Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BN5141

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-06-2010
Datum publicatie
27-08-2010
Zaaknummer
09/00034
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BO9983, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In 2005 verkeerde belanghebbende in staat van faillissement, dit is geëindigd in maart 2006. Het aangiftebiljet 2005 is op 20 september 2006 aan belanghebbende uitgereikt. Belanghebbende schrijft op 29 september aan de inspecteur dat hij geen aangifte kan doen omdat hij geen aangiftediskette kon gebruiken. De inspecteur heeft een aanmaning verstuurd. Belanghebbende meld nog dat zijn administratie bij de curator berust cq is kwijtgeraakt. De inspecteur legt tenslotte ambtshalve een aanslag op met een te betalen bedrag van € 401, exclusief heffingsrente en een verzuimboete van

€ 113. Belanghebbende betwist de aanslag, de heffingsrente, de boete en claimt een schadevergoeding van € 3.000.000. Het Hof oordeelt dat wegens het niet doen van de vereiste aangifte de bewijslast omkeert: artikel 27e AWR. Belanghebbende toont evenwel niet aan, laat staan doet blijken dat de aanslag te hoog is. Het geclaimde compensabel verlies is nooit in een beschikking vastgelegd. Dat de heffingsrente aan de curator moet worden opgelegd, zoals belanghebbende bepleit, is naar het oordeel van het Hof niet juist. De boete wordt gehandhaafd: geen avas, het biljet was uitgereikt na beëindiging van het faillissement. Hoger beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-2052
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Eerste meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 09/00034

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X

wonende te Y,

hierna: belanghebbende

tegen de schriftelijke uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 16 januari 2009, nummer AWB 08/2499, in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 15 februari 2008 voor het jaar 2005 onder nummer 0000.00.000.H.56 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.196, alsmede bij beschikking een verzuimboete van € 113. Ter zake van deze aanslag heeft de Inspecteur belanghebbende bij beschikking een bedrag van € 25 aan heffingsrente in rekening gebracht. De aanslag en de beschikkingen inzake de verzuimboete en de heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur, gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van de uitspraken van de Inspecteur in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank een griffierecht geheven van € 39. Bij schriftelijke uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van

€ 107. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de Inspecteur heeft schriftelijk gedupliceerd.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 12 mei 2010 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende en de Inspecteur. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.6. Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.7 Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. In 2005 verkeerde belanghebbende in staat van faillissement. Dat faillissement is in maart 2006 geëindigd. Vanaf maart 2006 staat belanghebbende niet meer onder curatele.

2.2. Op 20 september 2006 heeft de Inspecteur aan belanghebbende het aangiftebiljet inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2005 uitgereikt. Het aangiftebiljet, dat op naam van belanghebbende stond, is door belanghebbende ontvangen.

2.3. Bij brief van 29 september 2006 deelde belanghebbende de Inspecteur mede dat hij niet in staat was om aangifte te doen. Als reden voerde belanghebbende aan dat hij geen aangiftediskette kon gebruiken bij het doen van aangifte aangezien hij een aantal 'drivers' voor de grafische kaart was kwijtgeraakt. Daarnaast beschikte hij niet over de gegevens van eerdere jaren welke hij van de ontvanger nog wenste te ontvangen.

2.4. Per brief van 26 maart 2007 maande de Inspecteur belanghebbende aan tot het doen van aangifte.

In die brief is ondermeer het volgende vermeld.

"U krijgt de gelegenheid alsnog aangifte te doen binnen tien werkdagen na dagtekening van deze brief. Als U binnen deze termijn geen aangifte doet, wordt de aanslag vastgesteld op basis van een geschat bedrag en kunnen één of meerdere boeten worden opgelegd. De boete voor het te laat doen van een aangifte kan meer dan EUR 1.000 bedragen. Bovendien is het niet doen van aangifte strafbaar.

Voor het doen van aangifte blijft u zelf verantwoordelijk, ook wanneer u gebruik maakt van bijvoorbeeld van een belastingconsulent.".

2.5. Bij brief van 21 maart 2007 deelde belanghebbende de Inspecteur mede dat hij door zijn faillissement, en door toedoen van de curator daarin, niet beschikte over de administratie, jaarstukken dan wel aangiften over de jaren 1995 tot en met 2006 en dat hij daardoor geen aangifte kon doen.

2.6. In 2005 ontving belanghebbende aan ziektewetuitkering een bedrag van bruto € 13.767, aan pensioen van het Pensioenfonds PGGM een bedrag van bruto € 322 en aan pensioen van het Philips Pensioenfonds een bedrag van bruto € 3.107. Ingehouden aan loonheffing werd respectievelijk € 1.518, € 100 en € 1.058.

2.7. Tot 15 februari 2008 werd door of namens belanghebbende geen aangifte ingediend. Op 15 februari 2008 heeft de Inspecteur vervolgens ambtshalve een aanslag opgelegd aan de hand van de bij de Inspecteur bekende gegevens, vermeld in

2.5.

2.8. De aanslag resulteerde in een te betalen bedrag, exclusief heffingsrente, van € 401. Bij de aanslag is een verzuimboete opgelegd van € 113, wegens het niet dan wel niet tijdig doen van aangifte.

3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vragen:

A. Is de aanslag terecht, en zo ja, tot het juiste bedrag, opgelegd?

B. Is belanghebbende terecht heffingsrente in rekening gebracht?

C. Is belanghebbende terecht een verzuimboete van € 113 opgelegd?

D. Heeft belanghebbende recht op een schadevergoeding van

€ 3.000.000?

