Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BN9821

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-10-2010
Datum publicatie
08-10-2010
Zaaknummer
HD 200.012.071
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoeverre bij de berekening van de uitkering o.g.v. de vertrekstimuleringsregeling in dit geval rekening mocht worden gehouden met de WW-uitkering.

Uitleg m.b.v. CAO-norm

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 685
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2010/312
AR-Updates.nl 2010-0792
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.012.071

arrest van de achtste kamer van 5 oktober 2010,

in de zaak van

[X.] NIEUWSDRUK B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1.],

appellante,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen:

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. P.E.M. Loeffen,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 19 januari 2010 in het hoger beroep van het door de rechtbank ’s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Eindhoven, onder zaaknummer 548040, rolnummer 08/1584 gewezen vonnis van 12 juni 2008.

6. Het tussenarrest van 19 januari 2010

Bij genoemd arrest is [Y.] toegelaten tot bewijslevering en is iedere verdere beslissing aangehouden.

7. Het verdere verloop van de procedure

[Y.] heeft ter uitvoering van de bewijsopdracht zichzelf en zijn echtgenote, [Z.], doen horen. [X.] heeft daarop afgezien van contra-enquête.

Hierna hebben partijen ieder een memorie na enquête genomen.

Vervolgens hebben partijen de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

8. De verdere beoordeling

8.1. [Y.] is toegelaten te bewijzen dat mw. [A.] in een gesprek met hem op 17 september 2009 heeft aangegeven dat zij over de in de vaststellingsovereenkomst van mei 2009 genoemde vergoeding contact heeft gehad met de juridische afdeling van [X.] en dat van daaruit werd bevestigd dat deze vergoeding juist was.

8.2. Het hof acht op grond van de inhoud van de in enquête afgelegde getuigenverklaringen [Y.] niet geslaagd in het hem opgedragen bewijs.

8.2.1. [Y.] heeft bij gelegenheid van het gehouden getuigenverhoor verklaard dat hij op 17 september 2009 op het kantoor

van [X.] in [vestigingsplaats 2.] is geweest en daar heeft gesproken met mw. [A.], een medewerkster van personeelszaken. Doel van de bespreking was om stukken met gegevens over de stamrecht-b.v., goedkeuringspapieren voor de belastingen, notarispapieren en stukken van de belastingadviseur naar [X.] te brengen. Terwijl mw. [A.] de stukken die zij nodig had heeft gekopieerd, hadden [Y.] en zij, aldus [Y.] in zijn verklaring, wat prietpraat. Daarbij heeft mw. [A.] hem gevraagd hoe het eigenlijk stond met zijn rechtszaak. Op het antwoord van [Y.] dat deze nog liep en dat [X.] in hoger beroep was gegaan reageerde mw. [A.] dat ze dat raar vond want, zo zei zij, ik heb nog met [vestigingsplaats 1.] gebeld om te vragen of de berekening van de vaststellingsovereenkomst klopte en die hebben gewoon gezegd ‘je kunt hem versturen’.

[Y.] heeft voorts nog verklaard dat hij na het bezoek aan mw. [A.] naar huis is gegaan en alles wat was voorgevallen aan zijn vrouw heeft verteld.

8.2.3. Nog daargelaten het informele kader waarin de mededelingen door de medewerkster van [X.] blijkens de verklaring van [Y.] zijn gedaan en het feit dat zij niet expliciet is geweest over wie zij van welke afdeling van [X.] in [vestigingsplaats 1.] heeft gesproken, noch over de inhoud van de met ‘[vestigingsplaats 1.]’ besproken vaststellingsovereenkomst, geldt het volgende.

[Y.] is partij in het geding en belast met het leveren van bewijs. De door hem als getuige afgelegde verklaring kan daarom alleen bewijs in zijn voordeel opleveren, indien aanvullend bewijs voorhanden is dat zodanig sterk is en zulke essentiële punten betreft dat het zijn verklaring voldoende geloofwaardig maakt (zie onder meer: HR 7 april 2000, NJ 2001, 32).

