op mogelijk aanwezig huidepitheel noodzakelijk. Gelet daarop wordt het voorwaardelijk verzoek van de raadsman tot het wijzen van een tussenarrest afgewezen.

2.4 De camerabeelden van het Shell tankstation

2.4.1

De raadsman heeft verder de stelling betrokken dat de camerabeelden van het Shell tankstation niet tot bewijs mogen worden gebezigd. Ter adstructie daarvan heeft de raadsman gewezen op een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 30 september 2010 (LJN BN8727) waarin wordt overwogen dat de (observatie)camerabeelden te vaag en onduidelijk zijn om in het kader van de bewijsvraag enig nut te hebben. Ook de camerabeelden van het tankstation zijn vaag en onduidelijk en dr. ing. Z.J.M.H. Geradts van het NFI noch de door de verdediging benaderde instanties of personen konden deze beelden veredelen. Aandacht verdient dat de processen-verbaal waarin een beschrijving wordt gegeven van de beelden naar de mening van de verdediging meer informatie lijken te bevatten dan op de beelden is waar te nemen. Zo is niet te zien dat de man die op de beelden zichtbaar is, een sigaret in ontvangst neemt.

Het enkele feit dat de verklaringen van de medeverdachte [T] omtrent de gang van zaken bij het tankstation met inlevingsvermogen zijn terug te zien op de beelden, bevestigt slechts dat zij daar aanwezig was. Dat is geen objectieve bevestiging in de zin van steunbewijs tegen de verdachte. Gelet daarop dienen de beelden van het bewijs te worden uitgesloten.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

2.4.1

Na daartoe strekkend onderzoek heeft dr. ing. Z.J.M.H. Gerardts geconcludeerd dat de resolutie en inhoud van de litigieuze videobeelden te beperkt zijn om op forensisch verantwoorde wijze een gezichts- dan wel motoriekvergelijkend onderzoek te laten plaatsvinden. De beelden zijn derhalve niet geschikt voor identificatiedoeleinden. Anders dan de raadsman kennelijk meent, is het hof evenwel van oordeel dat geen rechtsregel zich verzet tegen het gebruik van zulke beelden ter ondersteuning van een door een getuige of verdachte geschetste toedracht. In het onderhavige geval wordt de door medeverdachte [T] beschreven gang van zaken ontegenzeggelijk ondersteund door de camerabeelden. De zienswijze van de raadsman dat de in de processen-verbaal neergelegde beschrijving van de beelden op onderdelen inaccuraat is, deelt het hof slechts ten dele. Het proces-verbaal uitkijken videobeelden tankstation d.d. 5 maart 2008 lijkt inderdaad een interpretatie van de beelden te bevatten, voor zover daarin wordt beschreven dat omstreeks 02:30:23 “ter hoogte van [de] rechterarm/-hand [van man 1] een lichtschijnsel/ lichtweerkaatsing zichtbaar [is]”, dat omstreeks 02:33:43 “nabij de hoek waar [man 1] zich bevindt […] een kort lichtschijnsel/lichtflits zichtbaar is” en dat omstreeks 02:33:57 “[man 1] […] in zijn rechterhand een langwerpig, smal, lichtkleurig voorwerp heeft]”. In elk geval waren deze momentopnames voor het hof niet waarneembaar op de beelden. Om die reden heeft het hof deze beschrijving niet voor het bewijs gebruikt. De eerder op 23 januari 2008 gegeven beschrijving van de beelden, zoals deze is vastgelegd in het onder 1.2 weergegeven proces-verbaal, bevat naar het oordeel van het hof dergelijke interpretaties niet en kan daarom tot bewijs worden gebezigd.

2.5 De complottheorie

2.5.1

De verdediging heeft de stelling, dat jegens de verdachte een complot is gesmeed, getracht aannemelijk te maken met feiten en omstandigheden die de verdenking laden op de vader van de medeverdachte [T] en op [P].

2.5.2

Uit het procesdossier blijkt dat door de politie en het openbaar ministerie onderzoek is gedaan naar mogelijke andere verdachten. In het bijzonder hebben zij aandacht gevestigd op mogelijke betrokkenheid van [P] en [N]. [N] bleek echter een waterdicht alibi te hebben, terwijl de betrokkenheid van [P] niet aannemelijk is geworden. Het hof zijn geen objectieve aanknopingspunten voor het tegendeel gebleken. Dat geldt evenzeer ten aanzien van de betrokkenheid van de vader van de medeverdachte [T]: ook die is niet aannemelijk geworden. In aanmerking genomen hetgeen eerder is overwogen ten aanzien van DNA-bewijs op het bierblikje, de sigarettenpeuk en de broek, komt het hof tot het oordeel dat het bestaan van het door de verdediging gesuggereerde complot, niet ook maar in het minst aannemelijk is geworden.

