Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BN1015

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
14-07-2010
Zaaknummer
20-001497-08
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2008:BC8207, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 242/312 Sr: Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 5 jaren ter zake van een verkrachting in een Eindhovens studentenpand in 1995.

De verdachte was door de rechtbank vrijgesproken (LJN BC8207).

In de fase van het hoger beroep werd bij nieuw onderzoek door het NFI alsnog DNA van de verdachte aangetroffen in een spermavlek op de badjas van het slachtoffer. Een op verzoek van de verdediging verrichte contra-expertise heeft de bevindingen van het NFI bevestigd en op onderdelen versterkt en aangevuld. Er werd ook celmateriaal van de verdachte aangetroffen in de vaginale bemonsteringen van het slachtoffer. Het hof verwerpt de tegen de uitkomsten van het DNA-onderzoek gerichte verweren. De verdachte wordt in afwijking van het standpunt van het OM vrijgesproken van de overige feiten, waaronder een andere verkrachting en een aantal vrijheidsberovingen. Het hof is van oordeel dat niet vaststaat dat alle ten laste gelegde feiten door dezelfde dader zijn gepleegd. Het hof heeft daarbij overwegingen gewijd aan de modus operandi, afgeluisterde gesprekken tussen de verdachte en zijn vriendin en de signalementen van de dader.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-001497-08

Uitspraak : 14 juli 2010

TEGENSPRAAK

PROMIS

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 2 april 2008 (LJN BC8207) in de strafzaak met parketnummer 01-839250-06 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [datum in 1964],

wonende te [woonplaats verdachte], [adres verdachte],

thans verblijvende in Huis van Bewaring De Boschpoort te Breda,

waarbij de verdachte werd vrijgesproken van het onder 1 tot en met 7 ten laste gelegde, met niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen in hun vorderingen. Bij afzonderlijke beschikking van 19 maart 2008 had de rechtbank reeds de voorlopige hechtenis opgeheven met ingang van 20 maart 2008.

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

- het ten laste gelegde onder 1 tot en met 7 bewezen zal verklaren;

- de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van voorarrest;

- de vordering van de benadeelde partij [A] zal toewijzen tot het gevorderde bedrag van EUR 2.431,--, te vermeerderen met de wettelijke rente;

- de vordering van de benadeelde partij [B] zal toewijzen tot het gevorderde bedrag van EUR 6.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente;

- de vordering van de benadeelde partij [D] zal toewijzen tot het in eerste aanleg gevorderde bedrag van EUR 1.193,07, te vermeerderen met de wettelijke rente, met niet-ontvankelijkverklaring van deze benadeelde partij in het gedeelte van haar vordering dat niet reeds in eerste aanleg was gevorderd (EUR 4.800,--);

- de schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van voormelde benadeelde partijen zal opleggen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 19 september 1995 te Eindhoven door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [A] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [A], hebbende verdachte die [A] gedwongen te dulden dat verdachte zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [A] duwde/bracht, en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- de woning in gebruik bij die [A] (gelegen aan de [adres A]) door inklimming wederrechtelijk heeft betreden en/of

- die [A] meermalen, althans eenmaal, heeft medegedeeld dat hij, verdachte, van de politie was en/of

- die [A] heeft medegedeeld dat zij moest gaan liggen en/of

- die [A] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft getoond en/of heeft voorgehouden en/of

- die [A] heeft medegedeeld dat zij de telefoon niet mocht opnemen en/of

- die [A] heeft medegedeeld "Ga liggen of ik schiet" en/of

- die [A] heeft medegedeeld dat zij haar badjas/ochtendjas moest losmaken en/of die [A] heeft medegedeeld dat zij haar slip/onderbroek moest uittrekken en/of

- die [A] heeft medegedeeld dat zij een kussen voor haar gezicht moest houden en/of

- een kussen op het gezicht van die [A] heeft gelegd en/of

- de buik en/of de vagina van die [A] heeft gestreeld/betast en/of

- die [A] heeft medegedeeld dat zij haar benen (verder) uit elkaar moest doen en/of

- de benen van die [A] uit elkaar heeft geduwd en/of

- voor die [A] heeft gemasturbeerd en/of (vervolgens) op/over het lichaam van die [A] is klaargekomen en/of (aldus) voor die [A] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

2.

hij op of omstreeks 19 september 1995 te Eindhoven met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een rugzak en/of een portemonnee (met inhoud), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die rugzak en/of portemonnee (met inhoud) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [A], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

- die [A] heeft medegedeeld dat zij moest gaan liggen en/of

- die [A] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft getoond en/of heeft voorgehouden en/of

- die [A] heeft medegedeeld dat zij de telefoon niet mocht opnemen en/of

- die [A] heeft medegedeeld "Ga liggen of ik schiet" en/of

- die [A] heeft medegedeeld dat zij een kussen voor haar gezicht moest houden en/of

- een kussen op het gezicht van die [A] heeft gelegd en/of

- aan die [A] heeft gevraagd: "Heb je nergens in deze kamer geld?" en/of "Waar ligt je tas?";

3.

hij op of omstreeks 22 augustus 2000 te Eindhoven door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [B] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [B], hebbende verdachte die [B] gedwongen te dulden dat verdachte zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [B] duwde/bracht, en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- de woning in gebruik bij die [B] (gelegen aan de [adres B]) door inklimming wederrechtelijk heeft betreden en/of