De echtgenote van [Y.] heeft als getuige verklaard dat zij op 17 september 2009, toen haar man terug kwam van het gesprek met mevrouw [A.], hem gevraagd heeft hoe het was gegaan. Daarop heeft hij haar verteld dat het goed gegaan was en dat zij stukken gekopieerd had. Ook heeft hij haar verteld, aldus mevrouw [Z.], dat mevrouw [A.] nog gevraagd had hoe het afgelopen was en of het in orde was gekomen, dat hij daarop geantwoord had dat het nog liep en dat haar reactie toen was dat dat vreemd was, omdat zij, toen zij bezig was met de vaststellingsovereenkomst, nog naar [vestigingsplaats 1.] gebeld had om te checken of het in orde was en of zij de vaststellingsovereenkomst kon versturen naar hem, [Y.].

Deze verklaring van de echtgenote van [Y.] is een zogenaamde verklaring van horen zeggen. Haar verklaring spruit enkel voort uit hetgeen zij van [Y.] vernomen heeft en berust verder niet op eigen waarnemingen. De verklaring van [Z.] is hiermee dan ook niet voldoende geloofwaardig gemaakt.

8.3. Nu [Y.] niet is geslaagd in het hem opgedragen bewijs kan, gelet op hetgeen in het tussenarrest van 19 januari 2010 o.m. onder 4.2.7 is overwogen, niet worden aangenomen dat [Y.] zich in het licht van de lopende procedure tussen partijen over dit onderwerp er voldoende van heeft vergewist of de wil van [X.] overeenkwam met de verklaring zoals neergelegd in de vaststellingsovereenkomst van mei 2009. Niet is kunnen worden vastgesteld dat ook de juridische afdeling van [X.] op de hoogte was van de in mei 2009 aan [Y.] verzonden vaststellingsovereenkomst, althans dat [Y.] dit mocht aannemen. Het beroep van [X.] op het ontbreken van een met de verklaring (zoals deze was te lezen in de vaststellingsovereenkomst van mei 2009) overeenstemmende wil, is gegrond. De vaststellingsovereenkomst van mei 2009 is niet tot stand gekomen. Het geschil tussen partijen is dan ook niet met deze door [Y.] gestelde vaststellingsovereenkomst beslecht.

8.4. Tussen partijen is in geschil of bij de berekening van de hoogte van de eenmalige uitkering op grond van de vertrek- stimuleringsregeling rekening mag worden gehouden met de WW-uitkering waarop [Y.] na beëindiging van het dienstverband aanspraak kan maken.

In de visie van [X.] dient de eenmalige uitkering te worden verminderd met een WW-uitkering voor zover het totaal van deze inkomsten een gemiddeld inkomen zou opleveren dat hoger ligt dan zijn inkomen bij werken. Aan [Y.] zou volgens [X.] een bedrag van € 136.104,22 moeten worden uitgekeerd.

In de visie van [Y.] zou hij aanspraak kunnen maken op een bedrag van € 165.393,68, omdat bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding op grond van de vertrekstimuleringsregeling volgens hem géén rekening mag worden gehouden met een eventuele WW-uitkering.

8.5.1. Het standpunt van [Y.], dat [X.] een aanbod heeft gedaan om te komen tot een afvloeiingsregeling, zoals verwoord in het sociaal plan en waar een concrete berekening aan was gekoppeld leidend tot een eenmalige uitkering ad € 165.393,68 en dat [Y.] dát aanbod heeft geaccepteerd, is door de kantonrechter verworpen. Tegen dit oordeel is (door [Y.]) geen grief ingesteld.

Uitgangspunt is derhalve dat [Y.] akkoord is gegaan met gebruikmaking van de vertrekstimuleringsregeling zoals verwoord in het sociaal plan, zonder dat daar een bedrag voor was vastgesteld.

8.5.2. Bij het in eerste aanleg op 12 juni 2008 gewezen vonnis van de rechtbank

’s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Eindhoven, heeft de kantonrechter voorts, onder afwijzing van het meer of anders gevorderde, voor recht verklaard dat op grond van de tekst van het sociaal plan Osiris in de berekening de WW- en IOW-uitkeringen niet van de vergoeding in het kader van de vertrekstimuleringsregeling mogen worden afgetrokken en [X.] veroordeeld in de proceskosten.