Bijgevolg wordt het verweer van de raadsman in al zijn onderdelen verworpen.

• 3. Het subsidiair en tot vrijspraak van (medeplegen van) moord strekkend verweer

De raadsman heeft in subsidiaire zin bepleit dat de verdachte van de impliciet primair ten laste gelegde moord zal worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de enkele omstandigheid dat een verdachte een mes naar de plaats delict heeft meegenomen, geen voldoende grond oplevert voor het aannemen van de voorbedachte raad. Wanneer het hof de verklaringen van de medeverdachte [T] betrouwbaar acht, dient ook te worden uitgegaan van haar verklaring dat de verdachte tegen haar in de auto “ik denk dat ik hem heb gestoken” zei. Zo een verklaring past veel meer bij een opwelling dan bij een vooropgezet plan, aldus de raadsman.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Voor bewezenverklaring van moord is onder meer vereist dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Daarvan is sprake indien de verdachte tijd (en dat kan een betrekkelijk korte tijd zijn) had zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

In het onderhavige geval is de verdachte midden in de nacht samen met de medeverdachte [T] naar het tankstation gereden, alwaar laatstgenoemde op zijn, verdachtes instigatie, een afspraak had met het latere slachtoffer [R]. De verdachte is - zonder daartoe gevraagd te zijn - kort voor dat tankstation uitgestapt en heeft zich aan de achterzijde van het tankstation verdekt opgesteld. Op dat moment moet de verdachte, zo leidt het hof af uit de omstandigheid dat het terrein de voorafgaande avond nog was opgeruimd, reeds een mes bij zich hebben gedragen. De verdachte was naar uiterlijk vertoon rustig. In de ruim tien minuten die passeerden voordat [R] bij het tankstation was, is de verdachte tot tweemaal toe naar de nog in de personenauto zittende medeverdachte [T] gelopen om vervolgens weer terug te keren naar zijn verdekte opstelling. Binnen een halve minuut na aankomst van [R] bij het tankstation en zonder dat er sprake is geweest van enig provocerend gedrag van diens zijde, is de verdachte het terrein opgelopen en kennelijk doelbewust met een circa 36 centimeter groot mes in zijn hand direct naar [R] toegelopen. Volgens de medeverdachte [T] heeft [R] nog naar de verdachte geroepen “[C] niet doen”. Kort daarop blijkt de verdachte [R] niettemin met het mes in de hals te hebben gestoken, getuige de bevindingen bij de sectie en het aantreffen van de eerste bloeddruppels ter hoogte van een tussen de wasstraat en twee gestalde aanhangwagens gelegen vuilcontainer. Bovendien blijkt uit de sectie dat bij [R] geen overtuigende afweerletsels zijn aangetroffen.

Anders dan de raadsman meent, is het hof van oordeel dat uit die feiten en omstandigheden een handelwijze naar voren komt die niet van impulsiviteit getuigt, maar juist het gevolg was van een weloverwogen plan. De verdachte heeft naar ’s hofs oordeel voldoende tijd gehad zich te beraden op het besluit om [R] van het leven te beroven, in die zin dat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De omstandigheid dat hij op een later moment om hem moverende redenen tegenover de medeverdachte [T] heeft gezegd dat hij [R] dacht te hebben gestoken, doet daaraan niet af.

• 4. De door de advocaat-generaal voorgestelde bewijsvoering voor het medeplegen

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van medeplegen van moord. De medepleger zou de medeverdachte [T] zijn. Het door de verdachte ter hand genomen mes is volgens de advocaat-generaal dusdanig groot dat het niet anders kan zijn dan dat de medeverdachte [T] het mes reeds bij het verlaten van de woning van de verdachte moet hebben gezien. Door niettemin met de verdachte naar de afspraak met [R] te gaan, heeft zij ten minste willens en wetens de aanmerkelijke kans op de koop toe genomen dat de verdachte [R] met dat mes van het leven zou beroven. Nu de medeverdachte [T] degene is die met [R] heeft afgesproken en zij hem als het ware in de val heeft gelokt, is er sprake van een bewuste en nauwe samenwerking met de verdachte tot het verrichten van de delictueuze gedraging, aldus de advocaat-generaal.

