Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BO3233

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-11-2010
Datum publicatie
08-11-2010
Zaaknummer
HD 103.003.321E
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deskundigenbericht.

Beperkingen geen causaal verband met ongeval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2011/27
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 103.003.321

arrest van de vierde kamer van 2 november 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X.] VOSSENBERG B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen:

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

advocaat: mr. T.P.M. Kouwenaar,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 13 mei 2008, 10 maart 2009 en 8 september 2009 in het hoger beroep van het door de rechtbank Breda onder nummer 134214/HA ZA 04-1079 gewezen vonnis van 7 september 2005.

14. Het tussenarrest van 8 september 2009

Bij genoemd arrest is een deskundigenonderzoek gelast en is iedere verdere beslissing aangehouden.

15. Het verdere verloop van de procedure

De in het arrest van 8 september 2009 benoemde deskundige drs. B.J. van Eyk, psychiater, heeft zijn rapport d.d. 10 mei 2010 op 12 mei 2010 bij de griffie van dit hof ingeleverd.

[Y.] heeft een memorie na deskundigenbericht genomen en [X.] een memorie van antwoord na deskundigenbericht met drie producties.

Vervolgens hebben partijen de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

16. De verdere beoordeling

in principaal en incidenteel appel

16.1. In het tussenarrest van 8 september 2009 heeft het hof de psychiater Van Eyk benoemd tot deskundige teneinde te rapporteren aan de hand van de uitgebreide IWMD-rapportage over de situatie van [Y.] met en zonder het ongeval, over het genezingsproces en de opstelling van [Y.].

16.2. De deskundige heeft als volgt gerapporteerd, kort samengevat.

Het rapport vangt aan met een zeer uitgebreid overzicht van de meegezonden stukken.

Daarop volgt een uitgebreide expertise met als conclusie dat de deskundige geen aanwijzingen vindt voor een psychiatrische ziekte, die het klachtenpatroon van [Y.] zou kunnen verklaren. De primaire (aandacht) en secundaire (financiën) ziektewinst staan op de voorgrond. De deskundige legt uit dat hij in dit derde gesprek met [Y.] veel meer zicht heeft gekregen op de persoonlijkheid van [Y.] en op de wijze waarop zij met klachten omgaat. De basis blijft de lichamelijke vertaling van de psychosociale problematiek in somatische klachten die in de loop der jaren overgaat in primaire en secundaire ziektewinst.

De vragen (r.o. 12.5 van het tussenarrest van 8 september 2009) beantwoordt de deskundige als volgt, sterk verkort weergegeven en voor zover hierboven niet reeds aangeduid.

Situatie met ongeval

1a) De klachten concentreren zich op nek en hoofd. Er is geen (voldoende) psychologische/ psychiatrische behandeling geweest. [Y.] regelt haar eigen medicamenten: tranquillizers en heroïne.

1b) In het verleden: verslaving en anorectische periode. Het letsel is behandeld met fysiotherapie en medicamenten.

1h) Er zijn geen ongevalgevolgen op psychiatrisch gebied. Het ongeval is als kapstok gaan fungeren voor de psychosociale problematiek. In de loop der jaren heeft het klachtenpatroon zich verankerd. Er is primaire en secundaire ziektewinst, maar deze staat los van het ongeval.

1i) [Y.] ondervindt geen beperkingen op psychiatrisch gebied.

Situatie zonder ongeval

2a) Al voor het ongeval bestonden bij [Y.] afwijkingen op het vakgebied van de deskundige, die zij thans nog steeds heeft. De persoonlijkheidstructuur met de copingsmechanieken waarmee [Y.] sociale problematiek tegemoet treedt waren basisingrediënten voor het ontstaan van het klachtenpatroon en blijven het beeld in gang houden.

2b) Vóór het ongeval waren er mogelijkerwijs geen klachten maar de gehele sociale situatie met haar persoonlijkheid was voldoende om het beeld te doen ontstaan, eerder vroeg dan laat.

2c en d) Zonder het ongeval was een ineenstorting in een passief afhankelijk en manipulatief beeld, gezien de persoonlijkheid en de psychosociale situatie, zeer waarschijnlijk, en snel te verwachten.

2e) Beperkingen zouden daar niet uit zijn voortgevloeid; er is geen sprake van psychiatrische ziekte maar een reactievorming vanuit de persoonlijkheid op de psychosociale situatie, welke zeker niet florissant was.

