Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BN9444

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-10-2010
Datum publicatie
06-10-2010
Zaaknummer
20-002431-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Vrijspraak na herziening. Het hof acht bekennende verklaringen verdachte onvoldoende betrouwbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-002431-09

Uitspraak : 6 oktober 2010

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad op de voet van artikel 467 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen in de strafzaak tegen:

P.

geboren te (geboorteplaats) op (geboortedatum),

wonende te (adres)

Dit arrest heeft de navolgende indeling:

I. Voorgeschiedenis

II. Onderzoek van de zaak

III. Novum

IV. Verder onderzoek

V. Tenlastelegging

VI. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

VII. Bewijsuitsluiting

VIII. Bewijswaardering

IX. Beslissing in herziening

I. Voorgeschiedenis

Op vrijdag 22 augustus 1986 tussen 19.20 uur en 19.30 uur is in een bejaardenwoning te [pleegplaats] het lichaam aangetroffen van [slachtoffer]. De terstond gewaarschuwde huisarts [huisarts] stelde vast dat zij was overleden. In de hals van het slachtoffer vond hij een rode striem, waardoor hij het vermoeden kreeg van een onnatuurlijke dood. Bij sectie bleek dat zij inderdaad door ‘uitwendig mechanisch samendrukkend en/of omsnoerend geweld op de hals (strangulatie)’ om het leven was gekomen. Het onderzoek was inmiddels opgedragen aan een recherchebijstandsteam. Uit dit onderzoek bleek dat op 23 augustus 1986 een aantal aan het slachtoffer toebehorende kascheques waren verzilverd; geconcludeerd werd dat deze kascheques en een bijbehorende giropas uit haar woning waren ontvreemd. Op 8 september 1986 werd [P.] op verdenking van diefstal van voormelde kascheques aangehouden. Na aanvankelijke ontkenningen bekende zij op 11 september 1986 deze diefstal te hebben begaan, verder dat zij de ontvreemde cheques had verzilverd, en bovendien dat zij [slachtoffer] had gedood. Zij heeft deze bekentenis herhaald, toen zij op 12 september 1986 aan de officier van justitie te ’s Gravenhage werd voorgeleid, maar haar vervolgens bij haar voorgeleiding aan de rechter-commissaris op diezelfde dag weer ingetrokken. Nadien heeft zij voormelde feiten op 15 september 1986 nogmaals bekend. Op 16 september heeft zij deze bekentenis aangevuld, maar haar vervolgens op 17 september opnieuw ingetrokken. Daarna is zij blijven ontkennen de betreffende feiten te hebben begaan.

[P.] is bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te ‘s Gravenhage van 9 december 1986 (parketnr. 09.018.878.6) ter zake van, kort gezegd, doodslag en het gebruik van valse geschriften veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar. Dit vonnis is op 25 mei 1987 door het gerechtshof te ’s Gravenhage (rolnr. 2200220386 en parketnr. 0901887886), onder aanvulling der gronden, bevestigd. Uit de door rechtbank en hof gebruikte bewijsmiddelen volgt dat het slachtoffer, naar de opvatting van rechtbank en hof, moet zijn overleden op 22 augustus 1986 tussen 18.00 uur en 19.10 uur. Een tegen het arrest van het hof ingesteld cassatieberoep is door de Hoge Raad verworpen op 26 april 1988 (nr. 83.197).

Nadat in 1993, 1994, 2001 en 2004 herzieningsverzoeken door de Hoge Raad eveneens waren verworpen, heeft [P.] op 16 juni 2006 nogmaals een verzoek ingediend tot herziening. Daarop was nog niet beslist toen haar zaak in onderzoek werd genomen door de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken (hierna: CEAS), welke in een rapport van februari 2008 aan de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad in overweging gaf om eveneens een herzieningsaanvraag te doen. Dit rapport is vervolgens in de reeds lopende herzieningsprocedure betrokken. De Hoge Raad heeft daarop bij arrest van 23 juni 2009

(nr. S 01631/06 H), gelet op de bevindingen van de door de CEAS gehoorde deskundige dr. F.R.W. van de Goot, vastgesteld dat ernstig rekening moest worden gehouden met de mogelijkheid dat de dood van het slachtoffer [slachtoffer], op een aanmerkelijk eerder tijdstip intrad dan door het hof werd aangenomen. Die bevindingen hielden namelijk (zoals door de Hoge Raad samengevat) in ‘dat, uitgaande van de gemeten lichaams- en omgevingstemperatuur, volgens het zogenoemde Hennsge’s nomogram het tijdstip van overlijden niet rond of na 18.00 uur kan hebben gelegen en dat de dood vermoedelijk tussen 15.00 uur en 17.00 uur, of nog eerder is ingetreden.’ De Raad achtte daarom ten aanzien van de door het hof bewezen verklaarde doodslag een novum aanwezig. In de samenhang tussen de bewezen verklaarde feiten zag de Raad aanleiding om de herzieningsaanvrage ook ten aanzien van het bewezen verklaarde gebruik van valse geschriften gegrond te verklaren.

II. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg, de terechtzitting in hoger beroep van het gerechtshof te ’s-Gravenhage en de terechtzitting van dit hof in herziening op 22 januari 2010, 29 januari 2010, 31 mei 2010, 7, 8 en 9 juli 2010 en 20 en 23 september 2010.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van het openbaar ministerie, in deze vertegenwoordigd door de advocaten-generaal mr. M.J.M. de Vries en mr. J.W.P. Snijders, en van hetgeen door [P.] en namens haar door mr. G.G.J. Knoops en mr. P.B.A. Acda, advocaten te Amsterdam, naar voren is gebracht.

Het openbaar ministerie heeft - kort gezegd - gevorderd dat het hof in herziening het arrest van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 25 mei 1987 zal bevestigen.

De verdediging heeft primair de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging en subsidiair integrale vrijspraak van [P.] bepleit.

