Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BO1200

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-10-2010
Datum publicatie
20-10-2010
Zaaknummer
20-004975-08
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BT8951, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BT8951
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 287 Sr: De verdachte heeft zijn echtgenote op 26 mei 2007 te Boxtel van het leven beroofd door haar met een mes de keel door te snijden. Op grond van de uitkomsten van het technisch onderzoek verwerpt het hof de lezing van de verdachte dat hij na een worsteling op het slachtoffer is gevallen waarbij het mes per ongeluk haar keel is binnengedrongen. Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van doodslag en mishandeling tot een gevangenisstraf van 12 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-004975-08

Uitspraak : 20 oktober 2010

TEGENSPRAAK

PROMIS

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van

het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 15 december 2008 (LJN BG6739) met parketnummer 01-889040-07 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 01-840374-06 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [datum in 1965],

thans verblijvende in Huis van Bewaring De Boschpoort te Breda,

bij welk vonnis:

- de verdachte werd vrijgesproken van het ten laste gelegde onder 1 impliciet primair (moord) en onder 2 primair (poging tot zware mishandeling);

- de verdachte ter zake van het ten laste gelegde onder 1 impliciet subsidiair (doodslag) en onder 2 subsidiair (mishandeling) werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren met aftrek van voorarrest;

- aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging werd opgelegd, met het advies ex artikel 37b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht dat de terbeschikkingstelling dient aan te vangen na twee derde van de ten uitvoer te leggen gevangenisstraf;

- een mes (voorwerp met nummer 42 op de beslaglijst) werd verbeurd verklaard;

- de bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n) werd gelast van de voorwerpen met nummers 40, 41, 71, 72, 73, 74 en 75 op de beslaglijst;

- de teruggave aan de verdachte werd gelast van de overige in beslag genomen voorwerpen;

- de tenuitvoerlegging werd gelast van de voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht weken onder parketnummer 01-840374-06.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

- de verdachte ter zake van het ten laste gelegde onder 1 impliciet subsidiair (doodslag) en onder 2 primair (poging tot zware mishandeling) zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren met aftrek van voorarrest;

- aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging zal opleggen;

- een mes (voorwerp met nummer 42 op de beslaglijst) verbeurd zal verklaren;

- de bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n) zal gelasten van de voorwerpen met nummers 40, 41, 71, 72, 73, 74 en 75 op de beslaglijst;

- de teruggave aan de verdachte zal gelasten van de overige in beslag genomen voorwerpen;

- de tenuitvoerlegging zal gelasten van de voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht weken onder parketnummer 01-840374-06.

De verdediging heeft primair vrijspraak van het onder 1 en het onder 2 primair ten laste gelegde bepleit. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat aan de verdachte geen terbeschikkingstelling zal worden opgelegd.

Ten aanzien van het beslag en de vordering tot tenuitvoerlegging heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof komt tot een andere bewezenverklaring van het onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op 26 mei 2007, althans in de nacht van 25 op 26 mei 2007, althans op enig tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 25 mei 2007 tot en met 20 juni 2007, te Boxtel, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [A] van het leven heeft beroofd, door deze [A] meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp voorwerp, te steken en/of te snijden in de hals en/of de nek, althans in het lichaam;

2.

primair:

hij op of omstreeks 19 april 2007 te Boxtel ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [A] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet als bestuurder van een personenauto met dat voertuig hard is weggereden, althans is gaan rijden, terwijl [A] (deels) in deze personenauto plaats had genomen (op de passagiersstoel), althans terwijl [A] doende was plaats te nemen, en/of terwijl [A] (vervolgens) het portier van de personenauto vasthield, ten gevolge waarvan [A] een aantal meters is meegesleurd en vervolgens ten val is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:

hij op of omstreeks 19 april 2007 te Boxtel opzettelijk mishandelend als bestuurder van een personenauto met dat voertuig hard is weggereden, althans is gaan rijden, terwijl [A] (deels) in deze personenauto plaats had genomen (op de passagiersstoel), althans terwijl [A] doende was plaats te nemen, en/of terwijl [A] (vervolgens) het portier van de personenauto vasthield, ten gevolge waarvan [A] een aantal meters is meegesleurd en vervolgens ten val is gekomen, waardoor deze [A] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden (aan rechterelleboog/rechterarm en rechterbeen).

Bewijsmotivering

Feit 1: vastgestelde feiten en omstandigheden

Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, waarnaar in de voetnoten bij dit arrest wordt verwezen, stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

1. het aantreffen van het lichaam

Op 20 juni 2007 omstreeks 12.40 uur kregen de verbalisanten [V1] en [V2], in verband met klachten uit de buurt over stank en vliegen, de opdracht van het gemeenschappelijk meldcentrum om te rijden naar het adres [adres] te Boxtel. Omstreeks 12.45 uur betraden zij genoemd perceel. Nadat zij eerst in de (vermoedelijke) woonkamer hadden gekeken, waar veel dode vliegen op de vloer lagen, liepen zij naar de kamer aan het einde van de hal die haaks op de woonkamer staat. Toen [V1] de deur van die kamer opende, zagen zij op de vloer een persoon liggen die voor het grootste gedeelte onder een met bruinachtige vloeistof doordrenkte deken lag. Zij zagen alleen een arm onder de deken uitkomen. Verder zagen zij een bruinachtige vloeistof om de persoon liggen.

2. het technisch sporenonderzoek in de woning

Door de verbalisanten [V3], [V4] en [V5] werd op 20 juni 2007 omstreeks 13.35 uur in de woning [adres] te Boxtel een technisch sporenonderzoek ingesteld. Door [V4] en [V5] werd de situatie in de slaapkamer bekeken. Gezien de aangetroffen situatie, te weten het afgedekt zijn van het lichaam, de bloedspatten op de muren en op een tussendeur, gestold bloed rondom het slachtoffer en omgevallen meubilair, werd door hen aangenomen dat er mogelijk sprake was van een misdrijf.

Bij aanvang van het onderzoek werd het dekbed dat het slachtoffer bedekte verwijderd.

Het slachtoffer lag op de rug met de armen en benen gespreid. Het verkeerde in verregaande staat van ontbinding, waarbij skelettering was opgetreden. Op de vloer rechts naast het hoofd was een rode verkleuring zichtbaar, vermoedelijk veroorzaakt door bloed.

Rechts naast het hoofd van het slachtoffer stond een nachtkastje dat op zijn deur lag. De achterwand van het kastje was naar boven gericht. Hierop stond een televisietoestel.

Er werd een nader onderzoek ingesteld naar de goederen op en rondom het bed. De verbalisanten zagen dat een bloedspoor liep vanaf de plaats van het slachtoffer via de vloer aan de achterzijde van het bed en de vloer aan de raamzijde naar een kussen op de linkerbovenzijde van het bed. De situatie op het bed wordt daarbij omschreven gezien vanuit de richting van het voeteneinde in de richting van het hoofdeinde.

Op het bed lagen meerdere goederen. Aan de linkerzijde van het bed lag een deken. Bij het hoofdeinde aan de linkerzijde lag een kussen. Rechts naast het kussen lag een handtas. Op het kussen werden meerdere bloedsporen aangetroffen.

Nadat de deken was verwijderd, werd het dekbed op het bed zichtbaar.

De linkerzijde van het dekbed lag op het matras, zodanig dat een stuk van het matras zichtbaar was. Om het matras was een hoeslaken aangebracht. Op het hoeslaken van het matras aan de linkeronderzijde werd een bloedspoor aangetroffen. Dit bloedspoor was niet eerder zichtbaar, omdat daar de deken op had gelegen.

Nadat het dekbed van linksboven naar rechtsbeneden was teruggeslagen, zagen de verbalisanten een bloedspoor op het hoeslaken van het matras links naast het hoofdkussen.

Nadat het dekbad van het matras was verwijderd, zagen zij dat het bloedspoor dat al eerder zichtbaar was aan de linkeronderzijde doorliep tot aan het voeteneinde van het bed.

Bij onderzoek aan het kussen aangetroffen op de linkerbovenzijde van het matras, zagen de verbalisanten dat dit ernstig was besmeurd met gedroogd bloed. Nadat zij het kussen hadden omgekeerd, zagen zij op het hoeslaken een grote plas bloed met daarop een knipmes. Het mes was geopend en lag in het bloed. Het mes was aan beide zijden voorzien van een houten inleg. In deze inleg waren de letters “PvO” aangebracht. Het mes werd veiliggesteld, verpakt en voorzien van spoornummer slk1-07.

3. de sectie op het lichaam

Op 22 juni 2007 heeft F.R.W. van de Goot, forensisch patholoog bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), sectie verricht op het lichaam van het slachtoffer. Van dat onderzoek is door Van de Goot een deskundigenrapport opgemaakt met het onderwerp “Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood” d.d. 13 september 2007, NFI-zaaknummer 2007.06.22.032.

Dat rapport houdt - voor zover hier relevant - het volgende in.

“B.

(..)

2. Er was een botkerving ter plaatse van de Processus transversus aan de linker zijde van de 3e halswervel (een der wervel uitsteeksels).

