Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BN4012

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-08-2010
Datum publicatie
13-08-2010
Zaaknummer
HD 200.049.868
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kortgeding. Executiegeschil. Verjaring van wettelijke rente en lasten na veroordelend vonnis (art. 3:24 BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.049.868

arrest van de vierde kamer van 10 augustus 2010

in de zaak van

[APPELLANT],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. A.T.C. Adriaenssen,

tegen:

de besloten vennootschap IDM Finance B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. F.P.J.R. Jansen,

op het bij exploot van dagvaarding van 26 november 2009 ingeleide hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda onder zaaknummer/rolnummer 209944/KG ZA 09-595 gewezen vonnis van 2 november 2009 tussen appellant - [appellant] - als eiser en geïntimeerde - IDM - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven tevens wijziging c.q. vermeerdering van eis met vijf producties heeft [appellant] zijn eis gewijzigd, drie grieven aangevoerd en geconcludeerd zoals in het petitum van die memorie is weergegeven.

2.2. Bij memorie van antwoord met twee producties heeft IDM verweer gevoerd tegen de vermeerdering van eis, de grieven bestreden en geconcludeerd zoals in het petitum van die memorie is weergegeven.

2.3. Vervolgens heeft [appellant] een akte met één (samengestelde) productie genomen en IDM een antwoordakte, waarna partijen de gedingstukken hebben overgelegd voor uitspraak. De memorie van antwoord en de beide akten ontbreken in het procesdossier van [appellant].

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst hiervoor naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. In rechtsoverweging 3.1 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Tegen deze overweging is geen grief gericht terwijl deze feiten ook door geïntimeerde niet zijn betwist. Die feiten vormen daarom ook in hoger beroep het uitgangspunt, met dien verstande dat het hof onder de feiten tevens de oorspronkelijk tussen IDM en [appellant] overeengekomen betalingsregeling zal vermelden, conform de - door IDM niet weersproken - aanvulling die [appellant] in de memorie van grieven geeft.

4.1.1. In mei 1990 is tussen IDM en [appellant] een overeenkomst tot stand gekomen uit hoofde waarvan IDM aan [appellant] een krediet heeft verstrekt van ƒ 6.000,--, welk bedrag [appellant] aan IDM diende terug te betalen in 18 maandelijkse termijnen van ƒ 383,96. [appellant] heeft niet aan zijn betalingsverplichtingen voldaan, waarna IDM de kredietovereenkomst heeft opgezegd en [appellant] in rechte heeft betrokken.

4.1.2. Bij verstekvonnis van 3 mei 1991 heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch [appellant] veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan IDM te betalen een bedrag van ƒ 5.777,05 (€ 2.621,51), vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van ƒ 4.848,12 (€ 2.199,98) vanaf de dag der dagvaarding, zijnde 19 maart 1991, tot aan de dag van de algehele voldoening, met bepaling dat het aldus op de dag der algehele voldoening verschuldigde bedrag zal worden verminderd met de eventuele door eiseres niet verdiende kredietvergoeding wegens vervroegde aflossing, te berekenen volgens de bepalingen krachtens artikel 48 aanhef en sub b van de wet op het Consumptief Geldkrediet.

4.1.3. Na deze veroordeling is met [appellant] een betalingsregeling getroffen van ƒ 450,-- per maand. Na vier betalingen van in totaal ƒ 1.800,-- (€ 816,80) is [appellant] de betalingsregeling niet meer nagekomen, waarna het verstekvonnis op 8 november 1991 aan hem is betekend (zie prod. 3 bij de pleitnotities van IDM).

4.1.4. Op 31 januari 1996 en 16 februari 1996 is [appellant] gesommeerd om aan het vonnis te voldoen.

4.1.5. Op 27 maart 1996 heeft IDM ten laste van [appellant] executoriaal derdenbeslag gelegd onder de gemeente Tilburg. Op 12 april 1996 heeft deurwaarder [persoon 1] [appellant] een afschrift gestuurd van de door de gemeente Tilburg als derdebeslagene afgelegde verklaring. Uit hoofde van dit derdenbeslag is een bedrag van ƒ 3.849,49 (€ 1.746,82) aan IDM betaald.

4.1.6. Op 14 november 2006 is [appellant] gesommeerd een bedrag van € 3.735,20 te voldoen, op 1 februari 2007 is hij gesommeerd tot betaling van een bedrag van € 3.528,47 en op 28 februari 2007 tot betaling van een bedrag van € 3.546,57. 4.1.7. Van 3 maart 2007 tot en met 24 september 2008 hebben meerdere door IDM ingeschakelde deurwaarders met [appellant] gecorrespondeerd.

