Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BO3199

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-11-2010
Datum publicatie
08-11-2010
Zaaknummer
HD 200.028.444
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Letselschade;

Verjaring;

Onvoldoende gesteld t.a.v. causaal verband.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.028.444

arrest van de vierde kamer van 2 november 2010

in de zaak van

1. [X.],

2. [Y.],

beiden wonende te [woonplaats], België,

appellanten,

advocaat: mr. R.E. Temmen,

tegen:

A.J. INVESTMENTS B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. J. Meyst-Michels,

op het bij exploot van dagvaarding van 9 maart 2009 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank ‘s-Hertogenbosch gewezen vonnissen van 23 juli 2008 en 10 december 2008 tussen appellanten – [X. c.s.] - als eisers en geïntimeerde – A.J. Investments - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 175530/HA ZA 08-980)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven hebben [X. c.s.] twee grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en, kort gezegd, tot alsnog toewijzing van hun vordering, met veroordeling van A.J. Investments in de kosten van de procedure in beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft A.J. Investments de grieven bestreden.

2.3. [X. c.s.] hebben daarna een akte met een productie genomen en A.J. Investments een antwoordmemorie.

2.4. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Grief 1 houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vorderingen van [X. c.s.] zijn verjaard.

Grief 2 houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat onvoldoende causaal verband zou bestaan tussen de gestelde onrechtmatige gedragingen van A.J. Investments en de klachten aan de zijde van [X. c.s.]

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank heeft in het vonnis van 10 december 2008 onder 2. vastgesteld van welk feiten zij is uitgegaan. De door de rechtbank vastgestelde feiten, welke niet zijn betwist, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Het hof zal deze feiten hierna voor een deel opnieuw weergeven en met andere vaststaande feiten aanvullen.

4.2. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

a) [X. c.s.] hebben vanaf de jaren ’90 tot september 2001 van de rechtsvoorganger van A.J. Investments, Almas B.V., een woning gehuurd in [plaatsnaam]. In 1997 zijn in opdracht van Almas B.V. aan deze woning (en aan andere woningen van hetzelfde complex) renovatiewerkzaam- heden verricht. In dat kader heeft Stratec B.V. hydrofoberings-/impregneringswerkzaamheden uitgevoerd aan de buitenmuren van de woningen.

b) Na deze werkzaamheden hebben [X. c.s.] last gekregen van gezondheidsklachten, waaronder hoofdpijn, misselijkheid en vermoeidheid.

c) Eind februari 2000 zijn aan een woning naast de woning die door [X. c.s.] werd bewoond, schoonmaakwerkzaamheden verricht in verband met een brand in die woning, waarbij onder andere roet is verwijderd.

d) De klachten van met name de heer [X.]zijn in die periode verergerd.

e) Ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding was met name aan de zijde van mevrouw [Y.] sprake van een ernstige situatie, daar zij een hersenbloeding heeft gehad.

f) De heer [X.]heeft aangifte gedaan van strafbare feiten gepleegd door het impregneren van muren. De officier van justitie heeft medegedeeld dat hij niet tot vervolging zou overgaan, waarna [X.]een procedure uit hoofde van art. 12 Wetboek van Strafvordering aanhangig heeft gemaakt bij dit hof. Het hof heeft in een beslissing van 27 maart 2007 overwogen, dat geen der ingeschakelde instanties heeft vastgesteld dat causaal verband bestaat tussen de door beklaagden verrichte handelingen en de opgetreden klachten, zodat een succesvolle strafvervolging niet te verwachten valt. Het beklag van [X.]is afgewezen.

4.3.1. [X. c.s.] stellen zich op het standpunt dat hun gezondheidsklachten zijn ontstaan doordat bij de renovatiewerkzaamheden en bij het schoonmaken van de naast hun woning gelegen woning door of in opdracht van Almas B.V. schadelijke chemische middelen zijn gebruikt. Na vele onderzoeken is volgens hen gebleken dat als gevolg daarvan bij hen de ziekte Multiple Chemical Sensitivity, afgekort MCS, is ontstaan.