- die [B] en/of de in de woning van die [B] vertoevende/verblijvende vriend, [C], heeft medegedeeld: "Dit is een politie-inval, het arrestatieteam" en/of "Als je je beweegt dan staat er nog iemand bij het raam die je neerschiet" en/of "Liggen, deken over je hoofd trekken" en/of

- die [B] heeft medegedeeld dat zij haar telefoon niet mocht opnemen en/of

- het hoofd van die [C] heeft afgedekt met een kledingstuk en/of die [C] heeft medegedeeld dat hij zijn handen boven zijn hoofd moest houden en/of die [C] heeft medegedeeld dat hij zijn handen op zijn rug moest houden en/of (vervolgens) de handen van die [C] op zijn rug heeft vastgebonden en/of

- de benen van die [C] heeft vastgebonden en/of

- een trui over het hoofd van die [B] heeft gebracht/getrokken en/of (vervolgens) die/een trui om haar hoofd heeft vastgebonden en/of

- de billen van die [B] heeft gestreeld/betast en/of

- die [B] heeft medegedeeld dat zij moest opstaan en/of die [B] heeft medegedeeld dat zij naar de bank moest lopen en/of

- die [B] naar de bank heeft geleid/geduwd en/of

- die [B] heeft medegedeeld dat zij op de bank moest gaan zitten en/of

- de borsten van die [B] heeft betast/vastgepakt en/of heeft gekust en/of

- de onderbroek van die [B] heeft uitgetrokken en/of

- de vagina van die [B] heeft gestreeld/betast en/of

- die [B] heeft medegedeeld dat zij moest gaan staan en/of

- die [B] heeft medegedeeld dat zij haar knieën op de bank moest leggen en/of

- de vagina en/of billen, althans het lichaam, van die [B] heeft ingesmeerd met boter, althans een vettige substantie en/of

- de hand van die [B] heeft gebracht/geduwd naar zijn, verdachtes, penis en/of die [B] zijn, verdachtes, penis heeft laten aftrekken en/of

- (vervolgens) op/over het lichaam van die [B] is klaargekomen en/of

- de handen en/of vagina, althans het lichaam, van die [B] heeft gewassen en/of

- die [B] heeft medegedeeld dat zij op haar buik op het matras moest gaan liggen en/of

- kleding over het hoofd van die [B] heeft gebracht en/of

- die [B] en/of [C] heeft medegedeeld dat zij zich 50 seconden moesten koest houden en/of dat zij zich niet mochten bewegen omdat zij anders alsnog zouden worden neergeschoten en/of (aldus) voor die [B] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

4.

hij op of omstreeks 22 augustus 2000 te Eindhoven opzettelijk [C] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door opzettelijk en wederrechtelijk

- de woning, gelegen aan de [adres B], door inklimming wederrechtelijk te betreden en/of

- die [C] mede te delen "Arrestatieteam, jullie staan onder arrest" en/of

- die [C] mede te delen dat hij op zijn buik moest liggen en/of dat hij de dekens en/of dekbed over zich heen moest trekken en/of

- die [C] mede te delen "Niets proberen want ik heb een pistool" en/of "Als je je beweegt dan staat er nog iemand bij het raam die je neerschiet" en/of

- die [C] mede te delen dat hij zijn handen boven het dekbed/deken uit moest steken en/of mede te delen dat hij zijn armen op zijn rug moest houden en/of

- de handen van die [C] op zijn rug vast te binden en/of

- een t-shirt, althans een kledingstuk, om het hoofd van die [C] vast te binden en/of

- de benen van die [C] vast te binden en/of

- een kussen en/of een deken/dekbed over [C] heen te gooien/leggen en/of

- die [C] mede te delen dat hij niets moest proberen omdat er nog een man beneden stond die ook een pistool in zijn bezit had en/of

- die [C] mede te delen dat hij 50 seconden stil moest liggen omdat hij anders alsnog zou worden neergeschoten;

5.

hij op of omstreeks 22 augustus 2000 te Eindhoven met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen fl 50,= (vijftig gulden), althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [C], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [C], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

- die [C] heeft medegedeeld "Arrestatieteam, jullie staan onder arrest" en/of

- die [C] heeft medegedeeld dat hij op zijn buik moest liggen en/of dat hij de dekens en/of dekbed over zich heen moest trekken en/of

- die [C] heeft medegedeeld "Niets proberen want ik heb een pistool" en/of

- die [C] heeft medegedeeld dat hij zijn handen boven het dekbed/deken uit moest steken en/of heeft medegedeeld dat hij zijn armen op zijn rug moest houden en/of

- de handen van die [C] op zijn rug heeft vastgebonden en/of

- een t-shirt, althans een kledingstuk, om het hoofd van die [C] heeft vastgebonden en/of

- de benen van die [C] heeft vastgebonden en/of

- een kussen en/of een deken/dekbed over die [C] heen heeft gegooid/gelegd en/of

- die [C] heeft medegedeeld dat hij niets moest proberen omdat er nog een man beneden stond die ook een pistool in zijn bezit had en/of

- die [C] heeft medegedeeld dat hij 50 seconden stil moest liggen omdat hij anders alsnog zou worden neergeschoten;

6.

hij op of omstreeks 16 juni 2005 te Eindhoven opzettelijk [D] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door opzettelijk en wederrechtelijk

