Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BN9587

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-10-2010
Datum publicatie
06-10-2010
Zaaknummer
HV 200.053.345
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek verlenging alimentatieduur met drie jaar afgewezen.

Geen sprake van uitzonderlijke omstandigheden die verlenging mogelijk maken.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2010/799
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 5 oktober 2010

Zaaknummer: HV 200.053.345/01

Zaaknummer eerste aanleg: 138074 / FA RK 09-278/01

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. P.M.F.M. Maas,

tegen

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. R.L.T.P. Janse.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de op 13 oktober 2009 door de rechtbank Maastricht tussen partijen gegeven beschikking.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 januari 2010, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, haar verzoek om de onderhoudstermijn van de man jegens haar te verlengen en alsnog een termijn te stellen van 3 jaren, te rekenen vanaf 14 januari 2009 dan wel een zodanige termijn die het gerechtshof juist acht, toe te wijzen.

2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 februari 2010, heeft de man het verzoek van de vrouw bestreden.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2010. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de man, bijgestaan door mr. P. Pijls,

- mr. Maas voornoemd.

De vrouw is behoorlijk opgeroepen maar heeft er om haar moverende redenen voor gekozen niet in persoon te verschijnen.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 15 september 2009,

- de brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw van 5 augustus 2010.

3. De beoordeling

3.1. Partijen zijn op 21 september 1976 met elkaar gehuwd. Hun huwelijk is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand op 14 januari 1997 van de op 31 oktober 1996 door de rechtbank Maastricht tussen partijen gegeven echtscheidingsbeschikking.

3.2. De door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie is laatstelijk vastgesteld bij beschikking van dit hof van 18 juni 2002 op ƒ 2.600,-- per maand, te voldoen met ingang van 1 januari 2003

3.3. Na wijziging van haar verzoek tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg heeft de vrouw de rechtbank verzocht de onderhoudstermijn van de man jegens haar te verlengen met drie jaren, te rekenen vanaf 14 januari 2009. De rechtbank heeft dat verzoek afgewezen bij de bestreden beschikking. Zij kwam tot het oordeel dat niet is gebleken van uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan de wettelijke duur van de onderhoudsverplichting kan worden verlengd. Met die beslissing kan de vrouw zich niet verenigen.

3.4. Het standpunt van de vrouw komt er samengevat op neer dat zij na de ontbinding van het huwelijk alles in het werk heeft gesteld om uit haar van de man financieel afhankelijke positie te komen maar dat zij daarin om buiten haar invloedsfeer liggende omstandigheden niet is geslaagd. Zij stelt dat zij gedurende het huwelijk van partijen altijd voor de kinderen heeft gezorgd, een omstandigheid die een beletsel was voor een plaats op de arbeidsmarkt. Voorts heeft haar gezondheid haar zowel tijdens het huwelijk als daarna ernstig beperkt in het volgen van opleidingen/ cursussen en het betreden van de arbeidsmarkt, waardoor haar kansen om betaalde arbeid te vinden, gelet ook op haar leeftijd (zij is thans 53 jaar) uiterst beperkt zijn en zij de terugval in inkomsten bij het vervallen van de alimentatieverplichting niet zelf kan opvangen. Op grond van een en ander is er naar de mening van de vrouw wel degelijk sprake van uitzonderlijke omstandigheden die verlenging van de alimentatieduur mogelijk maken.

3.5. Het standpunt van de man komt er samengevat op neer dat er geen sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die het voortduren van zijn alimentatieverplichting ten opzichte van de vrouw rechtvaardigen. Hij is van mening dat de vrouw zich in onvoldoende mate heeft ingespannen om in haar eigen kosten van onderhoud te gaan voorzien en dat de gevolgen daarvan voor haar rekening en risico komen en zij deze in redelijkheid niet op hem kan afwentelen.

3.6. Het hof overweegt als volgt.

3.6.1. Op het onderhavige verzoek is van toepassing de Wet houdende Wijziging van bepalingen in het Burgerlijk Wetboek in verband met de regeling van de limitering van alimentatie na scheiding (WLA). Deze wet is in werking getreden op 1 juli 1994.

Op grond van artikel 1:157 lid 4 BW eindigt de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege na het verstrijken van een termijn van twaalf jaren, die aanvangt op de datum van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand, indien de rechter niet eerder een (andere) termijn heeft vastgesteld.

In het onderhavige geval heeft de rechter niet eerder een (andere) termijn vastgesteld. De echtscheidingsbeschikking, waarbij ten laste van de man een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de vrouw is vastgesteld, is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 14 januari 1997, zodat de alimentatieverplichting ingevolge artikel 1:157 lid 4 BW van rechtswege is geëindigd op 14 januari 2009.

