Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BO1895

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-07-2010
Datum publicatie
27-10-2010
Zaaknummer
09/00469
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft op 18 april 2007 een dividenduitkering gedaan. De aangifte is ingediend op 26 april 2007. Het bedrag van de dividendbelasting is niet tijdig, namelijk pas op 31 mei 2007, betaald. De inspecteur heeft ter zake een vergrijpboete opgelegd omdat het aan grove schuld van belanghebbende zou zijn te wijten dat de af te dragen dividendbelasting niet tijdig is betaald. Belanghebbende betwist dat sprake is van grove schuld. Nadat zij erachter kwam dat zij de betalingsgegevens niet meer had heeft zij onverwijld actie ondernomen om deze gegevens te achterhalen. Vaststaat dat zij de relevante betalingsgegevens enkele dagen voor de fatale datum van 17 mei 2007 heeft opgevraagd bij de gemachtigde. Het hof is van oordeel dat belanghebbende weliswaar enig verwijt kan worden gemaakt en dat haar enig lichtvaardig handelen kan worden aangerekend, maar dit handelen of nalaten is niet dermate lichtvaardig dat sprake is van een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid. Ook kan volgens het hof niet worden gezegd dat de verstrekking van de betalingsgegevens door de gemachtigde onredelijk lang heeft geduurd. Van grove schuld is dan ook geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/58.11 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Derde meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 09/00469

Uitspraak op het hoger beroep van

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 13 juli 2009, nummer AWB 09/00162 in het geding tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

X B.V.,

gevestigd te Y,

hierna: belanghebbende

en

de Inspecteur,

betreffende na te noemen boetebeschikking.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is bij beschikking onder aanslagnummer 0000.000.00.00000 met dagtekening 7 april 2008 een boete wegens niet tijdige afdracht op aangifte opgelegd van € 950.

1.2. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 10 december 2008 het bezwaar van belanghebbende tegen de boetebeschikking ongegrond verklaard en de boete gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 288.

1.4. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar en de boetebeschikking vernietigd, de Inspecteur tot een bedrag van € 805 veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoedt.

1.5. Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad 19 mei 2010 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.7. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.8. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1. De aandelen in het kapitaal van belanghebbende worden alle gehouden door de heer A, die ook bestuurder is van belanghebbende. De vergadering van aandeelhouders van belanghebbende heeft op 18 april 2007 besloten tot het uitkeren van een interim-dividend van € 64.412. De uitkering is eveneens op 18 april 2007 ter beschikking gesteld. De verschuldigde dividendbelasting bedroeg € 9.661.

2.2. De gemachtigde heeft voor belanghebbende het aangiftebiljet dividendbelasting ingevuld. Op dit biljet is vermeld dat de dividendbelasting binnen één maand na de beschikbaarstelling van het dividend moet zijn betaald. Tevens zijn op het biljet de betalingsgegevens vermeld. De gemachtigde heeft het ingevulde biljet aan belanghebbende gezonden en daarbij belanghebbende erop gewezen dat de dividendbelasting op 17 mei 2007 diende te zijn bijgeschreven op de bankrekening van de Belastingdienst. Belanghebbende heeft vervolgens de aangifte (ondertekend en) ingestuurd. De aangifte dividendbelasting is door de belastingdienst ontvangen op 26 april 2007. Belanghebbende heeft verzuimd van het aangiftebiljet een kopie te maken, waardoor zij op het latere moment dat zij wilde betalen niet meer beschikte over de betalingsgegevens. Belanghebbende heeft deze gegevens vervolgens opgevraagd bij de gemachtigde. Het bedrag van de dividendbelasting is bijgeschreven op de rekening van de belastingdienst op 31 mei 2007.

2.3. Met dagtekening 18 september 2007 heeft de Inspecteur kenbaar gemaakt voornemens te zijn aan belanghebbende een bestuurlijke boete, zijnde een vergrijpboete in de zin van artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) van 25% op te leggen. De boete bedraagt € 2.415 (25% van € 9.661).

2.4. Met dagtekening 27 maart 2008 is de mededeling - als bedoeld in artikel 67g, lid 2 AWR - inzake de gronden waarop de oplegging van de boete berust aan belanghebbende verzonden. In dit schrijven deelt de Inspecteur tevens mede de boete te matigen tot € 950.

