Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BN5565

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-06-2010
Datum publicatie
31-08-2010
Zaaknummer
09/00353
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betaling aan Australische trust is niet aan te merken als aftrekbare onderhoudsverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/52.15 met annotatie van Redactie
FutD 2010-2086
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Tweede meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 09/00353

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X, wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 8 juni 2009, nummer AWB 07/416 in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 171.277. De aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van

€ 160.751.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 38.

Bij schriftelijke uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 110.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Op 25 maart 2010 is bij het Hof een geschrift van belanghebbende ontvangen, gedateerd 24 maart 2009. Dit stuk is in afschrift aan de Inspecteur verstrekt.

1.5. De zitting heeft plaatsgehad op 8 april 2010 te

‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.6. Belanghebbende en de Inspecteur hebben ieder ter zitting een pleitnota voorgedragen.

Het Hof rekent de pleitnota’s tot de stukken van het geding.

1.7. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

1.8. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

2.1. Belanghebbende is geboren op 21 februari 1941. Hij is getrouwd geweest met mevrouw A, met wie hij twee kinderen heeft. Belanghebbende betaalt per jaar ƒ 6.657 alimentatie aan mevrouw A.

2.2. Belanghebbende woont op het B-pad 4 te Y. Blijkens het bevolkingsregister heeft vanaf 1 april 1999 tot 19 juni 2002 op dit adres mevrouw C, geboren op 28 juli 1956, ingeschreven gestaan. Mevrouw C is teruggekeerd naar Australië. Belanghebbende was niet gehuwd met mevrouw C en zij hadden geen samenlevingscontract opgesteld. Zij hebben geen gezamenlijke kinderen.

2.3. Tot de gedingstukken behoort een overzicht van de bankrekening met rekeningnummer 0000.00.000 op naam van belanghebbende en de aanvraag voor een buitenlandoverboeking d.d. 17 oktober 2001. Hieruit blijkt dat belanghebbende op 18 oktober 2001 een bedrag van ƒ 50.000 met als omschrijving “credit tot v2 plus deposit the C Family Trust” heeft overgemaakt naar een bankrekening met rekeningnummer XXX-XXX 000000000. Begunstigde van deze bankrekening is “Toekomst P/L ATF The C Family Trust” (hierna: de trust).

2.4. In zijn brief van 25 mei 2002 aan mevrouw C heeft belanghebbende het navolgende aan haar geschreven:

“Dear Susan,

In response to our conversation on the telephone I hereby confirm, as agreed, the promissed alimentation.

With reference to the break of our relationship, I consider it as my duty to give you financial assistance. After all the years we spend together I feel it as my obligation to provide maintenance and help you to build a new life for yourself in Australia. With this I want to comply my urgent moral duty to provide you in the cost of living for the next few years.

In following to the above I will transfer an amount of 400.000 Australian dollars. This amount concerns a payment in advance of a periodical payment to provide in the cost of living based on a yearly payment of 80.000 Australian dollars for the next five years. (…)

2.5. Op 15 april 2002 en 3 juni 2002 zijn namens belanghebbende door F B.V. bedragen van AUD 10.000 respectievelijk 390.000 overgemaakt aan de trust.

2.6. Bij brieven van 17 februari 2006 en 25 april 2006 heeft de inspecteur aan belanghebbende nadere stukken opgevraagd inzake voornoemde betalingen aan de trust. Deze stukken zijn niet overgelegd.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de betaling van hfl. 50.000,-- kwalificeert als onderhoudsverplichting als bedoeld in artikel 6.3, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord.

De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van

€ 110.751.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4. Gronden

4.1. Ingevolge artikel 6.3, eerste lid, letter f, Wet inkomstenbelasting 2001 zijn aftrekbaar als onderhoudsverplichtingen:

”in rechte vorderbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen die berusten op een dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud.

4.2. Het Hof zal eerst behandelen de vraag of de betaling van hfl. 50.000,-- door belanghebbende aan The C Family Trust is aan te merken als onderdeel van een periodieke uitkering in vorenbedoelde zin, zoals belanghebbende stelt en de Inspecteur betwist, dan wel als een betaling als voorschot op de depotstorting in 2002.

4.3. Anders dan belanghebbende stelt is naar het oordeel van het Hof in het jaar 2001 sprake van een incidentele -op zich-zelf staande- betaling.

Noch hetgeen belanghebbende daartoe heeft aangevoerd in de van hem afkomstige stukken en het verhandelde ter zitting, noch de omschrijving op het desbetreffende bankafschrift en op het bijbehorende buitenland formulier geven steun aan diens stelling dat er verband bestaat tussen beide betalingen.

4.4. Ook de verwijzingen naar de brief van belanghebbende aan mevrouw C van 25 mei 2002 kunnen belanghebbende niet baten.

Deze brief bevat blijkens de tekst daarvan geen aanwijzing omtrent de samenhang tussen de onderhavige betaling in 2001 en het bedrag dat belanghebbende blijkens evenbedoelde brief in 2002 aan mevrouw C heeft toegezegd en heeft betaald aan The C Family Trust.

4.5. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de onderhavige betaling in 2001 alsmede die uit 2002, allen aan The C Family Trust als een depotstorting voor een periodieke uitkering aan mevrouw C zijn aan te merken.

4.6. Belanghebbende heeft evenwel geen nadere inlichtingen verstrekt omtrent The C Family Trust en al evenmin tegenover de betwisting door de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat evenbedoelde trust aan mevrouw C periodieke uitkeringen in de zin van art. 6.3, eerste lid, letter f, Wet inkomstenbelasting 2001 verstrekt.

De enkele mededeling dat de betalingen naar aanleiding van het overleg van gemachtigde met de advocaat van mevrouw C vanwege de fiscale aspecten in Australië aan The C Family Trust hebben plaatsgevonden is onvoldoende, nu deze mededeling niet nader door belanghebbendes gemachtigde is toegelicht of gedocumenteerd.

4.7. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de betalingen in 2001 en 2002 aan The C Family Trust zijn aan te merken als afkoopsommen van een onderhoudsverplichting in het jaar 2003.

4.8. De desbetreffende betalingen hebben evenwel plaatsgevonden in het jaar 2001 en 2002 op grond waarvan deze noch in het onderhavige jaar, noch in 2003 in aftrek gebracht kunnen worden.

4.9. Op grond van artikel 6.5 eerste lid, juncto artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a onder 1° Wet inkomstenbelasting 2001, zijn volgens belanghebbende -in samenhang met het arrest van de Hoge Raad van 14 november 2008, V.N. 2008 / 55.5 - aftrekbaar afkoopsommen ter zake van onderhoudsverplichtingen.

4.10. De in 2001 en 2002 gedane betalingen zijn gedaan aan The C Family Trust.

Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze trust een toegelaten verzekeraar is in de zin van laatstbedoelde bepaling.

4.11 Het gelijk is dan aan de Inspecteur. De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd. Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond.

4.12. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

4.13. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep ongegrond;

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 25 juni 2010 door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, J. Swinkels en H.M.N. Schonis, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.