Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BN5580

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-07-2010
Datum publicatie
31-08-2010
Zaaknummer
HV 200.038.147
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomensverlies is niet voor hestel vatbaar, zo is 5 jaar later vast komen te staan.

In ieder geval mag het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering bij het opleggen van een verhaalsbijdrage er niet toe leiden dat het totale inkomen zakt beneden 95% van de bijstandsnorm voor gehuwden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 29 juli 2010

Zaaknummer: HV 200.038.147/01

Zaaknummer Hoge Raad: 08/01985

[A.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. R.A van der Hansz,

tegen

De Regionale Sociale Dienst Alblasserwaard-Oost / Vijfheerenlanden,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de RSD,

advocaat: mr. K. Aantjes.

na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij beschikking van 10 juli 2009.

1. Het geding tot en met de beschikking van de Hoge Raad

1.1. Bij beschikking van 23 februari 2004 heeft de rechtbank Breda de echtscheiding tussen de man en zijn echtgenote [B.] (hierna te noemen: de vrouw) uitgesproken. Voorts heeft de rechtbank in deze beschikking geoordeeld dat de man gelet op zijn financiële omstandigheden geen draagkracht heeft om enige bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te voldoen.

1.2. Bij beschikking van 17 maart 2004 heeft de rechtbank Dordrecht bepaald dat de man met ingang van 1 juni 2003 ten behoeve van de vrouw een bedrag aan bijstandsverhaal dient te voldoen van € 255,- per maand, met ingang van de datum van voornoemde beschikking, zolang de bijstandsverlening aan de vrouw voor rekening van de RSD zal voortduren en de man onderhoudsplichtig is. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat in het geval van niet-tijdige betaling wettelijke rente kan worden berekend vanaf de datum dat de man in verzuim is.

1.3. De man is op 9 juni 2004 bij het gerechtshof 's-Gravenhage in hoger beroep gekomen tegen voormelde beschikking. Het hof heeft bij beschikking van 9 februari 2005 de beschikking van de rechtbank Dordrecht bekrachtigd.

1.4. De RSD heeft bij besluit d.d. 16 augustus 2005 het recht op bijstand van de vrouw ingetrokken met ingang van 1 augustus 2005, omdat zij per die datum is gaan samenwonen.

1.5. De man heeft op 21 september 2006 ter griffie van de rechtbank Dordrecht een verzoekschrift ingediend en hierin verzocht de beschikking van 17 maart 2004 te wijzigen, in die zin, dat het aan de man opgelegde bedrag aan bijstandsverhaal van € 255,- per maand ten behoeve van de vrouw, met ingang van 1 juni 2003 wordt ingetrokken, althans met ingang van de datum van de door de rechtbank te nemen beschikking nader vastgesteld wordt op nihil, althans dit bedrag zodanig wordt vastgesteld zoals de rechtbank juist acht.

1.6. De rechtbank Dordrecht heeft het verzoek van de man bij beschikking van 21 maart 2007 afgewezen.

1.7. Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof 's-Gravenhage. De RSD heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de man en tevens incidenteel appel ingesteld. Het incidentele appel strekte ertoe dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de man niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn verzoek, althans dit verzoek zal afwijzen. Het hof heeft bij beschikking van 13 februari 2008 de bestreden beschikking bekrachtigd.

1.8. Tegen die beschikking heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De man heeft één cassatiemiddel voorgedragen.

Bij beschikking van 10 juli 2009 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het cassatiemiddel terecht is voorgesteld. De Hoge Raad heeft de beschikking van het gerechtshof 's-Gravenhage van 13 februari 2008 vernietigd en de zaak ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar dit hof.

2. Het geding sedert de beschikking van de Hoge Raad

2.1. De man heeft bij brief d.d. 30 september 2009 het hof verzocht de zaak, zonder nadere mondelinge behandeling, op de stukken af te doen.

2.2. De RSD heeft bij faxbericht d.d. 9 april 2010 medegedeeld zich aan te sluiten bij het verzoek van de man om deze zaak, zonder nadere mondeling behandeling, op de stukken af te doen. Het hof zal daarom de zaak op de stukken afdoen.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het procesdossier, ingekomen ter griffie op 17 maart 2010.

3. Begrenzing van het geschil na verwijzing

3.1. De man voert in het cassatiemiddel aan dat er in de beschikking van het hof van 13 februari 2008 sprake is van een schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet in acht neming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm door hetgeen het hof in rechtsoverweging 19 en 20 in voormelde beschikking heeft overwogen.

Het hof is er in de beschikking van 9 februari 2005 vanuit gegaan dat de man alleenstaand was, zodat de door de man gestelde samenwoning een wijziging van omstandigheden is. Het hof is in de beschikking van 13 februari 2008 van oordeel dat de door de man opgeworpen omstandigheden, niet als een rechtens relevante wijziging zijn te beschouwen. De man stelt dat het hof de door de man opgeworpen omstandigheden niet heeft onderzocht en voorts onvoldoende gemotiveerd heeft aangegeven waarop zijn overweging stoelt dat de man voldoende verdiencapaciteit heeft om de door de rechtbank vastgestelde verhaalsbijdrage te betalen. Het hof heeft in de beschikking van 13 februari 2008 er geen rekening mee gehouden dat de man samenwonend is en dat deze samenwoning gevolgen heeft in de vorm van huur, ziektekostenpremie en andere vaste- en variabele kosten. De beschikking van het hof is omtrent deze omstandigheid onvoldoende gemotiveerd.

