Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BN9824

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-10-2010
Datum publicatie
08-10-2010
Zaaknummer
HD 200.013.573
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Volmacht.

Afdracht geldopnames door gemachtigde aan nalatenschap?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.013.573

arrest van de zevende kamer van 5 oktober 2010

in de zaak van

1. [Appellante sub 1.],

wonende te [woonplaats],

2. [Appellant sub 2.],

wonende te [woonplaats],

3. [Appellant sub 3.],

wonende te [woonplaats],

4. [Appellant sub 4.],

wonende te [woonplaats],

5. [Appellant sub 5.],

wonende te [woonplaats],

6. [Appellant sub 6.],

wonende te [woonplaats],

7. [Appellante sub 7.],

wonende te [woonplaats],

8. [Appellante sub 8.],

wonende te [woonplaats],

9. [Appellant sub 9.],

wonende te [woonplaats],

10. [Appellant sub 10.],

wonende te [woonplaats],

11. [Appellante sub 11.],

wonende te [woonplaats],

12. [Appellante sub 12.],

wonende te [woonplaats],

13. [Appellant sub 13.],

wonende te [woonplaats],

appellanten in het principaal appel,

geïntimeerden in het voorwaardelijk incidenteel appel,

advocaat: mr. J. van Zinnicq Bergmann,

tegen:

[X.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het voorwaardelijk incidenteel appel,

advocaat: mr. M.J.A.M. Tonnaer,

op het bij exploot van dagvaarding van 12 augustus 2008 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht gewezen vonnis van 28 mei 2008 tussen appellanten in het principaal appel - [appellanten c.s.] - als eisers en geïntimeerde in het principaal appel – [X.] - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 101273 HA ZA 05-477)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het tussenvonnis van 26 april 2006.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven hebben [appellanten c.s.] grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing van de vorderingen.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [X.] de grieven bestreden en een productie overgelegd. Voorts heeft [X.] voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld, een grief aangevoerd en geconcludeerd zoals in die memorie staat omschreven.

2.3. Bij memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel appel hebben [appellanten c.s.] de grief van [X.] bestreden en onder overlegging van een productie een nadere toelichting gegeven op het principaal appel.

2.4. [appellanten c.s.] hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memories van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het hof gaat uit van de volgende feiten.

4.1.1. Op 24 december 2003 is mevrouw [Y.] overleden (hierna: erflaatster). Erflaatster heeft op 14 januari 2002 bij testament over haar nalatenschap beschikt. [appellanten c.s.] en [X.] zijn haar erfgenamen.

4.1.2. De neef van erflaatster, wijlen [Z.], heeft, gebruik makend van een door erflaatster verleende bankvolmacht, op 13 februari 1998, 6 maart 1998, 19 juni 1998, 2 september 1998, 20 april 2001, 4 mei 2001, 1 juni 2001, 3 juli 2001 en 1 augustus 2001 telkens een bedrag van f 50.000,- opgenomen van een bankrekeningnummer van erflaatster en op 22 september 2000 een bedrag van f 61.000,- (in totaal dus f 511.000,- / € 231.881,69).

4.1.3. [Z.] was de echtgenoot van [X.]. [Z.] is op 20 augustus 2001 overleden. [X.] heeft de nalatenschap van [Z.] aanvaard.

4.2. [appellanten c.s.] hebben in eerste aanleg schadevergoeding gevorderd. Aan die vordering hebben zij de stelling ten grondslag gelegd dat [Z.] de onder 4.1.2 genoemde bedragen van erflaatster heeft verduisterd, daarmee kennelijk stellende dat hij een onrechtmatige daad jegens erflaatster heeft gepleegd. Subsidiair hebben zij gesteld dat [Z.] door de geldopnames ongerechtvaardigd is verrijkt. Volgens [appellanten c.s.] is de schuld van [Z.] uit dien hoofde onder algemene titel overgegaan op [X.]. De rechtbank heeft de vordering van [appellanten c.s.] afgewezen.