3. Er was een botkerving nabij het Foramen van de Arteria Vertebralis aan de linker zijde (een structuur waar een der nekslagaders in verloopt) met in het verlengde daarvan op het wervellichaam zelf een derde kerving.

(..)

Bij sectie werd het ver ontbonden lichaam van een mens gezien (..). In samenwerking met de afdeling forensische antropologie kon worden vastgesteld dat het om een vrouw ging. (..)

Bij sectie was vooralsnog geen anatomische doodsoorzaak aanwijsbaar. Er waren evenwel duidelijke beschadigingen van met name de 3e halswervel (Sub B2 en B3). Dergelijke beschadigingen zouden kunnen optreden bij inwerking van uitwendig klievend geweld op de hals zoals bijvoorbeeld kan optreden bij het doorsnijden van de hals met een mes. Dergelijke letsels zouden het intreden van de dood zonder meer kunnen verklaren op basis van o.a. bloedverlies.”

4. het KIV-onderzoek aan de halswervels door het NFI

Aan de halswervels van het slachtoffer, veiliggesteld tijdens de gerechtelijke sectie, is nader onderzoek verricht door het NFI. Van dat onderzoek is door R. Pieterman een deskundigenrapport opgemaakt met het onderwerp “Een Kras- Indruk- en Vormsporenonderzoek lichaamsdelen, naar aanleiding van het aantreffen van een stoffelijk overschot in Boxtel, op 20 juni 2007” d.d. 21 november 2007, NFI-zaaknummer 2007.06.22.032.

Dat rapport houdt - voor zover hier relevant - het volgende in.

“De tijdens de gerechtelijke sectie veiliggestelde halswervels betreffen C1 (atlas), C2 (draaier), C3 en C4.

(..)

In de halswervels C1, C2 en C3 is microscopisch geen trauma aangetroffen.

(..)

In de halswervel C4 is aan de linker voorzijde van de hals van het slachtoffer een sharp force trauma aangetroffen. Dit trauma bestaat uit snijsporen, aangetroffen op verschillende plaatsen en in verschillende richtingen (..).

Als sporenveroorzaker van de snijsporen komt een mes in aanmerking.”

Door Pieterman is voorts een aanvullend deskundigenrapport opgemaakt met het onderwerp “Een aanvullend rapport op het rapport van 21 november 2007 betreffende een Kras- Indruk- en Vormsporenonderzoek aan gesepareerde lichaamsdelen, naar aanleiding van het aantreffen van een stoffelijk overschot in Boxtel op 20 juni 2007” d.d. 2 april 2008, NFI-zaaknummer 2007.06.22.032.

Dat rapport houdt - voor zover hier relevant - het volgende in.

“Tijdens een microscopisch onderzoek aan de halswervel C4 zijn op vier verschillende plaatsen snijsporen waargenomen. De breedte van de aangetroffen snijsporen A, B, C en D varieert van circa 0,7 tot 3,2 mm en de penetratiediepte daarvan varieert van circa 1,0 tot 2,2 mm. (..)

De scherprandige snijsporen in de halswervel C4 zijn aangetroffen op verschillende hoogten en geplaatst onder verschillende snijhoeken.”

5. het aangetroffen mes

Uit de hierna weergegeven verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg, bezien in samenhang met het hierna weergegeven deskundigenrapport, blijkt dat het mes, dat in de slaapkamer bij gelegenheid van het technisch sporenonderzoek in beslag werd genomen, aan de verdachte toebehoort.

“Het mes dat u mij toont (deskundigenrapport Kras- Indruk- en Vormsporen-onderzoek aan gesepareerde lichaamsdelen van R. Pieterman d.d. 21 november 2007) is het mes dat ik op het werk gebruikte (..).”

Kennelijk wordt met laatstgenoemd deskundigenrapport gedoeld op het hiervoor onder 4 genoemde deskundigenrapport van R. Pieterman d.d. 21 november 2007.

Dat rapport houdt - voor zover hier relevant - het volgende in.

“Onderzoeksmateriaal

(..)

Ontvangen van Technische Recherche Brabant-Noord

(..)

NFI-nummer TR-nummer Omschrijving

4.002 slkl-07 een mes, aangetroffen op het bed (..)

(..)

Het mes [4.002] is met behulp van een scharnierbeweging aan één zijde uitklapbaar. (..) Het deels houten mes toont aan een zijde drie initialen: “P v O”. Foto 4 toont het uitgeklapte mes [4.0002] (hof: hierna is in het rapport een foto van een mes opgenomen)

(..)

Het lemmet heeft een lengte van circa 8 cm en is aan beide zijden bebloed.”

Het hof overweegt volledigheidshalve dat op pagina 2 van dit deskundigenrapport (dossierpagina 1682) kennelijk abusievelijk wordt vermeld dat het mes met NFI-nummer 4.002 en TR-nummer slkl-07 is aangetroffen op het bed “en onder het daarop liggende slachtoffer”. Buiten twijfel staat - dit is door of namens de verdachte ook niet betwist - dat dit het mes is dat in de slaapkamer op het bed werd aangetroffen en dat het slachtoffer op de grond naast het bed werd aangetroffen.

6. het gezin van de verdachte

Uit de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Boxtel bleek dat de verdachte en zijn indertijd driejarige zoontje [B], geboren op [geboortedatum van B], woonachtig waren op het adres [adres] te Boxtel.

Voorts bleek uit navraag bij de gemeente Boxtel dat de verdachte op [datum in 2001] in het huwelijk is getreden met [A] , geboren op [geboortedatum van A].

7. de identificatie van het slachtoffer

Op 22 juni 2007 heeft [tandarts], tandarts-forensisch odontoloog, de gegevens van de tandstatus van [A] vergeleken met het gebit van het op 20 juni 2007 in de woning aan de [adres] aangetroffen slachtoffer. Van deze gebitsvergelijking is door [tandarts] een verklaring d.d. 27 juni 2007 opgesteld.

Deze verklaring houdt - voor zover hier relevant - het volgende in.

“Verklaring betreffende identificatie onbekend persoon d.d. 22 juni 2007, BPS nr. 07-187503

Hierbij verklaar ik, [tandarts], tandarts, vast beëdigd forensisch odontoloog (..) dat het onbekende lijk dat door mij ter identificatie op bovengenoemde datum werd onderzocht: mevr. [A] (het hof begrijpt: [A]), geb. [geboortedatum van A], betreft en wel om de volgende redenen:

Vergelijking op basis van PM en AM en de röntgenfoto’s gaf een identiek beeld m.b.t.:

Overeenkomst aanwezige restauraties

Overeenkomst röntgenfoto’s m.n. rotatie 45”

8. de aanwezigheid van de verdachte, het slachtoffer en [B] in de woning

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij in de avond/nacht van 25 op 26 mei 2007 thuiskwam van zijn werk. Over de daaropvolgende gebeurtenissen heeft hij als volgt verklaard.

“Ik ben thuis afgezet rond 24.00-01.00 uur. [A] en [B] lagen te slapen. Een Antilliaan kwam bij mij op bezoek. U zegt dat zijn naam [betrokkene] is. (..) [A] zag [betrokkene] en ging terug naar de slaapkamer. Ik heb geen ander bezoek gezien. (..) Toen [betrokkene] weg was, kwam [A] weer binnen. Zij vroeg wat hij hier deed. Ik zei dat zij daar niets mee te maken had. We kregen ruzie en zij schreeuwde. (..) Ik ging na 10 minuten toch maar even bij haar op de slaapkamer kijken.

(..)

De jongste rechter vraagt mij wie die nacht in mijn huis aanwezig zijn geweest. Dat waren [betrokkene], [B], [A] en ik.”

De verdachte heeft in de ochtend van 26 mei 2007 omstreeks 06.00-07.00 uur samen met [B] de woning verlaten nadat hij - in ieder geval in zijn beleving - had vastgesteld dat [A] was overleden. Zijn verklaring houdt dienaangaande het volgende in.

“Ik dacht dat zij al dood was. Hoe ik dat wist? Ik heb gezien dat zij dood was, ik keek. Toen ik het dekbed over haar heen trok, keek ik en voelde ik op haar borst en aan haar handen. Het dekbed over haar heen trekken was kort voordat ik wegging.”

9. de verklaringen van [C]

[C], een neef van de verdachte, heeft op 18 maart 2008 tegenover de Federale Gerechtelijke Politie te Verviers (België) de volgende verklaring afgelegd.

“Vraag: Voor alle duidelijkheid, wie is de persoon op foto 1 die u is getoond?

Antwoord: Dat is mijn neef [verdachte] (..).

Vraag: Kunt u ons iets vertellen over het gezin van [verdachte]?

Antwoord: (..) [verdachte] is getrouwd met [A] en heeft een kind, een jongen die [B] heet. (..)

Vraag: Volgens onze informatie staat het telefoonnummer [telefoonnummer van C] sinds 21 augustus 2006 op uw naam. Klopt het dat u dit telefoonnummer sinds die datum gebruikt?