III. Novum

Het hof heeft zich, na de verwijzing door de Hoge Raad, allereerst beraden over de betekenis van het novum. Dr. van de Goot, ter terechtzitting in herziening gehoord, heeft verklaard dat zijn eerdergenoemde bevindingen waren gebaseerd op het nomogram van Henssge, maar dat dit nomogram geen vast tijdstip van overlijden kan opleveren, doch slechts een indicatie daarvan, een tijdsinschatting. Er zit (het hof heeft begrepen: in het gunstigste geval) een foutmarge in van ongeveer 2,6 of 2,8 uur en onder bepaalde omstandigheden zelfs drie uur, terwijl het ook dan slechts een 95 % waarschijnlijkheidsinterval aangeeft. Dr. van de Goot heeft dan ook verklaard dat bij het bepalen van een tijdstip van overlijden nooit alleen het nomogram van Henssge mag worden gehanteerd; er moet ook worden gekeken naar bijvoorbeeld de aanwezigheid van lijkvlekken en van lijkstijfheid. In het onderhavige geval bestaat bovendien, aldus stelde Van de Goot terecht vast, onzekerheid over bepaalde gegevens die bij hantering van het nomogram nodig zijn, zoals de temperatuur in de kamer waarin het lichaam van het slachtoffer werd aangetroffen en haar gewicht. De foutmarge moet daarom, zo concludeert het hof, in het onderhavige geval nog ruimer worden genomen, en het nomogram dus met nog grotere voorzichtigheid worden gehanteerd.

Het lichaam van het slachtoffer is kort na de ontdekking, namelijk omstreeks 19.30 uur, door een arts geschouwd. Deze trof geen lijkstijfheid aan – in elk geval niet in de nek. Dr. Van de Goot heeft zich op het standpunt gesteld dat (zo begrijpt het hof), indien onder de gegeven omstandigheden inderdaad geen lijkstijfheid aanwezig is, de aanname, dat het slachtoffer hooguit één tot drie uur dood is, in 75 % van de gevallen juist is.

Alles bijeengenomen komt het hof tot de bevinding dat niet meer aan de hand van objectieve gegevens kan worden vastgesteld op welk tijdstip het slachtoffer precies is overleden – laat staan op welk tijdstip zij is gewurgd. Het hof volgt de deskundige Van de Goot in zoverre dat dit tijdstip kan hebben gelegen vóór 15.00 uur, maar stelt tevens vast dat geenszins valt uit te sluiten dat het slachtoffer pas kort voor 19.30 uur, het tijdstip waarop haar lichaam werd ontdekt, is overleden. Het onderzoek van het hof wijst derhalve uit, dat de dood van het slachtoffer wel degelijk kan zijn ingetreden op het door de rechtbank en het hof te ’s Gravenhage aangenomen tijdstip, te weten tussen 18.00 uur en 19.10 uur. Het door de Hoge Raad aangenomen novum kan dan ook niet tot de conclusie leiden, dat de door de rechtbank en het hof te ’s Gravenhage gegeven bewezenverklaringen onjuist zijn.

IV. Verder onderzoek

Nu het hof dit heeft vastgesteld, rijst de vraag of het onderzoek van het hof tot (de effecten van) het door de Hoge Raad aangenomen novum beperkt moet blijven, of dat het een ruimere strekking dient te hebben. Het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv) is op dit punt niet volstrekt duidelijk – noch in art. 467 lid 1, noch in art. 474. Met de verdediging en het openbaar ministerie is het hof echter van oordeel dat niet met een beoordeling van het gestelde novum kan worden volstaan, omdat het hof, naar de termen van art. 474 lid 2 Sv, opnieuw recht moet doen in de zaak.

Dit zou anders kunnen zijn indien wordt aangenomen dat de Hoge Raad aan de verwijzing van de zaak, bedoeld in art. 461 lid 1 Sv, beperkingen mag stellen; dit geval doet zich thans echter niet voor en kan daarom buiten beschouwing blijven. De Hoge Raad heeft de herzieningsaanvrage immers zonder enige beperking gegrond verklaard en de zaak vervolgens ongeclausuleerd naar het hof verwezen.

De volgende vraag is, of het hof tot een volledig nieuwe beoordeling moet komen, of dat kan worden volstaan met een marginale beoordeling van het door het gerechtshof te ’s Gravenhage gewezen arrest. Met andere woorden: moet het hof zelfstandig vaststellen of het ten laste gelegde is bewezen, of kan het volstaan met een onderzoek naar de vraag, of redenen bestaan om aan de juistheid van het door het hof te ’s Gravenhage gewezen arrest te twijfelen? Dit is van belang, omdat een geheel nieuw onderzoek naar gebeurtenissen van 23 jaar geleden vanzelfsprekend ernstige beperkingen kent. Een en ander klemt te meer, nu in de onderhavige zaak naar verhouding weinig technisch bewijs voorhanden is, en alleen al daarom in sterke mate moet worden vertrouwd op verklaringen van [P.] en getuigen die destijds vrijwel zonder uitzondering al – meestal: uitvoerig - zijn gehoord, nadien in de media of anderszins met opvattingen en berichten over de zaak werden geconfronteerd, en vervolgens nog eens zijn gehoord door de CEAS. Onder deze omstandigheden is moeilijk vast te stellen of de getuigen verslag doen van wat zij destijds hebben meegemaakt, of van wat zij later over de zaak hebben vernomen.

Toch laat de wet, naar het oordeel van het hof, niet toe om te volstaan met een onderzoek naar de vraag of achteraf gronden aanwezig zijn om in zodanige mate aan de juistheid van het gewezen arrest te twijfelen, dat dit niet in stand kan blijven. Het hof is, integendeel, geroepen tot een volledig nieuw onderzoek in en een volledig nieuwe beoordeling van de zaak, op de wijze als omschreven in art. 474 Sv.

