Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BN5162

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-06-2010
Datum publicatie
27-08-2010
Zaaknummer
09/00524
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2009:BJ5285, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft de Duitse nationaliteit en woont in Duitsland. Hij is van 1 januari tot en met 22 mei in loondienst in Nederland, daarna ontving belanghebbende "arbeitslosengeld" . Belanghebbende heeft gekozen voor toepassing van artikel 2.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Belanghebbende claimt toepassing van artikel 5, eerste lid van de Uitvoeringsregeling premieheffing volksverzekeringen 2002 (UPV), tijdsevenredige herleiding van het premie-inkomen. De rechtbank geeft de inspecteur gelijk en weigert toepassing van genoemd artikel. Het Hof oordeelt anders. Met een beroep op het arrest Terhoeve (BNB 1999/150) en het arrest van de Hoge Raad van 14 maart 2001, nr. 35.593, BNB 2002/394 oordeelt het Hof dat het vereiste in artikel 5, eerste lid UPV onverenigbaar is met artikel 39 (voorheen 48) EG-verdrag. Ook de overige stellingen van de inspecteur wijst het Hof af en het Hof concludeert dan ook dat belanghebbende recht heeft op toepassing van artikel 5, eerste lid UPV.

Hoger beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-2050
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Tweede meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 09/00524

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X,

wonende te Y, Duitsland,

hierna: belanghebbende,

tegen de schriftelijke uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 31 juli 2009, nummer AWB 08/1077, in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2005 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.660 en een premie-inkomen van € 9.804, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39.

Bij schriftelijke uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 110.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de Inspecteur heeft schriftelijk gedupliceerd.

1.5. De zitting heeft plaatsgehad op 22 april 2010 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.6. De Inspecteur heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen.

1.7. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

1.8. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

2.1. Belanghebbende heeft de Duitse nationaliteit en woont in het onderhavige jaar in Duitsland. Van 1 januari 2005 tot en met 22 mei 2005 heeft belanghebbende inkomsten genoten uit een dienstbetrekking in Nederland, in totaal

€ 9.804 bruto. Van 22 mei 2005 tot en met 31 december 2005 ontving belanghebbende in Duitsland 'Arbeitslosengeld' (hierna: werkeloosheidsuitkering), van in totaal € 5.856 bruto. Belanghebbendes totale - bruto - inkomen bedroeg in het onderhavige jaar derhalve € 15.660.

2.2. Belanghebbende heeft voor het onderhavige jaar ervoor gekozen om te worden behandeld als binnenlands belastingplichtige (artikel 2.5 van de Wet IB 2001). In zijn aangifte heeft belanghebbende voor de Duitse werkloosheidsuitkering van € 5.856, vermindering van premie volksverzekeringen gevraagd (vraag 56b in de aangifte). Tevens heeft belanghebbende aangegeven dat Nederland over de werkloosheidsuitkering geen inkomstenbelasting mag heffen (vraag 58a in de aangifte).

2.3. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de inspecteur het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 15.660 en het premie-inkomen op € 9.804.

2.4. In het tegen de aanslag gerichte bezwaarschrift heeft belanghebbende de inspecteur verzocht om het premie-inkomen vast te stellen door middel van de methode van tijdsevenredige herleiding van het premie-inkomen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Uitvoerings-regeling premieheffing volksverzekeringen 2002 (hiena: UPV 2002). Het premie-inkomen bedraagt in dat geval dan

€ 6.133.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft in hoger beroep het antwoord op de volgende vraag:

Kan artikel 5, lid 1, van de UPV 2002, worden toegepast?

Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken in hoger beroep de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak van de Inspecteur en vaststelling van het premie-inkomen 2005 op € 6.133. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4. Gronden

4.1. De Rechtbank heeft overwogen:

"4.1. De voor het onderhavige geval van belang zijnde regelgeving, luidt als volgt:

Artikel 5 UPV 2002

1. Ten aanzien van degene die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar niet premieplichtig doch gedurende die periode wel belastingplichtig is, wordt voor de premieheffing bij wege van aanslag het premie-inkomen naar tijdsevenredigheid afgeleid van het premie-inkomen dat in aanmerking zou zijn genomen als de premieplicht volledig zou zijn samengevallen met de belastingplicht.