Antwoord: Ja, dat klopt zeker, ik gebruik dit nummer sinds augustus 2006. (..)

Vraag: Uit het onderzoek is gebleken dat [verdachte] in mei 2007 het Nederlandse GSM-nummer [telefoonnummer van verdachte] gebruikte. De Nederlandse politie heeft vastgesteld dat [verdachte] op zaterdag 26 mei 2007, enkele uren na de dood van zijn vrouw, telefonisch contact heeft opgenomen met uw telefoonnummer [telefoonnummer van C]. (..)

De politie heeft vastgesteld dat [verdachte] tijdens deze telefoongesprekken uit Boxtel (..) is vertrokken en via Zuid-Limburg in uw richting is gereden. Kunt u ons vertellen wat de inhoud van deze gesprekken was?

Antwoord: Dat klopt, hij heeft contact met mij opgenomen, maar ik wist niet dat zijn vrouw dood was. Hij heeft mij alleen gezegd dat hij bij mij in Verviers op bezoek wilde komen. (..)

Vraag: (..) [Hoe is] de avond van zaterdag 26 mei 2007 tussen [verdachte] en u (..) verlopen?

Antwoord: (..) We hebben de hele avond in mijn appartement doorgebracht. (..) Toen ik aan het koken was, is mijn broer [broer] gekomen. (..)

Vraag: Heeft u tijdens de gesprekken geïnformeerd naar de echtgenote en de zoon van [verdachte]?

Antwoord: Hij vertelde dat het goed ging met zijn zoon [B], maar dat is alles. Volgens de Berberse (Riffijnse) cultuur en traditie worden er geen vragen gesteld over de vrouw van een genodigde.

(..)

Ik herinner mij nu dat er nog een 4e persoon in mijn appartement aanwezig was op de avond van zaterdag 26/05/2007. Dat was een vriend van mij uit Italië, zijn voornaam is [D]. (..) [D] heeft die zaterdagnacht ook in mijn appartement geslapen. (..)

Vraag: Waarover heeft [verdachte] zondag 27/05/2007 met u gesproken?

Antwoord: We zijn met de auto van [verdachte] naar het café “[café]” op de place du Martyr in Verviers gegaan. [verdachte] heeft (..) 4 of 5 biertjes gedronken, daarna zijn we teruggereden naar mijn appartement en (..) voor de flat gestopt. In de auto hebben we gepraat. Ik denk dat het door de alcohol kwam dat [verdachte] mij in vertrouwen begon te nemen en hij zei dat hij ruzie met zijn vrouw had gehad.

We spraken allebei in het Berber-Riffijns. Op dat moment kwam [D] en die is achterin de auto gaan zitten. [verdachte] vroeg of [D] Riffijns verstond. Ik zei van niet en op dat moment heeft [verdachte] tegenover mij bekend dat hij zijn vrouw had gedood. Ik ben toen (..) uitgestapt, ben naar het appartement gegaan, heb de tas van [verdachte] gepakt, ben weer naar beneden gegaan, heb de tas in de kofferbak gelegd en heb tegen hem gezegd dat hij direct moest vertrekken en zich moest gaan aangeven bij de Nederlandse politie. Ik was niet blij met hetgeen [verdachte] mij had verteld. [verdachte] zei toen dat het een grap was, dat het niet waar was, dat het een test was… Ik heb dat niet geaccepteerd. (..)

Vraag: Welke woorden heeft [verdachte] exact gebruikt om te zeggen dat zijn vrouw was overleden?

Antwoord: Hij heeft precies gezegd: “Ik heb ruzie gehad en heb mijn vrouw gedood.”

[C] heeft op 25 november 2008 een tweede verklaring afgelegd. Deze verklaring houdt - voor zover hier relevant - het volgende in.

“Ik bevestig de verklaring die ik heb afgelegd bij de Federale Gerechtelijke Politie van Verviers in maart 2008. (..)

Vraag: Is er een verschil, in de Berberse taal, tussen “Ik heb mijn vrouw omgebracht” en “Ik ben betrokken bij de dood van mijn vrouw”?

Antwoord: Dat is hetzelfde verschil als in het Arabisch, Frans of Nederlands. Ik herhaal dat [verdachte] me heeft gezegd dat hij zijn vrouw had omgebracht.

(..)

Vraag: [verdachte] heeft u gezegd dat hij zijn vrouw had omgebracht. Had hij het met u over een ongeluk?

Antwoord: Nee.”

10. de verklaring van [D]

[D] heeft op 25 november 2008 - voor zover hier relevant - het volgende verklaard.

“Ik heb [verdachte] een keer ontmoet in het appartement van [C] te Verviers. Dat was eind mei 2007. (..)

De volgende dag, ’s middags, ben ik bij [C] en [verdachte] in de auto van [verdachte] gaan zitten, een [auto 1] denk ik, kleur grijs met Nederlandse kentekenplaten. Wij zijn bier gaan drinken (..). Ik zat op de achterbank en [C] en [verdachte] spraken in een dialect van het noorden, het Riffijns, een taal die ik niet versta. (..) Ik ging ervan uit dat hun gesprek privé was en over hun familie ging. Het feit dat ze in mijn aanwezigheid Riffijns begonnen te praten, wilde voor mij zeggen dat hun gesprek privé was. (..)

We zijn weer voor het appartement van [C] gaan staan. [C] en [verdachte] zetten hun gesprek in het Riffijns voort. [C] leek meer gespannen, bezorgd. Hij is naar zijn appartement gegaan, hij leek een beslissing te hebben genomen aan het einde van hun gesprek. Op dat moment bleef ik in de auto zitten met [verdachte] en hebben wij in het Arabisch gepraat. Omdat ik merkte dat er iets niet goed ging, heb ik het gevraagd aan [verdachte]. Hij zei me toen dat hij een stommiteit had begaan en dat hij niet op de familie kon rekenen toen hij het had over zijn neef [C]. Hij was teleurgesteld over zijn reactie. Hij heeft me verteld dat hij, voor de grap, het familiegevoel van zijn neef had willen uittesten. (..)

[C] is na 10 minuten teruggekomen. Hij droeg een rugtas van [verdachte] en heeft die aan hem gegeven.”

Feit 1: overwegingen n.a.v. de door de verdediging gevoerde verweren

• het scenario van de verdachte

De verdachte heeft verklaard dat [A] om het leven is gekomen door een ongeluk, namelijk doordat zij een mes vasthad en hij tijdens een worsteling op haar is gevallen, waarbij het mes haar keel is binnengedrongen. Namens de verdachte is in dit verband ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het slachtoffer het mes met het lemmet naar boven vasthad in haar rechterhand en dat zij dreigde zich daarmee wat aan te doen. De verdachte pakte met zijn linkerhand de rechterhand van het slachtoffer vast. Hij hield haar hand vast en beiden vielen op de grond. Het slachtoffer kwam op haar rug terecht. Op de grond zag de verdachte dat het mes in de keel van het slachtoffer was terechtgekomen. Hij heeft het mes uit haar hals getrokken en weggeworpen in de slaapkamer.

Ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 1 december 2008 heeft de verdachte verklaard dat alles gebeurde bij de deuropening van de slaapkamer en dat het slachtoffer niet bij het bed is geweest.

• nader technisch onderzoek in hoger beroep

Naar aanleiding van het door de verdachte geschetste scenario heeft het hof diverse verzoeken van de verdediging tot het doen verrichten van nader technisch onderzoek toegewezen.

Op verzoek van de verdediging zijn de deskundigen Van de Goot en Pieterman gehoord door de rechter-commissaris. Voorts heeft R. Eikelenboom, forensisch onderzoeker bij Independent Forensic Services (IFS), een bloedspoorpatroononderzoek verricht, teneinde te onderzoeken of de aangetroffen bloedsporen al dan niet verenigbaar zijn met de lezing van de verdachte. S.J.M. Eikelenboom-Schieveld, arts en forensisch medisch onderzoeker bij IFS, heeft met datzelfde doel - eveneens op verzoek van de verdediging - een forensisch medisch onderzoek verricht.

• de verklaring van F.R.W. van de Goot

Bij zijn verhoor door de rechter-commissaris op 21 september 2009 heeft Van de Goot - voor zover hier relevant - het volgende verklaard.

“Het aantreffen van botbeschadigingen zoals in het onderhavige geval is zeer slecht verenigbaar met een scenario waarbij uitwendig klievend geweld mechanisch geweld op de hals heeft plaatsgevonden tijdens een valpartij. Met klievend geweld bedoel ik snijden. Als het letsel is opgelopen door een val dan zal het gebeurd moeten zijn door stekend geweld. Een scenario waarbij wel in de hals gesneden kan zijn is bijvoorbeeld dat de hals van het slachtoffer door meerdere snijbewegingen geheel of gedeeltelijk is doorgesneden.

(..)

Op basis van de krassporen is er sprake geweest van minimaal de volgende krachtinwerkingen - uitgaande van een scenario val met steek:

insteek, richtingverandering, opdruk en uittrek. Met de opdruk bedoel ik dat er tijdens de uittrek ook nog drukkende kracht op het mes werd uitgeoefend. Hierbij merk ik nogmaals op dat ik de gevonden sporen moeilijk verenigbaar met dit scenario acht.