4.3. Een goede procesorde brengt mee dat uit de memorie van grieven voldoende duidelijk moet blijken op welke gronden [appellanten c.s.] menen dat een ander dictum moet volgen. [X.] klaagt erover dat uit de memorie van grieven niet duidelijk blijkt tegen welke onderdelen van het vonnis [appellanten c.s.] bezwaren hebben. In ieder geval blijkt wel voldoende duidelijk - ook voor [X.] die daarop bij memorie van antwoord heeft gereageerd - dat [appellanten c.s.] in hoger beroep betogen dat de rechtbank ten onrechte is afgeweken van de hoofdregel van bewijsrecht dat degene die op grond van een volmacht gelden opneemt van de bankrekening van de volmachtgever, terwijl de volmachtgever betwist dat de opgenomen gelden bij haar terecht zijn gekomen, moet bewijzen dat de opgenomen gelden zijn afgegeven, dan wel ten goede zijn gekomen aan de volmachtgever (HR 26 september 1980, NJ 1981, 154). Volgens [appellanten c.s.] is de kern van de zaak dat [Z.] gelden heeft opgenomen van de bankrekening van erflaatster en dat die gelden niet aan erflaatster zijn afgedragen of aan haar ten goede zijn gekomen. Volgens [appellanten c.s.] rust op [X.] als rechtsopvolgster van [Z.] de stelplicht en de bewijslast dat de opgenomen gelden wel aan erflaatster zijn afgedragen of aan haar ten goede zijn gekomen.

4.4. De hoofdregel zoals hiervoor geformuleerd zou wellicht opgaan indien vast zou staan dat [Z.] gehouden was om de door hem opgenomen bedragen aan erflaatster af te dragen en [appellanten c.s.] nakoming van die verplichting aan hun vordering ten grondslag zouden hebben gelegd. In dat geval zou immers sprake zijn van een bevrijdend verweer (de gelden zijn opgenomen maar afgedragen) waarvan [X.] de bewijslast dient te dragen. [appellanten c.s.] hebben echter aan hun vordering ten grondslag gelegd dat [Z.] een onrechtmatige daad heeft gepleegd (verduistering), althans dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking door [Z.]. De stelplicht en bewijslast van een daarop gebaseerde vordering tot schade- vergoeding, rusten op [appellanten c.s.] De grief, als zou de rechtbank van een verkeerde bewijslastverdeling zijn uitgegaan, faalt derhalve.

4.5. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat [appellanten c.s.] niet aan hun stelplicht hebben voldaan. Het opnemen van geld met een bankvolmacht zoals door [Z.] is gedaan, kan een verplichting tot afdracht van dat geld aan de volmachtgever meebrengen. De door [X.] gestelde omstandigheden duiden er echter op dat erflaatster daar niet vanuit is gegaan en dat heel goed denkbaar is dat zij wenste dat [Z.] de opgenomen gelden behield. Immers, volgens [X.] kon de verhouding tussen erflaatster en [Z.] gelijk worden gesteld met die van moeder/ zoon. [Z.] was voor zijn overlijden door erflaatster benoemd tot enig erfgenaam. Erflaatster was, ook na het overlijden van [Z.] en dus ruimschoots na de in geding zijnde geldopnames, zich goed bewust van haar vermogensrechtelijke situatie hetgeen blijkt uit een in eerste aanleg overgelegde handgeschreven brief van erflaatster. Uit niets blijkt dat erflaatster het niet eens was met de geldopnames van [Z.] of van hem heeft verlangd dat hij de gelden aan haar zou afdragen of daarover verantwoording zou afleggen. Gelet op deze omstandigheden had van [appellanten c.s.] verlangd mogen worden dat zij hadden gesteld dat en waarom [Z.] niet in naam van erflaatster handelde, althans geen toestemming had het geld op te nemen ten behoeve van zichzelf. Nu zij dat hebben nagelaten komt het hof aan bewijslevering niet toe.