Daarbij heeft de kantonrechter onder meer overwogen, dat bij de vraag hoe [Y.] de zinsnede die in de procedure centraal staat (‘nooit meer dan verwachte inkomensderving tot aan de pensioengerechtigde leeftijd’) mocht opvatten naar aanbeveling 3.5 van de aanbevelingen gekeken dient te worden. Daarin staat dat de vergoeding niet hoger zal zijn dan de verwachte inkomstenderving tot aan de pensioengerechtigde leeftijd. Dat naast reguliere inkomsten ook met uitkeringen rekening moet worden gehouden en als het ware gesaldeerd moet worden tussen te missen inkomen uit arbeid en eventueel te ontvangen uitkeringen ligt volgens de kantonrechter niet in de formulering van aanbeveling 3.5. besloten nu wordt gesproken over inkomsten. Bij hantering van de CAO-norm is volgens de kantonrechter van belang dat van [Y.] niet mag worden verwacht dat hij zich verdiept in de wijze waarop (aanbeveling 3.5. van) de kantonrechtersformule vaak of meestal in de rechtspraktijk wordt gehanteerd. Voorts spelen daarbij elders in het Sociaal Plan geregelde uitkeringen en vergoedingen een rol spelen. In die regelingen is, aldus de kantonrechter, de bovengrens van de door de werknemer te ontvangen uitkering of bijdrage wel zeer nauwkeurig beschreven. Daarnaast heeft de kantonrechter overwogen dat bij een vergoeding ineens altijd de mogelijkheid bestaat dat de werknemer tot zijn pensioendatum over meer inkomsten per maand beschikt dan 100% van zijn huidige maandloon plus toeslagen, bijvoorbeeld door het vinden van een nieuwe baan. De toelichting op het Sociaal Plan doet aan een en ander volgens de kantonrechter niet af, omdat deze toelichting later gemaakt was dan de berekening die op 10 april 2007 aan [Y.] is verstrekt. Tot slot overweegt de kantonrechter dat ook [X.] aanvankelijk uit ging van de door [Y.] bepleite uitleg van de zinsnede.

8.6. De eerste grief van [X.] is gericht tegen het hierboven onder 8.5.2. in de verklaring voor recht weergegeven oordeel van de kantonrechter. In de toelichting op deze grief stelt [X.] dat de zinsnede “de verwachte inkomensderving tot aan de pensioen- gerechtigde leeftijd” uit artikel C.1 van het Sociaal Plan Osiris in redelijkheid niet anders uitgelegd kan worden dan als het verwachte gemis aan salaris tot de pensioengerechtigde leeftijd minus het verwachte vervangende inkomen dat, naar redelijke verwachting, voor het salaris in de plaats komt. Derhalve is het verschil tussen het tot de pensioengerechtigde leeftijd te genieten salaris en de in plaats daarvan te genieten WW-uitkering (en vervolguit-keringen) de “te verwachten inkomensderving tot de pensioengerechtigde leeftijd”.

[X.] voert vijf argumenten aan waarom haar uitleg juist is.

Allereerst stelt [X.] dat het ontvangen van WW door [Y.] een zodanige zekerheid betreft dat met toekenning van die uitkering rekening dient te worden gehouden bij de berekening van de te verwachten (cursief hof) inkomensderving.

In de tweede plaats voert zij aan dat in artikel A2 onder 13 van het Sociaal Plan voor wat betreft de uitleg van de woorden “de verwachte inkomensderving tot aan de pensioengerechtigde leeftijd” wordt verwezen naar een uitleg conform de toelichting van de kantonrechters in het kader van de kantonrechtersformule, zodat de vergoeding op grond van de vertrekstimulerings- regeling dient te worden gemaximeerd conform de aanbevelingen van de kantonrechtersformule, omdat de bestendige uitleg (door kantonrechters) is dat rekening wordt gehouden met de WW-uitkering.

In de derde plaats stelt [X.] dat (ook) [Y.] had moeten begrijpen dat bij de berekeningen van de inkomensderving rekening zou worden gehouden met de WW-uitkeringen, omdat hij enerzijds wist dat hij aanspraak op WW had en dus begreep dat indien hiermee geen rekening zou worden gehouden zich het onaannemelijke rechtsgevolg zou voordoen dat hij bij stoppen met werken een hoger inkomen zou hebben dan bij doorwerken.

Dat het niet de bedoeling van de vertrekstimuleringsregeling is dat degene die van die regeling gebruik maakt een inkomen zal gaan genieten dat hoger ligt dan het inkomen dat zou zijn genoten indien geen gebruik van de regeling zou worden gemaakt, leidt [X.] ook af uit andere in het Sociaal Plan opgenomen regelingen, zoals de vrijwillige ouderenregeling 60+ (artikel C 3.2) en de Ouderenregeling (artikel D 3.). In beide gevallen wordt gesuppleerd tot 70% van het laatstverdiende salaris.