Het hof heeft daarom opnieuw onderzoek gedaan naar beide ten laste gelegde feiten: de doodslag op [slachtoffer] en het gebruik van de bij haar ontvreemde en van een (beweerdelijk) valse handtekening voorziene kascheques.

Het hof heeft ernaar gestreefd het nieuwe onderzoek in herziening zo breed mogelijk op te zetten. Alle verzoeken tot onderzoek van het openbaar ministerie en de verdediging werden toegewezen. Als gevolg daarvan werden het CEAS-rapport en de daaraan ten grondslag liggende stukken, zoals rapporten, interviews en bijlagen aan het strafdossier toegevoegd, hoorde het hof ter terechtzitting in herziening getuigen en deskundigen en vond nader forensisch technisch onderzoek plaats. In verband met dat laatste vond onderzoek plaats naar de aanwezigheid van vingerafdrukken op kascheques en werden de vingerafdrukken op de kascheques in een andere strafzaak die destijds speelde (bekend als de zaak V.) vergeleken met nog te achterhalen sporen op de cheques in de zaak [P.].

Verder vond een actuele vergelijking plaats met vingerafdrukken opgenomen in de databanken van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) en bij de dienst Nationale Recherche Informatie (bekend onder de naam AHAVANK). Tenslotte vonden onderzoekingen plaats in het gemeentearchief van Leidschendam naar het al dan niet bestaan van tactische en technische journaals in deze zaak.

Het hof acht zich, gelet op hetgeen hiervoor werd overwogen, gehouden om op grondslag van de thans voorhanden gegevens geheel zelfstandig over het ten laste gelegde te oordelen. Het hof zal dit oordeel baseren op al het relevante bewijsmateriaal, ongeacht of dit ten voordele of ten nadele van [P.] strekt, en ongeacht of dit destijds al voorhanden was, dan wel nieuw is gevonden. Dat daardoor de mogelijkheid bestaat, dat materiaal wordt benut dat slechts eenmaal ten gronde wordt beoordeeld, acht het hof in dit verband niet van belang.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in herziening is aannemelijk geworden dat de herinnering van de door het hof gehoorde getuigen inderdaad door latere gebeurtenissen gekleurd en op soms belangrijke onderdelen bijgesteld is. Ook [P.] is hieraan naar de overtuiging van het hof niet geheel ontkomen. Zelfs de verklaringen van de toenmalige officieren van justitie, aan wie [P.] destijds werd voorgeleid en aan wie zij het haar ten laste gelegde bekende, stonden op wezenlijke punten haaks op elkaar; dit betrof in het bijzonder de redenen waarom zij van die bekentenis proces-verbaal hebben opgemaakt en het moment waarop dit zou zijn gebeurd. Desondanks ziet het hof geen aanleiding om aan hun goede trouw te twijfelen. Na 23 jaar zijn werkelijke en vermeende herinnering niet meer te scheiden.

Bleek het enerzijds moeilijk om de waarde van de ter terechtzitting in herziening door de getuigen en [P.] afgelegde verklaringen te beoordelen, het hof kon anderzijds gebruik maken van de kennis van een aantal ter terechtzitting in herziening gehoorde deskundigen; bovendien werd het verloren gewaande tactisch journaal van het destijds uitgevoerde politieonderzoek teruggevonden.

V. Tenlastelegging

Aan [P.] is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg op 25 november 1986 - ten laste gelegd dat:

1.

zij te [pleegplaats] op of omstreeks 22 augustus 1986 in een woning aan de [adres] opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon, genaamd [slachtoffer], van het leven heeft beroofd door ingevolge een tevoren daartoe genomen besluit en/althans beraamd plan opzettelijk met behulp van een (electriciteits)snoer en/althans met een touw, althans een daarop gelijkend voorwerp en/of met haar handen mechanisch en/althans omsnoerend geweld op de hals van deze [slachtoffer] uit te oefenen, tengevolge waarvan deze [slachtoffer] door verstikking toen, althans kort nadien is overleden;

althans indien en voorzover op grond van het voorgaande geen veroordeling met strafoplegging zou of mocht kunnen volgen, subsidiair:

dat zij te [pleegplaats] op of omstreeks 22 augustus 1986 in een woning aan de [adres] opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer], van het leven heeft beroofd door opzettelijk met behulp van een (electriciteitssnoer) en/althans met een touw althans een soortgelijk voorwerp en/of met haar handen mechanisch en/althans omsnoerend geweld op de hals van deze [slachtoffer] uit te oefenen, tengevolge waarvan deze [slachtoffer] door verstikking toen, althans kort nadien is overleden;

deze doodslag is gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van diefstal van een geldsbedrag van fl.800,-, althans van fl.200,-, althans enig geldsbedrag, en/of een twee, althans één of meer kascheques van de postbank, en/althans van een of meer (andere) waardepapieren, toebehorende aan [slachtoffer], althans aan een ander dan aan haar verdachte,

en deze doodslag is gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

2.

dat zij op of omstreeks 23 augustus 1986 te [pleegplaats] opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een of meer valse en/of vervalste kascheques als waren deze echt en onvervalst welke stonden op naam van [slachtoffer];

een kascheque is een geschrift opgemaakt om tot bewijs van enig feit te dienen;

de valsheid, althans vervalsing bestond hierin, dat naar zij, verdachte wist, die kascheque(s) valselijk waren/was ingevuld tot een bedrag van fl. 500,- en/althans valselijk waren/was ondertekend met, althans voorzien van een onderschrift dat (telkens) de handtekening van [slachtoffer] moest voorstellen;

het gebruik bestond hierin dat zij die kascheque(s) ter verzilvering heeft aangeboden aan een lokettist van een postagentschap in magazijn “De Bijenkorf”; uit dat gebruik kon nadeel ontstaan.

