Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BN9593

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-10-2010
Datum publicatie
04-03-2011
Zaaknummer
HV 200.071.206
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlof tot verkoop in beslag genomen aandelen. Overgang conservatoir beslag naar executoriaal beslag. Uitleg van de termijnen genoemd in de artt. 474g en 715 RV

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer:HV 200.071.206/01

zaaknummer eerste aanleg:145045/HA RK 09-230

beschikking van de zevende kamer van 5 oktober 2010

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats] (België),

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. J.L.E. Marchal,

tegen:

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. H.J.M. Stassen.

Ingevolge artikel 474g Rv zijn de deurwaarder, de heer [Z.], [A.] Kaas B.V. en [B.] Beheer B.V. als belanghebbenden aangemerkt en opgeroepen.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Maastricht van 19 mei 2010.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 29 juli 2010, heeft de man onder aanvoering van twee grieven verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, althans dat af te wijzen, althans af te wijzen het verzoek tot verkoop van de aandelen in [A.] Kaas B.V., kosten rechtens.

2.2. Bij verweerschrift met productie, ingekomen ter griffie op 15 september 2010, heeft de vrouw het verzoek van de man bestreden.

2.3. Het hof heeft voorts kennis genomen van het procesverbaal van de zitting in eerste aanleg en van de brief met bijlagen van mr. Stassen van 15 september 2010.

2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 september 2010 alwaar de man, bijgestaan door zijn advocaat, de advocaat van de vrouw en de deurwaarder zijn verschenen.

3. De beoordeling

3.1. Partijen zijn gewezen echtgenoten. Zij waren gehuwd in gemeenschap van vruchten en inkomsten. Bij tussen partijen gewezen vonnis van 8 juli 2009 heeft de rechtbank - uitvoerbaar bij voorraad - beslist ten aanzien van de financiële afwikkeling van het huwelijk. Daarbij is de man veroordeeld de vrouw hoge bedragen te betalen. Het vonnis is de man op 13 augustus 2009 betekend. Tegen het vonnis is door de man hoger beroep ingesteld. De vrouw heeft incidenteel geappelleerd. Partijen hebben memories genomen. De pleidooien staan gepland voor 17 december 2010.

3.2. De vrouw heeft op 19 november 2002 conservatoir beslag doen leggen op de aandelen in [A.] Kaas B.V. en in [B.] Beheer B.V. Bij exploot van 13 augustus 2009 is voormeld vonnis aan de man betekend en betalingsbevel gedaan. Bij exploot van 17 september 2009 heeft de vrouw het vonnis en de exploten van beslaglegging aan de vennootschappen betekend en die vennootschappen doen aanzeggen dat de betreffende conservatoire beslagen executoriaal zijn geworden.

Bij inleidend verzoekschrift van 16 oktober 2009 heeft de vrouw op de voet van artikel 474g Rv verzocht de man te gelasten om gegevens en informatie te verschaffen en voorts te bepalen dat en binnen welke termijn tot de verkoop en overdracht van de in beslag genomen aandelen zal worden overgegaan en op welke wijze en onder welke voorwaarden deze verkoop zal dienen plaats te vinden.

3.3. In (het dictum van) de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank de vrouw toegestaan over te gaan tot verkoop van de aandelen zowel in [A.] Kaas B.V. als in [B.] Beheer B.V. en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

3.4. Grief 1

3.4.1. De man stelt zich op het standpunt dat het verzoek niet ontvankelijk is nu het gelegde conservatoir beslag op aandelen nog niet is overgegaan in een executoriaal beslag. Krachtens artikel 715 lid 3 Rv is daar een in kracht van gewijsde gegane executoriale titel voor nodig en die ontbreekt hier, nu hoger beroep is ingesteld, aldus de man.

3.4.2. De rechtbank heeft dit standpunt verworpen, overwegende:

“Hoewel artikel 715 lid 3 Rv inderdaad met zoveel woorden spreekt van een ‘in kracht van gewijsde gegane executoriale titel’ is de rechtbank van oordeel dat, gezien het stelsel van beslag en executierecht en onder verwijzing naar de memorie van toelichting bij de huidige tekst van artikel 715 lid 3 Rv., waar gesproken wordt over ‘de betekening van de executoriale titel die ter zake van de hoofdzaak is verkregen’, de vereiste van kracht van gewijsde van de executoriale titel per abuis in deze bepaling is opgenomen. Het is gezien de memorie van toelichting de bedoeling van de wetgever geweest om aan te sluiten bij de toen nieuwe beslagregeling, waarbij een krachtens de oude regeling ‘kracht van gewijsde van een vonnis waarbij het beslag van waarde was verklaard’ (oude regeling) op dit punt niet meer noodzakelijk was door verruiming van de mogelijkheid van uitvoerbaarverklaring bij voorraad.”

3.4.3. Het hof stelt voorop dat het vonnis van 8 juli 2009 een executoriale titel oplevert, welke voor tenuitvoerlegging vatbaar is, ook nadat hoger beroep werd ingesteld, en wel omdat de veroordelingen uit het vonnis uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard, artikel 350 lid 1 Rv. De conservatoire beslagen - die mede zijn gelegd ten aanzien van de financiële afwikkeling van het huwelijk - zijn daarmee, na de betekening van het vonnis aan de man, overgegaan in executoriale beslagen, artikel 704 lid 1 Rv. Artikel 704 Rv stelt voor het overgaan in de executoriale vorm niet de eis dat het vonnis in kracht van gewijsde moet zijn gegaan. In zoverre faalt de grief.

