Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BN1786

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-07-2010
Datum publicatie
20-07-2010
Zaaknummer
HD 200.011.012
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ2030, Overig
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2013:5188
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Whiplash; medische causaliteit; deskundigenbericht (+disclosure statement).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.011.012

arrest van de vierde kamer van 13 juli 2010

in de zaak van

[APPELLANTE],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen:

LONDON VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

advocaat: mr. E.H.H. Schelhaas,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 2 februari 2010 in het hoger beroep van de door de rechtbank Maastricht onder nummer 106172/HA ZA 05-1160 gewezen vonnissen van 22 november 2006, 10 januari 2007, 28 februari 2007 en 7 mei 2008.

6 Het tussenarrest van 2 februari 2010

Bij genoemd arrest is de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte aan de zijde van [appellante] en is iedere verdere beslissing aangehouden.

7 Het verdere verloop van de procedure

[appellante] heeft een akte na tussenarrest genomen en daarbij de producties 80 t/m 90 overgelegd. London heeft daarna een antwoordakte na tussenarrest genomen.

7.2. Vervolgens hebben partijen de gedingstukken overgelegd en wederom uitspraak gevraagd.

8 De verdere beoordeling

in principaal en incidenteel appel

[appellante] merkt in haar akte na tussenarrest onder het kopje 'Eisvermeerdering' (randnummer 4.5.1) op dat een letselschade in de loop der tijd altijd aanleiding geeft tot het bijstellen van schadegegevens en dat zij om die reden de toekomstschade heeft gevorderd op te maken bij staat. Kennelijk is [appellante] niet gelukkig met het oordeel van het hof in r.o. 4.21, dat gelet op het tijdsverloop de gehele schade van [appellante] in de onderhavige procedure kan worden vastgesteld, om welke reden de gevraagde verwijzing naar de schadestaat is afgewezen. Deze opmerking van [appellante] miskent de strekking van artikel 612 Rv., welke mede moet worden begrepen in het licht van artikel 6:97 BW. Zoals is uiteengezet door de regering tijdens de parlementaire behandeling van beide bepalingen - in overeenstemming met reeds voordien vaste rechtspraak (zie onder meer HR 1 juli 1992, NJ 1992, 711) begroot een rechter, die een veroordeling tot schadevergoeding uitspreekt, in beginsel de schade in het vonnis voor zover hem dit mogelijk is, ook als slechts schadevergoeding op te maken bij staat is gevorderd, maar voldoende is gesteld en is komen vast te staan om te kunnen veroordelen tot een bepaald bedrag (HR 16 april 2010, LJN BL 2229). Het hof is - en blijft - van oordeel dat de schade van [appellante] in de onderhavige procedure kan worden begroot. Bij de begroting daarvan zal, zoals in het tussenarrest overwogen, de door [appellante] bij memorie van antwoord in incidenteel appel overgelegde schadeberekening uitgangspunt zijn. Voorts is op grond van vaste jurisprudentie ook bij een gekapitaliseerd schadebedrag het uitgangpunt dat zoveel als redelijkerwijs mogelijk is de werkelijk geleden en te lijden schade dient te worden begroot (HR 30-11-2007, LJN: BA4606).

informatie ziekteverzuim

[appellante] is in r.o. 4.14 van het tussenarrest gevraagd nadere informatie te verstrekken over haar uit de stukken blijkend - want niet met zoveel woorden betwist - ziekteverzuim van 331 dagen in de periode van 4 januari 1996 tot 4 september 2001 (datum ongeval). Het hof heeft de verklaring van [appellante] ten overstaan van de deskundige [persoon 1], inhoudende dat sprake is van een administratieve fout van haar werkgever het ABP, vooralsnog niet aannemelijk geacht.

[appellante] legt een brief over d.d. 3 maart 2010 van de heer [persoon 2] (hierna: [persoon 2]), destijds Arbo-arts voor het ABP (prod. 80). Uit deze brief valt af te leiden dat de advocaat van [appellante] aan [persoon 2] een 'Maetis arbo verslag over de periode van 1993 t/m 2001' over [appellante] heeft toegestuurd. [persoon 2] merkt in deze brief op dat hij zich gezien het tijdsverloop niet meer zo veel kan herinneren, maar dat hem mede aan de hand van de verslagen wel enkele dingen bekend voor komen over het ziekteverzuim van [appellante] en hij daarover wel iets kan verklaren. Dan schrijft [persoon 2] in deze brief, voor zover van belang:

"[appellante] had fibromyalgie klachten begin jaren '90. (...). Ik kan mij herinneren dat die klachten slechts licht van aard waren en haar niet dusdanig hinderden bij haar werk dat zij daarvoor ziek werd geschreven alhoewel er sprake was van incidentele uitval.

