Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BN1782

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-06-2010
Datum publicatie
20-05-2011
Zaaknummer
HD 103.006.025
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

benoeming deskundige

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 103.006.025

arrest van de vierde kamer van 15 juni 2010

in de zaak van

[APPELLANTE],

wonende te [woonplaats],

appellante in principaal appel,

geïntimeerde (voorwaardelijk) in incidenteel appel,

advocaat: mr. R.J.H. van den Dungen,

tegen:

het rechtspersoonlijkheid bezittende ACADEMISCH ZIEKENHUIS MAASTRICHT,

gevestigd te Maastricht,

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in (voorwaardelijk) incidenteel appel,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 19 januari 2010 in het hoger beroep van de door de rechtbank Maastricht onder nummer 100676/HA ZA 05-379 gewezen vonnissen van 25 januari 2006 en 26 september 2007.

6 Het tussenarrest van 19 januari 2010

Bij genoemd arrest is een nader deskundigenonderzoek gelast en is iedere verdere beslissing aangehouden.

7 Het verdere verloop van de procedure

7.1. Bij brief van 26 januari 2010, bij de griffie van het hof binnengekomen op 27 januari 2010, heeft het AZM primair verzocht om verbetering van het tussenarrest en subsidiair verzocht om de zaak naar de rol te verwijzen voor het nemen van een akte. Het primaire verzoek is afgewezen en het subsidiaire verzoek toegewezen, waarna de zaak naar de rol van 16 februari 2010 is verwezen.

7.2. Het AZM heeft een akte na tussenarrest genomen en daarbij één productie overgelegd. [appellante] heeft daarop onder overlegging van één productie geantwoord.

Vervolgens hebben partijen wederom de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

8 De verdere beoordeling

8.1. Volgens het AZM bevat het tussenarrest een feitelijke misslag. In r.o. 4.13 van dit arrest is in navolging van de niet weersproken brief van de medisch adviseur van [appellante] van 16 februari 2007 een definitie van een 'graad I open fractuur ' gegeven, inhoudende dat sprake is van een wond "waarbij de huid weliswaar geperforeerd is door een fractuurdeel, maar waarbij de fractuurdelen niet zichtbaar zijn."

Het hof heeft in r.o. 4.13.5 als vaststaand aangenomen dat [appellante] in ieder geval een schaafwond op haar onderarm had. Dit betekent, aldus het hof, gelet op de hiervoor weergegeven definitie, alsmede gelet op de ontslagdiagnose van Wijnen, de brief van de vader van [appellante] van 5 juli 1995 en de verklaring van [appellante] ter zitting, dat [appellante] een graad I open fractuur had. Deze vaststelling is volgens het AZM evident onjuist. Het AZM heeft ter onderbouwing daarvan een brief van 10 februari 2010 van [persoon 1], van Operatieve Geneeskunde, algemene chirurgie, van het AZM overgelegd. Deze schrijft:

"In antwoord op deze vraag deel ik u mee dat een schaafwond boven een breuk geen open breuk is. Bij een open breuk moet er direct contact zijn (geweest) tussen het bot en de buitenlucht. Een schaafwond is een wond die zich beperkt tot de huid en deze zal nooit contact maken met het bot. Uit het enkele feit dat sprake is geweest van een schaafwond op de onderarm kan dus beslist niet worden afgeleid dat sprake was een graad I open fractuur."

Het AZM vat dit als volgt samen: indien sprake is van een 'graad I open fractuur' wordt de wond per definitie van binnenuit veroorzaakt, bij een schaafwond per definitie van buitenaf.

Het AZM verzoekt het hof deze misslag te herstellen en het ingevolge het tussenarrest van 19 januari 2010 in gang gezette nader deskundigenonderzoek stop te zetten, omdat het van de deskundige gevraagde nader onderzoek uitgaat van een onjuist uitgangspunt. De deskundige is immers, uitgaande van een 'graad I open fractuur', gevraagd een aantal nadere vragen te beantwoorden.

Voorts verzoekt het AZM, ingeval het hof na correctie van de feitelijke misslag van oordeel blijft dat een nader deskundigenonderzoek nodig is, de (nadere) vragen ter beantwoording voor te leggen aan een andere deskundige. Het AZM acht het principieel onjuist dat de deskundige thans gevraagd wordt ten tweede male zijn eindconclusies als ook de motivering daarvan aan te passen. Het AZM heeft er geen vertrouwen in dat de deskundige de zaak nog onbevangen en onbevooroordeeld tegemoet kan treden.