2. In afwijking van het eerste lid wordt als premie-inkomen geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan het premie-inkomen verminderd met het gedeelte daarvan, waarop, op grond van een internationale regeling inzake sociale zekerheid die tussen Nederland en een of meer andere mogendheden van kracht is, de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is, of dat, bij gebreke van een internationale regeling, is onderworpen aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake uitkeringen bij ouderdom en overlijden van een andere mogendheid

Artikel 6 UPV 2002

Ten aanzien van degene die gedurende een deel van het kalenderjaar anders dan door overlijden niet premieplichtig is, wordt voor de premieheffing bij wege van aanslag als premie-inkomen in aanmerking genomen het bedrag dat naar tijdsevenredigheid is afgeleid van het in artikel 10, zesde lid, van de wet vermelde premie-inkomen dat maximaal in aanmerking zou zijn genomen indien gedurende het gehele kalenderjaar sprake zou zijn geweest van premieplicht, tenzij toepassing van de bepalingen in de wet of van de overige bepalingen in deze regeling tot een lager premie-inkomen leidt.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat ten aanzien van de niet in Nederland wonende werknemer die slechts gedurende een deel van het kalenderjaar in Nederland werkt - gelet op de tekst van artikel 5, eerste lid UPV 2002 - de tijdsevenredige herleiding van het premie-inkomen geen toepassing kan vinden. De rechtbank acht dit uitgangspunt van partijen juist; in dat geval valt immers het tijdvak waarover Nederland premie heft samen met tijdvak waarover Nederland belasting heft. Het premie-inkomen dient, naar de tekst van de genoemde bepalingen, dan te worden te vastgesteld aan de hand van de methode zoals omschreven in artikel 6 UPV 2002.

4.3. Belanghebbende heeft evenwel betoogd dat zijn keuze om als binnenlands belastingplichtige te worden aangemerkt, als bedoeld in artikel 2.5 van de Wet IB 2001, tot gevolg heeft dat hij het hele jaar in Nederland belastingplichtig is. Daardoor is het tijdvak van premieplicht niet (meer) gelijk aan het tijdvak van belastingplicht, zodat artikel 5, eerste lid, UPV 2002 toepassing kan vinden. Met betrekking tot dit standpunt van belanghebbende overweegt de rechtbank het volgende. De niet in Nederland wonende werknemer, die slechts gedurende een deel van het kalenderjaar in Nederland werkt is slechts voor die tijd (buitenlands) belastingplichtig in Nederland. Anders is dit voor de in Nederland wonende werknemer die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar in Nederland werkt. Deze is ingevolge artikel 2.1 van de Wet IB 2001 het gehele kalenderjaar in Nederland (binnenlands) belastingplichtig.

4.4. Artikel 2.5 van de Wet IB 2001 maakt het voor een inwoner van een andere lidstaat van de Europese Unie mogelijk om te kiezen voor de toepassing van de regels van deze wet voor binnenlands belastingplichtigen. Deze keuze leidt naar het oordeel van de rechtbank niet ertoe dat buitenlandse belastingplichtigen daardoor binnenlands belastingplichtige worden. Zij blijven buitenlandse belastingplichtigen, alleen worden zij voor de berekening van de verschuldigde inkomstenbelasting in dat jaar behandeld alsof ze een binnenlandse belastingplichtige zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is de keuze van artikel 2.5 van de Wet IB 2001 dan ook uitsluitend een keuze voor een berekeningsmethode van de inkomstenbelasting. Dat de kiezende belastingplichtige als bedoeld in artikel 2.5 van de Wet IB 2001 daarmee niet een binnenlandse belastingplichtige wordt, blijkt ook uit de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van de Wet van 11 mei 2000, Stb. 2000, 215, tot vaststelling van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Belastingherziening 2001):