Tussen partijen staat vast dat de man tot 14 januari 2009 ook daadwerkelijk heeft bijgedragen in het levensonderhoud van de vrouw, laatstelijk met € 1.333,52 per maand.

3.6.2. Op grond van artikel 1:157 lid 5 BW kan de rechter, indien de beëindiging van de uitkering ten gevolge van het verstrijken van de in het vierde lid bedoelde termijn van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van die termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van degene die tot de uitkering gerechtigd is niet kan worden gevergd, op diens verzoek alsnog een termijn vaststellen.

3.6.3. Het inleidend verzoek van de vrouw is een verzoek als bedoeld in artikel 1:157 lid 5 BW. Bij een dergelijk verzoek dient eerst de vraag te worden beantwoord óf er sprake is van een ingrijpende terugval in inkomen. Nu de vrouw voor haar eigen levensonderhoud na het vervallen van de alimentatie van € 1.333,52 bruto per maand uitsluitend is aangewezen op een bijstandsuitkering en een dergelijke uitkering voor een alleenstaande in januari 2009 € 863,74 netto per maand inclusief vakantietoeslag beliep, beantwoordt het hof die vraag bevestigend.

3.6.4. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de inkomensterugval van zó ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van de 12-jaars termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de vrouw niet kan worden gevergd.

3.6.5. In dit verband acht het hof van belang te vermelden dat blijkens de wetsgeschiedenis (TK 1985/1986, 19 295 nr. 3 en 6) uitgangspunt van de wetgever is dat de alimentatieverplichting na 12 jaar in beginsel definitief eindigt en dat verlenging van deze termijn slechts in bijzondere gevallen mogelijk is. Volgens de wetgever houdt de verantwoordelijkheid die men door het huwelijk op zich heeft genomen weliswaar een verplichting in om bij te dragen in het levensonderhoud van de ander, maar deze rechtvaardigt niet dat deze verplichting na beëindiging van de huwelijksband ongelimiteerd blijft bestaan. De huwelijksgerelateerde behoeftigheid zal vaak na zekere tijd zijn uitgewerkt. De omstandigheid dat de onderhouds- gerechtigde nog niet zelfstandig in zijn of haar levensonderhoud kan voorzien, kan dan niet meer aan het huwelijk worden toegekend, maar kan voortvloeien uit andere maatschappelijke omstandigheden, bijvoorbeeld de situatie op de arbeids- markt. De termijn van 12 jaar stelt de alimentatiegerechtigde in staat de zorg voor de kinderen op zich te nemen en na verloop van tijd, wanneer de kinderen naar zelfstandigheid toegroeien, zich erop voor te bereiden in eigen levensonderhoud te voorzien.

Ingeval wordt verzocht om verlenging, dient de alimentatiegerechtigde naar het oordeel van het hof te stellen en aan te tonen dat er sprake is van een uitzonderlijke situatie. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan de volgende factoren, die in onderling verband en samenhang dienen te worden bezien:

- de mogelijkheid van de alimentatiegerechtigde, diens leeftijd, gezondheid, arbeidsverleden en achtergrond in aanmerking genomen, om zich in 12 jaar eigen inkomsten te verwerven en of dit kan worden gevergd;

- de zorg voor de kinderen en de mogelijkheid die die zorg liet, het aantal en de leeftijd van de kinderen mede in aanmerking genomen, om zich een bestaan op te bouwen dat onafhankelijkheid van de gewezen echtgenoot zou verschaffen.

3.6.6. Ter beoordeling van het hof staat derhalve of de verdere omstandigheden van het geval onmiskenbaar zó zwaar- wegende billijkheidsargumenten tegen afwijzing van het beroep op de uitzondering opleveren, dat een voortgezette alimentatieverplichting gerechtvaardigd is. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat hiervan in het geval van de vrouw geen sprake is en overweegt daartoe het volgende.

3.6.7. In het kader van de beantwoording van de hier aan de orde zijnde vraag dient allereerst de balans te worden opgemaakt van de inspanningen die door de onderhoudsgerechtigde over de gehele periode zijn verricht om zijn/haar kansen te vergroten om in eigen levensonderhoud te voorzien. De stelplicht en de bewijslast dat hij of zij er alles aan heeft gedaan om in eigen levensonderhoud te voorzien en dat hij of zij er ondanks volledige inzet niet in is geslaagd in eigen levensonderhoud te voorzien, alsmede dat hem of haar daarvan geen verwijt kan worden gemaakt, berust - als eerder overwogen - bij de alimentatiegerechtigde.