De snijsporen kan ik niet verenigen met het val-scenario waarbij het mes door de val in de keel van het slachtoffer kwam, vervolgens de man zich wat verplaatste waardoor het mes bewoog en de man het mes daarna weer uit de hals trok.”

Deze verklaring is in lijn met hetgeen Van de Goot als deskundige heeft verklaard ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 1 december 2008 en hetgeen hij heeft beschreven in een briefrapport d.d. 2 april 2008.

In dat briefrapport beschrijft Van de Goot dat een scenario van herhaaldelijke snijbeweging met doorklieven van de hals waarbij met substantiële kracht is gewerkt, vele malen beter met de bevindingen verenigbaar is dan een val-scenario.

• de verklaring van R. Pieterman

Bij zijn verhoor door de rechter-commissaris op 21 september 2009 heeft Pieterman - voor zover hier relevant - het volgende verklaard.

“De aangetroffen snijsporen zijn niet te verenigen met het scenario dat het slachtoffer achterover is gevallen waarbij iemand op haar viel waardoor het mes in haar keel kwam en die persoon dat mes uit haar keel trok.

(..)

Ik heb geen technische aanleiding te veronderstellen dat er hier gestoken is. Ik denk dat er gesneden is met een mes in de hals. Ik vermoed dat er daarbij vaker heen en weer is gegaan met het mes in de hals dan blijkt uit de sporen op de halswervel. Er moet namelijk eerst door het weefsel heen gesneden worden en dat weefsel is taai en dat kost veel kracht en arbeid.

(..)

Ik denk ook dat er gesneden is in plaats van gestoken omdat er bij een steek een grote impressiekracht op het bot te verwachten zou zijn.”

• het rapport van R. Eikelenboom

Van zijn onderzoek is door Eikelenboom een rapport opgemaakt met het onderwerp “Bloedspoorpatroononderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [A] in Boxtel op 20 juni 2007” d.d. 22 september 2010, kenmerk IFS091101.

Dat rapport houdt - voor zover hier relevant - de volgende conclusies in.

“1. Het kind, [B], lag volgens de verdachte te slapen op het bed op de plaats waar het bebloede kussen is aangetroffen. De aangetroffen bloedspoorpatronen geven geen informatie over de aanwezigheid van [B] in het bed tijdens het incident. Op grond van de aangetroffen poelpatronen is het waarschijnlijker dat het slachtoffer op de locatie heeft gelegen, waar het bebloede kussen is aangetroffen.

(..)

4. De verdachte heeft aangegeven dat hij en het slachtoffer ten val kwamen tussen het bed en de kast. In deze situatie gaat de verdachte ervan uit dat het slachtoffer haar verwonding heeft opgelopen op deze locatie tussen het bed en [de] kast. Op grond van de aangetroffen bloedsporen op en in het bed is het waarschijnlijker dat het slachtoffer daar al gewond is geweest. Het is mogelijk dat het slachtoffer tussen het bed en de kast ten val is gekomen nadat zij in bed gewond is geraakt. (..)

(..)

7. De verdachte zegt het mes uit de hals van het slachtoffer te hebben getrokken en het weggegooid te hebben (..). Er is meer steun voor een scenario waarbij het slachtoffer in bed een verwonding aan de hals wordt toegebracht, waarna het mes in het bed is achtergebleven.

8. (..) De linkerhalsslagader ligt voor de beschadigde wervel, waardoor de kans groot is dat deze is geraakt tijdens het toebrengen van de verwondingen aan de hals.

9. (..) Na het toebrengen van een slagaderlijke bloeding aan de hals van een slachtoffer, die op zichzelf zonder meer dodelijk kan zijn, wordt vaak nog bewogen door het slachtoffer. (..) In deze situatie [is de kans vergroot] dat het slachtoffer bij/in het bed gewond is geraakt en uiteindelijk nabij de slaapkamerdeur op haar rug is gevallen en zo is blijven liggen.

(..)

11. De aangetroffen bloedspatten op de slaapkamerdeur en de poelpatronen links van het slachtoffer ondersteunen de hypothese dat het slachtoffer nog enige tijd in leven is geweest op de locatie waar zij is aangetroffen en dat zij hier ook uiteindelijk is overleden.

(..)

16. De verdachte heeft verklaard dat hij na het incident niets [heeft] opgeruimd. Het bloed op het bed zou dan worden verklaard door het bebloede kussen dat op het bed is gegooid. Op grond van de aangetroffen bloedspoorpatronen in en op het bed is het zeer onwaarschijnlijk dat deze allen zijn ontstaan doordat een bebloed kussen op het bed is gegooid. Op het bed zijn verschillende soorten bloedspoorpatronen aangetroffen op verschillende locaties. Wanneer een bebloed kussen op het bed wordt gegooid, dan kan men vooral een overdrachtspatroon, een patroon dat ontstaat doordat een nat bebloed voorwerp in contact komt met een ander voorwerp, verwachten aan te treffen. In en op het bed worden echter ook bloeddruppels en/of spatten en poelpatronen waargenomen op verschillende locaties.”

• het rapport van S.J.M. Eikelenboom-Schieveld

Van haar onderzoek is door Eikelenboom-Schieveld een rapport opgemaakt met het onderwerp “Forensisch medisch onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [A] in Boxtel op 20 juni 2007” d.d. 22 september 2010, kenmerk IFS091101.

Dat rapport houdt - voor zover hier relevant - het volgende in.

“Er zijn vier kervingen in het bot, waarbij kan worden aangenomen dat C en D in een keer zijn ontstaan. Naast C en D zijn er de kervingen A en B. A is schuin omhoog georiënteerd, B loopt horizontaal (..).

(..)

4.2. Het scenario vanuit links

De verwondingen kunnen zijn ontstaan doordat het mes aan de linkerzijde van het slachtoffer is gehanteerd of doordat het aan de rechterzijde is vastgehouden, door of het slachtoffer of de verdachte. We toetsen nu de hypothese dat de verwondingen vanuit links zijn toegebracht (afbeelding 4).

Als eerste toetsen we het scenario dat het slachtoffer is gevallen met het mes in haar rechterhand (uitgaande van de verklaring van de verdachte). Het is niet goed in te zien hoe het slachtoffer met haar rechterhand zo ver naar de andere kant kan komen, dat ze het mes vasthoudt zoals aangegeven in afbeelding 4 (..). Dit scenario is uiterst onwaarschijnlijk.

(..)

4.3. Het scenario vanuit rechts

We toetsen nu de hypothese dat de verwondingen vanuit rechts zijn toegebracht (..).

Als eerste toetsen we het scenario dat het slachtoffer is gevallen met het mes in haar rechterhand. Indien haar hoofd voldoende achterover is gekeerd, zijn de snedes C-D en B mogelijk. Het is echter anatomisch gezien uitermate onwaarschijnlijk dat zij haar rechterarm zo hoog kan optrekken en haar rechterpols zodanig kan buigen, dat zij een snede als zichtbaar bij A kan maken. Daarbij zou de verdachte haar bij de pols hebben vastgehad. Dit wordt nog extra bemoeilijkt doordat het slachtoffer, wanneer zij op de grond ligt, haar arm niet naar achter kan bewegen om de noodzakelijke zwaai te maken in de richting waarvan het mes uit haar hals is gekomen. Die richting ligt naar de achterzijde van het hoofd, niet naar de zijkant. Bij een zelf toegebrachte snede is het veel waarschijnlijker dat het niveau van de snede in een vergelijkbaar vlak als B zou liggen. Dit scenario is uiterst onwaarschijnlijk.

(..)

In het derde scenario bevindt de verdachte zich achter het slachtoffer en snijdt hij met zijn rechterhand haar keel door. Hierbij moet het hoofd dan wel naar achter zijn gepositioneerd, omdat anders geen toegang tot de hals kan worden verkregen. De schedel blokkeert dat. Indien het hoofd geheel naar achter is gekanteld, wordt wel toegang tot de hals verkregen. Verwondingen A, B en D-C kunnen dan worden toegebracht. Dit scenario is dus goed mogelijk en gezien de kans op de andere scenario’s tevens het meest waarschijnlijke.

(..)

4.6. Conclusies

(..)

3. De verwondingen zijn per definitie snij- en geen steekwonden.

4. Het scenario, dat het slachtoffer is gevallen met het mes in haar rechterhand, is bij een benadering van zowel de linker- als de rechterkant op basis van de combinaties van de sneden uiterst onwaarschijnlijk.

5. Het scenario dat de verdachte van voren de hals van het slachtoffer heeft doorgesneden is niet erg waarschijnlijk.

6. Het scenario, dat de verdachte zich achter het slachtoffer bevond en met zijn linkerhand haar keel heeft doorgesneden, is niet helemaal uitgesloten. Hij heeft dan wel meerdere malen gestoken (het hof leest, gelet op de laatste zin op pagina 8 van het rapport: gesneden).