- de woning, gelegen aan de [adres D], door middel van inklimming te betreden en/of

- die [D] mede te delen dat hij, verdachte, van het arrestatieteam was en dat zij rustig moest zijn en/of

- die [D] mede te delen "Ga liggen op de grond, rustig, rustig, kalm, ga op de grond liggen" en/of

- die [D] mede te delen dat zij op haar buik moest gaan liggen met haar hoofd naar de grond en/of

- die [D] mede te delen "Kijk me niet aan anders vermoord ik je" en/of

- het hoofd van die [D] naar de grond te duwen/brengen en/of

- een t-shirt, althans een kledingstuk, van die [D] over haar hoofd te brengen/trekken en/of

- die [D] mede te delen dat zij tot 100 moest tellen;

7.

hij op of omstreeks 7 oktober 2000 te Eindhoven opzettelijk [E] en/of [F] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door opzettelijk en wederrechtelijk

- de woning, gelegen aan de [adres E], door inklimming wederrechtelijk te betreden en/of

- die [E] en/of [F] mede te delen dat hij, verdachte, van de politie was en/of

- die [E] en/of [F] mede te delen dat hij/zij op zijn/haar/hun buik moesten gaan liggen en/of

- die [E] en/of [F] mede te delen dat hij, verdachte, hem/haar/hun kapot zou schieten als hij/zij niet deden wat hij, verdachte, zei en/of

- die [E] en/of [F] mede te delen dat hij/zij zijn/haar/hun hoofd op een kussen moest(en) leggen en/of

- die [E] en/of [F] mede te delen dat hij/zij zijn/haar/hun handen op zijn/haar/hun rug moesten doen en/of

- die [E] en/of [F] mede te delen dat hij/zij naar de muur moesten kijken en/of

- een deken, althans een stoffen bedekking, over die [E] te leggen/gooien en/of

- die [F] mede te delen dat hij zijn hoofd op moest tillen en/of

- een kussensloop om/op het hoofd van die [F] te plaatsen/brengen en/of

- de handen van die [F] (op diens rug) vast te binden en/of

- die [F] mede te delen dat hij op moest staan en/of

- die [F] mede te delen dat hij op zijn buik (op het bed) moest gaan liggen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De verdediging heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging. Daartoe is aangevoerd dat geheimhoudergesprekken niet tijdig zijn vernietigd en dat de mogelijkheid bestaat dat die gesprekken richtinggevend zijn geweest voor het onderzoek. Door de uiteindelijke vernietiging van die gesprekken hebben het hof en de verdediging niet kunnen toetsen of die gesprekken operationeel of anderszins in het onderzoek zijn gebruikt, aldus de verdediging.

Het hof stelt voorop dat uit bestendige jurisprudentie volgt dat niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging als in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

In het dossier bevindt zich een proces-verbaal verwerking geheimhoudergesprekken (126aa Sv), nr. 07-039118/21042009, op 21 april 2009 opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2].

Blijkens dat proces-verbaal zijn met betrekking tot de gesprekken, waarbij bij het uitluisteren direct duidelijk werd dat het om een geheimhoudergesprek ging, terstond processen-verbaal van verzoek tot vernietiging gemaakt, waarna deze gesprekken op bevel van de officier van justitie zijn vernietigd.

Genoemde verbalisanten hebben blijkens het proces-verbaal d.d. 21 april 2009 in opdracht van de advocaat-generaal onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van geheimhoudergesprekken in de periode van 20 oktober 2006 tot en met 15 maart 2009. Dit onderzoek in de schriftelijke uitwerkingen van de afgeluisterde telefoongesprekken heeft tot resultaat gehad dat diverse gesprekken naar voren zijn gekomen die aanvankelijk niet waren herkend als geheimhoudergesprekken. Daarbij ging het in het merendeel van de gevallen niet om daadwerkelijke gesprekken, maar om telefonische contacten (“in gesprek” en/of “werd niet opgenomen”). Ten aanzien van deze geïntercepteerde gesprekken is op respectievelijk 30 maart 2009 en 16 april 2009 aan de officier van justitie voorgesteld een bevel tot vernietiging te geven. Genoemd proces-verbaal houdt voorts in dat deze gesprekken, die niet direct waren herkend als geheimhoudergesprekken, op bevel van de officier van justitie alsnog zullen worden vernietigd.

Op grond van meergenoemd proces-verbaal stelt het hof vast dat in de onderhavige zaak een aantal geheimhoudergesprekken niet tijdig is vernietigd, zodat er in zoverre sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van dat proces-verbaal, inhoudende dat de betreffende geheimhoudergesprekken niet tijdig zijn vernietigd doordat de gesprekken aanvankelijk niet als zodanig werden herkend. Derhalve is niet aannemelijk geworden dat de betreffende gesprekken bewust niet tijdig zijn vernietigd.

Mede gelet op het feit dat het bij de niet tijdig vernietigde geheimhoudergesprekken in het merendeel van de gevallen niet ging om daadwerkelijke gesprekken, maar om telefonische contacten (“in gesprek” en/of “werd niet opgenomen”), acht het hof evenmin aannemelijk geworden dat de niet tijdig vernietigde geheimhoudergesprekken operationeel of anderszins in het onderzoek zijn gebruikt.

