Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BO1880

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-07-2010
Datum publicatie
27-10-2010
Zaaknummer
09/00309
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft zijn bus stilgezet op meerdere parkeervakken en verklaard dat hij , met draaiende motor, slechts door de bus was gelopen om enige kranten recht te leggen. Belanghebbende bestrijdt dat er sprake is van parkeren. Onder parkeren wordtverstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is om personen in - of uit te laten stappen of om onmiddellijk zaken te laden of te lossen. het Hof oordeelt dat er in casu sprake is van parkeren. belanghebbende stelt nog dat hij een parkeerverbod heeft overtreden, maar dat is volgens het Hof niet het geval: hij heeft slechts verzuimd de parkeerbelasting te voldoen. Hoger beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2010/1648
FutD 2010-2540
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector Belastingrecht

Tweede enkelvoudige Belastingkamer

Kenmerk: 09/00309

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X, wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Roermond (hierna: de Rechtbank) van 12 juni 2009, nummer AWB 08/424, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Z,

hierna: de verweerder,

betreffende na te noemen naheffingsaanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 24 januari 2008 een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting (nummer 00000000000000) opgelegd.

Na daartegen gemaakt bezwaar is bij uitspraak van de verweerder van 7 maart 2008 deze aanslag gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39.

Bij uitspraak van 12 juni 2009 heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 110.

De verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 29 april 2010 te 's-Hertogenbosch. Aldaar is toen verschenen en gehoord de verweerder.

In reactie op de op 15 maart 2010 aan partijen verzonden uitnodiging voor de zitting heeft belanghebbendes gemachtigde het Hof bij faxbericht van 24 maart 2010 laten weten dat hij niet ter zitting zal verschijnen en heeft hij het Hof toestemming verleend om zonder zitting op het hoger beroep te beslissen, indien de verweerder ook aangeeft niet te verschijnen. Een kopie van dit faxbericht is vervolgens bij brief van 26 maart 2010 naar de verweerder gestuurd.

De verweerder heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en een exemplaar daarvan overgelegd aan het Hof.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

De bus met het kenteken XX-XX-00 werd op 24 januari 2008 geparkeerd op de A-straat te Z, zijnde een door het college van Burgemeester en Wethouders aangewezen plaats voor betaald parkeren. Omdat de bus was geparkeerd zonder geldig parkeerkaartje is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is of de naheffingsaanslag in de parkeerbelasting terecht aan belanghebbende is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de verweerder bevestigend.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Belanghebbende heeft - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de Rechtbank niet heeft geoordeeld over de door hem aangevoerde motiveringsklachten en voorts dat de Rechtbank ten onrechte de naheffingsaanslag in stand heeft gelaten door te oordelen dat er in het onderhavige geval sprake is geweest van parkeren, omdat van de uitzonderingen van artikel 225, lid 2. van de Gemeentewet niet is gebleken.

3.3. Belanghebbende concludeert, naar het Hof verstaat, tot gegrondverklaring van zijn hoger beroep, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraak van de verweerder en van de naheffingsaanslag.

De verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4. Gronden

4.1. De Rechtbank heeft in zijn uitspraak van 13 oktober 2008 het volgende overwogen:

"2.3. Ingevolge artikel 225, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet kan in het kader van de parkeerregulering een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij de belastingverordening dan wel krachtens de belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze worden geheven.

2.4. Ingevolge het bepaalde in artikel 234 van de Gemeentewet, gelezen in samenhang met artikel 225 voornoemd, kan de gemeente onder meer parkeerbelasting heffen bij wege van voldoening op aangifte. De heffing en invordering geschieden op grond van artikel 231 Gemeentewet met toepassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen.

2.5. Op grond van artikel 20 van de AWR kan parkeerbelasting worden nageheven bij wege van een naheffingsaanslag, indien de belasting niet is betaald. De naheffingsaanslag kan niet worden opgelegd indien niet is voldaan aan de aangifteverplichting maar de verschuldigde belasting wel is voldaan.

2.6. In artikel 6, eerste lid, van de Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2007 (Hof: bedoeld zal zijn Verordening Parkeerbelastingen 2008) van de gemeente Z (de Verordening) is bepaald dat parkeerbelasting verschuldigd is bij de aanvang van het parkeren.

2.7. In artikel 8 van de Verordening is bepaald dat de aanwijzing van de plaats waar, het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van de belasting als genoemd in artikel 2, onderdeel a, mag worden geparkeerd in alle gevallen geschiedt door het college van burgemeester en wethouders bij openbaar te maken besluit.

2.8. Ingevolge artikel 3 van het gepubliceerde aanwijzingsbesluit betaald parkeren 2008, wordt als parkeerplaats waar tegen betaling van belasting als genoemd in artikel 2, onderdeel a, van de Verordening mag worden geparkeerd, de A-straat aangewezen.

2.9. Uit de hierboven aangehaalde bepaling volgt dat ter plaatse op donderdag 24 januari 2008 om 11:51 uur parkeerbelasting was verschuldigd. Onbestreden staat vast dat eiser geen parkeerbelasting heeft betaald.

2.10. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat geen parkeerbelasting was verschuldigd omdat er geen sprake was van parkeren omdat - zo begrijpt de rechtbank - eiser de bus niet heeft verlaten doch slechts van voor naar achter door de bus is gelopen om een paar kranten op te rapen en terug op de goede plek te leggen. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

2.11. Ingevolge artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet wordt onder parkeren verstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.

2.12. Onder verwijzing naar de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 24 maart 2004, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, LJN: A07625, is de rechtbank van oordeel dat nu eiser heeft aangevoerd dat hij met draaiende motor in meerdere parkeervakken heeft stilgestaan en voorts niet is gebleken dat hij tijdens het stilstaan personen onmiddellijk heeft laten in- en/of uitstappen dan wel onmiddellijk zaken geladen of gelost heeft, dit stilstaan dient te worden aangemerkt als parkeren in de zin van artikel 225, tweede lid van de Gemeentewet en artikel 1 van de Verordening.

2.13. Met betrekking tot de stelling van eiser dat er geen parkeerbelasting is verschuldigd maar dat er sprake is van het overtreden van een parkeerverbod, is de rechtbank van oordeel dat verweerder ter zitting terecht heeft opgemerkt dat het niet verboden is om te parkeren in de parkeervakken doch dat hiervoor slechts parkeerbelasting verschuldigd is.

2.14 Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder aan eiser op goede gronden een naheffingsaanslag heeft opgelegd."

4.2. Op grond van deze overwegingen heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

4.3. Het Hof is van oordeel, dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen.

Het Hof sluit in dezen aan bij hetgeen de Rechtbank in zijn uitspraak onder 2.3 tot en met 2.14 heeft overwogen.

4.4. Hetgeen belanghebbende in zijn beroepschrift in hoger beroep in samenhang met zijn beroepschrift in eerste aanleg aanvoert met betrekking tot de aanwezigheid van een chauffeur leidt niet tot een ander oordeel, nu niet beslissend is of een chauffeur aanwezig was, hetgeen overigens niet door de verweerder in twijfel wordt getrokken, en wat hij aan het doen was, maar of sprake was van parkeren.

4.5. Het vorenstaande brengt mee dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond moet worden verklaard.

Ten aanzien van het griffierecht

Het Hof is van oordeel, dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de verweerder aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof verklaart het hoger beroep ongegrond, en

bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 15 juli 2010 door P.J.M. Bongaarts, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.