7. Het scenario waarin de verdachte zich achter het slachtoffer bevindt en hij met zijn rechterhand haar keel van links naar rechts doorsnijdt, is het meest waarschijnlijke.

(..)

9. Het letsel aan de wervel in combinatie met de bloedspoorpatroonanalyse ondersteunt de hypothese dat de verdachte zich op het bed bevond met het slachtoffer onder zich en haar hoofd achterover, toen de verwondingen werden toegebracht.

10. Medisch gezien bestaat geen reden om aan te nemen dat de verwondingen bij het slachtoffer ertoe hebben geleid dat zij zich, na het toebrengen van het letsel, niet meer heeft bewogen.

11. De combinatie van de vermoedelijke verwondingen en de bloedspoorpatroonanalyse ondersteunt de hypothese, dat het slachtoffer zich na het toebrengen van het letsel nog door de kamer heeft voortbewogen.

4.7. De hypothesen

In deze zaak zijn de volgende twee hypothesen onderzocht.

1. De verdachte en het slachtoffer zijn gevallen, waarbij het slachtoffer het mes in haar rechterhand had, de verdachte haar rechterpols met zijn linkerhand vasthield, het mes per ongeluk in haar hals is terechtgekomen en hij al wrikkend het mes uit haar hals heeft getrokken.

2. De verdachte heeft het slachtoffer de hals doorgesneden.

De bevindingen geven aanzienlijk meer steun aan hypothese 2, de verdachte heeft het slachtoffer de hals doorgesneden, dan aan hypothese 1, de verdachte en het slachtoffer zijn gevallen.”

• het standpunt van de verdediging t.a.v. de deskundigenrapporten

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de onderzoeksrapporten geen eenduidig beeld geven van wat zich in de slaapkamer heeft afgespeeld en dat deze rapporten elkaar op essentiële punten tegenspreken, dan wel dat in de rapporten belangrijke informatie ontbreekt om een gedegen conclusie te kunnen trekken over hetgeen zich heeft afgespeeld.

Daaraan verbindt de verdediging de conclusie dat de deskundigenrapporten met betrekking tot de sporen het door de verdachte geschetste scenario onvoldoende, dan wel onvoldoende overtuigend, uitsluiten.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

• halswervel C3 of C4

Ter onderbouwing van het verweer dat de deskundigen elkaar tegenspreken heeft de verdediging aangevoerd dat Pieterman en Van de Goot bij het verbinden van conclusies aan de kerven op de beschadigde wervel steeds zijn uitgegaan van beschadigingen aan wervel C4, terwijl Eikelenboom-Schieveld is uitgegaan van beschadigingen aan wervel C3. Wanneer zou blijken dat niet wervel C3, maar C4 is beschadigd, zouden de conclusies van IFS wellicht anders luiden, aldus de verdediging.

Het hof stelt voorop dat Van de Goot, zoals blijkt uit het hiervoor onder 3 weergegeven sectieverslag, beschadigingen heeft geconstateerd aan de derde halswervel. De stelling van de verdediging dat Van de Goot is uitgegaan van beschadigingen aan wervel C4 ontbeert derhalve feitelijke grondslag.

Met de verdediging stelt het hof vast dat Pieterman beschadigingen aan wervel C4 heeft beschreven, terwijl Eikelenboom-Schieveld heeft gerapporteerd omtrent beschadigingen aan wervel C3.

Het rapport van Eikelenboom-Schieveld houdt - voor zover hier relevant - het volgende in.

“Bij het begin van het onderzoek werd duidelijk dat fouten zijn gemaakt bij het benoemen van de wervels. Bij het openen van het materiaal waarin de wervels waren verpakt die bij IFS werden aangeleverd, bleek de wervel, die in het zakje met het opschrift “4” zat, geen beschadigingen te vertonen. IFS is voor de identificatie van de wervel uitgegaan van de rapportage van Pieterman van het NFI. In zijn rapporten wordt consequent melding gemaakt van C4 als zijnde de wervel met beschadigingen. Onderzoek aan de wervel verpakt in zakje “3” leverde een wervel met de verwachte beschadigingen op. In het sectieverslag en antropologisch verslag wordt wel melding gemaakt van wervel C3. (..) Eigen onderzoek van IFS aan de wervels, door ing. Van der Meij in samenspraak met dr. Nordby, heeft aangetoond dat het daadwerkelijk wervel C3 is waarin de letsels zich bevinden, zie foto 1. Deze foto is genomen op het NFI. De tekst hierin is toegevoegd door dr. Nordby.”

De genoemde foto 1 op pagina 4 van het rapport van IFS staat eveneens afgebeeld op pagina 3 (dossierpagina 1683) van het NFI-rapport van Pieterman d.d. 21 november 2007. De betreffende foto toont, naast een tongbeen, de vier bij het slachtoffer veiliggestelde halswervels. De wervel die op de foto in het rapport van Pieterman is aangeduid als C4 (de wervel linksboven op de foto) wordt op de foto in het rapport van Eikelenboom-Schieveld aangeduid als C3. Vice versa geldt dat de wervel die op de foto in het rapport van Pieterman is aangeduid als C3 op de foto in het rapport van Eikelenboom-Schieveld wordt aangeduid als C4.

Gelet op de hiervoor geciteerde uiteenzetting door Eikelenboom-Schieveld en het feit dat in het sectieverslag door Van de Goot - en overigens ook in het verslag van het forensisch antropologisch onderzoek door prof. dr. G.J.R. Maat en R.R.R. Gerretsen d.d. 19 juli 2007 (bijlage 3 bij het proces-verbaal van technisch sporenonderzoek) - beschadigingen aan de derde halswervel zijn beschreven, staat naar het oordeel van het hof vast dat Pieterman de wervel, waarin door hem een “sharp force trauma” is aangetroffen, ten onrechte heeft aangeduid als C4 in plaats van C3. Vast is komen te staan dat de door Van de Goot, Pieterman en Eikelenboom-Schieveld beschreven beschadigingen zich bevinden in halswervel C3.

• één of meermalen snijden

De verdediging heeft voorts betoogd dat de conclusies van Pieterman en Eikelenboom-Schieveld ook op een ander essentieel onderdeel strijdig zijn. Daartoe is aangevoerd dat Pieterman van oordeel is dat de aangetroffen snijsporen niet te verenigen zijn met het eenmalig in en uit de hals gaan van het mes, terwijl Eikelenboom-Schieveld daarentegen heeft gerapporteerd dat er steun is voor de hypothese dat de verwondingen in één beweging zijn toegebracht.

Het hof overweegt dienaangaande dat, voor zover aan de terminologie “eenmalig in en uit de hals gaan van het mes” dezelfde betekenis moet worden toegekend als aan de terminologie “in één beweging toebrengen van de verwondingen”, in welk geval er op dat punt sprake is van een discrepantie tussen de conclusies van Eikelenboom-Schieveld en Pieterman, deze discrepantie niets afdoet aan het feit dat deze deskundigen, zoals hiervoor is uiteengezet, hebben geconcludeerd dat het door de verdachte geschetste “val-scenario” uiterst onwaarschijnlijk (Eikelenboom-Schieveld) respectievelijk niet te verenigen met de aangetroffen snijsporen (Pieterman) is.

Volledigheidshalve overweegt het hof dat de conclusie van Pieterman noch die van Eikelenboom-Schieveld ten aanzien van het aantal snijbewegingen te verenigen is met het “val-scenario” van de verdachte.

In het scenario van de verdachte is immers, zo begrijpt het hof, sprake van het eenmalig in en uit de hals gaan van het mes, zodat dit scenario zich niet verhoudt met de conclusie van Pieterman.

Het scenario van de verdachte verhoudt zich evenmin met de conclusie van Eikelenboom-Schieveld, inhoudende dat er steun is voor de hypothese dat de verwondingen in één beweging zijn toegebracht. Blijkens pagina 11 van haar rapport ligt aan die conclusie van Eikelenboom-Schieveld immers de redenering ten grondslag dat er regelmatig een opwaartse beweging wordt gezien wanneer een mes uit de hals wordt getrokken, hetgeen ontstaat door de combinatie van de richting van de arm die naar achteren gaat en het slachtoffer dat naar beneden zakt. Het hof overweegt in dit verband dat in het door de verdachte geschetste scenario het mes uit de hals werd getrokken toen het slachtoffer reeds op grond lag. Van het naar beneden zakken van het slachtoffer kan dan geen sprake zijn.

• het mes in de linkerhand van het slachtoffer dan wel in de rechterhand in een andere stand

De verdediging heeft aangevoerd dat in het rapport van Eikelenboom-Schieveld op afbeelding 10 (pagina 15) wordt uitgebeeld dat het anatomisch gezien voor het slachtoffer niet mogelijk is geweest het linkerpolsgewricht (het hof begrijpt: rechterpolsgewricht) zo te bewegen dat de hoek kon ontstaan waaronder kerf A op de halswervel werd veroorzaakt. Door de verdediging is betoogd dat niet is onderzocht en gerapporteerd of die hoek wel gemaakt kan worden als het slachtoffer het mes met haar linkerhand vasthield, dan wel met haar rechterhand in een andere stand dan is onderzocht. Volgens de verdediging zou het mes door het slachtoffer zowel met rechts als met links in die positie kunnen zijn vastgehouden.