" (...) In deze bepaling is voor inwoners van andere lidstaten van de Europese Unie en voor inwoners van landen waarmee Nederland een regeling ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten die voorziet in de uitwisseling van inlichtingen, de mogelijkheid opgenomen om te kiezen om op dezelfde wijze te worden behandeld als inwoners van Nederland (binnenlandse belastingplichtigen). Een keuze voor de toepassing van de regels voor binnenlandse belastingplichtigen leidt er overigens niet toe dat de kiezende belastingplichtige binnenlands belastingplichtig wordt; hij blijft buitenlands belastingplichtig. Op deze wijze is invulling gegeven aan het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 14 februari 1995, zaak C-279/93, BNB 1995/187 (Schumacker-arrest). Het Hof van Justitie van de Europese-Unie heeft in dit arrest bepaald dat een in een lidstaat woonachtige werknemer die in een andere lidstaat zijn inkomen geheel of vrijwel geheel verwerft in die andere lidstaat niet zwaarder mag worden belast dan een inwoner van die andere lidstaat (...)"MvT, Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, blz. 79-80."

4.5. Dat voor de kiezende buitenlandse belastingplichtige als bedoeld in artikel 2.5 van de Wet IB 2001 het wereldinkomen - dat wil zeggen het inkomen dat gedurende het gehele kalenderjaar wordt genoten - als uitgangspunt wordt genomen is, gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor onder 4.4 heeft overwogen, slechts een uitvloeisel van deze berekeningsmethode van de in het kalenderjaar verschuldigde inkomstenbelasting. Uitgangspunt blijft dat de kiezende belastingplichtige in een kalenderjaar slechts belastingplichtig, dat wil zeggen buitenlands belastingplichtig, is gedurende de periode dat hij Nederlands inkomen geniet. In het geval van belanghebbende is dat van 1 januari 2005 tot en met 22 mei 2005. Dit heeft naar het oordeel van de rechtbank tot gevolg dat in het onderhavige geval artikel 5, eerste lid, UPV 2002 geen toepassing kan vinden. Belanghebbendes betoog faalt derhalve. Het gelijk met betrekking tot de eerste in geschil zijnde vraag is aan de zijde van de inspecteur.

4.6. Belanghebbende heeft in zijn nader stuk van 18 oktober 2008 opgemerkt dat de inspecteur bij de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2006 het premie-inkomen wel heeft vastgesteld door middel van de methode van tijdsevenredige herleiding van het premie-inkomen. Voor zover belanghebbende hiermee bedoeld heeft aan te voeren dat de inspecteur bij hem het in rechte te honoreren vertrouwen heeft gewekt dat dit ook heeft te gelden voor de onderhavige aanslag inkomstenbelasting en premie inkomstenbelasting, faalt deze stelling nu belanghebbende geen vertrouwen kan ontlenen aan feiten en omstandigheden die zijn voorgevallen nadat de onderhavige aanslag is vastgesteld. Nu de aanslag over het jaar 2005 eerder is vastgesteld dan de aanslag ober het jaar 2006 kan belanghebbende aan de vaststelling van de aanslag over 2006 geen in rechte te honoreren vertouwen ontlenen ter zake van de aanslag over 2005. Het gelijk met betrekking tot de tweede in geschil zijnde vraag is eveneens aan de zijde van de inspecteur.

4.7. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor onder 4.3 tot en met 4.6 heeft overwogen is het gelijk aan de zijde van de inspecteur en is het beroep ongegrond."

4.2. In hoger beroep stelt belanghebbende zich op het standpunt, dat het niet toepassen van artikel 5, lid 1, van de UPV 2002, tot ongelijke behandeling van de ingezetenen van Nederland en de ingezetenen van andere EG-lidstaten leidt. Hij doet in hoger beroep geen beroep meer op het vertrouwen dat bij hem zou zijn gewekt door het opleggen van de aanslag over het jaar 2006.

