Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BN3974

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-06-2010
Datum publicatie
13-08-2010
Zaaknummer
09/00213
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen schending vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-1996
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Tweede meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 09/00213

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X,

wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 4 maart 2009, nummer AWB 08/4004, in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen beschikking.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 14 juli 2006 een beschikking (kenmerk Bpm0000) afgegeven op zijn verzoek om vrijstelling van belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM) bij verhuizing, welke beschikking, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39.

Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 223.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 29 april 2010 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.6. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast:

2.1. Belanghebbende heeft begin 2006 zijn woning in België te koop gezet en heeft zich op 5 juli 2006 ingeschreven in de gemeente Y.

2.2. Begin maart 2006 heeft belanghebbende geïnformeerd hoe hij zijn auto - een Toyota Corolla met Belgisch kenteken XXX-000 (hierna: de Toyota) - naar Nederland moest overbrengen. Hij heeft eerst contact opgenomen met de Rijksdienst voor het Wegverkeer en is vervolgens verwezen naar de Douanetelefoon. De medewerker van de Douanetelefoon heeft naar aanleiding van dit gesprek naar het Belgische adres van belanghebbende het formulier toegezonden voor de aanvraag van een vrijstelling BPM bij verhuizing.

Omdat belanghebbende het formulier niet meer bij de hand had, heeft hij eind juni 2006 opnieuw om toezending verzocht, en wel naar zijn Y-se adres. Belanghebbende heeft echter niet het hem (opnieuw) toegezonden formulier gebruikt, maar het formulier via internet gedownload en de aanvraag voor de vrijstelling BPM begin juli 2006 ingediend.

2.3. Belanghebbende heeft eind april/begin mei 2006 een koopovereenkomst bij A gesloten voor de koop van een Honda en de inruil van de Toyota. De Honda is aan belanghebbende in oktober 2006 geleverd, bij welke gelegenheid de Toyota is ingeruild. In dezelfde maand is de Toyota aan een derde geleverd. Bij het gesprek begin maart 2006 met de medewerker van de Douanetelefoon was een eventuele inruil van de Toyota (nog) niet aan de orde en is dat niet ter sprake gebracht.

2.4. Bij beschikking van 14 juli 2006 is op aanvraag van belanghebbende tot vrijstelling BPM bij verhuizing de vergunning verleend. Daarbij is onder "Voorwaarden" opgenomen dat het motorrijtuig tot één jaar na dagtekening van de vergunning niet mag worden uitgeleend, verpand, verhuurd of overgedragen. Indien niet aan deze voorwaarde wordt voldaan, moet alsnog BPM worden betaald en kan een boete worden opgelegd.

Ten tijde van de onder 2.3 vermelde koopovereenkomst was belanghebbende niet bekend met de aan de beschikking verbonden voorwaarde. Belanghebbende heeft op 19 juli 2006 de Toyota ingevoerd.

2.5. Belanghebbende heeft bij brief van 17 juli 2006 bezwaar gemaakt tegen de onder 2.4 bedoelde voorwaarde. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 11 september 2006 het bezwaar ongegrond verklaard.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of het bepaalde in artikel 4, lid 1, van het Uitvoeringsbesluit BPM 1992 in verbinding met artikel 7 van de Verordening (EEG) nummer 918/83, kortweg aangeduid als het vervreemdingsverbod, buiten toepassing moet blijven.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de voorwaarde bij de beschikking. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

4.1. Het hof stelt voorop dat niet in geschil is dat het vervreemdingsverbod, dat als voorwaarde is verbonden aan de beschikking tot vrijstelling BPM bij verhuizing, voortvloeit uit de wet.

Het betoog van belanghebbende komt er op neer dat in dit geval de juiste wetstoepassing moet wijken voor het vertrouwensbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel.

4.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij onjuist, namelijk onvolledig, is geïnformeerd door de medewerker van de Douanetelefoon. Het vervreemdingsverbod is immers een algemeen geldende voorwaarde en het had op de weg van de medewerker van de Douanetelefoon gelegen om hiervan melding te maken, aldus belanghebbende.

