Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BO1892

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-07-2010
Datum publicatie
27-10-2010
Zaaknummer
09/00319
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

RDW kan geen vertrouwen wekken ten aanzien van heffing BPM

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-2539
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Derde meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 09/00319

Uitspraak op het hoger beroep van

De heer X,

wonende te Y,

hierna: belanghebbende

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 20 mei 2009, nummer AWB 08/3011 in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen naheffingsaanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer 000000.0000/0.0000 een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd ten bedrage van € 11.049 aan belasting. Tegelijkertijd is, in één geschrift verenigd met de naheffingsaanslag, bij voor bezwaar vatbare beschikking een boete opgelegd van € 2.762. Na tegen de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij in één geschrift verenigde uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd en de boetebeschikking vernietigd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 223. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht hebben partijen voor de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.5. De zitting heeft plaatsgehad op 19 mei 2010 te 's-Hertogenbosch. Aldaar is toen verschenen en gehoord, belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.6. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.7. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.8. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1. Belanghebbende is sinds 22 december 2006 houder van een auto, merk en type A type B, VIN-nummer 0XXXX00X00X000000, voorzien van een zogenoemd grijs kenteken XX-XX-00 (hierna: de auto). Op 6 april 2007 is de auto te C-straat te Y gecontroleerd door ambtenaren van de rijksbelastingdienst. Daarbij is geconstateerd dat belanghebbende op die datum gebruik maakte van de openbare weg. Tevens is geconstateerd dat een achterbank in de laadruimte achter de bestuurders- en bijrijderszitplaats was aangebracht.

2.2. Belanghebbende heeft de auto, met achterbank, ter keuring bij de rijksdienst voor het wegverkeer (hierna: RDW) aangeboden dan wel laten aanbieden. Daar is belanghebbende medegedeeld dat de auto met achterbank niet als bedrijfs- of vrachtauto kon worden aangemerkt, maar dat deze dan als personenauto zou worden aangemerkt. Daarop heeft de autohandelaar, D, de achterbank verwijderd en - op aanraden van de Inspecteur - de bevestigingspunten van de achterbank zodanig afgedekt dat het terugplaatsen van de achterbank niet zonder meer mogelijk was.

2.3. Op 18 december 2006 heeft D de auto, zonder achterbank en met afgedekte bevestigingspunten, ter keuring aangeboden bij de RDW en het naastgelegen BPM-aangiftepunt van de Inspecteur. Op deze datum heeft D aangifte BPM gedaan. Op 22 december 2006 is het kentekenbewijs afgegeven, waarop onder meer staat vermeld dat het gaat om een bedrijfsauto en dat het aantal maximum zitplaatsen 5 is.

2.4. D heeft de auto op 22 december 2006 aan belanghebbende afgeleverd. Nadien heeft belanghebbende D verzocht de achterbank terug te plaatsen. In de brief van 24 oktober 2007 verklaart D dat belanghebbende tijdens de aflevering opviel dat op het kentekenbewijs 5 zitplaatsen vermeld waren en dat het terugplaatsen op volledige verantwoording van belanghebbende is geschied.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

I. Is terecht nageheven omdat op 6 april 2007 de auto was ingericht voor het vervoer van personen als bedoeld in artikel 3, lid 1, aanhef, onder c van de Wet op de belasting van personenauto's van motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM)?

II. Dient de naheffingsaanslag te worden vernietigd op grond van bij belanghebbende in rechte te honoreren opgewekt vertrouwen?

III. Had voor belanghebbendes situatie, mede gelet op artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), herstelbeleid moeten worden gemaakt?

IV. Dient de naheffingsaanslag te worden vernietigd wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 3:4, lid 2 van de Awb?

V. Dient de naheffingsaanslag te worden vernietigd op grond van strijd met het gelijkheidsbeginsel?

VI. Dient de naheffingsaanslag te worden vernietigd op grond van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR)?

Belanghebbende is van mening dat vraag I ontkennend moeten worden beantwoord en de overige vragen bevestigend. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen partijen hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, alsmede van de uitspraak op bezwaar en van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

Vraag I

4.1. Vaststaat, dat op 6 april 2007 de achterbank in de laadruimte achter bestuurders- en bijrijderszitplaats was geplaatst, zodat er 5 zitplaatsen beschikbaar waren, waarvan 3 in de laadruimte.

4.2. Daaruit volgt, dat de auto was ingericht voor het vervoer van personen als bedoeld in artikel 3, lid 1, aanhef, onderdeel c van de Wet BPM. Op grond van artikel 1, lid 3 van de Wet BPM in samenhang met artikel 6 van de Wet BPM had belanghebbende aangifte moeten doen voor de BPM. Nu hij dit niet heeft gedaan kon de Inspecteur overgaan tot naheffing bij belanghebbende op de voet van artikel 12a van de Wet BPM.