4.3. Belanghebbende betoogt in hoger beroep, zakelijk weergegeven, dat als gevolg van de wijze waarop Nederland het premie-inkomen vaststelt in situaties, waarbij er slechts een gedeelte van het kalenderjaar premieplicht in Nederland bestaat, ingezetenen van Nederland en niet ingezetenen niet gelijk behandeld worden. Indien belanghebbende inwoner was geweest van Nederland, terwijl hij eenzelfde gedeelte van het kalenderjaar als nu het geval is in Nederland zou hebben gewerkt, zou wèl artikel 5, lid 1, UPV 2002 van toepassing zijn. Het premie-inkomen zou in dat geval € 6.133 bedragen. De regeling van artikel 5 en 6 UPV 2002 is naar de mening van belanghebbende in strijd met het bepaalde in artikel 7, leden 1 en 2, van de EG-verordening 1612/68 (hierna: de Verordening), welk artikel de gelijke behandeling van EU-onderdanen voor wat het aanvaarden van werk betreft waarborgt, en artikel 39 van het EG-Verdrag, welk artikel het vrij verkeer van werknemers binnen de EU waarborgt.

4.4. Artikel 7 van de Verordening bepaalt:

"1. Een werknemer die onderdaan is van een lidstaat mag op het grondgebied van andere lidstaten niet op grond van zijn nationaliteit anders worden behandeld dan de nationale werknemers wat betreft alle voorwaarden voor tewerkstelling en arbeid, met name op het gebied van beloning, ontslag, en, indien werkloos is geworden, wederinschakeling in het beroep of wedertewerkstelling.

2. Hij geniet er dezelfde sociale en fiscale voordelen als de nationale werknemers."

4.5. Het HvJ EG heeft in het arrest van 26 januari 1999

(C-18/95), BNB 1999/150 (Terhoeve), het volgende beslist:

"(...)

De tweede en de derde vraag

30. Met zijn tweede en derde vraag, die tezamen moeten worden besproken, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de artikelen 7 en 48 van het Verdrag dan wel artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 eraan in de weg staan, dat een lidstaat van een werknemer die in de loop van een jaar zijn woonplaats naar een andere lidstaat heeft verlegd om aldaar arbeid in loondienst te verrichten, een hogere premie volksverzekeringen heft dan in vergelijkbare omstandigheden verschuldigd zou zijn door een werknemer die gedurende het gehele jaar zijn woonplaats in de betrokken lidstaat heeft behouden, zonder dat de eerste werknemer evenwel recht heeft op extra sociale uitkeringen. Voor het geval het antwoord op die vraag ervan mocht afhangen, of er sprake is van discriminatie jegens werknemers uit andere lidstaten, wenst de verwijzende rechter nog te vernemen, of in zulke omstandigheden een vermoeden van discriminatie bestaat en, in voorkomend geval, of dit vermoeden kan worden weerlegd en zo ja onder welke voorwaarden.

31. Vooraf moet erop worden gewezen, dat overeenkomstig artikel 14, lid 1, sub a, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB L 230, blz. 6), op degene die op het grondgebied van een lidstaat arbeid in loondienst verricht voor een onderneming waaraan hij normaal verbonden is, en door deze onderneming wordt gedetacheerd op het grondgebied van een andere lidstaat teneinde aldaar voor haar rekening arbeid te verrichten, de wetgeving van eerstbedoelde lidstaat van toepassing blijft, mits de te verwachten duur van die arbeid niet meer dan twaalf maanden bedraagt en hij niet wordt uitgezonden ter vervanging van een andere persoon wiens detachering beëindigd is.

32. Voor de sociale zekerheid blijft iemand in de situatie van Terhoeve gedurende de periode waarin hij zijn arbeid in loondienst in het Verenigd Koninkrijk verricht, derhalve in beginsel onder de Nederlandse wetgeving vallen.