8.2. [appellante] daarentegen is van mening dat geen sprake is van een misslag die zou moeten worden teruggedraaid. Volgens [appellante] is de conclusie van het hof dat sprake is van een graad I open fractuur geen feitelijke misslag doch een redelijke conclusie, gebaseerd op alle in de procedure aangevoerde standpunten. Voorts stelt [appellante] dat de term 'schaafwond' niet in medische termen moet worden opgevat. De woorden wond en schaafwond worden vaak door elkaar gebruikt, aldus [appellante]. De uitleg van [persoon 1] is een puur medische uitleg, die op zich duidelijk is, maar aan [appellante] niet kan worden tegengeworpen.

[appellante] is dan ook van mening dat het deskundigenonderzoek ongewijzigd doorgang moet vinden en dat ook de persoon van de deskundige gehandhaafd dient te blijven.

8.3. Voorop gesteld wordt dat de eisen van goede procesorde kunnen meebrengen dat de rechter, aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich daarover uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen (HR 25-04-2008, NJ 2008, 553).

8.4. Thans ligt ter beoordeling voor of r.o. 4.13.5 op een feitelijke onjuiste grondslag berust. Mocht dat het geval zijn, dan kan dat voor het hof reden zijn om op de beslissing omtrent de graad I open fractuur bij [appellante] terug te komen.

8.5. Nu er discussie is ontstaan of [appellante] al dan niet een open fractuur had, wat daar precies onder moet worden verstaan en of en in hoeverre het verschil maakt of - als er een wond op de onderarm van [appellante] was - er sprake was van een schaafwond of van een "prikgat" acht het hof het zinvol dit alsnog door een - andere - medische deskundige te laten onderzoeken. Deze vragen zijn immers relevant voor de vraagstelling in het nader deskundigenbericht. Op grond daarvan zal het hof vervolgens beoordelen of er reden is terug te komen op het in r.o. 4.13.5 gegeven oordeel.

8.6. Het hof is voornemens deze deskundige de volgende vragen ter beantwoording voor te leggen:

a) Wat is een "graad I open fractuur" en wat is een "graad I gecompliceerd"? Is dit hetzelfde? Wat is het belang van het verschil? Is uit een oogpunt van infectiegevaar een "prikgat" door een fractuurdeel van binnen naar buiten even relevant als een schaafwond? Zo niet: wat is dan het verschil?

b) Wat valt er uit de stukken af te leiden over het voorkomen van een wond bij [appellante]? Indien er een wond was, was er naar uw mening dan sprake van een schaafwond of prikgat?

Het betreft derhalve een onderzoek dat uitsluitend behoeft te worden verricht op basis van het dossier.

8.7. Daarna kan [persoon 2] het nader deskundigenonderzoek verrichten dan wel af-ronden, zonodig met een aangepaste vraagstelling. Het hof verwerpt de bezwaren van het AZM gericht tegen de persoon van [persoon 2]. De enkele omstandigheid dat de deskundige is gevraagd zijn rapport op een aantal punten te verduidelijken is naar het oordeel van het hof onvoldoende om op grond daarvan te concluderen dat de deskundige de zaak niet meer onbevangen en onbevooroordeeld tegemoet kan treden. Het hof wijst er voorts op dat het AZM destijds deze deskundige zelf, samen met [appellante], heeft voorgesteld.

8.8. De zaak wordt naar de rol verwezen om partijen in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten over de hiervoor geformuleerde vragen en - bij voorkeur eensluidend - over de persoon van de deskundige. Het hof is voornemens de kosten van dit deskundigenbericht - evenals de kosten van het nader deskundigenbericht van [persoon 2] - voor rekening van het AZM te brengen.

In afwachting daarvan wordt iedere verdere beoordeling wordt aangehouden.

9 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 13 juli 2010 voor het nemen van een akte door partijen met een inhoud als hiervoor in onderdeel 8.8 aangegeven;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. De Groot-van Dijken, Vermeulen en Giesen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 juni 2010.