3a) Er was een zeer grote kans dat het klachtenpatroon zou zijn ontstaan, ook zonder het ongeval, vanwege de gehele sociale problematiek. In het medisch dossier is geen aandacht besteed aan de persoonlijkheidsstoornis van [Y.], de drijvende kracht achter het geheel.

Genezingsproces

4f) Psychiatrische behandeling en maatschappelijke begeleiding zijn geïndiceerd.

4g) Behandeling via Kentron en fysiotherapie zijn ingesteld. [Y.] is van de verslaving af. Het klachtenpatroon is echter blijven bestaan.

4h, i en j) De behandeling bij Kentron is uiteindelijk afgesloten. Naar de vraag waarom er geen psychiatrische behandeling is gestart kan de deskundige alleen raden; de wil van [Y.] de regie te houden over de situatie lijkt hierin een rol te spelen. Een meer directieve therapie zou mogelijk een positieve doorbraak kunnen geven. Er is geen reden voor onderzoek door een deskundige op een ander vakgebied.

Overig

De deskundige sluit af met de opmerkingen dat als hij psychiatrische behandeling adviseert, dat niet inhoudt dat er sprake is van een psychiatrische stoornis maar dat de problematiek beter behandeld kan worden door een psychiater, die daarbij medicatie kan voorschrijven. Dat hij spreekt van een persoonlijkheidsstoornis houdt niet in dat [Y.] niet op haar gedrag kan worden aangesproken. [Y.] is volledig verantwoordelijk voor haar gedrag en de consequenties daarvan.

16.3. [Y.] heeft bij memorie na deskundigenbericht gesteld dat zij de kritiek op het rapport als verwoord in de brief van haar advocaat aan de deskundige van 19 april 2010, handhaaft. Daarin heeft zij, kort weergegeven, gesteld dat de beantwoording van de vragen ernstig tekort schiet, dat niet is verklaard waarom de deskundige nu tot een heel andere conclusie komt dan in 2003, dat de conclusies niet zijn onderbouwd en dat onvoldoende rekening is gehouden met haar aanzienlijke fysieke beperkingen.

Zij stelt dat het rapport geen aanknopingspunten biedt voor een inschatting wanneer dezelfde klachten zich zonder ongeval zouden hebben gemanifesteerd. Zij concludeert dat zij heeft aangetoond dat haar klachten en beperkingen aan het ongeval kunnen worden toegerekend.

16.4. [X.] heeft bij memorie van antwoord na deskundigenbericht gesteld dat met deze expertise vaststaat dat het ongeval geen blijvende gevolgen heeft gehad voor [Y.]. [X.] legt nog twee brieven in deze zin van 21 april 2010 en 7 juni 2010 van haar medisch adviseur over. Voor, ten tijde van en na het ongeval hebben zich bij [Y.] ingrijpende gebeurtenissen voorgedaan die dezelfde of vergelijkbare problematiek zouden hebben veroorzaakt: de problemen rond de inmiddels van haar gescheiden echtgenoot, opname van het gezin in “Huize Poels”, het heroïnegebruik ook al vóór het ongeval. De conclusies van de deskundige zijn in lijn met zijn rapporten van 10 maart 2002 en 20 juni 2003, toen hij nog geen kennis had van de psychosociale problematiek van [Y.].

Het staat volgens [X.] vast dat [Y.] slechts kort na het ongeval schade heeft geleden in verband met de kneuzing, en dat er thans geen sprake is van aan het ongeval te relateren klachten en beperkingen. De genoemde schade is reeds vergoed, aangezien de aansprakelijkheidsverzekeraar in totaal een bedrag van € 24.516,36 aan [Y.] heeft betaald.

16.5.1. Het hof overweegt het navolgende.

In de tussenarresten van 13 mei 2008 en 10 maart 2009 (r.o. 6.4.2 t/m 6.4.4 en 9.10) heeft het hof overwogen dat [Y.] diende te bewijzen dat en in welke mate haar huidige klachten en beperkingen het gevolg zijn van het ongeval en aan het ongeval kunnen worden toegerekend, en dat het hof daartoe (een) deskundigenrapport(en) zou laten uitbrengen. Gelet op de standpunten van partijen zag het hof er (voorlopig) van af een nieuw rapport door een neuroloog te laten opstellen, en is alleen de psychiater Van Eyk tot deskundige benoemd. Overwogen is voorts dat zo nodig later nog een verzekeringsarts zou worden benoemd.