Met betrekking tot het verweer dat geen onderzoek is gedaan naar het scenario waarin het slachtoffer het mes in een andere stand in haar rechterhand vasthield, overweegt het hof dat een dergelijk scenario naar het oordeel van het hof niet onderzocht behoefde te worden, nu als uitgangspunt voor de scenario’s is genomen de richting van de aangetroffen verwondingen en de daarbij passende standen van het mes. Hetgeen door de verdediging is gesteld, past niet bij de richting van kerf A en de daarvoor benodigde stand van het mes, zoals blijkt uit het rapport van Eikelenboom-Schieveld.

Het hof overweegt voorts dat er, gelet op het door de verdachte geschetste scenario, voor IFS geen aanleiding bestond om te rapporteren omtrent een scenario waarin het slachtoffer het mes in haar linkerhand vasthield. De verdachte heeft immers zelf - zowel ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 1 december 2008 als bij de rechter-commissaris op 21 september 2009 - verklaard dat het slachtoffer het mes in haar rechterhand hield. Opmerking verdient daarbij dat het verhoor van de verdachte op 21 september 2009 specifiek plaatsvond met het oog op de toetsing van diens “val-scenario”. Overigens is de verdediging bij pleidooi (pagina 3 van de pleitnota in hoger beroep) uitdrukkelijk uitgegaan van een scenario waarin het slachtoffer het mes vasthad in haar rechterhand.

Terzijde merkt het hof nog op dat in het hiervoor genoemde briefrapport van Van de Goot d.d. 2 april 2008 een viertal scenario’s is beschreven waarin het slachtoffer ten val kwam met het mes in haar linkerhand. Op deze plaats volstaat het hof met de opmerking dat Van de Goot deze vier scenario’s, gelet op de aangetroffen snijsporen, heeft beoordeeld als respectievelijk “vrijwel onmogelijk”, “zeer onwaarschijnlijk”, “zonder meer uit te sluiten als mogelijkheid” en “zeer onwaarschijnlijk”.

• de aannemelijkheid van het “val-scenario” in het licht van de deskundigenrapporten

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de rapporten en de verklaringen van F.R.W. van de Goot en R. Pieterman (NFI) en de rapporten van R. Eikelenboom en S.J.M. Eikelenboom-Schieveld (IFS), bezien in onderlinge samenhang, een eenduidig beeld geven van hetgeen zich in de slaapkamer heeft afgespeeld. Het hof vermag niet in te zien dat in de rapporten belangrijke informatie ontbreekt om een gedegen conclusie te kunnen trekken over hetgeen is voorgevallen. Het hof ziet ook overigens in hetgeen door en namens de verdachte tegen de deskundigenoordelen in stelling is gebracht geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de hiervoor weergegeven bevindingen en conclusies van de genoemde vier deskundigen van het NFI en IFS.

Op grond van de bevindingen van het technisch onderzoek is naar het oordeel van het hof buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat de hals van het slachtoffer met het op het bed aangetroffen mes is doorgesneden, terwijl het slachtoffer zich op het bed bevond. Vervolgens is zij - ofwel doordat zij zelf nog kon bewegen, ofwel doordat haar lichaam is verplaatst - terechtgekomen nabij de slaapkamerdeur, alwaar haar lichaam werd aangetroffen.

Het hof is van oordeel dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden. Integendeel, gelet op de technische bevindingen acht het hof de lezing van de verdachte volstrekt ongeloofwaardig en stelt het die terzijde.

Naar het oordeel van het hof is voorts niet aannemelijk geworden dat zich in de nacht van 25 op 26 mei 2007, na het vertrek van [betrokkene] uit de woning, nog een of meer andere personen in de woning hebben bevonden dan de verdachte, zijn echtgenote en zijn driejarige zoontje.

• de verklaringen van [C]

De verdediging heeft betoogd dat de hiervoor onder 9 weergegeven verklaringen van [C] onbetrouwbaar zijn en derhalve niet tot bewijs dienen te worden gebezigd.

Het hof stelt ten aanzien van de door de getuigen [C] en [D] afgelegde verklaringen - kort weergegeven - het volgende vast.

1. [C] is op 18 maart 2008 gehoord door de Gerechtelijke Politie te Verviers. Daarbij heeft hij zijn hiervoor onder 9 weergegeven verklaring afgelegd, kort gezegd inhoudende dat de verdachte hem heeft verteld dat hij, de verdachte, diens echtgenote had gedood.

2. Op verzoek van de verdediging is [C] vervolgens op 25 november 2008 in het kader van een rogatiore commissie door de rechter-commissaris gehoord te Luik. Bij dat verhoor was de raadsman van de verdachte aanwezig. Daarbij heeft de getuige zijn hiervoor eveneens onder 9 weergegeven verklaring afgelegd, kort gezegd inhoudende dat hij zijn op 18 maart 2008 te Verviers afgelegde verklaring bevestigt.

3. [D] is eveneens op 25 november 2008 in het kader van een rogatiore commissie door de rechter-commissaris gehoord te Luik. Ook bij dat verhoor was de raadsman van de verdachte aanwezig. Daarbij heeft [D] zijn hiervoor onder 10 weergegeven verklaring afgelegd.

4. Op verzoek van de verdediging is [C] op 14 juni 2010 gehoord door de raadsheer-commissaris. Bij dat verhoor waren de verdachte en diens raadsvrouwe aanwezig. Daarbij heeft de getuige verklaard dat hij niet van de verdachte had vernomen dat hij, verdachte, zijn echtgenote had gedood. Naar aanleiding van dit verhoor is de getuige - op last van de eveneens bij het verhoor aanwezige advocaat-generaal - door de parketpolitie aangehouden ter zake van een verdenking van meineed gepleegd tijdens laatstgenoemd verhoor.

5. [C] is op 16 juni 2010 ter zake van genoemde verdenking van meineed als verdachte gehoord door de regiopolitie Brabant Noord. Van dat verhoor is een audioregistratie gemaakt die door de verdediging is beluisterd. Daarbij heeft [C] - kort en zakelijk weergegeven - verklaard dat hij in zijn verhoren d.d. 18 maart 2008 en 25 november 2008 de waarheid heeft verklaard en dat hij in zijn verhoor d.d. 14 juni 2010 heeft gelogen omdat de verdachte bij dat verhoor aanwezig was en hij, [C], had vernomen van een bedreiging aan diens adres door de verdachte, inhoudende dat de verdachte naar België zou komen indien de getuige diens verklaring niet zou aanpassen.

De verdediging heeft bij pleidooi verzocht om, indien het hof de verklaring(en) van [C] (het hof begrijpt: d.d. 18 maart 2008 en/of 25 november 2008) betrouwbaar acht en voornemens is die tot bewijs te bezigen, in de gelegenheid te worden gesteld om deze getuige nadere vragen te stellen over de beweerde bedreiging, zulks om de juistheid en betrouwbaarheid te kunnen toetsen.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de waardering van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [C] d.d. 18 maart 2008 en 25 november 2008 neemt het hof in de eerste plaats in aanmerking dat deze verklaringen, inhoudende dat de verdachte tegenover hem heeft bekend zijn echtgenote om het leven te hebben gebracht, steun vinden in hetgeen hiervoor - mede op grond van de deskundigenrapporten - is overwogen omtrent de ongeloofwaardigheid van het “val-scenario”.

Het hof acht voorts van belang dat de gewraakte verklaringen van [C] in belangrijke mate steun vinden in de hiervoor onder 10 weergegeven verklaring van [D]. Laatstgenoemde bevestigt immers dat er eind mei 2007 in Verviers een gesprek heeft plaatsgevonden tussen de verdachte en diens neef, waarbij [D] aanwezig was op de achterbank van de auto. De verdachte en [C] spraken toen met elkaar in het Riffijns, een taal die [D] niet verstond, waaruit [D] begreep dat het gesprek privé was. [D] bevestigt voorts dat [C] gespannen en bezorgd leek en na het gesprek naar diens appartement is gegaan. De verdachte zei toen tegen [D] dat hij een stommiteit had begaan en niet op zijn familie kon rekenen, waarna [C] uit diens appartement kwam en een tas aan de verdachte gaf.

De verklaring van [C] dat de verdachte tegen hem zei dat hij ruzie met zijn vrouw had gehad, vindt voorts steun in de hiervoor onder 8 weergegeven verklaring van de verdachte zelf.