Voorts heeft [X.] erop gewezen dat blijkens de in overleg met de bonden opgestelde toelichting (productie 5 bij dagvaarding in eerste aanleg) de bonden hebben onderkend dat bij de berekening van de te verwachten inkomensderving tot de pensioengerechtigde leeftijd rekening dient te worden gehouden met de WW-uitkering.

Tenslotte heeft zij zich beroepen op de inhoud van een uitspraak van de kantonrechter Den Bosch d.d. 23 oktober 2008.

8.7. [Y.] bestrijdt het standpunt van [X.].

Uit het argument dat bij [Y.] de zekerheid bestond dat hij een WW-uitkering zou ontvangen volgt volgens hem nog niet dat hij uit die boodschap had moeten begrijpen dat gesaldeerd zou worden tussen het te missen inkomen en de WW-uitkering.

Evenmin blijkt uit de tekst van aanbeveling 3.5 dat rekening dient te worden gehouden met te ontvangen WW en van [Y.] kan niet worden verwacht dat hij kennis neemt van literatuur en jurisprudentie inzake toepassing van die aanbeveling 3.5. door kantonrechters.

Tegenover het derde argument van [X.] stelt [Y.] de regelingen van de artikelen C 3.2 en D 3.2 juist wel een suppletiekarakter hebben, maar de vertrekstimuleringsregeling niet. De mogelijkheid dat een werknemer op grond van die laatste regeling over meer dan 100% van zijn huidige inkomsten kan beschikken is volgens [Y.] niet onaannemelijk.

Met betrekking tot de door [X.] aangevoerde toelichting stelt [Y.] dat de bedoeling van partijen niet relevant is bij toepassing van de CAO-norm.

Tenslotte is volgens [Y.] in de zaak waarover de kantonrechter ‘s-Hertogenbosch heeft geoordeeld sprake van een ander feitencomplex, omdat in die zaak de werknemer pas ná de toelichting heeft aangegeven van de regeling gebruik te willen maken, zodat die werknemer rekening moest houden met aftrek van de WW-uitkering. [Y.] hoefde op het moment van acceptatie geen rekening te houden met de wijze waarop de kantonrechtersformule, in het bijzonder aanbeveling 3.5., doorgaans in de rechtspraak wordt gehanteerd.

8.8. Het hof oordeelt als volgt.

8.8.1. Het hof stelt voorop dat beantwoording van de vraag of bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding op grond van de vertrekstimuleringsregeling al dan niet rekening mag worden gehouden met een eventuele WW-uitkering een kwestie van uitleg is.

Bij de uitleg van de tekst van de vertrekstimuleringsregeling, onderdeel C.1 van het Sociaal Plan Osiris, is toepassing van de CAO-norm aangewezen (vgl. HR 26 mei 2000, LJN AA 5961). Deze norm leidt niet tot een louter taalkundige uitleg. Wel is de taalkundige betekenis die de bewoordingen, gelezen in de context van het geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift vaak van groot belang. Het gaat bij toepassing van bedoelde norm om een uitleg naar objectieve maatstaven, waarbij onder meer acht kan worden geslagen op de elders in het Sociaal Plan gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke, tekstinterpretaties zouden leiden. Ook de bewoordingen van de eventueel bij het Sociaal Plan behorende schriftelijke toelichting moet bij de uitleg worden betrokken. Indien de bedoeling van de opstellers van het Sociaal Plan naar objectieve maatstaven volgt uit de bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, en dus voor de individuele werknemers die niet bij de totstandkoming ervan betrokken zijn geweest, kenbaar is, kan ook daaraan bij de uitleg betekenis worden toegekend. Bij de uitleg geldt voorts dat alle omstandigheden van het geval gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen van beslissende betekenis zijn. (vgl. HR 20 februari 2004 -LJN AO 1427- en HR 14 maart 2008 -LJN BC 6699-)

8.8.2. Volgens artikel C.1 van het Sociaal Plan, eerste alinea, voorlaatste en laatste zin, houdt de vertrekstimuleringsregeling in dat een werknemer op vrijwillige basis ontslag neemt en in aanmerking komt voor een eenmalige uitkering en dat deze uitkering gelijk is aan de voor betrokkene geldende kantonrechtersformule (factor C=1, doch nooit meer dan de verwachte inkomensderving tot aan de pensioengerechtigde leeftijd).