2.5. Met dagtekening 7 april 2008 is aan belanghebbende bij beschikking onder aanslagnummer 0000.000.00.00000 een boete wegens niet tijdige afdracht op aangifte opgelegd van € 950.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of aan belanghebbende terecht op de voet van artikel 67f AWR een vergrijpboete van € 950 is opgelegd omdat het aan grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de af te dragen dividendbelasting niet tijdig is betaald.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. De Inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het ingestelde hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en ongegrondverklaring van het beroep tegen de uitspraak op bezwaar. Belanghebbende concludeert tot ongegrondverklaring van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep en tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1. Het ingevolge artikel 67f AWR beboetbare vergrijp betreft het opzettelijk of met grove schuld niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn betalen van belasting, waaronder moet verstaan zowel de situatie waarin de belasting geheel of gedeeltelijk niet is betaald als de situatie waarin de belasting te laat is betaald.

4.2. Ingevolge artikel 19, lid 3, AWR had de verschuldigde, af te dragen dividendbelasting moeten zijn betaald uiterlijk op 17 mei 2007. Het bedrag van de dividendbelasting is bijgeschreven op de rekening van de belastingdienst op 31 mei 2007.

4.3. Bij een te late betaling heeft de Inspecteur de bevoegdheid om een verzuimboete of een vergrijpboete op te leggen. De Inspecteur heeft in casu een vergrijpboete in de zin van artikel 67f AWR opgelegd omdat het aan grove schuld van belanghebbende zou zijn te wijten dat de af te dragen dividendbelasting niet tijdig is betaald. Gelet op het vermoeden van onschuld rust de bewijslast dat sprake is van grove schuld op de Inspecteur.

4.4. Als gronden voor grove schuld heeft de Inspecteur aangevoerd dat de informatie omtrent betaling dermate duidelijk op het aangiftebiljet dividendbelasting is vermeld en dat het veronachtzamen van deze informatie - met als gevolg het niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn betalen - valt aan te merken als grofschuldig nalatig handelen. Daarenboven heeft de Inspecteur de navolgende feiten en omstandigheden genoemd:

- gemachtigde heeft de directeur van belanghebbende, de heer A, gewezen op het feit dat de verschuldigde dividendbelasting uiterlijk op 17 mei 2007 diende te zijn bijgeschreven op de bankrekening van de belastingdienst;

- de heer A heeft met het indienen van de aangifte niet gelijktijdig de betalingshandeling verricht;

- de heer A heeft verzuimd om een kopie te maken van het aangiftebiljet dan wel de relevante betalingsgegevens op enigerlei wijze te registeren.

4.5. Belanghebbende betwist dat er sprake is van grove schuld. Nadat belanghebbende erachter kwam dat zij de betalingsgegevens niet meer had heeft zij echter onverwijld actie ondernomen om deze gegevens te achterhalen. Daarenboven wijst belanghebbende op de geringe overschrijding van de betalingstermijn en het feit dat het de eerste keer is dat belanghebbende een betalingsverzuim heeft.

4.6. Vaststaat dat belanghebbende niet in staat was tijdig de verschuldigde dividendbelasting over te maken aangezien zij door eigen nalatigheid niet meer over de betalingsgegevens beschikte. De Inspecteur klaagt in hoger beroep dat de Rechtbank bij het bepalen van de mate van verwijtbaarheid (de schuldkwalificatie) belang heeft toegekend aan de omstandigheid dat belanghebbende terstond nadat zij had vastgesteld niet meer over de benodigde betaalgegevens te beschikken, onverwijld actie heeft ondernomen deze gegevens te achterhalen. De Inspecteur stelt in hoger beroep, dat deze actie van belanghebbende eerst plaatsvond nadat de beboetbare gedraging (te weten: het niet-tijdig betalen) zich had voorgedaan, en dat handelingen die nadien plaatsvinden geen invloed (meer) kunnen uitoefenen op de schuldkwalificatie. Deze stelling mist echter feitelijke grondslag. De Inspecteur heeft reeds in zijn verweerschrift bij de Rechtbank, pagina 8, aangevoerd dat belanghebbende "enkele dagen voor de fatale zeventiende mei de relevante betalingsgegevens bij de gemachtigde heeft opgevraagd". Belanghebbende heeft eveneens gesteld dat zij de gegevens, voordat de beboetbare gedraging een feit was, heeft opgevraagd. Dit feit staat dus vast. Belanghebbende heeft derhalve actie ondernomen vóórdat de beboetbare gedraging heeft plaatsgevonden.

4.7. Voor het opleggen van een vergrijpboete in de zin van artikel 67f AWR is vereist dat de belastingplichtige een fout heeft begaan die als grove schuld moet worden aangemerkt. In casu is de vraag of belanghebbende grove schuld heeft aan het niet tijdig betalen van de verschuldigde en af te dragen dividendbelasting.