4.6. Het vermoeden van [appellanten c.s.] dat [Z.] de gelden van erflaatster heeft gebruikt voor de financiering van zijn woning leidt niet tot een ander oordeel. Zelfs als dat het geval is geweest, dan valt niet uit te sluiten dat dit in opdracht of overeenkomstig een afspraak met erflaatster was. Uit de door [X.] aangevoerde en hiervoor onder rov. 4.5 genoemde omstandigheden volgt dat dit niet valt uit te sluiten en zelfs heel goed denkbaar is. Evenmin valt uit te sluiten dat [Z.] in opdracht van erflaatster de gelden van erflaatster heeft besteed aan goede doelen of dat hij deze in opdracht van erflaatster heeft gestort op buitenlandse bankrekeningen zoals [X.] heeft aangevoerd. In dit verband is van belang dat [X.] reeds in eerste aanleg er bij [appellanten c.s.] op heeft aangedrongen de bij de jaarrekening behorende grootboekkaarten en alle onderliggende stukken over te leggen. [appellanten c.s.] hebben dat nagelaten, terwijl uit het voorgaande volgt, dat dit gelet op hun stelplicht wel van hen verlangd had mogen worden.

4.7. Ook wanneer het hof, onder ambtshalve aanvulling van rechtsgronden, ervan uitgaat dat [appellanten c.s.] een beroep doen op nakoming van de verplichting van [Z.] om als gevolmachtigde van erflaatster de opgenomen bedragen aan haar af te dragen, is het hof van oordeel dat [appellanten c.s.] niet aan hun stelplicht hebben voldaan. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.8. [appellanten c.s.] verlangen (als rechtsopvolgers van erflaatster) de afdracht door [X.] (als rechtsopvolgster van [Z.]) van de door [Z.] opgenomen gelden, met andere woorden: nakoming van de uit de volmacht voortvloeiende verbintenis om tot afdracht van de opgenomen gelden over te gaan. Volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv rust op [X.] als rechtsopvolgster van [Z.] de stelplicht en de bewijslast van de bevrijdende verweren dat [Z.] deze gelden heeft afgedragen aan erflaatster c.q. van de afspraak tussen erflaatster en [Z.] dat laatstgenoemde het geld mocht behouden. In dit geval vloeit echter uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voort. Daartoe ziet het hof aanleiding gelet op de omstandigheid dat zowel volmachtgever als gevolmachtigde zijn overleden, zodat niet meer, althans aan de hand van hun verklaring, kan worden vastgesteld wat tussen hen is overeengekomen ten aanzien van de geldopnames en dat beide procespartijen hun rechten en verplichtingen ontlenen aan een rechtsopvolging onder algemene titel. Gelet op het ontbreken van schriftelijk bewijs en de familierelatie (die vaak meebrengt dat afspraken niet schriftelijk worden vastgelegd) is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [appellanten c.s.] zouden kunnen profiteren van de verslechtering van de bewijspositie van [X.] ontstaan door het overlijden van erflaatster en [Z.]. Daarbij betrekt het hof voorts de hiervoor onder rov. 4.5 genoemde omstandigheden. Deze omkering van de bewijslastverdeling brengt mee dat [appellanten c.s.] dienen te bewijzen dat [Z.] gehouden was de met de bankvolmacht opgenomen gelden op enig moment nog aan erflaatster af te dragen. Het hof komt echter niet toe aan bewijslevering, omdat [appellanten c.s.] niet hebben voldaan aan de daaraan voorafgaande stelplicht. Immers, [appellanten c.s.] hebben niet veel meer gedaan dan het vermoeden geuit dat [Z.] een woning heeft gekocht en verbouwd met geld van erflaatster, welke stelling [X.] gemotiveerd heeft betwist. Ook in dit verband is van belang dat [appellanten c.s.] hebben nagelaten de bij de jaarrekening behorende grootboekkaarten en alle onderliggende stukken over te leggen.

4.9. Uit het voorgaande volgt dat de grieven van [appellanten c.s.] falen en dat het eindvonnis waarvan beroep moet worden bekrachtigd. [X.] heeft, gelet op het hiervoor overwogene, geen belang bij haar incidenteel appel tegen het tussenvonnis, zodat dit geen bespreking behoeft. Het hof komt niet toe aan de beoordeling van het voorwaardelijk incidenteel appel nu de voorwaarde waaronder dat is ingesteld niet is vervuld. [appellanten c.s.] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. De kosten worden begroot op € 5.981,- voor vast recht en € 3.263,- voor kosten advocaat (1 punt tarief VI).

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt Ritzen in de kosten van het hoger beroep, tot op heden begroot op € 9.244,-.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Den Hartog Jager en Van Ham en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 5 oktober 2010.