Het enkele feit dat niet kan worden getoetst of de niet tijdig vernietigde geheimhoudergesprekken operationeel of anderszins in het onderzoek zijn gebruikt, brengt niet met zich mee dat het hof ervan dient uit te gaan dat er van dergelijk (operationeel) gebruik sprake is geweest en vormt evenmin anderszins een grond voor de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging. Datzelfde geldt voor de door de verdediging - in abstracto geschetste - mogelijkheid dat de betreffende gesprekken richtinggevend zijn gebruikt.

Van een ernstige inbreuk op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan, is in het geheel niet gebleken.

Het hof verwerpt het verweer.

Feiten 1 en 2: bewijsmotivering

Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, waarnaar in de voetnoten bij dit arrest wordt verwezen, stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

1. de aangifte van verkrachting in 1995

Op dinsdag 19 september 1995 deed [A], geboren op [geboortedatum A] te [geboorteplaats A], aangifte van verkrachting en diefstal, gepleegd op diezelfde datum tussen 00:15 uur en 00:30 uur. Deze aangifte houdt, voor zover hier van belang, het volgende in.

“Ik woon op kamers in Eindhoven aan de [adres A]. Ik heb een vaste vriend en dat is [Z].

Op maandag 18 september 1995 omstreeks 23.55 uur bevond ik mij op mijn kamer in het genoemde pand. Mijn kamer is gevestigd op de 2e verdieping. Ik was op dat moment alleen in het pand. Omstreeks de vermelde tijd ging de voordeurbel. Ik ben toen naar beneden gegaan en heb de deur geopend. Ik zag niemand meer. Ik moest meteen denken aan de inbraak die bij mij werd gepleegd op 8 september 1995. Daarbij werd er ook eerst een paar keer aangebeld waarbij er niemand meer te zien was als de voordeur werd geopend. Om die reden besloot ik om bij de voordeur te blijven wachten. Mogelijk zou er weer worden aangebeld en dan was ik er snel bij. Na even te hebben gewacht ben ik toch maar weer naar mijn kamer gegaan. Ik keek nog even de keuken in op de le verdieping. In de keuken zit een balkondeur. Door die deur werd de vorige keer de toegang verschaft door de inbreker. Ik meende in een flits te zien dat er een soort schim achter die balkondeur stond. Ik weet niet of dat een schaduw was of dat er echt iemand achter die deur stond. Ik ben doorgelopen naar mijn kamer. Kort daarna hoorde ik weer dat de voordeurbel ging. Het was toen inmiddels 00.10 uur. Ik heb even gewacht maar ik had een rot gevoel en was bang. Daarop heb ik vanuit mijn kamer, mijn vriend [Z] gebeld. Ik vertelde hem over het bellen aan de voordeur. [Z] adviseerde mij om zoveel mogelijk lichten aan te doen zodat een eventuele inbreker afgeschrikt zou worden. Ook zei hij dat ik alles goed moest afsluiten. Ik heb toen een paar lichten aangedaan; ook op de 1e verdieping. [Z] bleef aan de lijn hangen. Ik ben daarna teruggegaan naar mijn kamer. In mijn kamer is een dakkapel gemaakt. Daar zitten ramen in. Het raam aan de rechterzijde kun je openen. Ik heb dat raam meestal openstaan en ook nu stond het open. Ik heb daar toen verder geen acht op geslagen en heb de hoorn opgepakt en ben weer met [Z] gaan praten. Ik zei tegen hem dat ik de lichten had aangedaan. Meteen daarna hoorde ik dat er op het raam werd geklopt. Ik keek om en zag een man aan de buitenzijde van de dakkapel staan. Die stond dus op het dak. Hij zei dat hij van de politie was. Dat zei hij zo'n drie keer. Ik verstond niet goed wat hij zei, maar ik begreep dat hij bedoelde dat ik moest gaan liggen. Hij zoiets als "Zakken". Ik zag dat hij een soort vuurwapen in zijn rechterhand hield. Hij dreigde daarmee in mijn richting toen hij zei dat ik moest zakken.

Ik had inmiddels de hoorn op de haak gelegd en had de verbinding verbroken. Kort daarna ging de telefoon weer over. Achteraf bleek dat [Z] te zijn die zich zorgen maakte. De man zei dat ik de hoorn niet op mocht pakken. Ik bleef in eerste instantie rechtop zitten omdat ik er allemaal niets van begreep op dat moment. Hierop zei hij heel duidelijk: "Ga liggen of ik schiet". Ik ben toen meteen gaan liggen.

Ik droeg op dat moment een slipje en daarover droeg ik een badstoffen ochtendjas. Ik hoorde dat de man tegen mij zei dat ik mijn badjas los moest maken. Even later zei hij dat ik mijn slipje uit moest doen. Dat zei hij allemaal terwijl hij nog buiten was maar wel al half in het raam hing. Uit angst heb ik dat toen ook gedaan. Mijn slipje heb ik laten zakken maar heb ik niet helemaal uitgedaan.

Daarna zag ik dat de persoon via het raam in de dakkapel naar binnenklom waarna hij in mijn kamer stond. Omdat het raam nogal ver openstond, kon hij vrij gemakkelijk de kamer binnen stappen. Ik had even mijn gezicht afgewend maar toen ik weer in zijn richting keek, zag ik dat hij schuin voor mijn bed stond. Ik zag toen ook dat hij een bivakmuts op had.