3.2. De Hoge Raad heeft in de beschikking van 10 juli 2009 bepaald dat het oordeel van het hof dat de door de man gestelde samenleving met ingang van 7 januari 2005 geen rechtens relevante wijziging van omstandigheden oplevert omdat de bijdrage was vastgesteld op basis van voldoende verdiencapaciteit van de man, onjuist is. De gestelde samenleving is immers een wijziging van omstandigheden die tot gevolg kan hebben dat de man niet langer in staat is de bijdrage (geheel of gedeeltelijk) te voldoen, en deze wijziging noopt dus tot een nieuwe beoordeling van de onderhoudsbijdrage.

Voor zover het oordeel van het hof inhoudt dat de man geen beroep heeft gedaan op een lastenverzwaring aan zijn zijde, is dit oordeel volgens de Hoge Raad onbegrijpelijk in het licht van de door het hof in zijn beschikking vermelde stelling van de man dat hij de bijdrage niet meer (volledig) kan betalen omdat hij een partner tot zijn last heeft.

3.3. Gelet op de inhoud van de beschikking van de Hoge Raad van 10 juli 2009 zal het hof de draagkracht van de man betreffende de periode 7 januari 2005 tot 1 augustus 2005 opnieuw moeten beoordelen.

4. De beoordeling

Inkomen van de man

4.1. Het hof 's-Gravenhage gaat er in de bestreden beschikking van uit dat de verdiencapaciteit van de man en zijn partner ten tijde van voornoemde beschikking hoger was dan het door de man gestelde inkomen. Inmiddels staat vast dat de man en zijn partner er niet in zijn geslaagd de door het hof 's-Gravenhage veronderstelde verdiencapaciteit te realiseren zoals blijkt uit door de man overgelegde jaaropgaven betreffende het jaar 2005. Ook in de jaren daarna is de man daartoe niet in staat gebleken. Het fiscaal jaarinkomen van de man bedroeg volgens de jaaropgave van zijn werkgever over het jaar 2005 € 8.051,-. Het hof neemt daarbij voorts in overweging dat de man en zijn partner (in de periode 7 januari 2005 tot 1 augustus 2005) en de daaropvolgende jaren een aanvullende uitkering inzake de Wet werk en bijstand (hierna te noemen: Wwb) ontvingen. De aanvullende bijstandsuitkering van de man en zijn partner bedroeg in het jaar 2005, volgens de door de man overgelegde jaaropgave in totaal € 6.004,- bruto. Het totale jaarinkomen van de man en zijn partner bedroeg in het jaar 2005 € 14.055,- bruto.

Thans, vijf jaar later, is moeilijk vol te houden dat het inkomensverlies dat de man en zijn partner mogelijk door eigen toedoen hebben geleden, nog voor herstel vatbaar is.

Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag bij het opleggen van een verhaalsbijdrage aan de man er niet toe leiden dat hij feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt, en in ieder geval niet tot gevolg hebben dat zijn totale inkomen zakt beneneden het niveau van 90% van de Wwb-norm voor gehuwden, welke in de periode januari tot augustus 2005 tussen € 1.150,- en € 1.154,- netto per maand bedroeg.

Het hof acht het aannemelijk dat de man in het jaar 2005 enkele vaste lasten had zoals bijvoorbeeld woonlasten en premie voor de ziektekostenverzekeringen van hem en zijn partner die niet geheel in het eigen levensonderhoud kan voorzien.

Gelet op de hoogte van het inkomen van de man en zijn partner in het jaar 2005, en rekening houdend met enkele vaste lasten zou het opleggen van een verhaalsbijdrage tot gevolg hebben dat het inkomen van de man en zijn partner zakt beneden het niveau van 90% van de Wwb-norm voor gehuwden.

Verhaalsbijdrage

4.2. Op grond van hetgeen hierboven is overwogen het hof van oordeel dat de man niet de draagkracht heeft om de vastgestelde verhaalsbijdrage te betalen.

4.3. De beschikking waarvan beroep zal gedeeltelijk worden vernietigd.

5. De beslissing

Het hof na verwijzing opnieuw rechtdoende:

wijzigt de beschikking van 13 februari 2008 van het gerechtshof 's-Gravenhage;

bepaalt dat de verhaalsbijdrage ten behoeve van de vrouw voor wat betreft de periode 7 januari 2005 tot 1 augustus 2005 nader wordt vastgesteld op nihil;

verstaat dat de beschikking van het gerechtshof 's-Gravenhage van 13 februari 2008 voor het overige in stand is gebleven;

compenseert de proceskosten van het geding na verwijzing zodanig, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Raab, Van Dijkhuizen en Pellis en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2010.