VI. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De verdediging heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging wegens, kort gezegd:

- A. onherstelbare omissies in het initiële onderzoek c.q. grove veronachtzaming van de belangen van [P.], en

- B. schending van het onschuldvermoeden.

Ad. A

Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat negatieve onderzoeksresultaten bewust niet zijn verantwoord in de door de politie opgestelde processen-verbaal, waardoor ontlastend materiaal buiten het dossier zou zijn gehouden.

Anders dan de verdediging stelt het hof vast dat het negatieve resultaat van de met de getuige [loketbeambte] uitgevoerde Oslo-confrontatie wel degelijk bij proces-verbaal is vastgelegd. Dat meer Oslo-confrontaties zijn gehouden, welke geen neerslag in een proces-verbaal hebben gevonden, acht het hof, gelet op de inhoud van het journaal, onwaarschijnlijk, maar niet geheel uitgesloten. Het hof acht daarentegen aannemelijk dat negatieve resultaten van fotoconfrontaties niet bij proces-verbaal zijn vastgelegd. Het hof kan de verdediging echter niet volgen in haar stelling, dat het hier gaat om ontlastend materiaal. Aan het ontbreken van herkenningen kan, onder de omstandigheden van het onderhavige geval, nauwelijks of geen voor de bewijsvraag bruikbare conclusie worden verbonden.

Tot ver in de tachtiger jaren van de vorige eeuw was een veel voorkomende praktijk om negatieve onderzoeksresultaten niet bij proces-verbaal vast te leggen, omdat men meende dat die voor de strafvordering niet van belang konden zijn. Het hof ziet daarom geen reden om aan te nemen dat bewust onderzoeksresultaten niet zijn verantwoord en zo aan het oordeel van de procesdeelnemers zijn onttrokken. Daarbij dient te worden bedacht dat openbaar ministerie en rechter van deze praktijk op de hoogte waren, en destijds ook billijkten. Zij en de toenmalige raadsman moeten zich er van bewust zijn geweest dat de politie, in een onderzoek als het onderhavige, foto’s of tekeningen van verdachten, zodra zij voorhanden zijn, aan (eventuele) getuigen toont, en moeten uit het ontbreken van bij proces-verbaal vastgelegde resultaten hebben afgeleid dat die resultaten negatief waren. Daarom kan, naar het oordeel van het hof, niet worden volgehouden dat de beschreven praktijk - hoe ongewenst het naar huidige opvattingen ook is om negatieve onderzoeksresultaten aan de procesdeelnemers te onthouden - aan de verdediging een nadeel van enige betekenis heeft toegebracht.

De verdediging heeft aangevoerd dat in het opgemaakte proces-verbaal evenmin is vermeld dat onderzoek werd gedaan naar het elektriciteitssnoer, dat [P.] in haar bekentenis als moordwapen noemde, en zodoende werd verzwegen dat dit onderzoek niets opleverde. Ook hiervoor geldt echter dat openbaar ministerie, verdediging en rechter er, op grond van de hen bekende praktijk, vanuit moeten zijn gegaan dat dit onderzoek was uitgevoerd en niets had opgeleverd. Daarom geldt op dit punt hetzelfde als zojuist werd opgemerkt omtrent de negatieve (foto)confrontaties.

De verdediging heeft verder aangevoerd dat informatie uit het buurtonderzoek is verzwegen, in het bijzonder dat het slachtoffer haar deur vaak op een kier liet staan en ook wel eens een raampje open liet staan, terwijl in de betreffende periode vaker inbraken hadden plaatsgevonden in het flatgebouw. De kring van mogelijke daders zou daarom, anders dan het opsporingsteam aannam, vele malen groter zijn geweest dan alleen de directe kring rondom het slachtoffer. Het hof stelt vast dat inderdaad tenminste één buurtbewoner heeft gesproken over een deur en een raampje, die regelmatig open zouden staan. Het hof stelt echter, op grond van het journaal, ook vast dat het opsporingsteam zich vanaf aanvang onderzoek geenszins tot de directe kring rondom het slachtoffer heeft beperkt, maar haar aandacht tevens heeft gericht op alle personen, die in de middag van het delict in het flatgebouw zijn waargenomen en daar mogelijk niet thuis hoorden. Daarom geldt, naar het oordeel van het hof, ook voor deze informatie dat zij, naar huidig inzicht, weliswaar niet aan openbaar ministerie, verdediging en rechter had mogen worden onthouden, maar dat van bewuste beïnvloeding van de uitkomst van de strafvervolging, noch van enig wezenlijk nadeel voor de verdediging sprake is geweest.

Met de verdediging stelt het hof vast dat de in het eerder genoemde journaal weergegeven verklaring van de getuige [dochter van buurtbewoner] evenmin bij proces-verbaal is vastgelegd. Uit deze verklaring zou kunnen (doch behoeft niet te) worden afgeleid dat [P.] om 18.15 uur nog bij de nader te noemen [buurtbewoner] aanwezig was. Gelet op de omstandigheid dat de woningen van [buurtbewoner] en het slachtoffer – naar uit algemeen toegankelijke bronnen kan worden vastgesteld – op hoogstens tien minuten loopafstand van elkaar gelegen waren, levert dit echter, anders dan door de verdediging is gesteld, geen alibi op. Het hof is van oordeel dat deze verklaring, zelfs naar toenmalige opvattingen, niet aan het openbaar ministerie, de verdediging en de rechter had mogen worden onthouden, zulks temeer nu wel een verklaring is overgelegd van [buurtbewoner], dat [P.] haar op de dag van het misdrijf reeds omstreeks 18.00 uur had verlaten. Ook in dit geval ziet het hof echter geen reden om aan te nemen dat dit bewust is gebeurd om invloed uit te oefenen op de uitkomst van de strafvervolging. Nu de gemaakte fout, hoe betreurenswaardig ook, de verdediging geen wezenlijk nadeel heeft toegebracht, ziet het hof daarin evenmin grond om de niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging uit te spreken.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat het onderzoeksteam voor [P.] mogelijk ontlastende gegevens onvoldoende heeft onderzocht en haar verklaringen onvoldoende heeft geverifieerd. Voor deze stelling heeft het hof in het voorhanden materiaal echter geen aanknopingspunt gevonden. Integendeel, de eerder genoemde verklaring van de getuige [dochter van buurtbewoner] was van een dergelijke verificatiepoging juist het gevolg.