Ik zag dat de man vlak voor mij neerknielde. Hij zei tegen mij dat ik een kussen voor mijn gezicht moest houden. Daarop pakte hij zelf een zwart kussentje dat op het bed lag. Ik lag op dat moment op mijn rug. Hij legde dat kussen op mijn gezicht en ik heb het toen zelf vastgehouden, voor mijn gezicht. Ik had nog gezien dat hij gedeeltelijk met zijn rug naar mijn gezicht draaide. Daarna voelde hij met zijn rechterhand over mijn buik. Vervolgens liet hij zijn hand afzakken naar mijn vagina. Direct daarop voelde ik dat hij zijn vingers in mijn vagina bracht. Ik hoorde dat hij zei: "Wat ben je mooi, wat heb je een mooie kut." Vervolgens zei hij tegen mij dat ik mijn benen iets verder uit elkaar moest doen. Ik kon dat niet waarop hij mijn benen met lichte dwang uit elkaar duwde. Vervolgens ging hij verder met mij te vingeren. Terwijl hij dat deed, vroeg hij: "Wie had je daarnet aan de telefoon, je moet het eerlijk zeggen." Ik zei dat ik mijn vriend aan de lijn had gehad. Hij vroeg toen of mijn vriend de politie had gewaarschuwd waarop ik "nee" zei. Vervolgens vroeg hij of mijn vriend onderweg naar mij toe was. Ik zei weer "nee". Daarna vroeg hij waar mijn vriend woonde. Ik antwoordde dat hij in [stadsdeel] woonde. Ik heb al die tijd ook vragen aan hem gesteld zoals waar hij vandaan kwam, wie hij was, wat hij kwam doen en waarom hij dit deed. Hij heeft daarop niet gereageerd. Op een gegeven moment merkte ik, hoorde ik dat hij zijn gulp open deed. Ik heb toen tegen hem gezegd dat ik niet wilde dat hij in mij zou komen. Hij zei toen: "Nee, nee" met een hese stem. Dat was voor het eerst dat hij reageerde op iets wat ik tegen hem zei.

Ik hoorde en merkte aan alles dat hij zijn penis in zijn hand nam waarna hij zichzelf begon te bevredigen. Hij was toen opgehouden met mij te vingeren. Ik heb tegen hem gezegd dat hij niet op mij mocht klaarkomen. Vrij kort daarna voelde ik dat er sperma op mijn buik terecht kwam. Dat kwam ook gedeeltelijk in mijn schaamhaar terecht. Meteen daarna zei ik tegen hem dat ik wilde dat hij nu wegging. Ik zei dat hij twee trappen naar beneden moest gaan en dat hij dan via de voordeur het huis moest verlaten. Hierop zei hij: "Ja, ja, ja".

Daarna heeft hij kennelijk zijn penis weer terug in zijn broek gedaan. Ik heb toen heel voorzichtig gekeken en ik zag dat hij naast me op het bed zat. Meteen riep hij weer dat ik het kussen voor mijn gezicht moest houden. Daarna vroeg hij of er geld in de woning is. Ik heb hem gezegd dat ik geen geld had. Toen vroeg hij: "Heb je nergens in deze kamer geld?" Ik zei toen dat er in mijn paarse tas nog wel wat geld zat. Hij vroeg waar die lag. Ik heb hem dat toen aangewezen. Ik hield daarbij nog steeds het kussen voor mijn hoofd. Daarop hoorde ik dat hij de paarse rugzak kennelijk aan het leegschudden was. Hij zei dat er geen geld in zat. Ik zei toen dat mijn portefeuille (het hof begrijpt, gelet op het relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] op dossierpagina 444 en het relaas van verbalisant [verbalisant 5] op dossierpagina 447, dat aangeefster een portemonnee bedoelt) in het zijvak van de tas zat. Daarna heeft hij de rugzak, inclusief mijn portefeuille, meegenomen. Hij heeft toen de kamer verlaten.

Ik hoorde dat hij de trap afliep. Op het moment dat hij nog maar 1 trap was afgelopen, dus toen hij op de 1e verdieping was, ging de telefoon weer over. Ik durfde eerst niet op te nemen. Pas toen ik de voordeur dicht hoorde slaan, durfde ik de hoorn van de haak te nemen. Het was [Z] die toen belde. Ik moest enorm huilen en was erg emotioneel. Ik was ontzettend bang en voelde me erg vernederd.

In de portefeuille die hij van mij heeft gestolen, zaten de volgende goederen:

een bankpas op mijn naam, een OV-jaarkaart, een paspoort op mijn naam, een Effenaar-pas, een telefoonkaart, een CD-theek-pas, een oude Plaza-pas, een Stadsschouwburg-pas, een Cinematheek-pas. Verder zat er een pasfoto in van een jongen die ik ken.”

2. de verklaring van de partner [Z]

Deze aangifte vindt steun in de verklaring van [Z], de toenmalige partner van aangeefster. Deze verklaring luidt, voor zover hier van belang, als volgt.

“Ik heb een relatie met [A]. Deze relatie hebben wij reeds 2 jaar.

Op dinsdag 19 september 1995 omstreeks 00.10 uur bevond ik mij in mijn woning. Op genoemd tijdstip ging de telefoon over. Ik heb toen de telefoon opgenomen en ik had mijn vriendin [A] aan de lijn. Zij zei toen dat er bij haar aan de voordeur gebeld was en dat zij was gaan open doen. Toen zij dit gedaan had, had zij gezien dat er niemand bij haar voordeur stond. [A] vertelde mij dat zij bang was.