4.3.2. Ter onderbouwing van hun standpunt hebben [X. c.s.] aan hen gerichte brieven van prof.dr. [Z.] te [vestigingsplaats] overgelegd.

Een brief van 25 september 2002 van prof. [Z.] houdt onder meer het volgende in:

Deze 55-jarige patiënt bood zich samen met zijn echtgenote aan op onze consultatie voor een investigatie van de systemische klachten in het kader van een in 1997 doorgemaakte blootstelling aan chemische substanties tijdens de uitvoering van impregnatiewerken aan hun huis.

(Alkoxy)silanen, aanwezig in de gebruikte stoffen bij de impregnatiewerken, kunnen bij acute blootstelling irritatie van de huid en de luchtwegen geven. Langdurige intoxicatie-effecten zijn in de literatuur echter niet terug te vinden, zelfs niet bij dierproeven met gebruik van zeer hoge dosissen.

Anamnestisch blijkt dat de woningen in het complex Paulusberg voor de impregnatiewerken in mei 1997 zeer vochtig waren . Mogelijk hebben de uitgevoerde werkzaamheden de vochtigheid in de woningen eerder verergerd, door te verhinderen dat vocht uit de muren weg kan trekken.(…) In dit geval zouden de chronische klachten van beide patiënten mogelijk onderhouden zijn geweest door de aanwezigheid van schimmel in de wonings.

De aanhoudende last van allerlei aspecifieke prikkels (uitlaatgassen, vervuiling, geuren) na vertrek uit de woning is eerder suggestief voor MCS (…). In dit kader zou een doorverwijzing naar de consultatie van prof. [A.] soelaas kunnen bieden. (…)

Een brief van 6 mei 2003 van prof. [Z.] houdt onder meer het volgende in:

We twijfelen er niet aan dat u gedurende meerdere weken aan solventen en mogelijk ook andere bestanddelen van het gebruikte impregnatie- product werd blootgesteld. Dat dit acute en chronische symptomen heeft veroorzaakt staat ook vast. De intensiteit van de blootstelling kan retrospectief niet gereconstrueerd worden maar op grond van de literatuur over solvent-blootstelling en onze ervaring denken we dat uw huidige, chronische klachten niet zozeer het gevolg zijn van een blijvende intoxicatie, maar het beste passen in (…) M.C.S. (…)

Volgens prof. [A.] beantwoordden beide patiënten geheel aan de criteria voor het MCS syndroom. In een brief aan ons gericht meldt hij het volgende:

- Momenteel is er geen algemeen aanvaarde en onderbouwde verklaring voor MCS en dat het in die zin een onduidelijk syndroom blijft dat vaak maar niet altijd ontstaat na een toxische blootstelling.

(…)

We blijven dus bij onze conclusie dat het hier zeer vermoedelijk gaat over MCS, en dat deze toestand het gevolg is van de doorgemaakte blootstelling, zonder ons uit te spreken over het pathofysiologische mechanisme ervan.(…).

4.4.1. [X. c.s.] hebben A.J. Investments aansprakelijk gesteld bij brief van 9 januari 2008. Bij dagvaarding van 8 mei 2008 vorderden zij een verklaring voor recht, inhoudende dat A.J. Investments onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld en mitsdien gehouden is de door hen geleden en te lijden schade te vergoeden, op te maken bij staat.

4.4.2. A.J. Investments heeft verweer gevoerd en zich daarbij primair beroepen op verjaring. Subsidiair heeft zij betwist dat bij de renovatie en reiniging schadelijke stoffen zijn gebruikt, dat het door [X. c.s.] genoemde middel Bofimex Recylan 120 is gebruikt, dat [X. c.s.] aan MCS zouden lijden en dat causaal verband bestaat tussen de gezondheidsklachten van [X. c.s.] en de behandeling van de muren van hun woning.