4.8. Grove schuld in vorenbedoelde zin is een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid en omvat mede grove onachtzaamheid, waarbij gedacht kan worden aan laakbare slordigheid of ernstige nalatigheid. Alleen indien belanghebbende dermate lichtvaardig gehandeld zou hebben dat sprake is van een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid kan een vergrijpboete in de zin van artikel 67f AWR worden opgelegd.

4.9. Uit de onder 4.4 door de Inspecteur genoemde feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat belanghebbende enig verwijt kan worden gemaakt en haar enig lichtvaardig handelen kan worden aangerekend. Naar het oordeel van het Hof is dit handelen of nalaten, hoewel belanghebbende ter zake enig verwijt kan worden gemaakt, niet dermate lichtvaardig dat sprake is van een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid. Voor zover de Inspecteur heeft bedoeld, dat belanghebbende, hoewel zij voor of op de 17de mei een aanvang nam met haar acties die uiteindelijk tot betaling zouden leidden, deze acties met onvoldoende voortvarendheid heeft voortgezet, nu de betaling langer dan noodzakelijk was op zich heeft laten wachten nadat de 17de mei was verstreken, overweegt het Hof als volgt. Uitgaande van het onder 4.6 vermelde feit dat belanghebbende vóór 17 mei 2007 de betalingsgegevens bij de gemachtigde heeft opgevraagd wijst de betaling op 31 mei 2007, mede gelet op het feit dat donderdag 17 mei 2007 Hemelvaartsdag betrof en maandag 28 mei 2007 Tweede Pinksterdag, er niet op dat de verstrekking van betalingsgegevens door de gemachtigde onredelijk lang heeft geduurd of dat belanghebbende, na ontvangst van die gegevens, onredelijk lang met de betaling heeft getalmd.

4.10. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van belanghebbende, is het hoger beroep van de Inspecteur ongegrond en dient de uitspraak van de Rechtbank te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.11. Nu de uitspraak van de Rechtbank in stand blijft, wordt ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep een griffierecht geheven van € 448.

Ten aanzien van de proceskosten

4.12. Nu het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep ongegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.13. Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een integrale kostenvergoeding. De redenen welke belanghebbende hiervoor aanvoert zijn de heldere, duidelijk en goed gemotiveerde uitspraak van de Rechtbank en de omstandigheid dat belanghebbende door het hoger beroep financieel onevenredig hard wordt getroffen.

4.14. Als uitgangspunt voor de vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende bijstand geldt dat de hoogte van de vergoeding wordt berekend met inachtneming van de forfaitaire normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). Artikel 2, lid 3, van het Besluit, biedt de mogelijkheid om "in bijzondere omstandigheden" af te wijken van de in het Besluit opgenomen forfaitaire normen.

4.15. Voor een toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit is grond indien het bestuursorgaan (in casu de Inspecteur) het verwijt treft dat hij een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een (de) daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (zie Hoge Raad van 13 april 2007, nummer 41.235, BNB 2007/260). Naar het oordeel van het Hof kan niet gezegd worden dat de Inspecteur, mede gelet op de aard van de boete waarbij in het bijzonder inzake de strafmaat een grote beoordelingsvrijheid toekomt aan de belastingrechter, een verwijt treft in vorenbedoelde zin.

4.16. Aan de door belanghebbende genoemde omstandigheid dat hij door het hoger beroep financieel onevenredig hard wordt getroffen kan, op zich zelf en zonder nadere onderbouwing, in dezen evenmin de gevolgtrekking worden verbonden dat sprake is van een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 2, lid 3, van het Besluit.

4.17. Nu er geen andere feiten of omstandigheden zijn gebleken, waaraan de gevolgtrekking kan worden verbonden dat sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, lid 3, van het Besluit, is er geen grond voor afwijking van het bepaalde in artikel 2, lid 1, van het Besluit.

Het Hof stelt de te vergoeden proceskosten vast op 2 (punten) x € 322 (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) is € 966 voor beroepsmatig verleende bijstand.

5. Beslissing

Het Hof

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank

- bepaalt dat door tussenkomst van de griffier van de Staat ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep een griffierecht wordt geheven van € 448, en

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 966 voor beroepsmatig verleende bijstand.

Aldus gedaan op: 2 juli 2010 door P. Fortuin, voorzitter, W.E.M. van Nispen tot Sevenaer en W.A. Sijberden, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.