16.5.2. [Y.] vermeldt volgens de anamnese door Van Eyk als klachten en beperkingen hoofdpijn-, schouder- en nekpijn- klachten, die haar hele functioneren overdag beïnvloeden. De klachten zijn wel minder dan vroeger. Regelmatig draagt zij een halskraag. Zij doet thuis weinig tot niets, wordt grotendeels verzorgd door haar ouders en haar vriend.

’s Morgens voelt zij zich heel vermoeid.

16.5.3. De neuroloog Frenken heeft in zijn rapport van 30 mei 2002 – waarbij Frenken nog niet op de hoogte was van de pas nadien door [Y.] verstrekte gegevens over haar ziektegeschiedenis en sociale omstandigheden - verklaard dat [Y.] uitgebreid via een aantal diagnostieken is onderzocht, waarbij geen neurologische afwijkingen zijn gevonden, en dat hij bij neurologisch onderzoek ook geen afwijkingen vindt. Hij kon dan ook neurologisch gezien geen beperkingen vaststellen. Gelet op de forse discrepantie tussen de ziektegeschiedenis, bevindingen bij onderzoek en de consequenties voor wat betreft functioneren en gedrag adviseerde hij een psychiater te consulteren om na te gaan of het beeld psychiatrisch te verklaren is.

Van Eyk, inmiddels in het bezit van alle gegevens over [Y.], heeft thans gerapporteerd dat hij het klachtenpatroon niet vanuit een psychiatrische ziekte kan verklaren, maar dat de sociale problematiek van [Y.] en haar persoonlijkheidstructuur het gehele beeld hebben doen ontstaan, waarbij het ongeval als kapstok is gaan fungeren voor de psychosociale problematiek. Van Eyk constateert vanuit zijn vakgebied geen beperkingen. Er is een zeer grote kans dat de door [Y.] ervaren klachten en beperkingen ook zonder het ongeval zouden zijn ontstaan, aldus Van Eyk.

16.5.4. Naar het oordeel van het hof is niet komen vast te staan dat alle klachten en beperkingen van [Y.] zijn veroorzaakt door en kunnen worden toegerekend aan het ongeval. Het hof volgt daarbij het oordeel van de neuroloog Frenken en de door het hof als deskundige benoemde psychiater van Eyk. Het hof deelt niet de bezwaren van [Y.] tegen het rapport van Van Eyk; de deskundige heeft zijn conclusies wel degelijk onderbouwd en hij heeft haar fysieke klachten, waarvoor hij overigens geen verklaring kon geven, in zijn rapport betrokken. Zijn rapport is, in aanmerking genomen dat hij thans wel, maar destijds niet op de hoogte was van de psychosociale achtergrond van [Y.], die zeer relevant is gebleken, anders van [Y.] stelt niet in tegenspraak met de eerdere door hem uitgebrachte rapporten.

[X.] kan voor die klachten en beperkingen dus niet aansprakelijk worden gehouden. Daarmee wordt niet een mogelijke predispositie van [Y.] miskend; er is hier, zoals reeds overwogen in r.o. 6.4.3 (tussenarrest 13 mei 2008) niet sprake van door de gesteldheid van het slachtoffer extra ernstige gevolgen van een relatief lichte gebeurtenis, maar op grond van de uitgebrachte deskundigen-rapporten moet worden aangenomen dat de problematiek van [Y.] andere oorzaken heeft dan het ongeval, en dat het ongeval slechts “als kapstok” is gaan fungeren waaraan de door [Y.] ervaren klachten en beperkingen zijn opgehangen.

Daarmee slagen de grieven V en VI van [X.], en behoeft grief IV geen afzonderlijke behandeling meer.

16.5.5. Het hof heeft geen behoefte aan verdere voorlichting door andere deskundigen, en zal dus niet overgaan tot benoeming van een neuroloog en/of een verzekeringsarts.

16.6.1. Aan [X.] kunnen mitsdien slechts worden toegerekend de directe gevolgen van de kneuzing die [Y.] heeft opgelopen doordat op 14 januari 1999 een balk van ongeveer 2.40 m lang en 7 cm dik en breed vanaf een hoogte van ongeveer een meter is omgekieperd en met het uiteinde [Y.] heeft geraakt op haar hoofd en tegen haar nek en/of schouder rechts. Als direct effect daarvan heeft het hof (in r.o. 9.8.4) vastgesteld dat [Y.] op de grond is gevallen, pijn had en huilde, na een kort moment is opgestaan en, nadat zij even had gezeten, ondersteund door haar man naar haar auto is gelopen.