4.5. Nadat de rechtbank een comparitie van partijen had gelast bij vonnis van 23 juli 2008, welke comparitie is gehouden op 23 september 2008, heeft de rechtbank bij eindvonnis van 10 december 2008 geoordeeld dat de vorderingen van [X. c.s.] zijn verjaard, omdat zij op of omstreeks 25 september 2002 daadwerkelijk bekend waren met de schade als bedoeld in art. 3:310 lid 1 BW, aangezien [X. c.s.] door de brief van prof. [Z.] van 25 september 2002 geen volledige zekerheid maar wel enige bevestiging hebben gevonden voor hun vermoeden dat hun klachten mogelijk verband houden met de impregneerwerkzaamheden in hun woning in 1997. De aansprakelijkheidstelling van 9 januari 2008 is dus verzonden nadat de verjaringstermijn was verlopen.

Ter voorlichting van partijen heeft de rechtbank ten overvloede overwogen dat [X. c.s.] hun stellingen onvoldoende hebben onderbouwd. Zij hebben volgens de rechtbank verwezen naar stukken die zij niet hebben overgelegd en ook niet hebben aangeboden over te leggen. De rapportage van prof. [Z.] levert onvoldoende bewijs op van causaal verband met het gebruikte impregneermiddel, temeer nu uit door A.J. Investments overgelegde informatie blijkt dat veel onduidelijkheid bestaat over aard, oorzaak en gevolg van MCS, aldus de rechtbank. De rechtbank heeft de vorderingen van [X. c.s.] afgewezen en hen in de proceskosten veroordeeld.

4.6. Nu [X. c.s.] in België wonen, draagt de zaak een internationaal karakter. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat de Nederlandse rechter bevoegd is en zij heeft geoordeeld dat Nederlands recht van toepassing is. Het hof onderschrijft die oordelen en zal dus ook uitgaan van Nederlands recht.

4.7. Tegen het vonnis van 23 juli 2008 is geen grief gericht, zodat [X. c.s.] niet ontvankelijk zijn in hun hoger beroep tegen dat vonnis.

4.8.1. De eerste grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de vordering zou zijn verjaard. Volgens [X. c.s.] gaf de brief van prof. [Z.] hen onvoldoende zekerheid voor het vermoeden dat hun klachten mogelijk in verband stonden met het gebruikte impregneermiddel. Volgens hen staat de beslissing van dit hof inzake de beklagprocedure ook haaks op dat standpunt van de rechtbank, nu daarin immers is beslist dat in onvoldoende mate een relatie is aangetoond tussen de klachten van [X. c.s.] en de gedragingen van A.J. Investments.

4.8.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (verg. HR 10-09-2010, LJN BM7041) neemt de korte verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW een aanvang op de dag nadat degene die schade lijdt daadwerkelijk bekend is met de geleden schade en de aansprakelijke persoon. Het criterium “bekendheid” moet subjectief worden opgevat. In geval van lichamelijke klachten waarvan de herkomst niet zonder meer duidelijk is, kan van daadwerkelijke bekendheid met de schade pas sprake zijn, wanneer met voldoende mate van zekerheid is vastgesteld waardoor de klachten zijn ontstaan. In het algemeen zal deze vereiste mate van zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – pas aanwezig zijn, wanneer deze oorzaak door een ter zake deskundig arts is gediagnosticeerd.

4.8.3. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel, dat uit de brief van prof. [Z.] van 25 september 2002 niet een zodanige bevestiging van het bestaan van een causaal verband tussen de klachten van [X. c.s.] en het gebruik van impregneermiddelen door of in opdracht van (de rechts- voorganger van) A.J. Investments volgt, dat [X. c.s.] daardoor de hiervoor bedoelde mate van zekerheid verkregen. In die brief wordt gesteld dat de aanwezigheid van schimmels in de woning de chronische klachten van [X. c.s.] mogelijk hebben onderhouden. Ook wordt in die brief gesteld dat de aanhoudende last van allerlei aspecifieke prikkels eerder suggestief is voor MCS. Een rechtstreeks verband tussen die mogelijke diagnose en de stoffen gebruikt voor het impregneren wordt echter niet gelegd. Pas in de brief van 6 mei 2003 wordt gesteld dat het zeer vermoedelijk gaat om MCS en dat deze toestand het gevolg is van de doorgemaakte blootstelling. Na die laatstgenoemde brief hadden [X. c.s.] naar het oordeel van het hof voldoende zekerheid om een vordering tegen A.J. Investments in te stellen. Hun aansprakelijkheidstelling van 9 januari 2008 is binnen vijf jaren daarna en dus tijdig verzonden, in die zin dat de lopende verjaring daarmee is gestuit.

