Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BO0153

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-10-2010
Datum publicatie
12-10-2010
Zaaknummer
HD 200.049.272
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huwelijkse voorwaarden.

Uitvoering periodiek verrekenbeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.049.272

arrest van de zevende kamer van 5 oktober 2010

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

verder: de man,

advocaat: mr. E.E.M. van Schaijk-Böhm,

tegen:

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

verder: de vrouw,

advocaat: mr. A.S. Sanders-Sijbom,

op het bij exploot van dagvaarding van 12 november 2009 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank ‘s-Hertogenbosch gewezen vonnis van 26 augustus 2009 tussen de man als gedaagde in conventie, eiser in reconventie en de vrouw als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.

1. Het geding in eerste aanleg (zaak- en rolnummer 177733/HA ZA 08-1319)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het tussenvonnis van 24 september 2008.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 De man is tijdig van het vonnis van 26 augustus 2009 in hoger beroep gekomen. Bij memorie van grieven tevens akte wijziging van eis in reconventie heeft de man onder overlegging van producties één grief aangevoerd, zijn eis in reconventie gewijzigd, twee data in de appeldagvaarding gecorrigeerd en geconcludeerd zoals in de conclusie van deze memorie nader staat omschreven.

2.2 Bij memorie van antwoord heeft de vrouw de grief bestreden.

2.3 Partijen hebben op 8 september 2010 hun standpunten door hun advocaten doen bepleiten, de advocaat van de man aan de hand van een pleitnota. Partijen hebben daarna uitspraak gevraagd op het door de man toegezonden procesdossier.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grief verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1 De vaststelling van de feiten in het vonnis waarvan beroep onder 2.1 is niet bestreden, zodat het hof ook in hoger beroep hiervan uitgaat.

4.2 Het gaat in deze zaak, voor zover in dit hoger beroep van belang, om het volgende.

a) Partijen zijn op 28 april 1988 onder huwelijkse voorwaarden gehuwd. De huwelijkse voorwaarden houden onder meer in een uitsluiting van elke gemeenschap van goederen, een periodiek verrekenbeding en een boekhoudverplichting. In het vonnis waarvan beroep zijn de relevante bepalingen aangehaald (r.o. 2.1); het hof verwijst hiernaar.

b) Op 5 september 2006 hebben partijen de samenwoning beëindigd. Op 15 januari 2007 is hun huwelijk door echtscheiding geëindigd.

c) Bij de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden zijn tussen partijen geschillen gerezen. In de onderhavige procedure hebben partijen in verband daarmee over en weer een aantal vorderingen ingesteld. De vrouw heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat het periodiek verrekenbeding niet is uitgevoerd, zodat alsnog moet worden verrekend. Volgens de man is het periodiek verrekenbeding wel uitgevoerd.

4.3 In het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat de periodieke verrekenverplichting is uitgevoerd (r.o. 3.1). De rechtbank heeft bepaald dat van het tussenvonnis tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld. Van die mogelijkheid heeft de man gebruik gemaakt. De grief van de man richt zich tegen het oordeel van de rechtbank over de uitvoering van het verrekenbeding. Het onderhavige hoger beroep betreft uitsluitend deze aangelegenheid.

4.4 In de toelichting op zijn grief heeft de man een overzicht gegeven van de rekeningen waarover partijen tijdens het huwelijk beschikten en de boekingen die volgens hem in de loop van de tijd hebben plaatsgevonden met het oog op de onderlinge verrekening. Dat daarbij niet bij helfte is verdeeld, zoals in de huwelijkse voorwaarden is bepaald, vloeit volgens hem voort uit de omstandigheid dat partijen over de uitvoering van het verrekenbeding telkens een nadere afspraak maakten. De

rechtbank heeft zijn stelling over een nadere overeenkomst afgewezen op de grond dat een afwijking van de huwelijkse voor- waarden bij notariële akte moet worden aangegaan, terwijl van zo’n akte geen sprake is. Volgens de man heeft hij echter niet beoogd te stellen dat partijen een dergelijke overeenkomst hebben gesloten, maar dat bij de uitvoering van het verreken- beding in overleg en met instemming van partijen niet steeds de helft van het overblijvende naar de privé rekening is over- gemaakt. Bij de beëindiging van de samenwoning in 2006 heeft de man als voorschot op de definitieve afrekening tussen partijen een bedrag van € 20.000,= aan de vrouw overgemaakt. Alles bij elkaar heeft de vrouw volgens de man te veel uitbetaald gekregen, zodat zij hem nog een bedrag moet terugbetalen.