Bij andere ziekmeldingen van betrokkene in de ABP periode betrof het overwegend ziekmeldingen van incidentele niet blijvende aard zoals in verband met overlijden vader, borstvergroting en baarmoederverwijdering. Dit zijn zoals algemeen bekend geen ziekten die leiden tot blijvende beperkingen (...).

In de meeste gevallen heb ik betrokkene vroeger als Arbo-arts gestimuleerd om al dan niet op therapeutische basis werkzaamheden te verrichten en werk te hervatten. Zij werd dan wel door het ABP hele dagen ziek geschreven in het systeem hoewel zij in die periodes toch geheel of gedeeltelijk heeft gewerkt. Dat was/is gebruikelijk. Ook kan ik mij herinneren dat het bij het ABP wel eens voor kwam, dat mensen ziek geschreven waren of ziek geschreven bleven, die wel waren hersteld. Of dat bij haar ook het geval was kan ik mij niet herinneren. (...)"

Voorts legt [appellante] een e-mailbericht over van 9 maart 2010 van [persoon 3], destijds haar directe chef bij het ABP (prod. 81). Deze verklaart dat de klachten van [appellante] van vóór 2001 incidenteel van aard waren en voor zover [persoon 3] dat kan beoordelen niet blijvend van aard. Ook [persoon 3] noemt het overlijden van [appellante]' vader, borstvergroting en baarmoederverwijdering. [persoon 3] verklaart ook dat bij het ABP iemand die op therapeutische basis werkzaam is toch voor hele dagen ziek wordt geschreven en dat als het systeem iemand ziek schrijft, het goed kan zijn dat degene in de praktijk toch gedeeltelijk werkte. Voorts schrijft hij:

"Ik kan mij vaag herinneren dat zij (hof: [appellante]) wel eens controle kreeg thuis en er melding kwam dat ze niet thuis was. Zij kon achteraf aantonen dat ze die dag(en) op dat tijdstip voor een medische behandeling onderweg was."

Verdere details herinnert [persoon 3] zich niet.

Enerzijds bieden deze verklaringen enige steun voor de stelling van [appellante] dat het mogelijk is dat zij bij het ABP ziek gemeld was terwijl zij in werkelijkheid - al dan niet op arbeidstherapeutische basis - werkte, maar anderzijds zijn deze verklaringen nogal vaag en geven zij onvoldoende duidelijke en concrete aanknopingspunten om de concrete omvang van het daadwerkelijke ziekteverzuim van [appellante] te bepalen. Het hof is van oordeel dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat geen sprake was van een groot aantal ziektedagen in de periode van 5 jaren en 9 maanden voorafgaand aan het ongeval.

eigen schuld [appellante]: medische informatie ex-echtgenoot

[appellante] is, gelet op haar stelling dat het van belang is de deskundige te vragen een vergelijking te maken tussen haar klachten en beperkingen en die van haar ex-echtgenoot, gevraagd nadere informatie te verstrekken over de precieze aard en omvang van de klachten van haar ex-echtgenoot. [appellante] geeft aan dat zij bij gebreke van diens toestemming niet in staat is medische gegevens van haar ex-echtgenoot over te leggen. Zij legt enkel een UWV rapportage van de verzekeringsarts van 12 augustus 2002 over (prod. 89) en een rapportage van de arbeidsdeskundige van 1 augustus 2003 (prod. 90). Dat [appellante] niet in staat de gevraagde gegevens over te leggen, komt voor haar rekening en risico. Op grond van de overgelegde beperkte medische gegevens van de ex-echtgenoot ziet het hof geen aanleiding om de vraagstelling aan de deskundige uit te breiden. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat uit de overgelegde rapportages blijkt van het bestaan van preëxistente klachten van de ex-echtgenoot van [appellante] ten gevolge van een tweetal eerdere motorongevallen, namelijk in 1992 respectievelijk 1997. Een vergelijking tussen hun beider klachten en beperkingen lijkt dan zonder nadere medische informatie over de ex-echtgenoot weinig zinvol.

deskundigenonderzoek

8.4. Aan [appellante] en London is gevraagd zich uit de laten over de deskundigheid en de persoon van de te benoemen deskundigen alsmede over de vraagstelling.