4.9. De conclusie is dat de eerste grief slaagt. Het hof zal de vordering derhalve alsnog beoordelen.

4.10. In haar overweging ten overvloede heeft de rechtbank aangegeven dat naar haar oordeel de vordering ook op andere gronden niet kon worden toegewezen. Volgens de rechtbank hebben [X. c.s.] hun vordering onvoldoende onderbouwd. Daartegen is grief 2 gericht. [X. c.s.] stellen dat de rechtbank hen in de gelegenheid had moeten stellen bewijs te leveren omtrent de gestelde causaliteit.

4.11.1. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

4.11.2. Het hof constateert dat partijen het niet eens zijn over de vraag welk middel is gebruikt. [X. c.s.] hebben gesteld dat het in 1997 gebruikte impregneermiddel het preparaat Bofimex Recylan 120 is, dat voor 90 à 95 % bestond uit white spirit, een stof die volgens hen thans niet meer gebruikt mag worden vanwege zijn schadelijke werking. A.J. Investments heeft dit betwist, volgens haar is Bofimex Recylan 123 gebruikt. A.J. Investments heeft deze stelling onderbouwd door een schriftelijke verklaring van Bofimex Bouwstoffen B.V., waarin is vermeld dat Stratec B.V. het product Recylan 123 heeft toegepast. Volgens A.J. Investments is dit een gangbaar middel voor dergelijke werkzaamheden, dat nauwelijks schadelijke stoffen bevat. Als al schadelijke stoffen vrijkomen is dat in zeer geringe mate het geval en die stoffen zijn binnen 24 uur verdwenen, aldus A.J. Investments. [X. c.s.] hebben op deze stelling van A.J. Investments gereageerd bij de comparitie van partijen en gesteld dat uit een brief van Stratec B.V. blijkt dat wel degelijk Recylan 120 is gebruikt. Zij hebben in hoger beroep bij akte een kopie overgelegd van een hand- geschreven brief van [B.]. De brief is geschreven op papier waarop “Stratec” staat, en gericht aan VROM t.a.v. mevr. [C.]. De tekst van de brief luidt:

Bijgaande de stoffenbladen van de recylan 120 welke gebruikt is bij het impregneren van de Paulusberg te [vestigingsplaats] in 1997.

Ik heb om 17.20 vandaag 31-08-2000 een 3 tal faxen ontvangen van [D.] de huisarts en van advocatenkantoor [E.] beide uit [vestigingsplaats].

Het hof is van oordeel dat deze brief onvoldoende bewijs oplevert voor de stelling dat door Stratec bij de impregneerwerkzaamheden in 1997 Recylan 120 is gebruikt. Onduidelijk is immers wat de positie van [B.] bij Stratec is, of en zo ja hoe hij heeft onderzocht welk middel destijds is gebruikt en in welk verband deze brief aan VROM is gezonden. Met deze brief wordt derhalve de hiervoor genoemde brief van Bofimex, waarop A.J. Investments zich heeft beroepen, niet weerlegd.

4.11.3. Uit het vorenstaande volgt dat niet is komen vast te staan dat destijds door Stratec Bofimex Recylan 120 is gebruikt. Evenmin is gebleken dat de verklaringen van A.J. Investments op dit punt leugenachtig zijn, zoals [X. c.s.] aanvoeren. [X. c.s.] hebben niet uitdrukkelijk te bewijzen aangeboden dat genoemd middel destijds is gebruikt, hetgeen wel op hun weg zou hebben gelegen, nu de bewijslast daarvan op [X. c.s.] rust.