De stellingen van de verdediging, dat geen sprake was van een kwalitatief en kwantitatief sterk en ervaren opsporingsteam, van een onvoldoende actief sturende leiding, van ‘rommelige’ interne communicatie en van onvoldoende toezicht op de communicatie met de media, raken de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie (ook in het licht van de door de verdediging ingeroepen uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, EHRM 16 december 1992, serie A nr. 247-B, inzake Edwards tegen het Verenigd Koninkrijk) niet en zullen dan ook niet worden besproken.

Ad. B

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake was van vooringenomenheid bij de verbalisanten omtrent de schuld van [P.]. Er zou sturend zijn verhoord en de verbalisanten zouden uit zijn geweest op een bekentenis. Het hof heeft geen aanknopingspunt gevonden om aan te nemen dat het opsporingsteam [P.] reeds als schuldig heeft gezien voordat zij formeel als verdachte werd aangemerkt. Het hof verstaat de stelling van de verdediging voor de daarop volgende periode - mede in het licht van de door haar ingeroepen (overigens nog niet onherroepelijke) uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, EHRM 30 maart 2010, nr. 44418/07, inzake Poncelet tegen België - in dier voege, dat sprake zou zijn geweest van een onderzoek waarbij alleen op bezwarende omstandigheden acht werd geslagen en zowel ontlastende omstandigheden als de door [P.] verschafte uitleg buiten beschouwing werden gelaten (Poncelet § 57). Het hof is van oordeel dat deze situatie zich niet heeft voorgedaan. Uit het journaal wordt aannemelijk dat het onderzoek naar mogelijke andere daders pas eindigde toen [P.] een bekentenis aflegde. Achteraf valt te betreuren dat het onderzoek na deze bekentenis geheel op [P.] werd toegespitst, maar vooringenomenheid in de hiervoor bedoelde zin valt hieruit niet af te leiden. Op de mogelijkheid dat sprake was van sturend verhoren, waarbij wellicht daderinformatie is weggegeven, zal het hof later ingaan; met betrekking tot de beoordeling van dit onderdeel is slechts van belang dat hierin evenmin een aanknopingspunt te vinden valt om vooringenomenheid in de vorenbedoelde zin aan te nemen.

Ook verder heeft het hof geen grond gevonden om aan te nemen dat het in art. 6 EVRM gewaarborgde onschuldvermoeden is geschonden, noch dat politie en openbaar ministerie een ernstige inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van [P.] aan haar recht op een eerlijk proces is tekortgedaan.

Het hof is daarom van oordeel dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging.

VII. Bewijsuitsluiting

De verdediging heeft bij pleidooi diverse argumenten aangevoerd die zouden moeten leiden tot vrijspraak van [P.]. Enerzijds hebben die – kort samengevat - betrekking op de start van het onderzoek en de onregelmatigheden die daarbij zouden zijn opgetreden en daarom tot bewijsuitsluiting zouden moeten leiden zoals:

A. het ontbreken van een redelijk vermoeden van schuld ten tijde van de aanhouding, en

B. de tijdens de verhoren op [P.] uitgeoefende druk.

Anderzijds zien die argumenten specifiek op de (on)bruikbaarheid van de door haar afgelegde bekentenissen. Op dit laatste punt zal hierna onder het kopje “VIII. Bewijswaardering” worden ingegaan.

Ad. A

De verdediging heeft allereerst geconcludeerd dat – nu ten tijde van de aanhouding van [P.] op 8 september 1986 geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld – dit ingevolge art. 359a Sv dient te leiden tot bewijsuitsluiting van alle informatie die als gevolg van deze onrechtmatige aanhouding is verkregen, omdat een direct causaal verband bestaat tussen die aanhouding en alle verklaringen die [P.] heeft afgelegd. Deze dienen als vruchten van die onrechtmatige aanhouding te worden aangemerkt. [P.] is door die bekentenissen nadeel berokkend en dat nadeel kan niet meer worden hersteld, aldus de verdediging. Meer in het bijzonder heeft de verdediging betoogd dat slechts sprake was van een ‘subjectief’ vermoeden van schuld terwijl uit de rechtspraak volgt dat dit vermoeden ook objectiveerbaar dient te zijn.

Het hof stelt voorop dat – anders dan de verdediging ter nadere onderbouwing betoogt – uit het dossier volgt dat het onderzoek zich niet van meet af aan uitsluitend op [P.] heeft toegespitst. Uit het dossier, het tijdens de behandeling in herziening beschikbaar gekomen tactisch journaal en de ter terechtzitting in herziening afgelegde verklaringen van de verhorende verbalisanten kan worden afgeleid dat bij aanvang diverse onderzoeksrichtingen zijn onderzocht, maar dat deze geen resultaat opleverden. Zo zijn onder meer op basis van de eerste onderzoeksresultaten van twee personen compositietekeningen gemaakt. Deze zijn in een algemeen opsporingsblad gepubliceerd. Ook bevindt zich in het dossier een aantekening van [verbalisant 4] en [verbalisant 5] na het horen van loketbeambte [loketbeambte] inhoudende dat er rekening mee moet worden gehouden dat de cheques mogelijk voor het overlijden van [slachtoffer] zijn weggenomen. Eveneens is de eventuele betrokkenheid van [zaakwaarnemer], de zaakwaarnemer van [slachtoffer], geheel uitgerechercheerd.

