Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BN5562

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-06-2010
Datum publicatie
31-08-2010
Zaaknummer
09/00254
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BU8238, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is houder van een auto met een grijs kenteken. Teneinde een bank voor haar zoon te kunnen vervoeren naar zijn studentenkamer is de vaste wand tussen de bestuurderscabine en de laadruimte enkele dagen verwijderd geweest. Na het verwijderen van het tussenschot kon de auto niet meer als bestelauto worden aangemerkt en had belanghebbende aangifte moeten doen voor de BPM. De inspecteur heeft dan ook terecht nageheven. Belanghebbende beroept zich volgens het hof vergeefs op het herstelbeleid, omdat de Leidraad BPM voor het geval dat het tussenschot is verwijderd geen herstelmogelijkheid biedt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/54.1.3
FutD 2010-2095
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Eerste meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 09/00254

Uitspraak op het hoger beroep van

mevrouw X,

wonende te Y,

hierna: belanghebbende

tegen de schriftelijke uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 1 april 2009, nummer AWB 08/2483 in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen naheffingsaanslag en boetebeschikking.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer 0000000.0000/0.0000 een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd ten bedrage van € 3.337 aan belasting. Tegelijkertijd is, in één geschrift verenigd met de naheffingsaanslag, bij voor bezwaar vatbare beschikking een boete opgelegd van € 834. Na tegen de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij in één geschrift verenigde uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 145. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep met betrekking tot de boetebeschikking gegrond verklaard, het beroep voor het overige ongegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de boetebeschikking alsmede de boetebeschikking vernietigd en de Staat gelast aan belanghebbende het griffierecht te vergoeden.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 12 mei 2010 te

's-Hertogenbosch. Aldaar is toen verschenen en gehoord, belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.6. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1. Belanghebbende is sinds 13 maart 2006 houder van een auto, merk en type Kia, Pregio 2.5 TCI DB (dubbele cabine), chassisnummer XXXXX00000X000000 voorzien van een zogenoemd grijs kenteken 00-XX-XX (hierna: de auto). De auto is op 30 juni 2005 in het kentekenregister geregistreerd. Op 7 oktober 2006 is de auto te A gecontroleerd door ambtenaren van de rijksbelastingdienst. Daarbij is geconstateerd dat belanghebbende op die datum gebruik maakte van de openbare weg, namelijk de N 325 in de gemeente A. Tevens is geconstateerd dat een vaste wand tussen de bestuurderscabine (hierna ook wel: de zitruimte) en de laadruimte, het zogenoemde tussenschot, ontbrak.

2.2. Belanghebbende heeft in de eerste week van oktober 2006 het vorenbedoelde tussenschot, dat bij de koop van de auto wel aanwezig was, verwijderd om een bank voor haar zoon te kunnen vervoeren naar zijn studentenkamer in B. Enkele dagen na 7 oktober 2006 heeft belanghebbende het tussenschot weer teruggeplaatst.

2.3. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag berekend door uit te gaan van een eerste ingebruikneming van de auto op 30 juni 2005 en een netto catalogusprijs van € 10.995,13. Hierop heeft hij het tarief van 45,2% toegepast, verhoogd met de toeslag van € 328. Rekening houdend met het feit dat gelet op voornoemde data 7 oktober 2006 en 30 juni 2005 de auto langer dan een jaar, maar korter dan twee jaar in gebruik was heeft de Inspecteur de BPM met 37% verminderd (ingevolge artikel 10 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM)).

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen partijen hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, alsmede van de uitspraken op bezwaar, van de naheffingsaanslag en van de boetebeschikking. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

4.1. Vaststaat, dat op 7 oktober 2006 de vaste wand tussen de zitruimte en de laadruimte ontbrak.

4.2. Daaruit volgt, dat de auto niet meer voldeed aan de in artikel 3, lid 3, aanhef, onderdeel d, ten derde van de Wet BPM gestelde eis om de auto als bestelauto te kunnen aanmerken. Op grond van artikel 1, lid 3 van de Wet BPM in samenhang met artikel 6 van de Wet BPM had belanghebbende, mede gelet op het met betrekking tot artikel 1, lid 3 van de Wet BPM van toepassing zijnde overgangsrecht, aangifte moeten doen voor de BPM. Nu zij dit niet heeft gedaan kon de Inspecteur overgaan tot naheffing bij belanghebbende op de voet van artikel 12a van de Wet BPM.

4.3. Uit het vorenstaande volgt, dat beoordeeld naar de wettelijke bepalingen de Inspecteur terecht, en tot het juiste bedrag, heeft nageheven.

4.4. Belanghebbende heeft zich echter beroepen op het herstelbeleid van de staatssecretaris van Financiën. Dit beleid is per 1 oktober 2006 neergelegd in de Leidraad BPM 2006 (Staatscourant 2006, 185). Het door belanghebbende kennelijk bedoelde besluit van 13 december 2002, nr. CPP-2002/1574M, V-N 2003/10.25 is met ingang van die datum ingetrokken.

4.5. In de Leidraad BPM 2006 is, voor zover te dezen van belang, het volgende opgenomen:

'§ 2.4.2 Ter zake van de inrichtingseisen

voor bestelauto's

A. Algemeen

Wanneer een motorrijtuig niet voldoet aan de eisen om als bestelauto te worden aangemerkt is in veel gevallen BPM verschuldigd. Slechts in een aantal situaties kan herstel worden geboden en hoeft niet direct te worden nageheven.

B. Geen herstelmogelijkheid

Voor bepaalde afwijkingen van de inrichtingseisen voor bestelauto's wordt geen herstel geboden. Als één of meer van de hierna te noemen afwijkingen van de inrichtingseisen worden geconstateerd moet steeds worden nageheven.

(...)

b. Er is geen volledige, respectievelijk geen ten minste 30 cm hoge, vaste tussenwand in de gevallen waarin op grond van artikel 3 van de wet een dergelijke wand is vereist.

(...)'.

4.6. Uit het vermelde onder 4.5 volgt dat belanghebbende zich vergeefs beroept op het herstelbeleid.

4.7. Belanghebbendes overige argumenten kunnen niet tot vernietiging of vermindering van de naheffingsaanslag leiden, omdat het Hof ingevolge artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk (Stb 1822, 10 en Stb 1829, 28) niet de bevoegdheid heeft de innerlijke waarde of billijkheid van de Wet BPM te toetsen.

4.8. Uit al het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. De uitspraak van de Rechtbank moet dan ook worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.9. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.10. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op: 25 juni 2010 door P. Fortuin, voorzitter, W.E.M. van Nispen tot Sevenaer en J.G. Verseput, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.