Belanghebbende beantwoordt de vragen A t/m C ontkennend en vraag D bevestigend. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vermindering van de aanslag tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil, vernietiging van de heffingsrentebeschikking en de boetebeschikking, en tot veroordeling van de Inspecteur tot vergoeding van schade tot een bedrag van € 3.000.000.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. De gronden voor de beslissing

Ten aanzien van de aanslag

4.1. Vaststaat dat belanghebbende de aangifte voor het onderhavige jaar niet heeft gedaan. Ten gevolge hiervan moet ingevolge artikel 27j, lid 2, juncto artikel 27e, aanhef en onderdeel a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen het hoger beroep ongegrond worden verklaard, tenzij is gebleken - dat wil zeggen overtuigend is aangetoond - dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.

4.2. Belanghebbende heeft gesteld dat de Inspecteur bij het opleggen van de aanslag, naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.196, ten onrechte geen rekening heeft gehouden met verrekenbare verliezen, door hem "voor de jaren 1995 t/m 2005" begroot op € 2.000.000. Belanghebbende heeft evenwel tegenover de betwisting daarvan door de Inspecteur niet doen blijken dat voor het jaar 2005 het inkomen uit werk en woning heeft geleid tot een negatief bedrag, noch dat bij de vaststelling van het belastbaar inkomen uit woning en werk voor het jaar 2005 ten onrechte geen rekening is gehouden met verrekening van verliezen van een voorgaand kalenderjaar.

Ten aanzien van de mogelijkheid van verrekening van een in een voorgaand jaar geleden verlies met inkomen van het jaar waarop de aanslagregeling betrekking heeft, overweegt het Hof dat die alleen kan geschieden bij aanwezigheid van een desbetreffende, voor bezwaar vatbare beschikking (art. 3.151, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 2001). Met belanghebbende heeft het Hof geconstateerd dat een dergelijke beschikking over enig voorgaand jaar niet is vastgesteld; de mogelijkheid om verliezen met het jaar 2005 te verrekenen ontbreekt derhalve.

4.3. Het Hof merkt nog op dat, anders dan belanghebbende heeft gesteld, belanghebbende en niet de faillissementcurator was gehouden aangifte te doen voor de heffing van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor 2005. Het Hof merkt hierbij op dat het desbetreffende aangiftebiljet aan belanghebbende werd uitgereikt en dat ten tijde van die uitreiking, op 20 september 2006, belanghebbende al geruime tijd niet meer onder faillissementscuratele stond. De omstandigheid dat belanghebbende met betrekking tot eerdere jaren, gegeven het feit dat hij in staat van faillissement verkeerde, niet goed in staat was de verrekenbare verliezen van die eerdere jaren vast te stellen, ontsloeg hem niet van zijn plicht om aangifte te doen.

Ten aanzien van de beschikking heffingsrente

4.4. Belanghebbende heeft aangevoerd dat zijn belang is geschaad doordat aan de verkeerde persoon heffingsrente in rekening is gebracht. Naar het oordeel van belanghebbende had de Inspecteur de heffingsrente in rekening moeten brengen aan de curator.

4.5. Het Hof verstaat die grief aldus dat belanghebbende van oordeel is dat hem ten onrechte heffingsrente in rekening is gebracht. De aanslag, aangevende een aan inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen verschuldigd bedrag, is evenwel aan belanghebbende opgelegd en betreft door belanghebbende genoten inkomen. Belanghebbende heeft niet doen blijken dat de berekening als zodanig van de in rekening gebrachte heffingsrente onjuist is.

Ten aanzien van de boete

4.6. De Rechtbank heeft overwogen dat belanghebbende de aangifte voor het onderhavige jaar niet heeft gedaan, dat met betrekking tot de aan het onderhavige jaar voorafgaande vijf belastingjaren belanghebbende een dergelijk verwijt niet wordt gemaakt en dat op grond van artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) dan een verzuimboete kan worden opgelegd van maximaal € 1.134. In verband met het vorenstaande heeft de Rechtbank geoordeeld dat, behoudens de mogelijkheid van afwezigheid van alle schuld aan de zijde van belanghebbende, de Inspecteur terecht een verzuimboete heeft opgelegd en dat, aangezien sprake is van een eerste verzuim, de Inspecteur op grond van paragraaf 21 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 terecht de boete niet hoger heeft vastgesteld dan op € 113. Het Hof komt in hoger beroep niet tot andere oordelen.

4.7. Ten aanzien van het in hoger beroep herhaalde beroep op afwezigheid van alle schuld heeft de Rechtbank in eerste aanleg geoordeeld dat belanghebbende met hetgeen hij heeft aangevoerd, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hem geen enkele blaam treft dat de aangifte niet is gedaan, dat het aangiftebiljet aan belanghebbende is uitgereikt nadat het faillissement was opgeheven, dat belanghebbende al minstens een half jaar niet meer onder curatele stond en dat de omstandigheid dat belanghebbende met betrekking tot eerdere jaren, gegeven het feit dat hij in staat van faillissement verkeerde, niet goed in staat was de verrekenbare verliezen van die eerdere jaren vast te stellen, niet een in aanmerking te nemen verontschuldiging vormt voor het niet doen van aangifte. Het Hof komt in hoger beroep niet tot andere oordelen. Het Hof verwerpt het beroep op afwezigheid van alle schuld. De boete is passend en geboden.

Conclusie

4.8. Gelet op al het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding

4.9. Nu het hoger beroep ongegrond is, is een schadevergoeding op de voet van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht niet aan de orde.

Ten aanzien van het griffierecht

4.10. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.11. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof

* verklaart het hoger beroep ongegrond, en

* bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 25 juni 2010 door G.J. van Muijen, voorzitter, P.A.G.M. Cools en P.A.M. Pijnenburg, in tegenwoordigheid van A.A. Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.