4.3. Het Hof overweegt dat ten tijde van het telefonisch contact met de Douanetelefoon begin maart 2006 belanghebbende nog niet het plan had opgevat de Toyota in te ruilen. Belanghebbende heeft op bepaalde vragen van de medewerker van de Douanetelefoon geantwoord, waarna hem is medegedeeld dat hij in aanmerking kwam voor vrijstelling van BPM bij verhuizing. Noch de optie van inruil, noch de daaraan verbonden consequentie indien dat binnen één jaar zou gebeuren, is ter sprake gekomen. Naar het oordeel van het Hof kan niet van de medewerker van de Douanetelefoon worden verlangd dat deze ook uit eigen beweging en los van de feiten, zoals die door belanghebbende zijn gepresenteerd, informatie verschaft. Van een geslaagd beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel is dan ook geen sprake.

4.4. Voor zover belanghebbende meent dat hij in rechte te honoreren vertrouwen mocht ontlenen aan de informatie die is verstrekt door de Douanetelefoon, in die zin dat wegens het niet vermelden van het vervreemdingsverbod belanghebbende erop mocht vertrouwen dat die voorwaarde in zijn geval niet zou gelden, overweegt het Hof dat die stelling evenmin kan slagen.

Naar vaste jurisprudentie kan aan een telefonische inlichting in het algemeen niet een zodanig vertrouwen worden ontleend dat een juiste wetstoepassing moet wijken voor het beginsel dat een belastingplichtige op inlichtingen van de Belastingdienst moet kunnen vertrouwen. Uitlatingen van de Douanetelefoon zijn in het algemeen slechts aan te merken als inlichtingen en niet als de inspecteur bindende toezeggingen (HR 3 januari 1990, nr. 26.325, BNB 1990/148 en HR 25 april 2003, nr. 37.977, VN 2003/25.3)

4.5. Het aanvraagformulier, dat door belanghebbende is gebruikt, heeft hij gedownload van het internet. Daarbij heeft belanghebbende niet een bepaalde 'aanklikroute' gevolgd zodat hij geen kennis heeft genomen van de voorwaarde dat de ingevoerde goederen niet binnen 12 maanden na invoer mogen worden verkocht, verpand, verhuurd of uitgeleend.

Niet in geschil is dat de voorwaarde wel op de website van de Belastingdienst (hierna: de website) is vermeld indien een bepaalde 'aanklikroute' wordt gevolgd. Naar het oordeel van het Hof kan niet worden gezegd dat de verstrekte informatie via de website niet volledig of niet juist zou zijn. De omstandigheid dat belanghebbende een andere 'aanklikroute' heeft gevolgd maakt de informatievoorziening via de website daarmee nog niet onzorgvuldig. Het moet voor rekening van belanghebbende blijven dat hij de informatie over de thans bestreden voorwaarde heeft gemist.

4.6. Ten aanzien van de informatie via de website en het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel verwijst het Hof naar hetgeen hiervoor onder 4.4 is overwogen. Hetgeen daar is vermeld met betrekking tot telefonische inlichtingen heeft ook te gelden voor informatie via websites. Deze informatie dient ter voorlichting, is algemeen van aard en kan niet worden aangemerkt als een uitdrukkelijke standpuntbepaling door de Inspecteur. Aldus kan niet worden gezegd dat belanghebbende aan de informatie die via de website beschikbaar is en waar hij geen kennis van heeft genomen - wat de reden daarvan ook zij - het in rechte te honoreren vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat in zijn geval het vervreemdingsverbod buiten toepassing blijft.

4.7. Hetgeen hiervoor is overwogen brengt het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is en de uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.

4.8. Het Hof merkt ten overvloede nog het volgende op. Belanghebbende werd na de koop/inruilovereenkomst geconfronteerd met een voorwaarde bij de beschikking die voor hem als een onaangename verrassing kwam. Belanghebbende - wiens belastingmoraal zoals ook door de Inspecteur ter zitting voor het Hof is bevestigd, volstrekt niet ter discussie staat - had wellicht ook kunnen proberen de koop/inruil ongedaan te maken dan wel uit te stellen, zodat wel aan de voorwaarde werd voldaan. Belanghebbende heeft echter om hem moverende redenen daarvoor niet gekozen.

Ten aanzien van het griffierecht

4.9. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.10. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep ongegrond;

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 10 juni 2010 door J. Swinkels, voorzitter, V.M. van Daalen-Mannaerts en D.G. Barmentlo, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.