Dat men het onderzoek – nadat genoemde onderzoeksrichtingen geen resultaten afwierpen - al snel toespitste op een kleinere kring van personen rond het slachtoffer is verklaarbaar. [Slachtoffer] woonde immers alleen, opende niet voor iedereen de deur, braaksporen waren niet aangetroffen en in de woning was niets overhoop gehaald. Dat het rechercheteam tegen de achtergrond van die gegevens (ook) uitkomt bij personen die haar verzorgden acht het hof begrijpelijk.

Vervolgens zijn diverse personen die tot deze categorie behoorden onderworpen aan een schrijfproef. Tijdens deze schrijfproef is onder meer geconstateerd dat [P.] zo vreselijk zenuwachtig was dat de proef enige tijd moest worden onderbroken en na analysering van het schrift op twee kascheques t.n.v. [slachtoffer] enerzijds en het vergelijkingsmateriaal van de personen die schrijfproeven hadden vervaardigd anderzijds, bleek dat in het handschrift van [P.] een aantal overeenkomsten in algemene kenmerken werden aangetroffen, terwijl in het schrift van de overige personen geen overeenkomsten werden geconstateerd.

Naar het oordeel van het hof leveren deze omstandigheden in combinatie met de omstandigheid dat [P.] op de dag van het overlijden van [slachtoffer] haar nog had verzorgd en haar waarschijnlijk als laatste in leven had gezien een voldoende objectiveerbaar redelijk vermoeden van schuld op ten aanzien van een strafbaar feit als bedoeld in art. 27 Sv.

Dat het onderzoeksteam ten tijde van de aanhouding al op de hoogte was van de verklaring van [dochter van buurtbewoner], zoals de verdediging suggereert, volgt niet uit het dossier: in het tactisch journaal (mutatie 204) is deze informatie gedateerd 11 september en derhalve van na de aanhouding. Ook de negatieve uitkomsten van de foto- en/of OSLO-confrontatie(s) dateren van na de aanhouding en kunnen derhalve evenmin een rol hebben gespeeld bij de beoordeling van het redelijk vermoeden van schuld bij de aanhouding op 8 september 1986.

Het hof ziet dan ook geen aanleiding om tot bewijsuitsluiting te komen zoals door de verdediging is bepleit.

Verder begrijpt het hof het betoog van de verdediging op dit onderdeel aldus dat het in de verhoren van [P.] aan de orde stellen van haar mogelijke betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer] moet leiden tot uitsluiting van haar bekennende verklaring van het bewijs, omdat [P.] slechts op verdenking van diefstal van de cheques was aangehouden.

Naar het oordeel van het hof is er evenwel geen enkele rechtsregel die verbiedt om, indien iemand is aangehouden voor een bepaald strafbaar feit, tevens vragen te stellen naar diens mogelijke betrokkenheid bij een ander strafbaar feit. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Ad. B

De verdediging heeft voorts tot uitsluiting van de bekennende verklaringen van [P.] geconcludeerd omdat [P.] tijdens de verhoren onder een dermate psychische druk heeft gestaan dat niet gezegd kan worden dat zij haar bekennende verklaring in vrijheid heeft afgelegd.

Volgens de raadsman is deze psychische druk enerzijds veroorzaakt door de wijze van detentie en anderzijds door de wijze van verhoren. Ter onderbouwing van het eerste punt heeft de raadsman onder meer gewezen op de omstandigheid dat [P.] een tijd in volledige beperkingen werd vastgehouden in een permanent verlichte cel met cameratoezicht. Ter onderbouwing van het tweede punt verwijst de raadsman naar de verklaringen van de verbalisanten [verbalisanten 1 en 2] alsmede de verklaring van de reclasseringswerker [reclasseringswerker].

Wat betreft het eerste punt - de detentiesituatie in relatie tot de afgelegde bekentenissen - constateert het hof dat [P.] haar detentie pas na haar eerste bekentenis in volledige beperkingen heeft ondergaan. Dat dit bewust zou hebben plaatsgevonden om de druk op haar op te voeren, acht het hof niet aannemelijk. Immers, [P.] had toen al haar bekennende verklaring afgelegd en tegen de achtergrond van de toen bestaande verdenking van een ernstig strafbaar feit kunnen de opgelegde beperkingen, die overigens zijn bepaald door de rechter-commissaris, niet als ongebruikelijk worden gekwalificeerd. Dat zij ook nog op enig moment in een verlichte cel onder cameratoezicht is geplaatst is eveneens verklaarbaar, nu er signalen kwamen dat [P.] zichzelf iets aan zou kunnen doen. Het hof verwijst daarvoor ondermeer naar de verklaringen van de verbalisanten [verbalisant 1, verbalisant 2, verbalisant 6, verbalisant 7] en de reclasseringswerker [reclasseringswerker], afgelegd ter terechtzitting in herziening.

Ten aanzien van de druk als gevolg van de wijze van verhoren overweegt het hof als volgt. Het hof stelt voorop dat bij toepassing van dwangmiddelen in het algemeen en derhalve ook bij verhoren – in het bijzonder als die gericht zijn op de mogelijke betrokkenheid van een persoon bij een levensdelict – onvermijdelijk sprake is van druk. Vraag is of in deze zaak die druk de grenzen van het toelaatbare heeft overschreden.

Het hof constateert dat de verklaringen van de verhoorders met betrekking tot de wijze waarop de verhoren hebben plaatsgevonden en de verklaringen die [P.] over de gang van zaken heeft afgelegd uitermate sterk uiteenlopen. Nagenoeg alle verbalisanten die bij de verhoren van [P.] betrokken waren alsmede degenen die destijds als officier van justitie [P.] hebben gehoord, zijn door het hof als getuigen bij de behandeling in herziening opgeroepen en hebben ter zitting over de gang van zaken tijdens de verhoren verklaringen afgelegd.