4.1.8. Op 18 september 2009 heeft IDM ten laste van [appellant] executoriaal beslag gelegd op diverse roerende zaken bij [appellant] en is aan [appellant] bevel gedaan om een bedrag van € 4.109,67 te betalen.

4.2.1. In de inleidende dagvaarding heeft [appellant], zich primair beroepend op rechtsverwerking en subsidiair op verjaring van de rente en verjaring van de overige kosten,

gevorderd het door IDM ten laste van hem gelegde executoriale beslag op straffe van verbeurte van een dwangsom:

- op te heffen totdat de rechter in de bodemprocedure zich over de zaak heeft uitgelaten en - met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden. 4.2.2. Nadat IDM verweer had gevoerd, heeft de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis de vorderingen van [appellant] afgewezen.

4.3. [appellant] is tijdig in hoger beroep gekomen. In de memorie van grieven heeft hij zijn eis gewijzigd in die zin dat aan de vorderingen een dwangsom van € 500,-- per dag wordt gekoppeld indien IDM zich niet aan het arrest houdt. Verder heeft hij drie grieven aangevoerd. Met grief 1 legt [appellant] de door hem gestelde verjaring van de rente ter beoordeling aan het hof voor. Grief 2 heeft betrekking op de door hem gestelde verjaring van de kosten. Grief 3 tot slot ziet op het oordeel van de voorzieningenrechter dat gesteld noch gebleken is dat als gevolg van de executie bij [appellant] een noodsituatie zal ontstaan.

4.3.1. In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter overwogen dat de bedragen die reeds door [appellant] zijn betaald eerst in mindering strekken op rente en kosten, in die zin dat het bedrag van ƒ 1.800,-- in mindering is gebracht op de kosten van betekening, de proceskosten en de niet rentedragende hoofdsom en het bedrag van ƒ 3.849,49 op de na 1991 gemaakte kosten en een deel van de destijds reeds verschuldigde rente. Uitgaande van de stellingname van [appellant] dat de vordering tot betaling van rente reeds is verjaard en het, na aftrek van kosten en de niet rentedragende hoofdsom, resterende bedrag in mindering wordt gebracht op de hoofdsom, blijft naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook in die situatie het grootste gedeelte van de hoofdsom verschuldigd en heeft IDM belang bij de executie. De voorzieningenrechter overweegt daarom niet toe te komen aan de beoordeling van de stelling van [appellant] dat de in rekening gebrachte rente is verjaard.

4.3.2. Met grief 1 komt [appellant] tegen dit oordeel op. Hij stelt dat de voorzieningenrechter zijn beroep op verjaring van de rente (primair op grond van artikel 3:308 BW, subsidiair op grond van artikel 3:324 lid 3 BW) ten onrechte niet heeft behandeld. Volgens [appellant] is het in strijd met de redelijkheid en billijkheid te oordelen dat niet wordt toegekomen aan de vraag of de rente is verjaard nu de rente op 9 februari 2010 ruim € 600,-- meer bedraagt dan de hoofdsom.

4.3.3. Het hof onderschrijft de stelling van [appellant] dat hij belang heeft bij beantwoording van de vraag of de rente is verjaard. Bij bevestigende beantwoording betekent dit immers dat IDM de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis wat betreft de rente zal dienen te beperken tot dat deel dat niet verjaard is, ook al zijn tot dusver de betalingen van ƒ 1.800,-- en ƒ 3.849,49 aan onder meer de rente toegerekend. Het hof zal daarom op de gestelde verjaring ingaan.

4.3.4. Het gaat in het onderhavige geval om de tenuitvoerlegging van een vonnis van 3 mei 1991 waarbij naast de hoofdsom de wettelijke rente is toegewezen. Dat betekent dat artikel 3:324 BW van toepassing is, dat ziet op de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak, en niet artikel 3:308 BW, dat ziet op de verjaring van rechtsvorderingen. Het betoog van [appellant] dat met IDM is overeengekomen dat hij in 18 gelijke maandelijkse termijnen dient terug te betalen en dat daarom artikel 3:308 BW van toepassing is, faalt. Zoals overwogen, gaat het hier om de tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak. Dat

betekent dat niet meer van belang is wat oorspronkelijk tussen partijen was overeengekomen, nog daargelaten dat [appellant] door de vervroegde opeising van het krediet door IDM het recht heeft verloren om in termijnen te betalen.