[appellante] geeft aan dat zij zich kan vinden in de vraagstelling van het hof als ook in de voorgestelde disciplines van de te benoemen deskundigen. [appellante] merkt wel op dat inmiddels de normen voor neurologen bij onderzoek van PWS ingrijpend zijn gewijzigd. [appellante] zou het daarom ermee eens kunnen zijn om geen neurologisch onderzoek meer te doen of om dit slechts te beperken tot de verschillen van het wel en niet dragen van de autogordel. Volgens [appellante] is het voorts van belang dat het neurologisch onderzoek wordt verricht op basis van de normen van vóór 2007, omdat dan de uitkomsten met die van [persoon 1] kunnen worden vergeleken. [appellante] geeft op voorhand aan zich niet te kunnen vinden in de door London te noemen deskundigen, omdat zij ervan uitgaat dat London personen zal voorstellen die er een uitgesproken 'anti pws mening' op nahouden. [appellante] heeft een voorkeur voor benoeming van deskundigen, verbonden aan het NOC te Bilthoven, waarbij [appellante] naast een neuroloog en een neurochirurg ook een tweetal orthopeden noemt. Vanwege haar gehoorklachten verzoekt [appellante] tevens om onderzoek door een KNO-arts en gelet op haar krachtsverlies om benoeming van een revalidatiearts.

Ook London kan zich verenigen met de vraagstelling van het hof, maar vindt het in de rede liggen tevens het "disclosure statement" zoals opgenomen bij de IWMD-vraagstelling, ter beantwoording aan de deskundigen voor te leggen.

London kan zich niet vinden in het voorstel van [appellante] om geen neuroloog te benoemen en vindt dat een neuroloog zijn werkzaamheden dient te enten op de meest recente NVvN richtlijnen. London kan zich niet verenigen met inschakeling van het NOC te Bilthoven, omdat, aldus London, de aldaar werkzame specialisten zich hebben geschaard aan de zijde van slachtoffers en daarom onvoldoende onafhankelijk zijn. London doet een aantal andere suggesties. London vindt het niet dienstig een orthopeed, een KNO-arts of een revalidatie-arts te benoemen.

[appellante] en London zijn het eens met de vraagstelling van het hof, zodat daarvan kan worden uitgegaan.

Het hof neemt de suggestie van London over om de deskundigen tevens te vragen het zogenaamde 'disclosure statement' in te vullen. In het disclosure statement, ontwikkeld door de Projectgroep medische deskundigen in de rechtspleging van de Vrije Universiteit Amsterdam in samenwerking met de Interdisciplinaire Werkgroep Medische deskundigen, wordt de deskundige naar een aantal persoonlijke gegevens gevraagd, zoals waar hij werkzaam is, welke aan zijn beroep relateerde nevenfuncties hij bekleedt, wat hem kwalificeert voor het uitbrengen van het desbetreffende expertiserapport, of de deskundige in het verleden reeds als expertiserend deskundige is opgetreden en zo ja, in wiens opdracht (in opdracht van verzekeraar, slachtoffer of van een rechter). Daarnaast wordt de deskundige gevraagd of er omtrent het onderwerp van de expertise medisch wetenschappelijke uiteenlopende opvattingen bestaan en zo ja: in welk opzicht die opvattingen uiteen lopen, welke de eigen opvatting van de deskundige is en of een deskundige met een andere opvatting tot een ander oordeel zou zijn gekomen en wat dat oordeel dan zou inhouden.

De beantwoording van deze vragen acht het hof juist gelet op de in deze zaak voorliggende problematiek, te weten of bij [appellante] sprake is van klachten en beperkingen voortvloeiende uit PWS, zinvol. Over PWS bestaan binnen de medische wetenschap uiteenlopende opvattingen en juist daarom is bij de beoordeling van het deskundigenbericht transparantie op dit punt van belang. Dit geldt temeer nu partijen in dezen van mening verschillen over de door de deskundigen te hanteren richtlijnen. Zo wil [appellante] dat op grond van de richtlijnen van de NVvN van vóór 2007 wordt gerapporteerd, terwijl London vindt dat moet worden uitgegaan van de meest recente versie, de NVvN-richtlijnen van 2007.