[Y.] heeft daardoor, naar redelijkerwijs kan worden aangenomen, korte tijd enige pijn ondervonden en is daarvoor korte tijd behandeld met medicijnen en fysiotherapie. Eveneens kan worden aangenomen dat zij enige reiskosten heeft moeten maken – die zij niet heeft gespecificeerd - en dat zij kosten heeft gemaakt voor juridische bijstand, waaronder kosten van medisch adviseurs.

16.6.2. De rechtbank heeft vastgesteld (vonnis 7 september 2005 sub 3.1 j) dat de verzekeraar van [X.] aan [Y.] in totaal een voorschot van € 24.516,36 heeft uitbetaald. De verzekeraar is na het rapport van Frenken (mei 2002) gestopt met de bevoorschotting. Na een kort geding is afgesproken dat de verzekeraar nog tot eind 2002 huishoudelijke hulp zou vergoeden.

[X.] heeft gesteld (mva in incidenteel appel sub 21 en prod. 2 en 3) dat de verzekeraar een bedrag van € 27.011,08 heeft bevoorschot, waarvan bijna € 4.000,-- als voorschot op immateriële schade en de rest onder algemene titel. Daarnaast is als voorschot voor buitengerechtelijke kosten een bedrag betaald van € 13.351,62.

Aangezien [Y.] deze laatste bedragen niet heeft betwist, gaat het hof van de juistheid daarvan uit.

16.6.3. Nu slechts een zeer beperkte schade aan [X.] kan worden toegerekend is het hof van oordeel dat [Y.] geen schade heeft geleden die het reeds betaalde voorschot van € 27.011,08 waarvan bijna € 4.000,-- smartengeld, overstijgt.

Wat betreft de kosten van juridische bijstand maakt [Y.], naast het daarvoor betaalde voorschot van € 13.351,62, nog aanspraak op een bedrag van € 6.979,95 (incl. € 3.311,11 kosten voor medisch advies) , zijnde een declaratie van haar advocaat d.d. 25 maart 2004 wegens bijstand van 10 december 2002 tot 18 december 2003 (inleidende dagvaarding sub 9 en memorie van antwoord sub 22).

[X.] heeft daartegen aangevoerd (mva in incidenteel appel sub 26) dat de totale kosten voor rechtsbijstand dan de dubbele redelijkheidstoets niet meer kunnen doorstaan, aangezien dat bedrag in geen verhouding staat tot de overige schade die [Y.] heeft geleden. Daarnaast ziet deze declaratie op een dreigend kort geding eind 2002, dat [X.] prematuur en zonder grondslag acht, en meent [X.] dat de totale kosten van rechtsbijstand in het totaal aan [Y.] betaalde bedrag al zijn vergoed.

16.6.4. Het hof acht de bezwaren van [X.] tegen vergoeding van een extra bedrag aan kosten juridische bijstand van

€ 6.979,95 op de door [X.] aangevoerde gronden, gegrond. Voor zover [Y.] meer kosten voor juridische bijstand heeft gemaakt dan reeds specifiek aan haar zijn vergoed kunnen deze worden gedekt uit het algemene voorschot dat [X.] heeft voldaan, nu dit voorschot ruim geacht kan worden, gelet op de aan [X.] toe te rekenen schade. Hetzelfde geldt voor het specifiek voor smartengeld betaalde voorschot van bijna € 4.000,--.

16.7. Het voorgaande brengt mee dat de vordering van [Y.] zal worden afgewezen.

Op grond van het feit dat beide partijen in enig opzicht in het ongelijk zijn gesteld – nu [X.] aansprakelijk is voor het door [Y.] overkomen ongeval, en [X.] op grond daarvan tot enige schadevergoeding aan [Y.] gehouden is – zal het hof de proceskosten tussen partijen in eerste instantie en in hoger beroep, compenseren. Het hof

stelt voor de duidelijkheid vast dat dat ook meebrengt dat de kosten van de deskundige Van Eyk ten laste van [X.] blijven.

17. De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel

vernietigt het vonnis, waarvan beroep;

opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van [Y.] af;

bepaalt dat de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep tussen partijen zullen worden gecompenseerd in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. De Groot-van Dijken, Huijbers-Koopman en Keizer en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 november 2010.