4.3.5. De vraag of de lange verjaringstermijn van lid 1 van artikel 3:324 BW van toepassing is of de korte verjaringstermijn van lid 3 van dit artikel, moet worden beoordeeld aan de hand van de vordering zoals deze in de toewijzing daarvan in het vonnis van 3 mei 1991 vorm heeft gekregen. Wat betreft de hoofdsom bevat het dictum geen veroordeling tot betaling in termijnen: de oorspronkelijke verplichting van [appellant] om in 18 maandelijkse termijnen te betalen is in het vonnis gefixeerd op een bedrag dat ineens dient te worden betaald. Daarom geldt voor de toegewezen hoofdsom, waarin ook rente is begrepen, naar het voorlopig oordeel van het hof de verjaringstermijn van lid 1.

4.3.6. Wat betreft de veroordeling tot betaling van rente over die hoofdsom is het hof voorshands van oordeel dat daarop lid 3 van toepassing is, dat bepaalt: "De verjaringstermijn bedraagt vijf jaren voor wat betreft hetgeen ingevolge de uitspraak bij het jaar of kortere termijn moet worden betaald". Het hof verwijst in dit verband naar de parlementaire geschiedenis waaruit blijkt dat artikel 3:324 lid 3 BW niet slechts ziet op een hoofdverplichting tot periodieke betaling, maar ook op bijkomende verplichtingen zoals de betaling van renten. Volgens de parlementaire geschiedenis is deze uitzondering op de ingevolge lid 1 in het algemeen geldende termijn van twintig jaren gemaakt voor die situaties waarin een uitspraak strekt tot betaling bij het jaar of een kortere termijn, aangezien in dat geval, met name wanneer het om geldbedragen gaat, voor de schuldenaar het gevaar dreigt dat bij niet-betaling deze bedragen tot onredelijke hoogte zullen oplopen, terwijl van de schuldeiser mag worden verwacht dat hij tijdig tot een stuitingshandeling overgaat (MvA II, Parl. Gesch. 3, p. 943).

4.3.7. In het onderhavige geval is [appellant] veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente over een bedrag van ƒ 4.848,12 (€ 2.199,98) vanaf 19 maart 1991 tot aan de dag der algehele voldoening. Hoewel op grond van het bepaalde in artikel 182 van de Overgangswet nieuw BW in deze zaak niet artikel 6:119 lid 2 en 3 BW van toepassing is zoals [appellant] stelt, maar het voor 1 januari 1992 geldende recht, naar welk recht de in artikel 6:119 lid 2 BW geregelde samengestelde berekening van wettelijke rente niet was toegestaan, betekent de onderhavige veroordeling tot betaling van de wettelijke rente feitelijk dat [appellant] dagelijks een rentebedrag verschuldigd wordt. Indien de twintigjarige verjaringstermijn van artikel 3:324 lid 1 BW zou gelden, dan zou deze rente bij niet-betaling door [appellant] en stilzitten door IDM tot onredelijke hoogte kunnen oplopen. Zoals uit het voorgaande blijkt, is dat een situatie die de wetgever met artikel 3:324 lid 3 BW heeft willen voorkomen. Daarom is het hof voorshands van oordeel dat voor de tenuitvoerlegging van de in het verstekvonnis van 3 mei 1991 toegewezen wettelijke rente over een bedrag van ƒ 4.848,12 (€ 2.199,98) de vijfjarige verjaringstermijn van lid 3 geldt. De uitspraak van het hof Amsterdam van 16 maart 2010 (prod. 1 bij mva), waarop IDM zich beroept, leidt niet tot een ander oordeel.

4.3.8. De vraag die dan rijst is in hoeverre de rente die nog verschuldigd is over het bedrag van ƒ 4.848,12 (€ 2.199,98) is verjaard. Vast staat dat IDM tussen 12 april 1996 en 14 november 2006 [appellant] niet heeft verzocht of gesommeerd te betalen. Uitgaande van een verjaringstermijn van vijf jaar gaat het om de rente die is vervallen maar niet betaald vóór 14 november 2001. In haar pleitnotities heeft IDM de opbouw van haar vordering toegelicht. In productie 2 bij memorie van antwoord heeft IDM haar rentevordering gespecificeerd. Op grond van bedoelde toelichting en specificatie, die door [appellant] niet zijn betwist, gaat het hof

er voorshands van uit dat de vordering van IDM in de periode voor 14 november 2001 als volgt is opgebouwd:

- de rentedragende hoofdsom € 2.199,98

- de niet rentedragende hoofdsom - 421,53

- de proceskosten - 386,53

- de (overige) executiekosten - 785,34 (die kennelijk voor 1997 zijn gemaakt)