De taalkundige betekenis die het woord ‘inkomen’ normaal gesproken in het maatschappelijk verkeer heeft, laat open dat het in de samenstelling ‘inkomensderving’ ook om meer kan gaan dan alleen ‘verlies aan inkomen uit (enkel) arbeid, verlies aan (enkel) loon, ‘gemis aan (enkel) salaris’. Een WW-uitkering als waarop [Y.] na het einde van de arbeidsovereenkomst recht krijgt, komt in de plaats van het eerder verdiende loon, zodat naar het oordeel van het hof hier bij de vaststelling van de omvang van het bedrag dat een werknemer aan inkomen gaat derven tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd, rekening mag worden gehouden. De taalkundige uitleg staat aan deze uitleg niet in de weg.

Anderzijds volgt uit de bewoordingen “de verwachte inkomensderving tot aan de pensioengerechtigde leeftijd” van art. C.1 niet zonder meer dat hiermee bedoeld is het verschil tussen het tot de pensioengerechtigde leeftijd te genieten salaris en de in plaats daarvan te genieten WW-uitkering (en vervolguitkeringen).

In het Sociaal Plan staat in onderdeel A.2 (‘Definities’) onder 13, slot, te lezen dat het op basis van de kantonrechtersformule berekende bedrag nooit meer zal zijn dan de verwachte inkomensderving tot aan de pensioengerechtigde leeftijd (conform de toelichting van de kantonrechters in het kader van de kantonrechtersformule). Gelet op deze uitdrukkelijke verwijzing naar de toelichting op de kantonrechtersformule dient bij de uitleg van meerbedoelde zinsnede acht geslagen te worden op aanbeveling 3.5 van de Aanbevelingen. Tegen het dienovereenkomstige oordeel van de kantonrechter is ook geen grief (van de zijde van [Y.]) gericht.

Aanbeveling 3.5 behorend bij de kantonrechtersformule luidt als volgt: “De vergoeding zal -behoudens eventuele immateriële schade- niet hoger zijn dan de te verwachte inkomstenderving tot aan de pensioengerechtigde leeftijd. Een 63-jarige man met 20 dienstjaren zou bij toepassing van de formule een vergoeding ontvangen die hoger ligt dan zijn redelijke te verwachten inkomstenderving.”

In het feit dat kantonrechters bij hantering van de kantonrechtersformule en aanbeveling 3.5 bij vaststelling van de mate van inkomensderving met de WW-uitkering rekening plegen te houden, ziet het hof een bevestiging van de visie dat een uitleg naar objectieve maatstaven ertoe leidt dat bij het begrip ‘inkomensderving’ rekening moet worden gehouden met de naar redelijke verwachting te verkrijgen sociale zekerheidsuitkering. Daarbij acht het hof niet relevant of en in hoeverre van [Y.] (in subjectieve zin) gevergd kan worden dat hij zich in de toepassing van (aanbeveling 3.5 van) de kantonrechtersformule verdiept.

Dat bij andere regelingen in het Sociaal Plan wel in taalkundige zin tot uitdrukking wordt gebracht dat rekening wordt gehouden met een na ontslag door de werknemer te ontvangen uitkering betekent naar het oordeel van het hof niet dat hieruit a contrario kan worden afgeleid dat een dergelijke wijze van maximalisering kennelijk niet geldt voor de vertrek- stimuleringsregeling. Voor zover [Y.] dit betoogt en de kantonrechter dit heeft bedoeld met het slot van r.o. 4.8 acht het hof dit onjuist.

De formuleringen in het Sociaal Plan van de Vrijwillige Ouderenregeling 60+ en de Ouderenregeling geven aan dat in ieder geval in die regelingen als uitgangspunt geldt dat de uitkering niet meer is dan het loon bij werken. Het hof acht dit ook voor de vertrekstimuleringsregeling een aannemelijk rechtsgevolg. [Y.] heeft niet betwist dat zijn inkomen na ontslag met een niet vanwege een WW-uitkering afgetopte vergoeding aanzienlijk meer zou bedragen dan zijn laatst verdiende loon.

Een dergelijke inkomensverhoging strookt niet met het beoogde doel van een sociaal plan, te weten het opvangen van de gevolgen van verlies van inkomen als gevolg van een reorganisatie.

