Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BN9590

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-10-2010
Datum publicatie
06-10-2010
Zaaknummer
HV 200.064.830
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrecht en bewindvoering. Uitleg van het woord curatele in een testament opgemaakt vóór de invoering van het meerderjarigenbewind.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 431
Burgerlijk Wetboek Boek 4
Burgerlijk Wetboek Boek 4 46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2011/15
KWEP 2010/59
JPF 2011/11 met annotatie van B.E. Reinhartz
JIN 2010/822
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 5 oktober 2010

Zaaknummer: HV 200.064.830/01

Zaaknummer eerste aanleg: 373503 EJ VERZ 10-2063

in de zaak in hoger beroep van:

[A.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: [A.] of bewindvoerder,

advocaat: mr. H.W.F.M. Schmitz,

in de hoedanigheid van bewindvoerder over alle goederen die toebehoren en zullen toebehoren aan [B.] weduwe van [C.],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [B.].

Belanghebbende: [D.], zus van appellante en dochter van [B.].

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Maastricht, van 31 maart 2010, waarin wordt verwezen naar haar beschikking van 10 februari 2010 over hetzelfde onderwerp.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 3 mei 2010, heeft [A.] verzocht de beschikking van 31 maart 2010 te vernietigen en haar in haar functie van bewindvoerder alsnog een machtiging te geven tot uitbetaling van de in het testament van haar vader genoemde uitkering aan haarzelf en haar zus [D.].

2.2. Na telefonisch overleg tussen de griffier van het hof en mr. Schmitz is afgezien van het houden van een mondelinge behandeling. Het hof zal de zaak op basis van de stukken afdoen.

3. De beoordeling

3.1. Op 19 juli 2000 is overleden [C.] (hierna te noemen: erflater), echtgenoot van [B.] en vader van [A.] en [D.].

3.2. Op grond van het op 15 januari 1981 verleden testament van erflater is zijn nalatenschap toebedeeld aan [B.]. Aan zijn kinderen [A.] en [D.] heeft hij toebedeeld ’de uitkering te doen door zijn echtgenote ten bedrage van ieders erfdeel’. De erflater heeft voorts in het testament bepaald dat deze ‘uitkeringen wegens overbedeling eerst opeisbaar zullen zijn ingeval van overlijden of hertrouwen van zijn echtgenote, zomede wanneer zij in staat van faillissement wordt verklaard of onder curatele wordt gesteld (…)’.

3.3. [B.] is sinds 26 maart 2009 blijvend opgenomen op de psychogeriatrische afdeling van woonzorgcentrum Aelserhof te [vestigingsplaats]. Bij beschikking van 4 mei 2009 van de kantonrechter in de rechtbank Maastricht, locatie Sittard-Geleen, is [A.] benoemd tot bewindvoerder over de goederen van [B.] en als mentor ten behoeve van [B.].

3.4. Het verzoek van de bewindvoerder strekt ertoe een machtiging te verkrijgen om tot uitbetaling van de in het testament van erflater genoemde uitkering aan haarzelf en haar zus [D.] (het ‘kindsdeel’). Hiertoe heeft zij een verzoek gericht – mede ondertekend door haar zus [D.] – aan het Bewindsbureau.

3.5. De kantonrechter heeft bij beschikking van 10 februari 2010 overwogen dat het testament een limitatieve opsomming van situaties geeft waarin de uitkering direct opeisbaar wordt. Een dergelijke situatie doet zich thans niet voor nu geen sprake is van curatele, aldus de kantonrechter. Het verzoek is afgewezen.

Bij brief van 26 maart 2010 heeft de bewindvoerder de kantonrechter verzocht de beschikking te heroverwegen. De kantonrechter heeft vervolgens bij beschikking van 31 maart 2010 het verzoek heroverwogen en – met verwijzing naar de beschikking van 10 februari 2010 – overwogen dat het (tweede) verzoekschrift geen nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden bevat op grond waarvan hij tot een van de vorige beschikking afwijkend oordeel zou kunnen komen ten aanzien van de gevraagde machtiging en heeft het verzoek wederom afgewezen.

3.6. Voor zover de kantonrechter zijn afwijzende beslissing heeft gegrond op artikel 31 Rv zou het hoger beroep, ingevolge lid 4, niet ontvankelijk zijn. Kennelijk heeft de kantonrechter het tweede verzoek niet alleen opgevat als een verzoek tot herstel van een kennelijke fout, maar tevens als een nieuw verzoek. Hij heeft dit tweede verzoek afgewezen. In zoverre is het hoger beroep ontvankelijk.

3.7. Door de bewindvoerder is – kort weergegeven – aangevoerd dat ten tijde van het opmaken van het testament, op 15 januari 1981, de regeling van het meerder-jarigenbewind nog niet bestond. De artikelen 1:431 e.v. BW – de onderbewind- stelling van meerderjarigen - zijn per 1 september 1982 in werking getreden (Stb. 452). Derhalve kon het meerderjarigen- bewind in het testament niet genoemd worden bij de daar opgenomen limitatieve uitzonderingsgronden, aldus de bewindvoerder.

3.8. Naar het oordeel van het hof brengt een redelijke uitleg van de bedoelingen van erflater mee, dat hij kennelijk opeisbaarheid en uitkering van de kindsdelen wenste, in het geval zijn echtgenote in een situatie zou komen te verkeren waarin zij niet langer in staat was het door erflater nagelaten vermogen behoorlijk te beheren. Naar het oordeel van het hof bevindt [B.] zich als gevolg van de onderbewindstelling in zo’n situatie. De maatstaven van de artikelen 1:378 lid 1 onder a en 431 lid 1 BW verschillen op dit onderdeel niet wezenlijk van elkaar. Het hof heeft geen aanwijzing om aan te nemen dat, ware de wettelijke regeling van onderbewindstelling ten tijde van het verlijden van het testament van kracht, die situatie niet zou zijn opgenomen, en op niet één lijn zou zijn gesteld met de curatele. Het verzoek behoort mitsdien te worden toegewezen.

3.9. Het hof zal de beroepen beschikkingen vernietigen en het verzoek toewijzen.

4. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikkingen waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

verleent de bewindvoerder machtiging om de aan [A.] en [D.] krachtens het testament van erflater toekomende kindsdelen uit te keren.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Den Hartog Jager, Fikkers en Kleijngeld en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2010.