- de vervallen rente - 1.832,14

De rentedragende hoofdsom niet meegerekend, had IDM op 14 november 2001 dus een totaalbedrag van [appellant] te vorderen van € 3.425,54. Volgens de opgave in de pleitnotities had [appellant] op 14 november 2001 in totaal € 2.563,63 betaald. Aangezien betalingen ingevolge artikel 6:44 BW eerst in mindering strekken op de kosten, vervolgens in mindering op de verschenen rente en ten slotte op de hoofdsom en de lopende rente (artikel 1433 oud BW bevatte een vergelijkbare regeling), betekent dit dat [appellant] met zijn betalingen de op dat moment gemaakte executiekosten heeft voldaan, de proceskosten, de niet rentedragende hoofdsom en een deel van de vervallen rente. Naar het hof voorlopig berekent was [appellant] op 14 november 2001 (naast de hoofdsom van € 2.199,98) aan rente nog een bedrag aan IDM verschuldigd van € 861,91. Aangezien gesteld noch gebleken is dat de verjaring van deze rente tijdig is gestuit, is dit bedrag naar het voorlopig oordeel van het hof verjaard.

4.3.9. Het voorgaande betekent dat voldoende aannemelijk is dat IDM het vonnis van 3 mei 1991 voor wat betreft het verjaarde rentebedrag van € 861,91niet kan executeren. In zoverre slaagt daarom grief 1.

4.3.10. Met grief 2 stelt [appellant] zich op het standpunt dat de voorzieningenrechter ten onrechte geen uitspraak heeft gedaan over de vraag of de overige kosten (kosten tot op heden, nasalaris, kosten van het exploot, kosten van het proces-verbaal van beslag e.d.) zijn verjaard.

4.3.11. De post nakosten wordt door IDM niet (meer) gevorderd, zodat op de stellingen van [appellant] op dit punt niet hoeft te worden ingegaan. Voor de overige kosten geldt dat uit rov 4.3.8 blijkt dat [appellant] de daar vermelde kosten reeds heeft voldaan, zodat verjaring van die kosten niet meer aan de orde is. De nadien gemaakte executiekosten die zijn vermeld in de opgave in de pleitnotities van IDM (kosten exploot 18 september 2009 ad € 72,79 en kosten proces-verbaal beslag 18 september 2009 ad € 121,43) zijn, gelet op de data waarop deze kosten zijn gemaakt, niet verjaard. Grief 2 faalt.

4.3.12. Grief 3 heeft betrekking op het oordeel van de voorzieningenrechter dat gesteld noch gebleken is dat als gevolg van de executie bij [appellant] een noodsituatie zal ontstaan. Volgens [appellant] ontstaat wel degelijk een noodsituatie aan zijn zijde. Hij woont in de woning van zijn vriendin, zodat door de executie niet alleen hijzelf wordt getroffen, maar ook bedoelde vriendin die tot voor kort niet op de hoogte was van de vordering van IDM, aldus [appellant].

4.3.13. [appellant] heeft niet geconcretiseerd waaruit de door hem gestelde - en door IDM betwiste - noodsituatie zou bestaan. Als onvoldoende onderbouwd gaat het hof daarom aan deze stelling voorbij. Ook grief 3 faalt.

4.3.14. Aan het door [appellant] in hoger beroep gedaan bewijsaanbod wordt voorbijgegaan. Het doet niet ter zake, is bovendien ongespecificeerd terwijl een kort geding als het onderhavige zich in beginsel niet leent voor nadere bewijslevering.

4.3.15. De slotsom is dat grief 1 gedeeltelijk slaagt en de grieven 2 en 3 falen. Het gedeeltelijk slagen van grief 1 betekent dat het bestreden vonnis niet in stand kan blijven. Voor zover de executie betrekking heeft op het verjaarde rentebedrag van € 861,91 zal IDM worden geboden de executie te staken. Het hof ziet geen aanleiding om aan dit gebod een dwangsomsanctie te koppelen nu aangenomen kan worden dat IDM, conform haar toezegging in de memorie van antwoord, zich aan de uitspraak zal houden.

4.3.16. Nu ieder van partijen deels in het gelijk en deels in het ongelijk is gesteld, zullen de proceskosten van beide instanties aldus worden gecompenseerd, dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep,

opnieuw rechtdoende:

gebiedt IDM de executie van het verstekvonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 3 mei 1991 wat betreft het rentebedrag van € 861,91 met onmiddellijke ingang te staken totdat over de verschuldigdheid van die rente in een bodemprocedure zal zijn beslist;

compenseert de proceskosten van de beide instanties aldus, dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Brandenburg, De Groot-van Dijken en Gründemann en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 augustus 2010.