Het door [Y.] aangevoerde (van de kantonrechter overgenomen) argument dat bij een uitkering van een bedrag ineens altijd de mogelijkheid bestaat dat men per saldo over meer inkomsten per maand kan beschikken dan 100% van zijn eerder verdiende maandloon plus toeslagen, gaat naar het oordeel van het hof op voor de situatie dat die extra inkomsten bij vaststelling van het bedrag ineens nog niet te verwachten zijn, maar niet voor de onderhavige situatie dat [Y.] met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid recht op een WW-uitkering zal hebben bij gebruikmaking van de vertrekstimulerings- regeling en dat hij daarvan op de hoogte was (gebracht). En dat laatste is in deze zaak aan de orde.

Dat aanvankelijk door [X.] onjuiste berekeningen zijn gemaakt omdat, aldus de verklaring van [X.] hiervoor, men van een oud Sociaal Plan was uitgegaan, doet aan al hetgeen hierboven met betrekking tot de objectieve uitleg is overwogen niet af. Niet is immers gebleken dat aanvankelijk (ook) van een andere uitleg van het Sociaal Plan is uitgegaan.

8.8.3. Al het bovenstaande brengt naar het oordeel van het hof mee dat de zinsnede ’de verwachte inkomensderving tot aan de pensioengerechtigde leeftijd‘ in redelijkheid en billijkheid dient te worden uitgelegd in de door [X.] voorgestane zin.

Grief 1 slaagt.

8.9. Het slagen van de grief brengt mee dat het hof de in eerste aanleg verworpen en niet behandelde gronden die in hoger beroep niet zijn prijsgegeven, opnieuw dient te beoordelen, voor zover het hoger beroep de toewijsbaarheid van die vordering opnieuw aan de orde stelt.

8.9.1. Tegen het oordeel van de kantonrechter tot afwijzing van de primaire vordering heeft [Y.] geen grieven gericht zodat die afwijzing vast staat. (vgl hiervoor r.o. 8.5.1.)

8.9.2. [Y.] heeft in eerste aanleg meer subsidiair gevorderd dat in rechte wordt vastgesteld dat als rekening mag worden gehouden met een WW-uitkering, ook andere aspecten moeten worden meegenomen zoals genoemd in punt 45 en 46 in de dagvaarding, te weten: de fiscale gevolgen van de eenmalige uitkering, het gebrek aan pensioenopbouw gedurende de periode tussen 1 oktober 2009 en 1 oktober 2015, een reële loonstijging in de periode tot en met de pensioengerechtigde leeftijd en het missen van de bij een 40-jarig dienstverband normaliter te ontvangen bonus van twee bruto-maandsalarissen.

8.9.3. [X.] heeft tegen deze vordering gemotiveerd verweer gevoerd.

8.9.4. Pensioenaspecten en het missen van een mogelijke bonus laat het hof, overeenkomstig de toepassing van de kantonrechtersformule door de kantonrechters, hier buiten beschouwing.

Tegenover de door [Y.] genoemde overige aspecten van (mogelijke) inkomensderving staat de te verwachten fiscaal vriendelijke wijze van aanwending van de eenmalige uitkering op grond van de vertrekstimuleringsregeling. Het uiteindelijke resultaat bij weging van deze voor- en nadelen is niet op voorhand vast te stellen. Naar het oordeel van het hof is derhalve niet sprake van een zodanig zekere mate van uiteindelijke (extra) inkomensderving dat met deze aspecten rekening gehouden zou moeten worden. Daarbij dient nog te worden aangetekend dat het uitgangspunt voor de berekening van de uitkering(en) in het Sociaal Plan (telkens) het laatstverdiende salaris is, zonder rekening te houden met loon- of prijsaanpassingen in de toekomst.

Ook de meer subsidiaire vordering van [Y.] zal worden afgewezen.

8.10. De tweede grief van [X.] is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter inzake de proceskostenveroordeling.

Deze grief slaagt eveneens.

[Y.] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in kosten van de eerste aanleg en die van het hoger beroep.

9. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van [Y.] af;

veroordeelt [Y.] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [X.] worden begroot op € 198,91 aan verschotten en € 800,-- aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 332,80 aan verschotten en

€ 2.682,00 aan salaris advocaat in hoger beroep;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Aarts, Zweers-van Vollenhoven en Koster-Vaags en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 5 oktober 2010.