33. Vervolgens moet het argument worden besproken dat de Nederlandse regering ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, namelijk dat, aangezien het gemeenschapsrecht de bevoegdheid van de lidstaten om hun stelsels van sociale zekerheid in te richten, onverlet laat (arresten van 7 februari 1984, Duphar e.a., 238/82, Jurispr. blz. 523; 17 februari 1993, Poucet en Pistre, C-159/91 en C-160/91, Jurispr. blz. I-637; 26 maart 1996, García e.a., C-238/94, Jurispr. blz. I-1673; 17 juni 1997, Sodemare e.a., C-70/95, Jurispr. blz. I-3395), de nationale autoriteiten de wijze van financiering van deze stelsels vrijelijk kunnen regelen.

34. Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat het bij gebreke van harmonisatie op communautair niveau weliswaar een aangelegenheid is van de wetgever van elke lidstaat, de voorwaarden vast te stellen waaronder een persoon zich kan of moet aansluiten bij een stelsel van sociale zekerheid, maar dat de lidstaten bij de uitoefening van deze bevoegdheid niettemin het gemeenschapsrecht dienen te eerbiedigen (zie met name arresten van 28 april 1998, Decker, 120/95, Jurispr. blz. I-1831, punten 22 en 23, en Kohll, C-158/96, Jurispr. blz. I-1931, punten 18 en 19).

35. Het feit dat de nationale wettelijke regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, de financiering van de sociale zekerheid betreft, sluit derhalve de toepasselijkheid van de bepalingen van het Verdrag, met name die betreffende het vrije verkeer van werknemers, niet uit.

36. Aangaande artikel 48 van het Verdrag, dat als eerste moet worden onderzocht, heeft het Hof herhaaldelijk vastgesteld, dat deze bepaling uitvoering geeft aan een fundamenteel beginsel neergelegd in artikel 3, sub c, EG-Verdrag, bepalende dat, teneinde de in artikel 2 genoemde doelstellingen te bereiken, het optreden van de Gemeenschap de verwijdering tussen de lidstaten van hinderpalen voor het vrije verkeer van personen omvat (zie met name arresten van 7 juli 1976, Watson en Bellmann, 118/75, Jurispr. blz. 1185, punt 16, en 7 juli 1992, Singh, C-370/90, Jurispr. blz. I-4265, punt 15).

37. Het Hof heeft eveneens overwogen, dat de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van personen het de gemeenschapsonderdanen gemakkelijker beogen te maken, op het grondgebied van de Gemeenschap om het even welk beroep uit te oefenen, en in de weg staan aan regelingen die deze onderdanen zouden kunnen benadelen wanneer zij op het grondgebied van een andere lidstaat een economische activiteit willen verrichten (arresten van 7 juli 1988, Stanton, 143/87, Jurispr. blz. 3877, punt 13; Singh, reeds aangehaald, punt 16; en 15 december 1995, Bosman, C-415/93, Jurispr. blz. I-4921, punt 94).

38. In dit verband beschikken de onderdanen van de lidstaten in het bijzonder over het rechtstreeks aan het Verdrag ontleende recht om hun land van herkomst te verlaten teneinde zich naar het grondgebied van een andere lidstaat te begeven en aldaar te verblijven om er een economische activiteit te verrichten (zie met name arresten van 5 februari 1991, Roux, C-363/89, Jurispr. blz. I-273, punt 9; Singh, reeds aangehaald, punt 17; Bosman, reeds aangehaald, punt 95).

39. Bepalingen die een onderdaan van een lidstaat beletten of ervan weerhouden zijn land van herkomst te verlaten om zijn recht van vrij verkeer uit te oefenen, leveren derhalve belemmeringen van die vrijheid op, ook wanneer zij onafhankelijk van de nationaliteit van de betrokken werknemers van toepassing zijn (arresten van 7 maart 1991, Masgio, C-10/90, Jurispr. blz. I-1119, punten 18 en 19, en Bosman, reeds aangehaald, punt 96).

