Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BN5149

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-06-2010
Datum publicatie
27-08-2010
Zaaknummer
09/00222
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende komt in hoger beroep maar geeft geen enkel argument voor zijn stelling dat de Rechtbank niet op al zijn verweren en stellingen is ingegaan, alsmede dat de Rechtbank als gevolg van een onjuiste rechtstoepassing zijn uitspraak onvoldoende heeft gemotiveerd. Hoewel correct opgeroepen schittert belanghebbende door afwezigheid en het Hof maakt dan ook korte metten met het hoger beroep: de rechtbank heeft op goede gronden een juiste beslissing genomen. Hoger beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/55.10 met annotatie van Redactie
FutD 2010-2063
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Eerste meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 09/00222

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X,

wonende te Y (België),

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 18 maart 2009, nummer AWB 08/2521 in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen en de daarbij bij beschikking opgelegde vergrijpboete.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 31 december 2007 voor het jaar 2004 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 130.052, alsmede tegelijkertijd, in één geschrift verenigd met de aanslag, bij beschikking een vergrijpboete van € 6.600. Tegelijkertijd met deze aanslag heeft de Inspecteur belanghebbende bij beschikking, in één geschrift verenigd met de aanslag, € 1.838 heffingsrente in rekening gebracht. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken van 23 april 2008 de aanslag, de boetebeschikking en de heffingsrentebeschikking gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39.

Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 110.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 7 mei 2010 te 's-Hertogenbosch. Aldaar is toen verschenen en gehoord de Inspecteur.

1.5. Belanghebbende noch zijn gemachtigde, de heer A, belastingadviseur bij B te C, is verschenen. De griffier heeft verklaard dat hij belanghebbende bij op 26 maart 2010, met nummer 3SRGHR4956054, aangetekend met Handtekening Retourkaart naar het door belanghebbende zelf opgegeven adres verzonden uitnodiging, waarvan een afschrift tot de stukken behoort, heeft kennis gegeven van datum, plaats en tijdstip van de zitting. Tot de stukken van het geding behoort de op de onderhavige uitnodiging betrekking hebbende ondertekende Handtekening Retourkaart.

1.6. het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.7. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2. Feiten

Het Hof verwijst voor de feiten naar de onderdelen 2.1 tot en met 2.5 van de uitspraak van de Rechtbank.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft, naar het Hof verstaat, het antwoord op de volgende vragen:

3.1.1. Is terecht slechts een bedrag van € 44.748 aan loonheffing verrekend met de door belanghebbende over het jaar 2004 verschuldigde inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen?

3.1.2. Is aan belanghebbende terecht en tot het juiste bedrag een vergrijpboete opgelegd?

3.1.3. Is aan belanghebbende terecht en tot het juiste bedrag heffingsrente in rekening gebracht?

Belanghebbende is, naar het Hof verstaat, van mening dat deze vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen de Inspecteur hieraan ter zitting heeft toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert, naar het Hof verstaat, tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak van de Inspecteur, verrekening van een bedrag van € 57.948 aan loonheffing met de over 2004 op aanslag verschuldigde inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen, vernietiging van de boetebeschikking en de heffingsrentebeschikking, tot veroordeling van de Inspecteur tot vergoeding in de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken en, tenslotte, tot gelasting dat de Staat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht vergoedt. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4. Gronden

Vooraf en ambtshalve

4.1. Blijkens de onder 1.5 vermelde stukken is de aldaar genoemde uitnodiging op 29 maart 2010 uitgereikt. Op grond hiervan is het Hof van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op de juiste wijze heeft plaatsgevonden.

Ten aanzien van het geschil

Ad de geschilpunten zoals vermeld onder 3.1.1 en 3.1.2:

4.2.1. Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank met betrekking tot deze geschilpunten op goede gronden een juiste beslissing genomen. Dit behoeft geen nadere motivering nu belanghebbende in hoger beroep geen enkel argument heeft gegeven voor zijn stelling dat de Rechtbank te dier zake niet op al zijn verweren en stellingen is ingegaan alsmede dat de Rechtbank als gevolg van een onjuiste rechtstoepassing zijn uitspraak onvoldoende heeft gemotiveerd.

Ad het geschilpunt zoals vermeld onder 3.1.3:

4.2.2. Belanghebbende heeft geen afzonderlijke grieven aangevoerd tegen de beschikking heffingsrente en het Hof is overigens ook niet gebleken dat deze onjuist is.

4.3. Uit al het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.4. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.5. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof verklaart het hoger beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 25 juni 2010 door P.A.G.M. Cools, voorzitter, G.J. van Muijen en J.C.K.W. Bartel, in tegenwoordigheid van R.O.J.M. de Windt, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.