De reden hiervoor was dat er ongeveer een tiental dagen geleden bij haar was ingebroken. Toen was er ook vantevoren aangebeld en toen er opengedaan werd, stond er niemand bij de voordeur. Ik heb getracht om [A] gerust te stellen en ik heb haar geadviseerd om meer lampen aan te doen in het huis en te kijken of de keuken-balkondeur goed afgesloten was.

Ik heb toen ook gevraagd of zij alleen thuis was of dat er meerdere huisgenoten thuis waren. [A] zei toen dat zij alleen thuis was. [A] heeft toen de telefoon even neergelegd en de verbinding bleef in stand. Na ongeveer 30 seconden hoorde ik dat [A] de telefoon weer opnam. Gezien het tijdbestek denk ik dat [A] naar beneden is gelopen en de keuken-balkondeur heeft gecontroleerd en onderwijl enkele lampen heeft aangedaan. Ik vroeg toen aan haar of zij de lampen had aangedaan. [A] antwoordde toen dat zij dat gedaan had. Nog voordat ik kon vragen of zij de keuken-balkondeur had gecontroleerd hoorde ik dat zij zei "Ooo, kut." Dit werd op een dusdanige wijze gezegd dat ik wist dat er iets aan de hand moest zijn. Meteen hierop werd de verbinding verbroken.

Ik heb toen direct teruggebeld. Er werd niet opgenomen. Ik liet de telefoon 4 keer overgaan. Voor mij was het toen duidelijk dat er iets met [A] aan de hand moest zijn.

Ik ben toen direct naar mijn huisgenoot gegaan en ik heb 0611 gebeld. Ik heb toen verteld wat ik dacht dat er aan de hand was. Mijn huisgenoot heeft toen naar [kennis] (een kennis van ons die vlak bij [A] woont) gebeld en gezegd of hij zo snel mogelijk naar [A] wilde gaan. [kennis] zou dit doen. Ik ben mij toen razendsnel gaan aankleden, onderwijl heeft mijn huisgenoot getracht [A] te bellen. Toen [A] de telefoon opnam, heb ik de telefoon overgenomen van mijn huisgenoot. Ik had toen [A] aan de telefoon. Ik hoorde dat zij huilde en hevig geëmotioneerd was.”

3. het veiligstellen van de ochtendjas en een zedenset

3.1. Op 19 september 1995 is door de verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7], beiden technisch rechercheur bij de Afdeling Technische Ondersteuning van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, een forensisch technisch onderzoek ingesteld in het perceel [adres A] te Eindhoven. Dit onderzoek vond plaats naar aanleiding van een in voornoemd pand gepleegd zedenmisdrijf waarbij de dader via het dakraam de slaapkamer van het slachtoffer zou zijn binnengedrongen.

3.2. Het van dat forensisch technisch onderzoek opgemaakte proces-verbaal vermeldt als personalia van het slachtoffer: “[verkeerd gespelde voornaam A] (het hof leest: [correct gespelde voornaam A]) [achternaam A], geboren op [geboortedatum A] te [geboorteplaats A], op de pleegdatum wonende te Eindhoven, [adres A]”.

3.3. Onder meer de volgende goederen/sporen werden voor onderzoek veiliggesteld:

- de ochtendjas die het slachtoffer tijdens het misdrijf droeg;

- een zedenset van het slachtoffer [achternaam A].

3.4. Deze goederen/sporen zijn verzonden naar het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk met het verzoek deze te onderzoeken op de aanwezigheid van onder meer sperma.

4. het onderzoek naar sperma op de ochtendjas in 1995

4.1. Blijkens een rapport van het Gerechtelijk Laboratorium, opgemaakt onder zaaknummer 95.09.26.009, werd op 26 september 1995 van de Technische Recherche Brabant Zuid-Oost het volgende materiaal ontvangen: een ochtendjas en een zedenset, beide van “het slachtoffer [A met verkeerde voorletters]”.

4.2. Het hof overweegt dat het slachtoffer in dit rapport wordt aangeduid met de voorletters “[verkeerde voorletters A]”, hetgeen kennelijk een gevolg is van de door de politie gehanteerde foutieve schrijfwijze van haar voornaam ([verkeerd gespelde voornaam A] in plaats van [correct gespelde voornaam A]). Buiten twijfel staat dat dit rapport - dat als onderwerp draagt: “Sperma-, haar- en vezelonderzoek naar aanleiding van een zedendelict te Eindhoven op 19 september 1995” - betrekking heeft op onderzoek aan de op 19 september 1995 in het pand [adres A] te Eindhoven in beslag genomen ochtendjas van [A].

4.3. Ten aanzien van deze ochtendjas heeft Ir. H.J.T. Janssen het volgende gerapporteerd:

“Van het materiaal aan de binnenzijde aan de linkerzijde en onder de zak van de ochtendjas (..) van het slachtoffer [A met verkeerde voorletters] werd een microscooppreparaat vervaardigd wat met zuur fuchsine werd gekleurd. In dit preparaat werden spermatozoa aangetroffen die door hun specifieke vorm en afmeting met zekerheid als zodanig herkend zijn.