Het hof kan de advocaat-generaal daarin niet volgen en overweegt daartoe als volgt. Het dragende argument voor het aannemen van medeplegen in het betoog van de advocaat-generaal, te weten de beweerde wetenschap dat de verdachte een mes bij zich had, vindt geen steun in enig bewijsmiddel. Integendeel zelfs, gelet op de omstandigheden dat de medeverdachte [T] als eerste de woning van de verdachte heeft verlaten en dat de verdachte die nacht een “zwarte jas tot op de heup” heeft gedragen, die volgens de medeverdachte [T] bovendien “erg zwaar en dik” was, kan niet buiten twijfel worden gesteld dat hij in die jas het mes op een voor een buitenstaander onzichtbare wijze heeft opgeborgen. De grootte van het mes, circa 36 centimeter, levert naar het oordeel van het hof niet aanstonds een aanwijzing, laat staan bewijs, op voor het tegendeel.

Ook anderszins is uit het onderzoek ter terechtzitting niet gebleken dat de medeverdachte [T] wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de verdachte zich met een mes had bewapend dan wel dat hij het plan had opgevat om [R] van het leven te beroven.

Gelet daarop stelt het hof vast dat de verdachte de moord op [R] alleen en niet in bewuste en nauwe samenwerking met de medeverdachte [T] heeft gepleegd.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden, de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 23 januari 2008 te 's-Hertogenbosch opzettelijk en met voorbedachten rade [het slachtoffer R] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een mes in de hals en de slokdarm en de rechterhalsader van die [R] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [R] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord.

De eerste rechter heeft de verdachte ter zake daarvan veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 jaren.

De advocaat-generaal heeft tot diezelfde strafoplegging gerekwireerd, met dien verstande dat aan die vordering medeplegen van moord ten grondslag is gelegd.

De raadsman heeft (meer subsidiair) bepleit dat aan de verdachte een lagere straf dan in eerste aanleg zal worden opgelegd.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan onder de gegeven omstandigheden niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof overweegt in dat verband dat bij moord in de regel niet wordt volstaan met een lagere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren. Aan dat uitgangspunt ligt ten grondslag dat moord algemeen wordt beschouwd als het ernstigste commune delict, nu het opzettelijk en met voorbedachten raden benemen van iemands leven de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, te weten het recht op leven, is.

Het hof neemt in strafverhogende zin de volgende omstandigheden in aanmerking.

- De verdachte heeft een 35-jarige man midden in de nacht op het terrein van een tankstation opgewacht en op koelbloedige en lafhartige wijze vermoord. Door zich verdekt op te stellen, heeft de verdachte het slachtoffer volledig verrast en geen kans gelaten aan zijn aanval te ontkomen.

- Het slachtoffer werd met een mes in zijn hals gestoken. Daarbij is tevens de slokdarm en de rechterhalsader geraakt. Hevig bloedend heeft het slachtoffer tevergeefs hulp gezocht in de nabijgelegen serviceflat. Een bewoonster van die flat hoorde het slachtoffer aanbellen en herhaaldelijk en paniekerig zeggen “Help, help, ik ga dood”. De huismeester zag dat het slachtoffer met zijn hand de wond in zijn hals probeerde dicht te drukken, op een schuifdeur sloeg en vervolgens op de grond neerviel. Het slachtoffer is doodgebloed dan wel in zijn eigen bloed gestikt en moet derhalve in doodsangst hebben verkeerd. Zodoende is niet alleen de waardigheid van het slachtoffer ernstig geweld aangedaan, maar zijn ook de bewoners van genoemde serviceflat - en meer in het algemeen de rechtsorde - ernstig geschokt.

- De gewelddadige dood heeft het slachtoffer de mogelijkheid ontnomen zijn twee jonge kinderen verder te zien opgroeien en bovendien zijn familie en naaste omgeving onherstelbaar leed aangedaan. De schriftelijke slachtofferverklaring van de moeder van het slachtoffer maakt pijnlijk duidelijk wat voor enorme impact het verlies van haar zoon op haar leven alsook op dat van haar kleinkinderen heeft.

- De verdachte is blijkens een hem betreffend uittreksel van het justitieel documentatieregister d.d. 8 september 2010 meermalen voor geweldsmisdrijven veroordeeld, onder welke een onherroepelijke veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren voor een poging tot doodslag. Het hof rekent het de verdachte bijzonder zwaar aan dat hij nog geen vier maanden na die veroordeling de bewezen verklaarde moord heeft gepleegd.