Uit de verklaringen van de verbalisanten afgelegd tijdens de behandeling van de zaak op 31 mei, 8 en 9 juli 2010 maakt het hof op dat tijdens die verhoren weliswaar - soms aanzienlijke - druk is uitgeoefend, maar dat daarbij sprake is geweest van ontoelaatbare druk is niet aannemelijk geworden. Voor bewijsuitsluiting bestaat dan ook geen grond.

VIII. Bewijswaardering

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting in herziening heeft het hof geen andere, [P.] tegen te werpen, relevante bewijsmiddelen ten aanzien van de feiten onder 1 en 2 aangetroffen dan de bewijsmiddelen die het gerechtshof te ’s-Gravenhage aan zijn arrest van 25 mei 1987 ten grondslag heeft gelegd. Deze bewijsmiddelen komen, zakelijk samengevat, neer op:

a. de vaststelling dat [slachtoffer] op 22 augustus 1986 te [pleegplaats] in haar woning aan de [adres] door verstikking om het leven is gebracht en de vaststelling dat die verstikking het directe gevolg is geweest van een geweldsinwerking die heeft bestaan uit uitwendig mechanisch samendrukkend en/of omsnoerend geweld op de hals (strangulatie) ;

b. de vaststelling dat op 23 augustus 1986 in het warenhuis De Bijenkorf te [pleegplaats] girokascheques ten name van [slachtoffer] zijn verzilverd ;

c. de vaststelling dat de voor verzilvering noodzakelijke handtekeningen op de sub b bedoelde cheques niet van [slachtoffer] afkomstig zijn ;

d. de verklaring(en) van [P.] voor zover zij daarin heeft bekend dat zij [slachtoffer] om het leven heeft gebracht en dat zij aan [slachtoffer] toebehorende cheques heeft verzilverd.

Omdat slechts het sub d bedoelde direct belastend is voor [P.], valt of staat een bewezenverklaring van (onderdelen van) de tenlastelegging met de bruikbaarheid van haar bekentenissen. Het openbaar ministerie en de verdediging hebben op dit punt ter terechtzitting in herziening lijnrecht tegenover elkaar staande standpunten ingenomen. Samengevat gezegd, heeft het openbaar ministerie gesteld dat de bekennende verklaringen van [P.] bruikbaar zijn voor het bewijs en heeft het onder meer op basis daarvan gevorderd dat in herziening het arrest van het gerechtshof te ’s-Gravenhage bevestigd dient te worden. De verdediging heeft daarentegen bepleit dat dit niet het geval is - althans niet mag zijn - en onder meer daarom het standpunt ingenomen dat [P.] van het onder 1 en 2 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Deze standpunten werden voor een belangrijk deel gebaseerd op het al dan niet aanwezig zijn van (herkenbare) daderwetenschap in die verklaringen.

Daarbij is gestreden over de vraag, wat precies onder daderwetenschap dient te worden verstaan.

Met de verdediging is het hof van oordeel dat daarvan op zijn minst twee soorten dienen te worden onderscheiden: ‘harde’ daderwetenschap (op aanwijzingen van de dader wordt bijvoorbeeld het corpus delictum gevonden) en ‘zachte’ daderwetenschap (de verdachte vertelt dingen die overeenstemmen met wat de politie eerder heeft vastgesteld). Van ‘harde’ daderwetenschap is in het onderhavige geval geen sprake. ‘Zachte’ daderwetenschap kan alleen worden vastgesteld indien aannemelijk is dat de verdachte die wetenschap niet op andere wijze heeft verkregen dan door daderschap.

Overziende de inhoud van de zich in het dossier bevindende krantenartikelen, de inhoud van de ter terechtzitting in herziening door met name de toenmalige verbalisanten afgelegde verklaringen op dit punt en de concrete inhoud van de door [P.] afgelegde bekennende verklaring, is de conclusie van het hof:

• dat de pers door of namens het opsporende politieteam is geïnformeerd over de ten laste gelegde feiten;

• dat, mede aan de hand van die informatie, krantenberichten zijn verschenen vóór het moment waarop [P.] als verdachte werd aangehouden en verhoord;

• dat die krantenberichten zich niet uitsluitend hebben beperkt tot algemeenheden;

• dat door of namens het opsporende politieteam niet zorgvuldig is geadministreerd welke informatie aan de pers werd vrijgegeven;

• dat [P.] voordat zij haar bekennende verklaringen aflegde door leden van het politieopsporingsteam door de woning van [slachtoffer] is geleid;

• dat de inhoud van de bekennende verklaringen van [P.] sterk is toegesneden op de haar verweten gedragingen, zonder dat de betreffende processen-verbaal inzicht geven in de wijze van vraagstelling en/of het besprokene tijdens de verhoren;

• dat niet volgens een vooropgezet plan werd verhoord.

Op grond van bovenstaande omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is het hof tot het oordeel gekomen dat - ook ten aanzien van de door het openbaar ministerie ter terechtzitting in herziening uitdrukkelijk benadrukte passages in de verklaringen van [P.] omtrent de bankcheques van de Nutsspaarbank en het overgaan van de telefoon van het slachtoffer - niet buiten redelijke twijfel valt uit te sluiten dat [P.] voorafgaande aan haar bekentenissen kennis heeft gekregen van (specifieke) details omtrent het ten laste gelegde, die door het openbaar ministerie zijn gekwalificeerd als daderwetenschap. Bij dit oordeel heeft het hof laten meewegen dat door het opsporingsteam de bekennende verklaringen van [P.] niet uitvoerig zijn gecontroleerd op tegenstrijdigheden met andere onderzoeksresultaten en dat destijds na het afleggen van de betreffende verklaringen nauwelijks verdere opsporingsactiviteiten zijn verricht.

De betrouwbaarheid van de door [P.] afgelegde bekennende verklaringen is daarom, naar het oordeel van het hof, niet aan de hand van daarin voorkomende daderwetenschap vast te stellen.