CONCLUSIE

(..)

In het materiaal van de ochtendjas (..) van het slachtoffer [A met verkeerde voorletters] kon de aanwezigheid van een kleine hoeveelheid sperma worden aangetoond.

Het spermaspoor van de ochtendjas (..) van het slachtoffer [A met verkeerde voorletters] blijft op het Gerechtelijk Laboratorium bewaard voor een eventueel later uit te voeren vergelijkend DNA-onderzoek.”

5. de afname van referentiemonsters wangslijmvlies in 2007

5.1. Op 5 april 2007 werd van de verdachte wangslijmvlies afgenomen ter bepaling van zijn DNA-profiel. Het celmateriaal werd voorzien van identiteitszegel REU104.

5.2. Op 27 april 2007 werd van [Z] eveneens wangslijmvlies afgenomen ter bepaling van diens DNA-profiel. Het celmateriaal werd voorzien van identiteitszegel RFN566.

6. het DNA-onderzoek aan de ochtendjas in 2009

6.1. Nadat bij DNA-onderzoek in 2007 aanvankelijk slechts bleek van een match tussen het DNA-profiel van het sperma op de ochtendjas en het DNA-profiel van [Z], en niet van een match met het DNA-profiel van de verdachte, heeft het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) in 2009 aanvullend DNA-onderzoek aan de ochtendjas verricht.

6.2. Laatstgenoemd onderzoek heeft geresulteerd in een rapportage van dr. I.E.P.M. Blom van het NFI d.d. 15 januari 2009. Deze rapportage is opgemaakt onder zaaknummer 1995.09.26.009 en draagt als onderwerp: “Aanvullend onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van aangifte van een zedenmisdrijf gepleegd in Eindhoven op 19 september 1995”.

6.3. Genoemde rapportage houdt ten aanzien van de in 1995 en in 2009 uitgevoerde onderzoeken aan de ochtendjas van aangeefster onder meer het volgende in.

“Stukjes van de ochtendjas [ABT002]

Sperma-onderzoek (1995)

De ochtendjas [ABT002] is in 1995 onderworpen aan een onderzoek naar sperma. Bij dit onderzoek is aan de binnenzijde van de linkerzijde van de ochtendjas onder de zak sperma aangetroffen. Hierbij zijn op deze locatie elf stukjes stof uitgeknipt uit de ochtendjas en gezamenlijk veiliggesteld als [ABT002]#1. In 1999 is één van deze stukjes stof onderworpen aan een DNA-onderzoek.

(..)

Sperma-onderzoek (2009)

(..)

De tien overgebleven stukjes stof die destijds veiliggesteld zijn als [ABT002]#1 van de linkerzijde van de ochtendjas onder de zak zijn opnieuw onderworpen aan een onderzoek naar de aanwezigheid van sperma. Hierbij is op alle stukjes stof sperma aangetroffen. De tien stukjes stof zijn separaat veiliggesteld als [ABT002]#3 tot en met #12 voor een DNA-onderzoek.”

6.4. Bij het isoleren van het DNA uit de stukjes stof [ABT002]#3 tot en met #12 van de ochtendjas is door het NFI gebruik gemaakt van de zogenaamde differentiële lysis-techniek. De rapportage houdt de volgende toelichting in op deze techniek.

“Spermacelfractie en fractie van overige cellen

Het isoleren van het DNA uit bemonsteringen van (mogelijke) spermasporen gebeurt met de zogenoemde ‘differentiële lysis’-techniek. Deze techniek scheidt de spermacellen van de overige typen cellen (zoals bijvoorbeeld vaginale cellen en huidcellen). Dit resulteert voor elk bemonsterd spermaspoor in twee fracties: een fractie met spermacellen (de spermacelfractie) en een fractie van de overige cellen (de fractie van overige cellen). Van beide fracties wordt vervolgens getracht een DNA-profiel te bepalen.

In de praktijk blijkt dat er lang niet altijd een volledige scheiding plaatsvindt van DNA van spermacellen en DNA van overige cellen. Hierdoor is het mogelijk dat in de spermacelfractie zich ook DNA van overige cellen bevindt en dat in de fractie van overige cellen zich ook DNA van spermacellen bevindt.”

6.5. Bij het DNA-onderzoek bleek dat de DNA-profielen van de verdachte en [Z] matchen met een DNA-mengprofiel dat werd verkregen van het DNA in de spermacelfractie van het stukje stof [ABT002]#5. Ten aanzien van deze match en de statistische evaluatie van de match met het DNA-profiel van de verdachte houdt de rapportage het volgende in.

“Spermacelfractie van het stukje stof [ABT002]#5

Van het DNA in de spermacelfractie van het stukje stof [ABT002]#5 is een DNA-mengprofiel verkregen waarin DNA-kenmerken zichtbaar zijn van minimaal twee personen.

De DNA-profielen van de verdachte [verdachte] [REU104] en de getuige [Z] [RFN566] matchen met dit DNA-mengprofiel. Dit betekent dat de spermacelfractie van het stukje stof [ABT002]#5 bestaat uit sperma dat afkomstig kan zijn van de verdachte [verdachte], vermengd met sperma dat afkomstig kan zijn van [Z].

