Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BO4155

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-11-2010
Datum publicatie
16-11-2010
Zaaknummer
20-003025-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 246, 261 en 267 Sr. Ongewenst zoenen van een politieagente. Vrijspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-003025-09

Uitspraak : 8 november 2010

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Breda van 1 september 2009 in de strafzaak met parketnummer 02-625379-09 tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats]op [geboortedag en –maand] 1986,

wonende te [adres en woonplaats],

waarbij verdachte, zakelijk weergegeven, is veroordeeld wegens primair: feitelijke aanranding van de eerbaarheid, tot een werkstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal vrijspreken van het primair ten laste gelegde en met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde de verdachte zal ontslaan van alle rechtsvervolging.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

(1 ) primair

hij op of omstreeks 22 november 2008 te [pleegplaats], door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [naam slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het geven van een zoen op de mond en/of de wang van die [naam slachtoffer] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het plotseling/onverhoeds geven van een zoen op de mond en/of de wang van die [naam slachtoffer];

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 november 2008 te [pleegplaats] opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten [naam slachtoffer](werkzaam bij politie Midden en West Brabant), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in diens/dier tegenwoordigheid een zoen op de mond en/of de wang heeft gegeven.

Vrijspraak

I

Primair wordt verdachte verweten – kort gezegd – ontuchtig gehandeld te hebben ten opzichte van [naam slachtoffer], die op dat moment als politieagente werkzaam was, door haar onverhoeds een zoen op de mond en/of de wang te geven.

De vraag waar het hof zich voor gesteld ziet, is of het handelen van verdachte (namelijk die [naam slachtoffer] onverhoeds een zoen op de mond en/of de wang geven), onder de gegeven omstandigheden, te kwalificeren is als ontuchtig handelen in de zin van artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht.

Bij ontuchtig handelen in de zin van deze wetsbepaling gaat het in beginsel om handelingen van seksuele aard, die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. Of daarvan sprake is, hangt af van de omstandigheden van het geval, onder meer van de aard van de handeling, het betrokken lichaamsdeel casu quo de betrokken lichaamsdelen, de context waarbinnen de handeling plaatsvindt en de verhouding tussen de betrokkenen. Het enkele feit dat degene die de handeling heeft ondergaan dat als ongewenst heeft ervaren, is onvoldoende. De subjectieve bedoeling van de dader is echter evenmin doorslaggevend.

Of gedragingen geacht kunnen worden een seksuele strekking te hebben, staat derhalve tot op zeker hoogte los van de subjectieve beleving van de betrokkenen.

Uit de stukken in het dossier en het onderzoek ter terechtzitting blijkt het navolgende.

Aangeefster heeft verklaard dat zij de betreffende nacht als politieagente in het uitgaansgebied van [pleegplaats] werkzaam was, dat zij de haar ambtshalve bekende verdachte daar zag, die aan het lol maken was en die haar even later met de linkerarm om haar nek omhelsde. Aangeefster vond dat niet prettig en heeft verdachte kenbaar gemaakt dat zij dat niet wilde. Zij heeft hem bij de arm gepakt en weggeduwd. Op een gegeven moment zag zij iets, waardoor zij haar hoofd naar rechts draaide. Toen zij haar hoofd weer terugdraaide, voelde zij dat verdachte haar een kus gaf op de mond. Die kus op de mond kwam voor aangeefster totaal onverwachts. Aangeefster heeft het handelen van verdachte als respectloos ervaren en was boos en emotioneel.

Verdachte heeft verklaard dat hij dacht dat hij aangeefster alleen op de wang heeft gezoend. Over zijn intentie heeft verdachte wisselende verklaringen afgelegd, variërend van ‘dat hij haar voor de grap een zoen op de wang wilde geven’ tot ‘dat hij haar per ongeluk heeft gezoend, toen zij haar hoofd onverwachts omdraaide’. Verdachte heeft zijn excuses aan aangeefster aangeboden.

Aangeefster bevond zich in gezelschap van collega-politiemensen, die echter geen van allen hebben gezien dat aangeefster op haar mond is gekust. Er zijn camerabeelden van het voorval gemaakt. De beelden laten de mogelijkheid open dat verdachte aangeefster op haar mond heeft gezoend.

Uit de verklaringen van de aanwezige collega-politieagenten blijkt dat verdachte al even had staan praten met de agenten, dat er sprake was van een ontspannen sfeer en dat verdachte voorafgaande aan het onderhavige voorval had geprobeerd om andere vrouwelijke politieagenten te omhelzen en een zoen op de wang te geven. De betreffende politieagenten wisten verdachte af te weren en hebben verklaard dat zij zich daar niet ongemakkelijk bij hebben gevoeld, omdat de sfeer vriendelijk en lollig was.

Het hof stelt voorop dat het zoenen van een politieambtenaar in functie absoluut ongepast is en begrijpt dat dit voor de betrokken politieambtenaar een hoogst onaangename ervaring is geweest.

Naar oordeel van het hof kan het zoenen van een politieagente onder bepaalde omstandigheden als ontuchtig worden aangemerkt, als zij op een zodanige wijze en met zodanige bedoeling is geschied.

Uit de zich in het dossier bevindende verklaringen leidt het hof af dat het handelen van verdachte, noch door aangeefster, noch door verdachte, noch door de collega-politiemensen die getuige waren van het voorval, als een handeling met een expliciet seksuele intentie is ervaren. Ook objectief gezien is naar oordeel van het hof een seksuele context, waarbinnen de gedraging zich heeft afgespeeld, gelet op de feitelijke omstandigheden, niet komen vast te staan.

Het hof is mitsdien van oordeel dat de handelwijze van verdachte, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval en hoezeer dit ook als een afkeurenswaardige inbreuk op de lichamelijke integriteit van aangeefster ervaren kan worden, niet van voldoende betekenis is om dit als ontucht in de zin van artikel 246 Sr te kwalificeren. Reeds daarom dient voor dit feit vrijspraak te volgen.

II

Subsidiair wordt verdachte verweten [naam slachtoffer], die op dat moment als politieagente werkzaam was, opzettelijk te hebben beledigd, door haar een zoen op de mond en/of de wang te geven.

Van belediging is sprake wanneer iemands eer of goede naam opzettelijk wordt aangerand. Daaronder dient niet alleen een uitlating te worden verstaan, maar bijvoorbeeld ook gebaren en andere, niet talige, uitdrukkingswijzen van gevoelens en meningen, die de strekking hebben de ander aan te randen in zijn eer en goede naam.

Onder uitdrukkelijke verwijzing naar hetgeen het hof in het kader van het primair ten laste gelegde heeft overwogen, overweegt het hof hier als volgt.

Nog daargelaten de vraag in hoeverre in casu kan worden gesproken van opzet tot belediging bij verdachte, is naar oordeel van het hof het handelen van verdachte, in het licht van de omstandigheden waaronder het voorval heeft plaatsgevonden, hoe ongewenst en ongepast ook, niet aan te merken als belediging in de zin van de wet.

Mitsdien acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair dan wel het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Aldus gewezen door

mr. F. van Beuge, voorzitter,

mr. J.P.F. Rijken en mr. M.E.F.H. van Erve,

in tegenwoordigheid van mr. L.A.H. Tappenbeck, griffier,

en op 8 november 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.