Het hof acht niet aannemelijk geworden dat, zoals de verdediging als mogelijkheid heeft aangedragen, [C] in de periode vóór zijn verhoor op 18 maart 2008 “via via” reeds verhalen had gehoord over de (vermeende) dood van de echtgenote van de verdachte en daaraan zijn verklaring heeft aangepast. Het hof heeft daarvoor geen objectieve aanknopingspunten aangetroffen in het dossier, mede in aanmerking genomen dat [C] bij zijn verhoor door de raadsheer-commissaris op 14 juni 2010 heeft ontkend dat hij in de familie geruchten had gehoord over de dood van de echtgenote van de verdachte.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat [C] er belang bij had om de verdachte valselijk te belasten. De verdachte heeft in dit verband gesteld dat zijn neef hem geld verschuldigd was in verband met een door de verdachte verstrekte geldlening die verband zou houden met de handel in illegalen en drugs door [C] en diens broer. Daarover zouden de verdachte en [C] ruzie hebben gehad.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof niet gebleken van betrokkenheid van [C] bij de handel in illegalen of drugs, laat staan dat hij om die reden de verdachte valselijk heeft belast. Het hof heeft ook daarvoor geen objectieve aanknopingspunten aangetroffen in het dossier. Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat [C] de verdachte in verband met een geschil over een geldlening of om enige andere reden valselijk heeft belast.

Nu de verklaringen van [C] d.d. 18 maart 2008 en 25 november 2008 gedetailleerd zijn, in belangrijke mate steun vinden in overig bewijsmateriaal en niet aannemelijk is geworden dat deze getuige de verdachte valselijk heeft willen belasten, ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen. Het hof acht deze verklaringen dan ook betrouwbaar en bezigt die tot bewijs.

Het hof wijst het verzoek van de verdediging tot het horen van deze getuige over de beweerde bedreiging af, nu de noodzaak daartoe niet is gebleken. Daartoe overweegt het hof dat, in aanmerking genomen dat de verklaringen d.d. 18 maart 2008 en 25 november 2008 in belangrijke steun vinden in overig bewijsmateriaal, het hof zich voldoende in staat acht de betrouwbaarheid van deze verklaringen te wegen.

• de verklaringen van [B]

Met de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat de uitlatingen van [B] niet bruikbaar zijn voor het bewijs. Evenals de rechtbank overweegt het hof daartoe dat de deskundige drs. J. van der Sleen weliswaar heeft geconcludeerd dat er geen reden is om te twijfelen aan de accuraatheid van zijn spontane uitlatingen aan zijn pleegmoeder vóór 12 juli 2007 en dat deze uitlatingen niet inconsistent zijn, maar uit het dossier komt naar voren dat de relatie tussen verdachte en zijn echtgenote niet zonder ruzies en geweld was. Naar het oordeel van het hof kan niet genoegzaam worden uitgesloten dat de uitlatingen die de destijds driejarige [B] vóór 12 juli 2007 heeft gedaan, zien op eerdere incidenten. Het hof acht de inhoud van de uitlatingen te weinig concreet om een relatie te leggen met hetgeen zich in de nacht van 25 op 26 mei 2007 heeft afgespeeld.

• conclusies t.a.v. het bewijs van het onder 1 ten laste gelegde

Op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden en hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de geloofwaardigheid van het alternatieve scenario van de verdachte en de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [C], acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zijn echtgenote op 26 mei 2007 opzettelijk van het leven heeft beroofd.

Met de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat er geen bewijs voorhanden is dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde moord.

Feit 2: vastgestelde feiten en omstandigheden

Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, waarnaar in de voetnoten bij dit arrest wordt verwezen, stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

11. de aangifte van mishandeling

[A] heeft tegen de verdachte aangifte gedaan van mishandeling, gepleegd te Boxtel op donderdag 19 april 2007 tussen 13:15 en 13:30 uur. Bij die gelegenheid heeft zij verklaard dat zij op die datum samen met de verdachte en hun zoontje [B] het Lidwina Ziekenhuis te Boxtel hebben bezocht. Na dat bezoek zijn zij teruggekeerd naar de auto.

Over hetgeen vervolgens is gebeurd, heeft zij het volgende verklaard.

“[verdachte] rijdt in een auto, merk [auto 2], kleur groen. De auto is driedeurs. (hof: een personenauto) [verdachte] liep eerst naar de auto en ging achter het stuur zitten. Ik kon het rechtervoorportier niet opendoen. Hij moest het van binnenuit openen. Vervolgens deed hij het portier voor ons open terwijl ik [B] in mijn armen had. Ik deed de stoel naar voren om mijn zoontje [B] achter in de auto te plaatsen. Ik zette [B] los op de achterbank. Ik was nog bezig om voor te gaan zitten. Terwijl ik bezig was om op de bijrijdersstoel te gaan zitten, gaf [verdachte] veel gas en reed heel hard door. Tijdens het rijden hield ik mij vast aan de armsteun van het rechtervoorportier. Ik werd tijdens het rijden over de grond gesleurd. Ik kwam met mijn lichaam over de grond. Ik zat tussen de auto en het portier. Op een gegeven moment kon ik me niet meer vasthouden en kwam ik op de grond terecht. [verdachte] is niet gestopt.

Ik heb nu pijn en schaafwonden aan mijn rechterelleboog en rechterbeen. Ik heb door deze val een wond aan mijn elleboog opgelopen. Mijn broek is door deze val licht beschadigd.”

12. de bevuilde kleding

Verbalisant [V6] heeft op 19 april 2007 bij het opnemen van de aangifte waargenomen dat de kleding van aangeefster aan de rechterkant over de hele lengte van haar lichaam vuil was.

13. de verklaring van de getuige [getuige]

De getuige [getuige] heeft op 19 april 2007 het volgende verklaard.

“Op donderdag 19 april 2007 omstreeks 13.30 uur parkeerde ik mijn auto op de parkeerplaats van het Lidwina Ziekenhuis te Boxtel. Ik was net uitgestapt en zag een man en een vrouw aan komen lopen. De vrouw had een klein kind op haar arm. Ik zag dat ze in een auto stapten. Ik zag dat de man achter het stuur zat. Ik zag dat hij, nadat hij de auto had gestart, vol gas begon te geven. Ik zag dat de vrouw nog bezig was om in te stappen. Ik zag dat de auto gelijk begon te rijden. Ik zag dat de auto met veel gas wegreed. Ik zag dat het portier openvloog en dat de vrouw naar buiten viel de auto uit op de grond. Ik zag dat de auto met een open portier hard wegreed. Ik liep naar de vrouw en sprak haar aan. De vrouw lag op de grond met gesloten ogen en reageerde niet. Er kwamen wat andere mensen bij en toen begon ze te reageren. Ik vernam toen van haar dat het om een [auto 2] ging.”

14. de verklaring van de verdachte

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg over het onder 2 ten laste gelegde - zakelijk weergegeven - het volgende verklaard.

“Ik ben met [B] naar het ziekenhuis gereden. [A] was daar ook. Zij vroeg of zij mee mocht rijden maar dat mocht van mij niet. Ik ben ingestapt. Zij wilde instappen. Ik ben gaan rijden. Zij hield de deur vast dus misschien is zij een paar meter meegesleurd. Ik wilde haar niet in de auto. Ik reed weg. Op dat moment maakte het mij niet uit wat er met haar zou gebeuren. Het klopt dat ik wist dat zij het portier vast had.”

Feit 2: overwegingen n.a.v. het door de verdediging gevoerde verweer

Het hof is - met de verdediging en anders dan de advocaat-generaal - van oordeel dat er onvoldoende bewijs voorhanden is voor de onder 2 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. Daartoe overweegt het hof dat niet is gebleken dat verdachtes oogmerk was gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het hof acht evenmin voldoende bewijs voorhanden dat de verdachte voorwaardelijk opzet op dat gevolg heeft gehad. Naar het oordeel van het hof was het handelen van de verdachte zonder meer gevaarzettend, maar de kans op zwaar lichamelijk letsel acht het hof in de gegeven omstandigheden niet aanmerkelijk.

Het hof acht wel bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet op de - subsidiair ten laste gelegde - mishandeling van zijn echtgenote heeft gehad. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat zijn echtgenote, die doende was in de auto te stappen, letsel zou bekomen en pijn zou ondervinden. Blijkens de verklaring van de verdachte dat zijn echtgenote wilde instappen, dat hij dat niet wilde en is gaan rijden en dat het hem op dat moment niet uitmaakte wat er met zijn echtgenote zou gebeuren, heeft hij zich willens en wetens aan die kans blootgesteld.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair en het onder 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 26 mei 2007 te Boxtel opzettelijk [A] van het leven heeft beroofd, door deze [A] met een mes te snijden in de hals;

2.

hij op 19 april 2007 te Boxtel opzettelijk mishandelend als bestuurder van een personenauto met dat voertuig hard is weggereden, terwijl [A] doende was plaats te nemen op de passagiersstoel en [A] vervolgens het portier van de personenauto vasthield, ten gevolge waarvan [A] is meegesleurd en vervolgens ten val is gekomen, waardoor deze [A] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden aan haar rechterelleboog en rechterbeen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde onder 1 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 2 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 300, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

De rechtbank heeft de verdachte ter zake van doodslag en mishandeling veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank een last tot terbeschikkingstelling van de verdachte gegeven met bevel tot verpleging van overheidswege, met het advies ex artikel 37b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht dat de terbeschikkingstelling dient aan te vangen na twee derde van de ten uitvoer te leggen gevangenisstraf.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van doodslag en poging tot zware mishandeling zal worden veroordeeld tot de door rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren met aftrek van voorarrest, met oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

De verdediging heeft bepleit dat het hof aan de verdachte niet de maatregel van terbeschikkingstelling zal opleggen.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf of maatregel heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder dit is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 29 mei 2009 heeft het hof - aangezien de in eerste aanleg uitgebrachte adviezen van de psychiater I. Smoktunowicz en de psycholoog S. Labrijn beide eerder dan een jaar vóór de aanvang van de terechtzitting in hoger beroep zijn gedagtekend, zodat het hof van deze adviezen slechts gebruik kan maken met instemming van het openbaar ministerie en de verdachte, van welke instemming van de verdachte geen sprake was - een nieuwe psychiatrische en psychologische rapportage doen opmaken omtrent de verdachte, als bedoeld in artikel 37, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Dit heeft geresulteerd in een psychiatrische rapportage d.d. 13 november 2009 van E.M.M. Mol en een psychologische rapportage d.d. 17 november 2009 van M.M.F. van Casteren.

