Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BO1884

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-07-2010
Datum publicatie
27-10-2010
Zaaknummer
09/00559
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar vrijgestelde Nato-inkomsten genoten en betwist de stelling van de inspecteur dat deze inkomsten wel moeten worden meegenomen in de drempel van artikel 6:24, lid 2, Wet IB 2001. Het Hof verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2002, nr 36165, BNB 2003/29 waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat artikel 13 van het Protocol geen voorkeursbehandeling voorschrijft voor de betrokken personen. De vrijstelling van artikel 13 is, zo oordeelt het Hof, dus geen absolute vrijstelling, en met de inspecteur is het Hof dan ook van oordeel dat de Navo-inkomsten meetellen bij genoemde drempel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-2570
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Tweede meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 09/00559

Uitspraak op het hoger beroep van

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

en op het incidentele hoger beroep van

mevrouw X, wonende te Y,

hierna: belanghebbende

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 4 september 2009, nummer AWB 09/59, in het geding tussen

belanghebbende

en

de Inspecteur

betreffende na te noemen aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2005 een aanslag in

de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: de aanslag) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 9.244. Het bezwaarschrift gericht tegen de aanslag is door de Inspecteur ontvangen op 7 december 2007.

Bij uitspraak van de Inspecteur van 5 februari 2009 is de aanslag gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen de fictieve afwijzing op het bezwaarschrift op 7 januari 2009 in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van

€ 39.

Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.718.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. De Inspecteur heeft het incidenteel hoger beroep beantwoord.

1.5. Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6. De zitting heeft plaatsgehad op 10 juni 2010 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.7. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

1.8. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

" 2.1. Belanghebbende was in het onderhavige jaar werkzaam bij A (hierna: werkgever), een militair hoofdkwartier van de NAVO. Tussen partijen is niet in geschil dat het door belanghebbende van werkgever ontvangen salaris is vrijgesteld van belastingheffing.

2.2. Belanghebbende heeft in haar aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2005 een inkomen uit sparen beleggen aangegeven van € 9.422 (Hof lees: € 9.244) alsmede een bedrag aan buitengewone uitgaven van € 7.483. Bij het bepalen van de omvang van de voor aftrek in aanmerking te nemen buitengewone uitgaven heeft belanghebbende de drempel als bedoeld in artikel 6.24, tweede lid, van de Wet IB 2001 (de drempel) becijferd op 11,2% van € 9.422 (Hof lees: € 9.244) zijnde € 1.055 (Hof lees: € 1035).

2.3. Bij het vaststellen van de aanslag is de inspecteur in zoverre van de aangifte afgeweken dat hij voor de berekening van de drempel als inkomen van de werkgever een bedrag van € 50.000 heeft opgeteld bij het door belanghebbende in aanmerking genomen inkomen. De inspecteur heeft de drempel aldus becijferd op € 6.020."

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of bij de berekening van de drempel als bedoeld in artikel 6.24, lid 2, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB 2001; tekst 2005) het door belanghebbende van de werkgever ontvangen salaris in aanmerking dient te worden genomen.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. De Inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van zijn hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vermindering van de aanslag met € 68 arbeidskorting en vermindering van de heffingsrente tot een bedrag van € 71.

Belanghebbende concludeert in het incidenteel hoger beroep, primair, tot ongegrondverklaring van het hoger beroep van de Inspecteur en gegrondverklaring van belanghebbendes incidenteel hoger beroep, vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en van de Inspecteur en van de aanslag.

4. Gronden

4.1. In zijn arrest van 27 september 2002, nr. 36 165, BNB 2003/29, heeft de Hoge Raad onder meer geoordeeld:

"3.5. Het lijdt echter geen twijfel, gezien de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, dat artikel 13 van het Protocol daartoe niet noopt. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie beperkt artikel 13 van het Protocol de fiscale soevereiniteit van de lidstaten in dier voege, dat het elke nationale belasting verbiedt, ongeacht haar aard of de wijze waarop zij wordt geheven, die tot gevolg heeft dat de ambtenaren en overige personeelsleden van de Europese Gemeenschappen direct of indirect worden belast op grond van de bezoldiging die zij van de Europese Gemeenschappen ontvangen, ook al wordt de betrokken belasting niet naar rato van deze bezoldiging berekend (arrest van 24 februari 1988, Commissie/België, zaak 260/86, Jur. blz. 955, punt 10, arrest van 22 maart 1990, Tither, zaak C-333/88, Jur. blz. 1133, punt 12, arrest van 25 mei 1993, Kristoffersen, zaak C-263/91, Jur. blz. I-2755, punt 14, en arrest van 14 oktober 1999, Vander Zwalmen, nr. C-229/98, Jur. blz. I-7113, punt 24). Echter, de bepaling schrijft geen voorkeursbehandeling van de betrokken personen voor. Zij verlangt enkel dat, wanneer de betrokken personen aan bepaalde belastingen zijn onderworpen, zij in aanmerking moeten komen voor elk belastingvoordeel waarop belastingplichtigen normaal recht hebben, zulks om te vermijden dat zij zwaarder zouden worden belast (arrest Vander Zwalmen, punt 25).

In het arrest Vander Zwalmen, dat betrekking heeft op de Belgische regeling inzake het huwelijksquotiënt, heeft het Hof van Justitie daarom uitgesproken (punt 29) dat artikel 13 van het Protocol zich niet ertegen verzet dat een lidstaat die een belastingverlichting toekent aan gezinnen met één inkomen of met twee inkomens waarvan het tweede lager is dan het geïndexeerde bedrag van 270 000 BEF, dit voordeel ontzegt indien één der echtgenoten de hoedanigheid bezit van ambtenaar of ander personeelslid van de Europese Gemeenschappen en zijn salaris hoger is dan genoemd bedrag."

4.2. Het Hof sluit bij deze overweging van de Hoge Raad aan. De vrijstelling in artikel 13 van het Protocol is geen absolute vrijstelling in die zin dat het door de NAVO betaalde salaris in het geheel buiten beschouwing blijft bij het bepalen van de door een belastingplichtige verschuldigde nationale belasting.

Met de Inspecteur is het Hof dan ook van oordeel dat bij het bepalen van de buitengewone uitgaven als bedoeld in artikel 6.24, lid 2, van de Wet IB 2001 rekening moet worden gehouden met het inkomen van belanghebbende, ook al is dit vrijgesteld van belasting op grond van een verdrag.

4.3. Ter zitting zijn partijen het er over eens geworden, dat belanghebbende recht heeft op een arbeidskorting van € 68 en dat de heffingsrente wordt verminderd tot € 71.

4.4. Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep van de Inspecteur en het incidentele hoger beroep van belanghebbende gegrond.

Ten aanzien van het griffierecht

4.5. Gelet op het feit dat de uitspraak van de Rechtbank niet in stand blijft, is voor het heffen van griffierecht van de Inspecteur inzake het hoger beroep geen plaats.

Ten aanzien van de proceskosten

4.6. Belanghebbendes gemachtigde heeft ter zitting verklaard geen aanspraak te maken op vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep van de Inspecteur en het incidenteel hoger beroep van belanghebbende gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de proceskosten en het griffierecht;

- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

- vermindert de aanslag met een arbeidskorting van € 68, en

- vermindert de heffingrente tot een bedrag van € 71.

Aldus gedaan op 15 juli 2010 door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, J. Swinkels en V.M. van Daalen-Mannaerts, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.