- De verdachte heeft consequent geweigerd mee te werken aan een onderzoek naar zijn geestvermogens. Uit een rapport van het Pieter Baan Centrum d.d. 9 juli 2008 blijkt dat psychiater J.H. van Renesse en psycholoog J.M. Oudemans gelet op die weigering niet in staat zijn geweest te rapporteren omtrent een eventuele psychische stoornis dan wel de toerekenbaarheid. Evenals de rechtbank acht het hof de aanwezigheid van een agressieproblematiek bij de verdachte, gezien zijn eerdere veroordelingen voor geweldsmisdrijven, een reële mogelijkheid. Opmerking verdient daarbij dat de verdachte zegt eerder een agressietherapie te hebben ondergaan, welke therapie naar het oordeel van het hof evident niet het gewenste resultaat heeft gehad.

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn het hof geen omstandigheden gebleken die een mitigerend effect op de strafmaat zouden moeten hebben. Het hof zal wel rekening houden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat een forse bestraffing op zijn plaats is.

Hoezeer het hof ook waarde hecht aan genoegdoening van het leed dat aan de nabestaanden van het slachtoffer is toegebracht, het belang van een consistente straftoemeting mag daarbij niet uit het oog worden verloren. In verband daarmee komt het hof tot een lagere gevangenisstraf dan door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd.

Alles in ogenschouw nemend acht het hof in het onderhavige geval een gevangenisstraf voor de duur van 17 jaren passend en geboden.

Maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [de moeder van het slachtoffer R] als gevolg van het bewezen verklaarde feit schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 3.599,50, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer een bedrag te betalen van EUR 3.599,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2008 tot de dag der algehele voldoening.

Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [de moeder van het slachtoffer R] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 3.603,34, te vermeerderen met de wettelijke rente en met dien verstande dat bij brief van 18 juni 2008 is verzocht het voegingsformulier zo te lezen dat bij de immateriële schade “pro memorie” in plaats van “niet van toepassing” vermeld staat en voorts de materiële schade bij wijze van voorschot toe te wijzen. De rechtbank heeft de vordering - zonder op voormeld verzoek in te gaan - toegewezen tot het bedrag van EUR 3.603,34 met wettelijke rente. Aangezien de benadeelde partij zich in hoger beroep niet opnieuw heeft gevoegd, duurt de voeging slechts voort voor zover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 3.599,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2008 tot de dag der algehele voldoening. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Voor zover de vordering betrekking heeft op de reiskosten voor een bezoek aan het politiebureau, is deze onvoldoende onderbouwd om het rechtstreeks verband met het bewezen verklaarde te kunnen vaststellen. Gelet daarop zal het hof de benadeelde partij in dat gedeelte van haar vordering niet-ontvankelijk verklaren.

De proceskosten van de benadeelde partij worden ten laste van de verdachte gebracht, doch zijn tot op heden begroot op nihil.

Overweging betreffende de schadevergoedingsmaatregel en de vordering benadeelde partij

Het hof zal bepalen dat indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen en zulks vice versa (dat wil zeggen: indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, komt daarmede zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre te vervallen).

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 63 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Wijst af het verzoek van de verdediging tot het alsnog in de gelegenheid stellen van de verdachte om de onder hem in beslag genomen trainingsbroek (met spoornummer KA-01 en identiteitszegel EUA100) te passen.

Wijst af het verzoek van de verdediging tot het alsnog laten onderzoeken van die broek op mogelijk aanwezig huidepitheel.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Moord.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 (zeventien) jaren.

Bepaalt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Legt aan de verdachte de verplichting op om ten behoeve van [de moeder van het slachtoffer R] aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 3.599,50 (drieduizend vijfhonderd negenennegentig euro en vijftig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen hechtenis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2008 tot de dag der algehele voldoening.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [de moeder van het slachtoffer R] voor een bedrag van EUR 3.599,50 (drieduizend vijfhonderd negenennegentig euro en vijftig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2008 tot de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van kwijting aan voornoemde benadeelde partij te betalen een bedrag van EUR 3.599,50 (drieduizend vijfhonderd negenennegentig euro en vijftig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2008 tot de dag der algehele voldoening.

Verklaart voornoemde benadeelde partij voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk.

Veroordeelt de verdachte in de kosten van het geding door voornoemde benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voor zover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voor zover door de verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij is voldaan.

Aldus gewezen door

mr. J.F. Dekking, voorzitter,

mr. J.M.W.M. van den Elzen en mr. O.M.J.J. van de Loo,

in tegenwoordigheid van mr. A.P. Verhaegh, griffier,

en op 17 november 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.