Anders dan de rechtbank acht het hof de verdachte volledig toerekeningsvatbaar voor het onder 1 en 2 bewezen verklaarde, nu het hof uit de gedragskundige rapportages van Mol en Van Casteren geen objectieve aanknopingspunten zijn gebleken voor het oordeel dat de verdachte in verminderde mate toerekeningsvatbaar dient te worden geacht.

Ten aanzien van de vraag of de terbeschikkingstelling van de verdachte dient te worden gelast, overweegt het hof als volgt.

De psychiater Mol heeft gerapporteerd dat uit (onder meer Nederlands) literatuuronderzoek bekend is dat de kans dat een partnerdoder recidiveert met eenzelfde delict klein is. Daarom kan volgens Mol gesteld worden dat het recidiverisico bij partnerdoding in algemene zin gering is. Bij de inschatting van het gevaar op recidive heeft Mol voorts gebruikgemaakt van het risicotaxatie-instrument HKT-30. Bij het “scoren” van de historische indicatoren aan de hand van dat instrument wordt het algemene risico op een hernieuwd geweldsdelict door Mol matig ingeschat (pagina 17).

De psycholoog Van Casteren heeft eveneens gerapporteerd dat bij het “scoren” van de historische indicatoren aan de hand van het risicotaxatie-instrument HKT-30 het algemene risico op een hernieuwd geweldsdelict matig wordt ingeschat (pagina 23).

Zowel Mol als Van Casteren heeft afgezien van het geven van een advies ten aanzien van mogelijke interventies, waarbij Mol (pagina 19) wel heeft gerapporteerd dat er vanuit gedragskundig oogpunt geen noodzaak bestaat voor een behandeling in een beveiligde klinische setting.

Een last tot terbeschikkingstelling kan slechts worden gegeven indien de algemene veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist.

Gelet op voornoemde conclusies van Mol en Van Casteren ten aanzien van het recidivegevaar is het hof - met de verdediging - van oordeel dat niet is voldaan aan het hiervoor genoemde gevaarscriterium dat geldt als basisvoorwaarde voor het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling. Anders dan de rechtbank komt het hof derhalve niet tot het opleggen van die maatregel.

Ten aanzien van de op te leggen straf overweegt het hof als volgt.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof overweegt dat bij een veroordeling ter zake van doodslag in de regel niet wordt volstaan met een lagere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht jaren. Aan dit uitgangspunt ligt ten grondslag dat doodslag algemeen wordt beschouwd als één van de ernstigste commune delicten, nu het opzettelijk benemen van iemands leven de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, te weten het recht op leven, is.

Het hof neemt de navolgende strafverzwarende omstandigheden in aanmerking.

• De verdachte heeft zijn echtgenote - in de slaapkamer van de woning van de verdachte waar het slachtoffer op dat moment met haar zoontje verbleef en waar zij zich veilig behoort te kunnen voelen - op gruwelijke en bloederige wijze om het leven gebracht door met een mes haar hals door te snijden. Op grond van de rapporten van de deskundigen R. Eikelenboom en S.J.M. Eikelenboom-Schieveld moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat het slachtoffer, nadat haar hals was doorgesneden, nog enige tijd in leven is geweest en gedurende die tijd in doodsnood heeft verkeerd.

• [B], het driejarige zoontje van de verdachte en diens echtgenote, raakte blijkens de verklaring van de verdachte besmeurd door het bloed van zijn eigen moeder. Van [B] is een in bloed gezette handafdruk aangetroffen op het beeldscherm van de televisie die zich in de slaapkamer in de nabijheid van het lichaam van het slachtoffer bevond.

• Het slachtoffer was ten tijde van de doodslag nog geen 30 jaar oud en haar is de mogelijkheid ontnomen om haar zoontje [B] verder te zien opgroeien. De verdachte heeft bovendien aan [B] diens moeder ontnomen. [B] zal moeten opgroeien in de wetenschap dat zijn vader zijn moeder van het leven heeft beroofd.

• Nadat de verdachte zijn echtgenote had gedood, heeft hij zich enkel om zichzelf bekommerd. Hij heeft het lichaam van het slachtoffer in de woning achtergelaten en heeft ook nadien geen melding gemaakt van haar overlijden. Gebleken is dat de verdachte op of na 8 juni 2007 nog in de woning is teruggekeerd: op een op die datum in de brievenbus gedeponeerde en nadien in de woonkamer aangetroffen brief bevond zich een dactyloscopisch spoor van de verdachte. Uiteindelijk werd het lichaam van het slachtoffer weken na haar dood, na klachten uit de buurt over overlast van stank en vliegen, tussen ongedierte en in verregaande staat van ontbinding aangetroffen. Door aldus te handelen heeft de verdachte de waardigheid van het slachtoffer ernstig geweld aangedaan en de buurt waarin hij woonde - en meer in het algemeen de rechtsorde - ernstig geschokt.

• Dat de verdachte geen enkel respect heeft getoond voor de lichamelijke integriteit en de waardigheid van zijn echtgenote, blijkt voorts uit het feit dat hij haar op 19 april 2007, enkele weken vóór haar dood, heeft mishandeld door met hoge snelheid weg te rijden in een auto, terwijl zijn echtgenote bezig was in te stappen en waardoor zij vervolgens is meegesleurd en ten val is gekomen. Volgens de verdachte maakte het hem op dat moment niet uit wat er met zijn echtgenote zou gebeuren. Ook bij dat gewelddadige incident was [B] aanwezig.

• De verdachte werd blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 februari 2010 reeds eerder veroordeeld ter zake van geweldsdelicten, waaronder een mishandeling van zijn echtgenote gepleegd op 6 september 2006. De thans bewezen verklaarde feiten werden gepleegd gedurende de proeftijd van een voorwaardelijke veroordeling ter zake van (onder meer) die eerdere mishandeling.

Mede in aanmerking genomen dat het hof - anders dan de rechtbank en anders dan waarvan in de vordering van de advocaat-generaal wordt uitgegaan - niet komt tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging, komt het hof tot oplegging van een gevangenisstraf van langere duur dan door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd.

Alles overziende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren passend en geboden. Een vrijheidsstraf van kortere duur brengt de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking.

Beslag

Het in beslag genomen en nog niet teruggegeven mes (spoornummer slk1-07), volgens opgave van de verdachte aan hem toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het onder 1 bewezen verklaarde is begaan. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Ten aanzien van de voorwerpen met nummers 40, 41, 71, 72, 73, 74 en 75 op de beslaglijst kan geen persoon als rechthebbende worden aangemerkt, zodat het hof ten aanzien van die voorwerpen de bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n) zal gelasten.

Van hetgeen verder in beslag is genomen en nog niet is teruggegeven, zal de teruggave aan de verdachte worden gelast.

Vordering tot tenuitvoerlegging

Het hof is ten aanzien van de vordering van de officier van justitie te 's-Hertogenbosch van 20 november 2008, tot tenuitvoerlegging van de bij het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 9 januari 2007 onder parketnummer 01-840374-06 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht weken, van oordeel dat - nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt - de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf dient te worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14g, 24, 33, 33a, 57, 63, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Wijst af het verzoek van de verdediging tot het horen van de getuige [C].

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair en het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair en het onder 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders onder 1 impliciet subsidiair en onder 2 subsidiair is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

1. Doodslag.

2. Mishandeling.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen voorwerp, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten een mes (spoornummer slk1-07), zijnde het voorwerp nummer 42 vermeld op de aan dit arrest gehechte beslaglijst.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n) van de in beslag genomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten de voorwerpen met nummers 40, 41, 71, 72, 73, 74 en 75 vermeld op de aan dit arrest gehechte beslaglijst.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten de overige voorwerpen vermeld op de aan dit arrest gehechte beslaglijst.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 9 januari 2007 onder parketnummer 01-840374-06, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) weken.

Aldus gewezen door

mr. J.F. Dekking, voorzitter,

mr. J.M.W.M. van den Elzen en mr. O.M.J.J. van de Loo,

in tegenwoordigheid van mr. P. van Glabbeek, griffier,

en op 20 oktober 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.