40. Een onderdaan van een lidstaat zou ervan kunnen worden weerhouden om de lidstaat waar hij woont te verlaten om op het grondgebied van een andere lidstaat arbeid in loondienst te verrichten in de zin van het Verdrag, indien hij meer sociale premie zou moeten betalen dan wanneer hij gedurende het gehele jaar in dezelfde lidstaat bleef wonen, zonder evenwel recht te hebben op extra sociale uitkeringen ter compensatie van die hogere premie.

41. Een nationale wettelijke regeling als de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vormt derhalve een in beginsel bij artikel 48 van het Verdrag verboden belemmering voor het vrije verkeer van werknemers. Bijgevolg behoeft niet te worden nagegaan, of er sprake is van indirecte discriminatie op grond van nationaliteit, die verboden kan zijn ingevolge de artikelen 7 en 48 van het Verdrag of artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68, noch door welke regels de dienaangaande eventueel te hanteren vermoedens worden beheerst.

42. Derhalve moet op de tweede en de derde vraag worden geantwoord, dat artikel 48van het Verdrag eraan in de weg staat, dat een lidstaat van een werknemer die in de loop van een jaar zijn woonplaats naar een andere lidstaat heeft verlegd om aldaar arbeid in loondienst te verrichten, een hogere premie volksverzekeringen heft dan in vergelijkbare omstandigheden verschuldigd zouden zijn door een werknemer die gedurende het gehele jaar zijn woonplaats in de betrokken lidstaat heeft behouden, zonder dat de eerste werknemer evenwel recht heeft op extra sociale uitkeringen.

(...)"

4.6. De Hoge Raad heeft in het arrest van 14 maart 2001,

nr. 35 593, BNB 2002/394, als volgt overwogen in een geval waarin iemand - gelijk belanghebbende - gedurende een gedeelte van het jaar woonachtig en werkzaam was in Nederland en gedurende die periode verzekerd en premieplichtig was voor de Nederlandse volksverzekeringen, en een ander gedeelte van het jaar geremigreerd was naar een andere lidstaat, alwaar hij sociaal verzekerd en premieplichtig was geworden:

"(...)

3.3. Blijkens de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, zoals weergegeven in zijn arrest van 26 januari 1999, Terhoeve, C-18/95, BNB 1999/150, beogen de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van personen het de gemeenschapsonderdanen gemakkelijker te maken op het grondgebied van de Gemeenschap om het even welk beroep uit te oefenen en staan deze in de weg aan regelingen die deze onderdanen zouden kunnen benadelen wanneer zij op het grondgebied van een andere lidstaat een economische activiteit willen verrichten. In voormeld arrest heeft het Hof van Justitie meer in het bijzonder overwogen dat artikel 48 EG-Verdrag eraan in de weg staat, dat een lidstaat van een werknemer die in de loop van een jaar zijn woonplaats naar een andere lidstaat heeft verlegd om aldaar arbeid in loondienst te verrichten, een hogere premie volksverzekeringen heft dan in vergelijkbare omstandigheden verschuldigd zou zijn door een werknemer die gedurende het gehele jaar zijn woonplaats in de betrokken lidstaat heeft behouden, zonder dat de eerste werknemer evenwel recht heeft op extra sociale uitkeringen.

3.4. De omstandigheden waarin belanghebbende in 1994 verkeerde, zijn niet die van een werknemer die in de loop van dat jaar is opgehouden werkzaamheden in loondienst te verrichten. Zij moeten worden vergeleken met die waarin een in Nederland werkzame werknemer verkeert die evenals belanghebbende werkzaamheden in loondienst uitoefent gedurende het gehele kalenderjaar, doch daarbij geen gebruik heeft gemaakt van de door artikel 48 EG-Verdrag gewaarborgde vrijheid. De last van de in Nederland van belanghebbende over 1994 geheven (maximum)premie drukt volledig op de werkzaamheden die zij in Nederland gedurende een deel van het jaar, in de periode 1 januari tot 1 juli 1994, heeft verricht, en moet derhalve worden afgezet tegen de premielast die drukt op werkzaamheden die in dezelfde periode tegen een zelfde beloning zijn verricht door een werknemer die gedurende het gehele jaar zijn loon verdiende in Nederland. Nu laatstbedoelde werknemer, anders dan in het jaar van remigratie belanghebbende, de van hem geheven (maximum)premie kan toerekenen aan de gedurende het gehele kalenderjaar verrichte werkzaamheden, waardoor slechts een evenredig deel van die premie drukt op werkzaamheden die in een bepaald deel van het jaar zijn verricht, moet de conclusie zijn dat van belanghebbende ter zake van in Nederland genoten looninkomsten in het jaar van remigratie een in verhouding tot die inkomsten hogere premie is geheven dan verschuldigd was door een werknemer die geen gebruik heeft gemaakt van de in artikel 48 EG-Verdrag gewaarborgde vrijheid van werknemersverkeer, doch overigens in vergelijkbare omstandigheden verkeerde.