4.3. Uit het vorenstaande volgt, dat beoordeeld naar de wettelijke bepalingen de Inspecteur terecht heeft nageheven.

4.4. Vraag I moet bevestigend worden beantwoord.

Vraag II

4.5. Belanghebbende heeft zich beroepen op door de RDW gewekt vertrouwen.

4.6. Volgens bestendige jurisprudentie geldt als hoofdregel, dat de Belastingdienst niet gebonden is aan uitlatingen door andere overheidsorganen. Bijzondere omstandigheden kunnen evenwel een inbreuk op deze hoofdregel rechtvaardigen. Als een bijzondere omstandigheid geldt blijkens het arrest van de Hoge Raad 23 maart 1994, nr. 28.925, BNB 1994/145, de situatie waarin het andere overheidsorgaan mede betrokken is bij de uitvoering van de belastingwet. In zijn arrest van 5 januari 2000, nr. 34 689, BNB 2000/81, besliste de Hoge Raad evenwel, dat uitlatingen door een ambtenaar van een ander orgaan niet leiden tot een door de Belastingdienst te respecteren vertrouwen, indien die uitlatingen niet werden gedaan in het kader van de controle op de naleving van de belastingwet.

Naar het oordeel van het Hof doen zich geen bijzondere omstandigheden voor als zojuist omschreven. De stelling van belanghebbende dat de RDW tevens de fiscale kwalificatie bepaalt is door de Inspecteur gemotiveerd weersproken. De Inspecteur heeft, door belanghebbende onweersproken, gesteld dat het keuringspunt van de RDW en het BPM-aangiftepunt naast elkaar zijn gelegen en dat op beide respectievelijke punten de RDW en de Inspecteur zelfstandig hun keuringen verrichten. Naar het oordeel van het Hof kan aldus niet gezegd worden dat de RDW mede betrokken is bij de uitvoering van de belastingwet, noch dat bij belanghebbende die indruk is gewekt. Het enkele feit dat de RDW het kentekenbewijs afgeeft, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

4.7. Bovendien mist het door belanghebbende gedane beroep op door de RDW gewekt vertrouwen feitelijke grondslag, omdat belanghebbende tijdens het onderzoek ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard dat de RDW hem heeft medegedeeld dat de auto met achterbank door de RDW als personenauto zou worden aangemerkt en niet als bedrijfs- of vrachtauto.

4.8. Vraag II dient ontkennend te worden beantwoord.

Vraag III

4.9. Belanghebbende heeft gesteld dat de Inspecteur gehouden zou zijn ook voor zijn situatie herstelbeleid te bieden zoals het beleid dat per 1 oktober 2006 neergelegd is in de Leidraad BPM 2006 (Staatscourant 2006, 185).

4.10. Geen rechtsregel dwingt de Staatssecretaris van Financiën om herstelbeleid te maken anders dan neergelegd is in de Leidraad BPM 2006.

4.11. Vraag III dient ontkennend te worden beantwoord.

Vraag IV

4.12. Ingevolge artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk (Stb. 1822, 10 en Stb. 1829, 28) heeft het Hof niet de bevoegdheid de innerlijke waarde of billijkheid van de Wet BPM te toetsen. Het beroep van belanghebbende op artikel 3:4, lid 2 van de Awb faalt, omdat de Inspecteur geen beleidsruimte toekomt af te wijken van de in de Wet BPM vastgelegde bepalingen omtrent belastbaar feit en verschuldigd tarief.

4.13. Vraag IV dient ontkennend te worden beantwoord.

Vraag V

4.14. D heeft de auto zonder achterbank ter keuring aangeboden bij de RDW en het BPM-aangiftepunt. Derhalve faalt het beroep op het gelijkheidsbeginsel, omdat in de gevallen waaraan belanghebbende refereert de auto's met extra zitplaatsen waren uitgerust en desondanks de RDW die auto's als bedrijfs- of vrachtauto heeft aangemerkt. Belanghebbendes geval is dan ook niet aan die gevallen gelijk.

4.15. Vraag V dient ontkennend te worden beantwoord.

Vraag VI

4.16. Het Hof overweegt dat de in artikel 63 van de AWR bedoelde bevoegdheid om voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard welke zich bij de toepassing van de belastingwet mochten voordoen, niet toekomt aan de belastingrechter, maar is voorbehouden aan de Minister van Financiën (vergelijk onder meer: het arrest van de Hoge Raad van 7 maart 1956, nummer 12 669, onder meer gepubliceerd in BNB 1956/134, van 11 mei 1977, nummer 18 128, onder meer gepubliceerd in BNB 1977/141 en van 29 maart 2002, nummer 36 513, onder meer gepubliceerd in BNB 2002/174).

4.17. Vraag V dient ontkennend te worden beantwoord.

Slot

4.18. Alle overige stellingen van belanghebbende leiden niet tot een ander oordeel.

Slotsom

4.19. Uit al het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. De uitspraak van de Rechtbank moet dan ook worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.20. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.21. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op: 2 juli 2010 door P. Fortuin, voorzitter, W.E.M. van Nispen tot Sevenaer en W.A. Sijberden, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.