Het hof merkt op dat volgens vaste rechtspraak uitgangspunt is dat een deskundige bij zijn onderzoek de binnen zijn beroepsgroep geldende richtlijnen voor expertises hanteert. Nu het om 'richtlijnen' gaat, is de deskundige evenwel niet steeds gehouden conform die richtlijn te rapporteren. Ingeval er binnen zijn beroepsgroep verschil van mening bestaat, mag van hem worden verlangd dat hij daarvan melding maakt. Nu in het onderhavige geval de deskundigen wordt gevraagd ook een disclosure statement in te vullen, zal met het invullen daarvan daaraan zijn voldaan.

Anders dan [appellante] ziet het hof vooralsnog geen reden het multidisciplinair onderzoek verder uit te breiden. Naar het oordeel van het hof kan gelet op de aan de orde zijnde problematiek (vooralsnog) worden volstaan met de benoeming van een neuroloog, een reumatoloog en een psychiater. Het is de bedoeling dat de deskundigen ieder afzonderlijk rapporteren, waarbij het de deskundigen uiteraard vrij staat onderling overleg te plegen.

Het wordt voorts aan de beoordeling van de deskundigen overgelaten of zij de inschakeling van een orthopeed, KNO-arts en/of revalidatie-arts nodig achten. Mocht dat het geval zijn, dan gaat het hof ervan uit dat de deskundigen alsdan deze deskundige(n) zullen inschakelen en aan hen dezelfde vraagstelling ter beantwoording zullen voorleggen.

Nu partijen zijn het niet eens zijn over de personen van de te benoemen deskundigen, heeft het hof zelf deskundigen aangezocht, die desgevraagd het hof hebben laten weten bereid te zijn in deze zaak te rapporteren. Het hof zal hierna tot deskundigen benoemen:

[persoon 4], neuroloog,

Canisius Wilhelmina Ziekenhuis Nijmegen,

Postbus 9015

6500 GS Nijmegen

Tel: [nummer];

[persoon 5], reumatoloog,

Academisch Ziekenhuis St. Radboud,

Postbus 9101

6500 HB Nijmegen

Tel: [nummer];

[persoon 6], psychiater,

Medisch Expertisecentrum Dekkerswald,

Postbus 66

6560 AB Groesbeek

Tel: [nummer];

Naast de in r.o. 4.19 van het tussenarrest van 2 februari 2010 weergegeven vragen, zal de deskundigen daaraan voorafgaand worden gevraagd het disclosure statement in te vullen.

De deskundigen worden gewezen op het in artikel 7:464 lid 2, aanhef en sub b, BW neergelegde inzage- en blokkeringsrecht van [appellante]. Dit recht houdt in dat de deskundigen [appellante] in de gelegenheid moeten stellen mede te delen of zij de uitslag en de gevolgtrekking van het onderzoek wenst te vernemen, en zo ja, of zij daarvan als eerste wenst kennis te nemen, teneinde te kunnen beslissen of daarvan mededeling aan anderen wordt gedaan.

De deskundigen wordt verzocht in hun rapport te vermelden of en zo ja, op welke wijze, zij aan deze verplichting hebben voldaan.

Voor de goede orde wijst het hof erop dat het krachtens het bepaalde in artikel 198 lid 3 Rv uit een gebrek aan medewerking van [appellante] de gevolgtrekking kan maken die het geraden acht.

8.5.5. Omwille van de duidelijkheid volgen hierna alle vragen:

Disclosure statement

1. Persoonlijke gegevens

a. Waar bent u werkzaam?

(indien u bij meerdere organisaties werkzaam bent gaarne alle noemen)

b. Heeft u aan uw beroep gerelateerde nevenfuncties en zo ja, welke?

c. Wat kwalificeert u voor het uitbrengen van een expertiserapport in de onderhavige zaak?

(Te noemen zijn met name opleiding en professionele ervaring)

d. Heeft u in het verleden reeds als expertiserend deskundige opgetreden en zo ja, hoe vaak

en in wiens opdracht?

(met "in wiens opdracht" wordt bedoeld: in opdracht van de eisende partij, van de

aangesproken partij of van de rechter; het is uiteraard niet de bedoeling namen te noemen)

2. Medisch wetenschappelijke opvattingen

a. Bestaan er over het onderwerp van de expertise medisch wetenschappelijk uiteenlopende

opvattingen?