Aangezien belanghebbende na haar remigratie niet in Nederland verzekerd is gebleven, bestaat er geen aanleiding andere dan de hiervóór genoemde factoren in de vergelijking te betrekken.

(...)"

4.7. Het Hof is van oordeel dat gelet op hetgeen het HvJ EG in de zaak Terhoeve heeft beslist, en gelet op het arrest van de Hoge Raad BNB 2002/394, het vereiste dat wordt gesteld in artikel 5, lid 1, UPV 2002, namelijk dat slechts ten aanzien van "degene die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar niet premieplichtig doch gedurende die periode wel belastingplichtig is" tijdsevenredige herleiding van het premie-inkomen toepassing kan vinden, onverenigbaar is met het bepaalde in artikel 39 (voorheen 48) EG-verdrag. Het stellen van die eis leidt er immers in het onderhavige geval toe, dat belanghebbende niet voor het lager vast te stellen premie-inkomen in aanmerking komt, enkel en alleen omdat hij geen inwoner is van Nederland, zonder dat daarvoor iets wijzigt in het verzekerde pakket. Dit terwijl door een inwoner van Nederland in geval van tijdelijke premieplicht gekozen kan worden, al naar gelang hetgeen het gunstigst uitkomt, uit drie methoden om het premie-inkomen te herleiden.

4.8. De Inspecteur stelt in zijn verweerschrift in hoger beroep dat de situatie van een Nederlandse ingezetene niet vergelijkbaar is met belanghebbendes situatie. Het Hof kan de Inspecteur in die stelling niet volgen gelet op hetgeen de Hoge Raad in het arrest BNB 2002/394 heeft beslist.

4.9. De Inspecteur heeft in hoger beroep als rechtvaardigingsgrond voor het onderscheid tussen de ingezetenen van Nederland en een niet ingezetene, zoals belanghebbende, aangevoerd, dat indien belanghebbendes standpunt zou worden gevolgd, het effect zou ontstaan dat in de aanslag over een deel van het Nederlandse looninkomen geen premie wordt geheven, terwijl het woonland daar ook geen premies over zal heffen.

Het Hof wijst er op dat die situatie zich ook kan voordoen bij een ingezetene, met overigens dezelfde arbeidssituatie als belanghebbende, zodat die grond niet als rechtvaardiging voor het maken van het onderscheid kan worden aanvaard.

4.10. Voorts stelt de Inspecteur in hoger beroep dat het onderscheid ingegeven is door overwegingen van administratieve aard (eenvoud) en dat er mogelijk een compenserend voordeel optreedt van de volledige jaaraftrek van het premiedeel van de heffingskortingen.

In dit verband wijst het Hof op de overwegingen van het HvJ EG in het arrest Terhoeve:

"(...)

43. (...) dat de verwijzende rechter met de vierde vraag wenst te vernemen, of de heffing van hogere premie van een werknemer die zijn woonplaats naar een andere lidstaat verlegt om aldaar arbeid in loondienst te verrichten, die in beginsel in strijd is met artikel 48 van het Verdrag, kan worden gerechtvaardigd, in de eerste plaats doordat zij berust op een wettelijke regeling die de heffing van inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen beoogt te vereenvoudigen en te coördineren, in de tweede plaats doordat aan andere heffingsmethoden uitvoeringstechnische bezwaren verbonden zijn, en, in de derde plaats, doordat in bepaalde situaties andere voordelen verband houdend met de inkomstenbelasting tot compensatie of zelfs overcompensatie van het nadeel betreffende de premieheffing kunnen leiden.