4.5 Door de vrouw is gemotiveerd betwist dat aan het periodiek verrekenbeding uitvoering is gegeven en dat daarbij tussen partijen nadere afspraken zijn gemaakt als nu door de man gesteld. Zij heeft tijdens het huwelijk de financiën in goed vertrouwen geheel aan de man overgelaten. Van overleg over verrekeningen is geen sprake geweest. Toen het einde van het huwelijk in zicht kwam is de man alles op zijn manier gaan recht trekken. Volgens de huwelijkse voorwaarden had verrekening bij helfte moeten plaatsvinden, hetgeen in ieder geval niet is gebeurd. Het betalen van een voorschot bij het uit elkaar gaan is ook niet overeenstemming met de stelling van de man dat er periodiek verrekend was, aldus de vrouw.

4.6 Het hof overweegt hierover het volgende. Met betrekking tot het periodiek verrekenbeding houden de huwelijkse voor- waarden in dat het overblijvende bij helfte moet worden verdeeld. Gesteld noch gebleken is dat daaraan is voldaan. Ook het door de man verstrekte overzicht gaat daar niet van uit. Uit dat overzicht blijkt juist dat geenszins bij helfte is verdeeld. Dat partijen bij de uitvoering van de periodieke verrekening voor de verdeling van het overblijvende (telkens) een afwijkende afspraak hebben gemaakt, is door de man in hoger beroep gesteld en door de vrouw uitdrukkelijk betwist. Door de man is niet onderbouwd dat de vrouw het jaarlijks eens was met de wijze waarop, naar de man stelt, werd verrekend of dat sprake is geweest van een duidelijke kwijtschelding voor zover de gestelde verrekening afweek van verdeling van het overblijvende bij helfte. Het overzicht dat de man in de toelichting op zijn grief heeft gegeven betreft een reconstructie van geldstromen, maar toont niet aan dat aldus sprake is geweest van uitvoering van het periodieke verrekenbeding. De huwelijkse voorwaar- den bevatten in artikel 14 een boekhoudverplichting. Van enige administratieve vastlegging van periodieke verrekeningen en/of van afwijkende afspraken bij de uitvoering daarvan blijkt niets. Ook het betalen van een voorschot van € 20.000,= door de man bij het uiteengaan van partijen duidt niet op een uitvoering van het periodieke verrekenbeding als door hem gesteld, terwijl met de gestelde onderlinge afspraken over de uitvoering daarvan niet valt te rijmen het door de man ingenomen standpunt dat in de loop van de tijd te veel verrekend zou zijn. In dat standpunt ligt immers besloten dat de afwijkingen van de door de huwelijkse voorwaarden voorgeschreven verdeling bij helfte steeds zijn instemming hadden. Het hof kan zich (ook) voor het overige vinden in het oordeel van de rechtbank in de bestreden rechtsoverweging 3.1 en sluit zich daarbij aan. Een en ander leidt tot de conclusie dat niet is komen vast te staan dat het periodieke verrekenbeding is uitgevoerd.

4.7 Op de man rust de bewijslast van zijn stelling dat door partijen uitvoering is gegeven aan het periodieke verrekenbeding. Dit bewijs is door hem niet geleverd terwijl hij evenmin een bewijsaanbod heeft gedaan.

4.8 De slotsom is dat de grief wordt verworpen en dat het vonnis waarvan beroep wordt bekrachtigd. Het hof zal de zaak terugverwijzen naar de rechtbank ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling en afdoening. Daarbij kan ook de eiswijziging van de man aan de orde komen; deze heeft geen betrekking op het onderwerp dat in dit hoger beroep door de grief aan de orde is gesteld. Omdat partijen gewezen echtgenoten zijn zullen de proceskosten in hoger beroep tussen hen worden gecompenseerd.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

verwijst de zaak voor verdere behandeling en afdoening terug naar de rechtbank ’s-Hertogenbosch;

compenseert de proceskosten in hoger beroep tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten daarvan draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. Meulenbroek, Keizer en Van Solinge en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 5 oktober 2010.