Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BO1891

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-07-2010
Datum publicatie
27-10-2010
Zaaknummer
08/00096
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Melding niet tijdig: geen recht op energie- en milieu-investeringsaftrek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/58.1.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Derde meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 08/00096

Uitspraak op het hoger beroep van

mevrouw X,

wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 7 december 2007, nummer AWB 07/1827, in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen navorderingsaanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is onder nummer 0000.00.000.H.17 over het jaar 2001 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.591, alsmede bij beschikking een boete van € 4.201. Ter zake van deze aanslag heeft de Inspecteur belanghebbende bij beschikking € 612 heffingsrente in rekening gebracht.

De aanslag en de beschikkingen zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39.

Bij mondelinge uitspraak van 7 december 2007 heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit hoger beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 106.

De Inspecteur heeft geen verweerschrift ingediend.

1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 23 oktober 2009 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5. De Inspecteur en belanghebbende hebben beiden te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.6. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.7. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1. Belanghebbende dreef in 2001 tezamen met haar echtgenoot, de heer A, onder de naam B een onderneming (hierna: B).

2.2. Belanghebbende en haar echtgenoot hebben in 2001 in verband met de nieuwbouw van B onder andere de volgende investeringen gedaan: een modulerende brander, een regenwaterinstallatie, energieschermen, HR-glas en een verlichtingsmanagementsysteem (hierna: de investeringen).

2.3. C B.V. te D heeft bij een op 30 mei 2001 gedagtekende brief de opdracht voor de nieuwbouw van B bevestigd. Deze opdrachtbevestiging met nr. 00000, is door belanghebbende en haar echtgenoot ondertekend.

2.4. Op of omstreeks 20 juli 2001 heeft C B.V. onder nr. 00000B een gewijzigde offerte voor de nieuwbouw van B uitgebracht.

2.5. C B.V. heeft op 27 juli 2001 ten behoeve van de nieuwbouw van B een modulerende brander besteld. De brander is - na de nodige aanpassingen - door belanghebbende en haar echtgenoot in gebruik genomen.

2.6. C B.V. heeft bij een op 27 september 2001 gedagtekende brief de gewijzigde opdracht voor de nieuwbouw van B bevestigd. Deze opdrachtbevestiging met nr. 00000B is door belanghebbende en haar echtgenoot ondertekend.

2.7. De opdrachtbevestiging met nr. 00000B is in de administratie van C B.V. op 20 juli 2001 aangemaakt onder de naam "00000B A 20-7 gewijzigd". Het bestand is nadien gewijzigd, voor het laatst op 16 oktober 2001.

2.8. In een brief van 3 oktober 2001 van C B.V. aan het Instituut voor Tuincentra te E is onder andere het volgende opgemerkt:

"Bijgaand treft u hierbij aan de onderdelen met de nummers van de VAMIL en EIA, welke voorkomen in het projekt "B", en welke mogelijk in aanmerking komen voor subsidieaanvraag bij Senter.

Tevens voegen wij een kopie van de opdrachtbevestiging bij, en de bedragen welke behoren bij de genoemde onderdelen.

Er dient opgemerkt te worden dat de aanvraag "Binnen 3 maanden na ondertekening van de opdrachtbevestiging" binnen moet zijn bij H, aangezien de vrijgave van de werkelijke uitvoering van het projekt enige vertraging heeft opgelopen, kunnen we indien nodig een gedateerd voor- en achterblad toezenden (dit is reeds besproken met A)."

2.9. Bij brief van 5 november 2001 heeft belanghebbende de investeringen gemeld bij het bureau Investeringsregelingen en willekeurige afschrijvingen (hierna: het Bureau IRWA). Zij heeft daarbij 3 oktober 2001 als investeringsdatum vermeld. De brief is op 15 november 2001 door het Bureau IRWA ontvangen.

2.10. In verband met de investeringen heeft belanghebbende in haar aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2001 een bedrag van € 29.756 aan energie-investeringsaftrek en een bedrag van € 2.864 aan een milieu-investeringsaftrek opgenomen.

2.11. Met dagtekening 10 december 2002 is aan belanghebbende over het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd conform de ingediende aangifte.

2.12. De Inspecteur heeft op 29 september 2003 een boekenonderzoek bij belanghebbende en haar echtgenoot ingesteld. In het ter zake van dit boekenonderzoek opgestelde rapport van 8 januari 2004 is het volgende opgemerkt:

"De heer A beaamde dat er geschoven was met de investeringsdatum. (...) Naderhand verklaarde de heer A dat de enige juiste investeringsdatum 3 oktober 2001 was. Met betrekking tot de investering in de brander verklaarde de heer A dat hij deze niet had besteld. Op mijn vraag waarom hij deze dan toch liet installeren, werd geen antwoord gegeven."