3.6.8. In concreto overweegt het hof het volgende.

Partijen hebben hun samenwoning definitief beëindigd in 1994. Ten tijde van de ontbinding van het huwelijk was de vrouw 40 jaar. De kinderen van partijen waren toen respectievelijk 17 ([dochter 1.]), 14 ([dochter 2.]) en 7 ([dochter 3.]). Na het uiteengaan van partijen verbleven de kinderen aanvankelijk bij de vrouw, maar zijn zij achtereenvolgens in 1994, 1997 en 2004 bij de man gaan wonen. De steeds afnemende noodzakelijke zorg voor de kinderen tot aan het moment waarop daarvan in het geheel geen sprake meer was, kan naar het oordeel van het hof zonder deugdelijke onderbouwing, welke ontbreekt, niet worden aanvaard als een omstandigheid die een volkomen beletsel vormde voor het verrichten van arbeid. Ook de omstandigheid dat de vrouw na de ontbinding van het huwelijk toen zij een relatie had met een andere man nog moeder is geworden van een dochter ([dochter 4.]) maakt dit niet anders. Een eventuele arbeidsbeperkende omstandigheid op grond van de geboorte van [dochter 4.] is het gevolg van een door de vrouw gemaakte keuze. Uitzonderlijke omstandig- heden met betrekking tot [dochter 4.] die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden heeft de vrouw niet gesteld en daarvan is ook anderszins niet gebleken.

3.6.9. De vrouw beroept zich op lichamelijke klachten tijdens en na het huwelijk van partijen. Voor wat betreft die gestelde klachten verwijst het hof kortheidshalve naar de punten 10 t/m 14 van het beroepschrift van de vrouw.

De vrouw heeft geen medische verklaringen in het geding gebracht die de conclusies die zij zelf trekt uit haar lichamelijke gesteldheid ondersteunen. De verklaringen zijn voorts geen van alle recent en beslaan derhalve geenszins de gehele alimentatieperiode.

Bij brief van haar advocaat van 5 augustus 2010 heeft de vrouw indicatiebesluiten verpleging en/of verzorging thuis van het Regionaal Indicatieorgaan Zuidelijk Limburg van 6 oktober 2000, 12 januari 2001 en 18 juli 2001 in het geding gebracht. Wat daar verder ook van zij, deze besluiten maken niet aannemelijk dat de vrouw gedurende de gehele alimentatieperiode op grond van medische omstandigheden niet heeft kunnen werken. Bij voormelde brief heeft de vrouw daarnaast inschrijvingen bij het CWI van 18 juli 2002 en 29 december 2008 in het geding gebracht, waarin zij heeft aangegeven voor respectievelijk 20 en 24 uur per week beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt. De door de vrouw geconsulteerde bedrijfsarts [Z.] was van mening dat, ondanks de medische beperkingen van de vrouw er sprake is van benutbare mogelijkheden voor het betreden van de arbeidsmarkt.

3.6.10. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking vermeld dat de vrouw haar beweerdelijke sollicitatieactiviteiten slechts zeer beperkt heeft onderbouwd. In hoger beroep heeft de vrouw niet alsnog de door haar gestelde sollicitatie- activiteiten gedurende de gehele alimentatieperiode naar behoren onderbouwd. Haar advocaat heeft desgevraagd verklaard dat de vrouw niet méér sollicitaties kan aantonen dan ze heeft gedaan. Pas medio 2008 heeft de vrouw zich aangemeld als werkzoekende in het kader van een re-integratieproject van de sociale dienst van de gemeente [gemeentenaam].

3.6.11. Op grond van het vorenstaande, bezien in onderling verband en samenhang, komt het hof tot het oordeel dat de vrouw niet heeft aangetoond dat zij redelijkerwijs niet in staat is (geweest) om een eigen inkomen te verwerven en daarmee in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Dat het hof in zijn beschikking van 18 juni 2002 de verdiencapaciteit van de vrouw heeft ingeschat op slechts ƒ 1.000,-- bruto per maand, doet daaraan niet af. Dat oordeel moet worden gezien in de context van de afweging van de stellingen van partijen in die procedure, een wezenlijk andere dan welke thans wordt gevoerd.

3.7. Op grond van het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, wordt de bestreden beschikking bekrachtigd, zij het onder aanvulling van gronden.

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt, met aanvulling van gronden, de op 13 oktober 2009 door de rechtbank Maastricht tussen partijen gegeven beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Lamers, Brants en Van der Linden en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2010.