Indien uw antwoord op vraag 2a bevestigend luidt:

b. Kunt u in hoofdlijnen uiteenzetten in welk opzicht de meningen uiteenlopen (voor zover

mogelijk met verwijzing naar literatuur)?

c. Welke is uw eigen opvatting?

d. Kunt u aangeven of een deskundige met een andere opvatting in het onderhavige geval tot

een ander oordeel was gekomen dan waartoe u komt?

e. Als inderdaad een deskundige met een andere opvatting in het onderhavige geval tot een

ander oordeel was gekomen: kunt u aangeven wat dat oordeel zou zijn geweest?

1. DE SITUATIE MET ONGEVAL

Anamnese

a. Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en de ernst van het letsel, het verloop van de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen? Wilt u in uw anamnese vermelden welke beperkingen op uw vakgebied onderzochte aangeeft in relatie tot de activiteiten van het algemene dagelijkse leven (ADL), loonvormende arbeid, waaronder ook de nevenwerkzaamheden van onderzochte als nagelstyliste, en het uitoefenen van hobby's, bezigheden in de recreatieve sfeer en zelfwerkzaamheid?

Medische gegevens

b. Wilt u op basis van het medisch dossier van onderzochte een beschrijving geven van:

de medische voorgeschiedenis van onderzochte op uw vakgebied;

de medische behandeling van het letsel van de onderzochte en het resultaat daarvan.

Voor het geval u voor de beantwoording van deze vraag nog nadere medische informatie behoeft, kunt u dan aangeven welke informatie en wilt u deze dan eerst bij onderzochte opvragen alvorens deze vragen te beantwoorden.

Deze nadere informatie dient u ook toe te zenden aan de medisch adviseur van London, in ieder geval dient dit te geschieden op het moment dat u uw conceptrapport aan beide partijen ter becommentariëring toezendt.

Medisch onderzoek

c. Wilt u een beschrijving geven van uw bevindingen bij lichamelijk en eventueel hulponderzoek?

Consistentie

d. Is naar uw oordeel sprake van onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek?

e. Voor zover u de vorige vraag ontkennend beantwoordt, wilt u dan aangeven wat de reactie van onderzochte was op de door u geconstateerde inconsistenties en welke conclusie u daaruit trekt?

Diagnose

f. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven?

Beperkingen

g. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij onderzochte in haar huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven (in het bijgesloten beperkingenformulier) en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?

Medische eindsituatie

h. Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel?

i. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?

j. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?

k. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 1g)?

Niet dragen autogordel

l. Is de omstandigheid dat [appellante] ten tijde van het ongeval geen gordel droeg van invloed geweest op de aard en de omvang van de door het ongeval ontstane letsel en zo ja, in welke mate? Kunt u daarbij meer specifiek aangeven welke klachten [appellante] niet of in mindere mate zou hebben gehad als zij wel een gordel had gedragen?

m. Kunt u bij de beantwoording van de vorige vraag aandacht besteden aan de stelling van [appellante] dat het whiplashsyndroom in het algemeen voor een belangrijk deel wordt veroorzaakt door het dragen van een gordel? Hoe luidt uw oordeel daarover in dit specifieke geval?

2. DE SITUATIE ZONDER ONGEVAL

Meestal zal het niet mogelijk zijn om de onderstaande vragen (met name de vragen 2c-2e) met zekerheid te beantwoorden. Van u wordt ook niet gevraagd zekerheid te bieden. Wel wordt gevraagd of u vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied uw mening wilt geven over kansen en waarschijnlijkheden. Het is dus de bedoeling dat u aangeeft wat u op grond van uw deskundigheid op uw vakgebied op deze vragen kunt antwoorden.

Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval

a. Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die onderzochte nog steeds heeft.

b. Zo ja, kunt u dan aangeven welke beperkingen uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien?

Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval

c. Zijn er op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzochte niet was overkomen?

d. Zo ja (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?

e. Kunt u aangeven welke beperkingen uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid?

3. OVERIG

a. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?

8.5.6. Het hof ziet aanleiding het voorschot van de deskundigen vooralsnog ten laste van beide partijen te brengen. [appellante] en London hebben immers beide verzocht om een nieuw deskundigenbericht uitgaande van de IWMD vraagstelling. [appellante] en London zullen derhalve ieder de helft van het voorschot voor hun rekening dienen te nemen.

kosten huishoudelijke hulp en buitengerechtelijke incassokosten

In genoemd tussenarrest heeft het hof de beoordeling van de diverse schadeposten van [appellante] aangehouden in afwachting van de deskundigenberichten. Wel is [appellante] in r.o. 4.22 en 4.23 gevraagd een aantal stukken over te leggen inzake de kosten huishoudelijke hulp en buitengerechtelijke incassokosten.