Ter beoordeling van de betrouwbaarheid van de door [P.] afgelegde bekennende verklaringen heeft het hof vervolgens acht geslagen op de onderzoeksbevindingen van de deskundigen prof. dr. H.L.G.J. Merckelbach, drs. J.M.J.F. Offermans en prof. dr. A.J.W.M. Thomassen.

Merckelbach, psycholoog, heeft zijn onderzoeksbevindingen neergelegd in zijn verslag van psychodiagnostisch onderzoek d.d. 17 juli 2003 en heeft één en ander nader toegelicht ter terechtzitting in herziening. Hij heeft vastgesteld dat [P.] de symptomen vertoont van een post traumatische stress stoornis, en die toegeschreven aan haar veroordeling. Hij heeft op 31 mei 2010 ter terechtzitting in herziening van het hof verklaard dat de hardnekkigheid van deze symptomen bijna onmogelijk te verklaren is vanuit de aanname dat [P.] [slachtoffer] van het leven heeft beroofd en daar een trauma aan overhield. ‘De officier van justitie heeft in eerste aanleg namelijk verklaard dat het delict een grote mate van koelbloedigheid en kilheid vertoonde.’

Het hof wil met de deskundige aannemen dat sprake is van een post traumatische stress stoornis, maar acht de omtrent de oorzaak daarvan gegeven verklaring hoogst speculatief en onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd. Het hof zal de deskundige daarin dan ook niet volgen.

Het hof zal de deskundige wel volgen in zijn oordeel dat [P.] zeer vatbaar is voor suggestie en bovenmatig gevoelig voor door anderen verstrekte informatie, en dat die toestand destijds (bij het afleggen van haar bekennende verklaringen) hoogstwaarschijnlijk ook reeds bestond.

Offermans, psychiater, heeft zijn onderzoeksbevindingen neergelegd in zijn rapport van 27 oktober 2005. Op grond van die bevindingen is het hof tot het oordeel gekomen dat [P.] door haar aanhouding en inverzekeringstelling als verdachte van een hoogst ernstig strafbaar feit in een acute stressstoornis is geraakt. Ten gevolge daarvan was zij in de tijdspanne dat zij de haar verweten gedragingen bekende als het ware ten prooi gevallen aan onder meer intense gevoelens van angst, hulpeloosheid, verdoving en onthechting, met momenten van vervreemding ten opzichte van zichzelf en/of haar omgeving.

Het hof acht het op grond van het vorenstaande (vatbaar voor suggestie, gevoelig voor informatieverstrekking door anderen, acute stressstoornis) geenszins uitgesloten dat de verklaringen van [P.] tot stand zijn gekomen onder invloed van een bijzondere psychische toestand, waar de verhorende politie-ambtenaren onvoldoende op bedacht zijn geweest.

Thomassen, deskundige op het gebied van onderzoek aan schrijfbewegingen, heeft zijn onderzoeksbevindingen neergelegd in zijn rapportage van een nader handschriftonderzoek d.d. 30 juni 2003 en heeft een en ander toegelicht ter terechtzitting in herziening. Op grond van die bevindingen acht het hof het aannemelijk dat de op de gestolen cheques voorkomende handtekeningen niet door [P.] zijn geplaatst. Het hof leidt hieruit af dat de bekennende verklaringen van [P.] in elk geval op dit punt onjuist zijn. Voor de veronderstelling, dat hiervoor een bijzondere reden bestond, te weten dat zij bij het verzilveren van de cheques met een ander zou hebben samengewerkt die zij met haar bekentenis op dit punt wilde dekken, heeft het hof geen enkel aanknopingspunt in het dossier aangetroffen.

Uit het vorenstaande volgt dat het hof niet kan uitsluiten dat de bekennende verklaringen van [P.] tot stand zijn gekomen onder invloed van een bijzondere psychische toestand en heeft het hof vastgesteld dat haar bekennende verklaringen kennelijk onjuist zijn met betrekking tot het plaatsen van de handtekeningen. Deze omstandigheden, in samenhang bezien met het ontbreken van steunbewijs aan de hand waarvan de bekentenissen voor het overige voldoende kunnen worden geverifieerd, maken dat die bekentenissen onvoldoende betrouwbaar moeten worden geacht.

Het hof hecht er aan om nog op te merken dat het tijdens de beraadslaging de ogen niet gesloten heeft voor het gegeven dat het openbaar ministerie ter terechtzitting in herziening uitdrukkelijk heeft gewezen op de verschillen in redengeving die [P.] heeft gegeven voor het afleggen van haar bekennende verklaringen. Tegen de achtergrond van wat uit de onderzoeksbevindingen van de hierboven genoemde Merckelbach en Offermans over de persoon en de persoonlijkheid van [P.] valt af te leiden, kan het hof daaraan niet de door het openbaar ministerie voorgestane betekenis, te weten bruikbaarheid van de bekennende verklaringen, geven. Wanneer iemand onder invloed van (kort weg) suggestie een verklaring aflegt, kan niet worden verwacht dat hij of zij daarover later een consistente uitleg kan geven.

Omdat een bewezenverklaring valt of staat met de bruikbaarheid van de door [P.] afgelegde bekentenissen en het hof deze onvoldoende betrouwbaar acht is naar het oordeel van het hof onvoldoende bewijsmateriaal voorhanden om tot een bewezenverklaring te komen. Het hof verenigt zich derhalve niet met het arrest van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 25 mei 1987, zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw recht moet worden gedaan.

IX. Beslissing in herziening

Het hof:

Vernietigt het arrest van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 25 mei 1987 (rolnr. 2200220386, parketnr. 0901887886) en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen, dat [P.] het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij.

Aldus gewezen door

mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,

mr. J.W. de Ruijter en mr. J.M. Reijntjes,

in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. van der Meijs, griffier,

en op 6 oktober 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.