4.11.4. A. J. Investments heeft zich beroepen op de uitspraak van de strafkamer van dit hof van 27 maart 1997 (rov. 4.2 sub f). Daaruit blijkt dat zowel TNO, als de GGD, als het RIVM en het ministerie van VROM een onderzoek naar de klachten van [X. c.s.] hebben ingesteld en daarover hebben gerapporteerd en dat uit geen van die onderzoeken van een relatie is gebleken tussen de bij het impregneren en/of schoonmaken gebruikte stoffen en de klachten van [X. c.s.] Uit die beschikking blijkt ook dat [X.]naar aanleiding van de brief van prof. [Z.] diverse instanties heeft aangeschreven, maar dat die instanties onvoldoende gronden zagen om op hun standpunt terug te komen. Door [X. c.s.] is niet gesteld en evenmin is gebleken dat het ministerie van VROM tot een ander oordeel is gekomen na kennisneming van de door [X. c.s.] overgelegde brief van [B.], welke hiervoor is besproken. [X. c.s.] hebben ook in hoger beroep niets aangevoerd dat enig tegenwicht biedt tegen de in de beschikking van 27 maart 1997 genoemde rapporten.

4.11.5. A.J. Investments heeft ook gesteld dat MCS in Nederland niet als ziekte of syndroom is erkend en zij heeft ter onderbouwing daarvan een verklaring van de Gezondheidsraad aan de ministeries van VWS en VROM d.d. 1999 overgelegd. [X. c.s.] hebben hierop niet expliciet gereageerd, maar bij de comparitie van partijen gesteld dat uit een Nijmeegs onderzoek uit 2005 is gebleken dat een eenmalige blootstelling aan white spirit ernstige gezondheidsklachten kan veroorzaken en kan leiden tot ontwikkeling van MCS. [X. c.s.] hebben echter in eerste instantie noch in hoger beroep stukken betreffende dat Nijmeegse onderzoek overgelegd. Zij hebben daarom ook de door A.J. Investments overgelegde verklaring van de Gezondheidsraad, die inhoudt dat de definitie van MCS niet eenduidig vastligt en dat er grote onduidelijkheid bestaat over de aard, de eventuele oorzaken en de mogelijke gevolgen van MCS, niet weerlegd.

4.11.6. Het hof deelt het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de brieven van prof. [Z.] . In zijn brieven heeft prof. [Z.] naar het oordeel van het hof niet meer uitgesproken dan een vermoeden dat [X. c.s.] lijden aan MCS als gevolg van de doorgemaakte blootstelling aan een impregneer- middel, enige onderbouwing daarvan is niet gegeven.

4.11.7. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat [X. c.s.] tegenover de gemotiveerde en gedocumenteerde betwisting van A.J. Investments onvoldoende hebben aangevoerd ter onderbouwing van hun stelling dat hun gezondheidsklachten zijn veroorzaakt door het beweerdelijk gebruikte impregneermiddel. [X. c.s.] stellen in de memorie van grieven dat de rechtbank hen had moeten toelaten tot bewijs- levering ontrent de gesteld causaliteit. Bij akte hebben zij gesteld bereid te zijn medewerking te verlenen aan een medisch onderzoek ter vaststelling van causaal verband. Het hof is echter van oordeel dat [X. c.s.] onvoldoende aan hun stelplicht hebben gedaan, zodat aan bewijslevering niet wordt toegekomen.

4.12. De slotsom is dat grief 2 faalt. Ook het hof zal de vordering van [X. c.s.] afwijzen. [X. c.s.] zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

verklaart [X. c.s.] niet ontvankelijk in hun hoger beroep tegen het vonnis van 23 juli 2008;

bekrachtigt het vonnis van 10 december 2008 onder verbetering van gronden;

veroordeelt [X. c.s.] in de kosten van het hoger beroep, welke aan de zijde van A.J. Investments worden begroot op € 313,-- aan verschotten en

€ 1.341,-- aan salaris van de advocaat;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. De Groot-van Dijken, Huijbers-Koopman en Vermeulen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 november 2010.