2.13. De Inspecteur heeft naar aanleiding van de uitkomsten van het boekenonderzoek de onderhavige navorderingsaanslag en boetebeschikking opgelegd. Hij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat belanghebbende ter zake van de investeringen geen recht heeft op energie-investeringsaftrek en milieu-investeringsaftrek, aangezien zij de investeringen niet tijdig heeft gemeld bij het bureau IRWA, alsmede dat zij willens en wetens onjuist aangifte heeft gedaan. Ter zitting heeft de Inspecteur uitdrukkelijk verklaard dat de aan belanghebbende opgelegde boete kan vervallen.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

Heeft belanghebbende voor het jaar 2001 recht op energie-investeringsaftrek en milieu-investeringsaftrek?

Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraken van de Inspecteur, de navorderingsaanslag, de boetebeschikking en de heffingsrentebeschikking. De Inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak van de Inspecteur op het bezwaar betreffende de boetebeschikking en de boetebeschikking.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1. Ter uitvoering van het bepaalde in onderscheidenlijk artikel 3.42, lid 6 en artikel 3.42a, lid 5, aanhef en onderdeel b van de Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst 2001) is in artikel 3 van de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001 (Stcrt. 18 december 2000, nr. 249, blz. 30) en in artikel 2 van de Meldingsregeling milieu-investeringsaftrek 2001 (Stcrt. 20 december 2000, nr. 250, blz. 20) bepaald dat een investering binnen drie maanden nadat de verplichting is aangegaan (de investeringsdatum), moet worden aangemeld. Indien deze termijn niet in acht wordt genomen, bestaat geen recht op energie-investeringsaftrek en milieu-investeringsaftrek.

4.2. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de investeringen niet tijdig zijn aangemeld, aangezien de verplichtingen uiterlijk op 20 juli 2001 zijn aangegaan, zodat de aanmeldingstermijn uiterlijk op 20 oktober 2001 is geëindigd. De Rechtbank heeft in dat verband overwogen dat zij aannemelijk acht dat als investeringsdatum uiterlijk 20 juli 2001 heeft te gelden omdat de opdrachtbevestiging uiterlijk op die datum tot stand is gekomen.

4.3. In zoverre het hoger beroep zich tegen dit oordeel richt, faalt het. Het Hof is eveneens van oordeel dat belanghebbende - tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur - niet erin is geslaagd aannemelijk te maken dat zij de verplichtingen na 20 juli 2001 is aangegaan. Het Hof neemt daarbij, evenals de Rechtbank heeft gedaan, in aanmerking dat niet aannemelijk is dat de modulerende brander door C B.V. op 27 juli 2001 is besteld zonder dat daaraan een opdrachtbevestiging van belanghebbende en haar echtgenoot ten grondslag heeft gelegen.

Ten aanzien van het griffierecht

4.4. Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 39 respectievelijk € 107 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.5. Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.6. Daarbij wordt uitgegaan van vier samenhangende zaken waarin belanghebbenden geheel of gedeeltelijk in het gelijk zijn gesteld. Dit betreft twee zaken ten name van de heer A, kenmerk 08/00098 en 08/00099 en twee zaken ten name van mevrouw X, kenmerk 08/00096 en 08/00097.

4.7. Het Hof stelt de kosten van het beroep bij de Rechtbank, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 322 (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) is € 966.

4.8. Het Hof stelt de kosten van het hoger beroep bij het Hof, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 322 (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) is € 966.

4.9. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

4.10. Het Hof zal in deze zaak en in elk van de overige hiervóór genoemde zaken een proceskostenvergoeding toekennen van € 483.

Slotsom

4.11. Uit al het vorenoverwogene volgt dat beslist moet worden als hierna vermeld.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep gegrond

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, voor zover deze de boetebeschikking betreft;

- verklaart het tegen de uitspraken van de Inspecteur op het bezwaar tegen de aanslag en de heffingsrentebeschikking ingestelde beroep ongegrond;

- verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur op het bezwaar tegen de boetebeschikking ingestelde beroep gegrond;

- vernietigt de boetebeschikking;

- gelast dat de Staat aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 146 vergoedt, en

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 483.

Aldus gedaan op 2 juli 2010 door N. van Beelen, voorzitter, P.A.G.M. Cools en W.A. Sijberden, leden, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.