[appellante] heeft een besluit van de gemeente van 29 april 2009 overgelegd inzake toekenning hulp bij huishouden, een onderzoek 'Medische indicatie Wet Maatschappelijke Ondersteuning' van 23 december 2008 en 14 april 2009 van Argonaut Advies, een beschikking van CAK van 15 oktober 2009 betreffende de door [appellante] te betalen eigen bijdrage van € 17,20 per 4 weken en een aantal facturen inzake de eigen bijdrage (prod. 82 t/m 88). Uit de brief van de gemeente blijkt dat [appellante] op 25 augustus 2008 een aanvraag in het kader van de Wmo heeft gedaan en dat haar voor de duur van 1 jaar, namelijk van

30-04-2009 t/m 29-4-2010, een indicatiestelling is verleend voor 1,5 uur per week. [appellante] wordt gevraagd in het eerste volgende processtuk aan te geven of deze beschikking is verlengd en zo ja, de daarbij behorende stukken over te leggen.

Het hof heeft tevens om een nadere toelichting gevraagd met betrekking tot de buitengerechtelijke incassokosten en in dat verband onder meer verzocht om nadere informatie omtrent de rechtsbijstandverzekering van [appellante]. De advocaat van [appellante] stelt dat hij nog in afwachting is van een definitief standpunt van de rechtsbijstandverzekeraar en dat daarover ten tijde van het nemen van de akte na tussenarrest nog geen zekerheid is verkregen. [appellante] wordt in de gelegenheid gesteld die nadere informatie eveneens in het eerst volgende processtuk alsnog te verstrekken

8.6.3. De beoordeling van deze evenals van de andere schadeposten wordt aangehouden in afwachting van de uitkomst van de deskundigenberichten.

8.7. In afwachting van de deskundigenonderzoeken wordt voorts iedere verdere beoordeling aangehouden.

9 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel

bepaalt dat een deskundigenonderzoek zal worden verricht naar de in onderdeel 8.5.5 van dit arrest geformuleerde vragen;

benoemt tot deskundigen ter beantwoording van deze vragen:

[persoon 4], neuroloog,

Canisius Wilhelmina Ziekenhuis Nijmegen,

Postbus 9015

6500 GS Nijmegen

Tel: 024-3658765;

[persoon 5], reumatoloog,

Academisch Ziekenhuis St. Radboud,

Postbus 9101

6500 HB Nijmegen

Tel: 024-3617687;

[persoon 6], psychiater,

Medisch Expertisecentrum Dekkerswald,

Postbus 66

6560 AB Groesbeek

Tel: 024-6859591;

verzoekt de deskundigen een schriftelijk en met redenen omkleed bericht, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof;

verzoekt de deskundigen tegelijkertijd een afschrift van het bericht aan de advocaten van partijen toe te zenden;

bepaalt dat de deskundigen eerst met het onderzoek zullen aanvangen nadat de griffier heeft bericht dat het voorschot is ontvangen;

bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijk, ondertekend bericht ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op drie maanden nadat door de griffier is bericht dat het voorschot is ontvangen en dat met het onderzoek kan worden aangevangen;

bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundigen op het door de deskundigen begrote bedrag van in totaal € 12.498,20, tenzij partij/partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt; in dat geval zal het hof op het bezwaar/de bezwaren beslissen en de hoogte van het voorschot bepalen;

bepaalt dat [appellante] en London ieder de helft van genoemd voorschot van € 12.498,20, derhalve € 6.249,10, binnen 4 weken na heden zal overmaken naar rekeningnummer 56.99.90.572 ten name van Arrondissement 536 's-Hertogenbosch;

verzoekt de deskundigen, indien hun kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van dit arrest en het tussenarrest van 2 februari 2010 aan de deskundigen zal toezenden;

bepaalt dat partijen binnen één week na de datum van dit arrest (een afschrift van) de verdere processtukken aan de deskundigen ter beschikking zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

bepaalt dat de deskundigen bij het onderzoek partijen in de gelegenheid moeten stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk bericht van de deskundigen moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het bericht tevens melding dient te worden gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;

benoemt mr. Vermeulen tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundigen zich, door tussenkomst van de griffie dienen te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;

verwijst de zaak naar de rol van 2 november 2010 voor memorie na deskundigenonderzoek, aan de zijde van [appellante];

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Huijbers-Koopman, Vermeulen en Bartels en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 13 juli 2010.