3.4.4. Ingevolge artikel 474g lid 1 Rv dient de beslaglegger binnen één maand na het leggen van executoriaal beslag het in die bepaling bedoelde verzoek te doen.

Is eerst conservatoir beslag gelegd, dan geldt de termijn van artikel 715 lid 3 Rv luidende:

De termijn, vermeld in artikel 474g, eerste lid, eindigt eerst één maand na de dag waarop de in kracht van gewijsde gegane executoriale titel aan de vennootschap is betekend.

Het hof stelt vast dat het verzoek is gedaan binnen de termijn genoemd in artikel 474g Rv en nog vóór het verstrijken van de termijn genoemd in artikel 715 Rv (er is immers nog geen in kracht van gewijsde gegane executoriale titel).

3.4.5. Voor zover de man zich op het standpunt stelt dat ingevolge artikel 715 lid 3 Rv een conservatoir beslag eerst overgaat in de executoriale vorm nadat het vonnis, in casu dat van 8 juli 2009, in kracht van gewijsde is gegaan, faalt het reeds omdat dit in die bepaling niet valt te lezen. Deze bepaling maakt duidelijk dat de beslaglegger niet genoodzaakt is om binnen één maand ná het uitvoerbaar verklaarde vonnis het verzoekschrift in te dienen, op straffe van verval van de beslagen. De beslaglegger kan de appeltermijn, een eventueel hoger beroep, de cassatietermijn en het eventuele cassatieberoep afwachten, zonder rechten te verliezen of wellicht risicovolle executiemaatregelen te moeten nemen.

3.4.6. De man stelt zich kennelijk (mede) op het standpunt dat de termijn van artikel 715 lid 3 Rv nog niet is gaan lopen omdat er geen sprake is van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis. Dit standpunt is onjuist en volgt ook niet uit de wettekst. Die tekst bepaalt slechts een eindtermijn, en die eindtermijn is gekoppeld aan het in kracht van gewijsde gaan. Ook naar aanleiding van het hier genoemde geval, namelijk dat sprake is van een bij voorraad uitvoerbaar verklaard vonnis houdende een executoriale titel, kan, nog vóórdat die titel in kracht van gewijsde is gegaan, het verzoek van artikel 494g Rv worden gedaan. Een andere uitleg strookt niet met het stelsel van uitvoerbaarverklaring bij voorraad, terwijl nergens uit blijkt dat de wetgever op dit punt van dat stelsel heeft willen afwijken.

3.4.7. Aan de stellingen van de man in hoger beroep, dat de rechtbank artikel 11 van de Wet Algemene Bepalingen zou hebben geschonden, komt het hof niet toe.

3.5. Grief 2

3.5.1. In deze grief keert de man zich tegen het toestaan door de rechtbank van de verkoop van de aandelen op naam in [A.] Kaas B.V. De aandelen van deze vennootschap (de werkmaatschappij) horen toe aan [B.] Beheer B.V., en derhalve niet aan de man.

3.5.2. De grief lijkt te slagen, want inderdaad bestaat er geen grond om de aandelen in [A.] Kaas B.V. (afgezonderd van die van [B.] Beheer B.V.) executoriaal te verkopen, nu de man niet (althans niet direct) houder is van de aandelen in [A.] Kaas B.V. De door de vrouw gestelde omstandigheid dat haar verlof is verleend conservatoir beslag te leggen, maakt dit niet anders.

3.5.3. Echter, nu de aandelen in [A.] Kaas B.V. eigendom zijn van [B.] Beheer B.V., leidt verkoop van de aandelen in laatstgenoemde vennootschap noodzakelijkerwijs tot (mede)-verkoop, althans (mede)levering van de aandelen in eerstgenoemde vennootschap. Niet valt in te zien hoe de aandelen in F.D. [A.] Kaas B.V. verkocht en geleverd zouden kunnen worden aan een derde zonder gelijktijdige overdracht van de aandelen in de werkmaatschappij die door [B.] Beheer B.V. worden gehouden.

Waar het derhalve op aankomt is dat de aandelen in de werkmaatschappij niet afzonderlijk van die in [B.] Beheer B.V. verkocht en geleverd kunnen worden.

Naar het hof begrijpt heeft de rechtbank de vrouw ook niet verlof verleend tot afzonderlijke verkoop van de aandelen in [A.] Kaas B.V., maar heeft de rechtbank kennelijk de vrouw verlof verleend tot verkoop van de aandelen [B.] Beheer B.V., daarin begrepen die van de werkmaatschappij.

De grief faalt derhalve.

3.6. Het hof zal, nu partijen gewezen echtgenoten zijn, de proceskosten compenseren.

4. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

compenseert de proceskosten aldus dat elk van partijen haar eigen kosten draagt;

Deze beschikking is gegeven door mrs. Den Hartog Jager, Fikkers en Kleijngeld en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 5 oktober 2010.