44. Wat de eerste rechtvaardigingsgrond betreft, moet worden opgemerkt dat de lidstaten in beginsel vrij blijven de wijze van heffing van belastingen en socialezekerheidspremies te regelen en dat zij stellig mogen streven naar vereenvoudiging en coördinatie van die regels. Hoe wenselijk dit laatste echter ook moge zijn, het kan niet rechtvaardigen dat de rechten die particulieren ontlenen aan de bepalingen van het Verdrag waarin hun fundamentele vrijheden zijn verankerd, worden aangetast.

45. Hetzelfde geldt voor de tweede rechtvaardigingsgrond waarop de verwijzende rechter doelt. Overwegingen van administratieve aard kunnen immers een afwijking door een lidstaat van de regels van gemeenschapsrecht niet rechtvaardigen. Dit beginsel geldt temeer, wanneer de betrokken afwijking erop neerkomt, dat de uitoefening van een der fundamentele vrijheden van het gemeenschapsrecht wordt verhinderd (arrest van 4 december 1986, Commissie/Duitsland, 205/84, Jurispr. blz. 3755, punt 54).

46. Wat de derde door de nationale rechter genoemde rechtvaardigingsgrond betreft, behoeft, gelet op de stukken, slechts te worden vastgesteld dat iemand in de situatie van Terhoeve geen enkel voordeel geniet ter zake van de berekening van de inkomstenbelasting. De omstandigheid dat andere werknemers die hun woonplaats in de loop van het jaar hebben verlegd en die in andere situaties verkeren, bevoordeeld kunnen zijn wat de berekening van de inkomstenbelasting betreft, kan deze inbreuk op het vrije verkeer niet opheffen of compenseren (zie in deze zin arrest van 7 juni 1988, Roviello, 20/85, Jurispr. blz. 2805).

47. Derhalve moet op de vierde vraag worden geantwoord, dat de heffing van hogere premies van een werknemer die zijn woonplaats naar een andere lidstaat verlegt om aldaar arbeid in loondienst te verrichten, die in beginsel in strijd is met artikel 48 van het Verdrag, niet kan worden gerechtvaardigd doordat zij berust op een wettelijke regeling die de heffing van inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen beoogt te vereenvoudigen en te coördineren, noch doordat aan andere heffingsmethoden uitvoeringstechnische bezwaren verbonden zijn, noch doordat in bepaalde situaties andere voordelen verband houdend met de inkomstenbelasting tot compensatie of zelfs overcompensatie van het nadeel betreffende de premieheffing kunnen leiden."

4.11. De door de Inspecteur aangedragen rechtvaardiging wordt door het HvJ EG derhalve niet gehonoreerd. Ook een mogelijk compenserend voordeel van de volledige jaaraftrek van het premiedeel van de heffingskortingen, door de Inspecteur gememoreerd in zijn pleitnota in hoger beroep, rechtvaardigt niet het onderscheid.

4.12. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van belanghebbende. Het hoger beroep is gegrond.

Ten aanzien van het griffierecht

4.13. Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 39 respectievelijk € 110 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.14. Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.15. Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 3 (punten) x € 322 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak), is € 966 ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank; en op 2,5 (punten) x € 322 (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak), is € 1.207,50 ter zake van de behandeling van het beroep bij het Hof, dat is in totaal op

€ 2.173,50.

4.16. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

- verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

- vermindert de aanslag premie volksverzekeringen tot een berekend naar een premie-inkomen van € 6.133;

- gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 149 vergoedt; en

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 2.173,50.

Aldus gedaan op 4 juni 2010 door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, J. Swinkels en W.F.G. Wijnen, in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.