Statistische evaluatie DNA-mengprofiel spermacelfractie [ABT002]#5

Voor het berekenen van de wetenschappelijk[e] bewijswaarde van de gevonden match van het DNA-profiel van de verdachte [verdachte] [REU104] met het DNA-mengprofiel van de spermacelfractie in de bemonstering [ABT002]#5 kunnen meerdere methoden gebruikt worden. In deze rapportage worden de volgende methoden gebruikt:

1) Inclusiekans van het mengprofiel (..)

2) Match kans van een (gedeeltelijk) afgeleid DNA-profiel (..)

1) Inclusiekans

De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-mengprofiel is ongeveer één op 100 duizend.

2) Match kans van een (gedeeltelijk) afgeleid DNA-profiel

In de spermacelfracties van de stukjes stof #3, #4 en #6 tot en met #12 zijn matches gevonden met het DNA-profiel van [Z]. Onder de aanname dat [Z] daadwerkelijk één van de donoren van het sperma in deze bemonsteringen is (en ook in #5), kan het DNA-profiel van de tweede spermadonor in de spermacelfractie van de bemonstering [ABT002]#5 worden afgeleid. Dit afgeleide DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van [verdachte]. De berekende frequentie van het afgeleide DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard. Ofwel, de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit afgeleide DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.”

6.6. Bij vergelijking van het hiervoor genoemde afgeleide DNA-profiel met de in de DNA-databank voor strafzaken aanwezige DNA-profielen, bleek dat dit afgeleide DNA-profiel slechts matchte met het DNA-profiel van de verdachte. De rapportage houdt dienaangaande het volgende in.

“Het afgeleide DNA-profiel van het sperma in het stukje stof [ABT002]#5 is op 15 januari 2008 (het hof leest: 2009) opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken en vergeleken met de daarin aanwezige DNA-profielen. Bij deze vergelijking zijn geen andere matches gevonden dan de eerder gevonden match met het DNA-profiel van de verdachte [verdachte] [REU104]. De matchende

DNA-profielen zijn geregistreerd onder profielcluster 11.371. De gegevens van de zaken in profielcluster 11.371 zijn als bijlage aan dit rapport gevoegd.”

6.7. De hiervoor genoemde bijlage bevat het volgende overzicht van de matchende DNA-profielen die bij het NFI zijn geregistreerd onder DNA-profielcluster 11.371.

“NFI-zaaknummer: 1995.09.26.009

(..)

DNA-identiteitszegel: ABT002#05SF

Delict: Zeden, verkrachting

(..)

Soort DNA-profiel: afgeleid SGM-plus mengprofiel

Berekende frequentie DNA-profiel: kleiner dan één op één miljard

Datum opname DNA-databank: 15 januari 2009

NFI-zaaknummer: 2007.04.12.003

(..)

Stuk van overtuiging: referentiemonster wangslijmvlies van [verdachte] (geboren op [datum in 1964])

DNA-identiteitszegel: REU104

Delict: Zeden, verkrachting

(..)

Soort DNA-profiel: volledig SGM-plus profiel”

7. het verzoek tot een contra-expertise

7.1. In hoger beroep heeft het hof op verzoek van de verdediging een door ing. R. Eikelenboom, forensisch onderzoeker bij Independent Forensic Services (hierna: IFS), te verrichten contra-expertise gelast. Het onderzoek door ing. R. Eikelenboom heeft geresulteerd in een rapportage van IFS d.d. 13 juni 2010.

7.2. Deze contra-expertise strekte zich uit tot zowel het onderzoek door het NFI aan de ochtendjas als het - na te melden - onderzoek door het Engelse laboratorium Control Risks aan de bij aangeefster afgenomen vaginale bemonsteringen.

7.3. Ten behoeve van de contra-expertise heeft IFS van het NFI diverse DNA-extracten ontvangen, waaronder een extract met de monstercode “ABT002#05 SF” en de beschrijving “Spermafractie ABT002#05”.

7.4. Tevens werden door IFS referentiemonsters wangslijmvlies van aangeefster [A] en van [Z] ontvangen. Laatstgenoemd referentiemonster draagt de monstercode “RFN566”.

7.5. Blijkens de rapportage van IFS werden voorts de onderstaande referentiemonsters van de verdachte ontvangen.

“Monstercode: REU104

Beschrijving monster: Extract van referentiemonster

Persoon: [verdachte]

Datum ontvangst: 29-10-2009

Ontvangen van: NFI

Monstercode: REU104_3

Beschrijving monster: Referentiemonster wangslijmvlies

Persoon: [verdachte]

Datum ontvangst: 7-12-2009

Ontvangen van: NFI

Monstercode: RAAH5491NL

Beschrijving monster: Referentiemonster wangslijmvlies

Persoon: [verdachte]

Datum ontvangst: 20-4-2010

Ontvangen van: Politie Brabant ZO”

7.6. Het referentiemonster wangslijmvlies RAAH5491NL werd op 20 april 2010 bij de verdachte afgenomen. Het celmateriaal werd op de voorgeschreven wijze verpakt en voorzien van een identiteitszegel. De verpakking werd overgebracht naar IFS. Op diezelfde dag, 20 april 2010, werd de verzegelde verpakking bij IFS geopend, waarna het referentiemonster door [verbalisant 8], brigadier bij de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, werd overhandigd aan [onderzoeker], forensisch onderzoeker bij IFS.

7.7. Uit de onderstaande bevinding van IFS blijkt dat de DNA-profielen van de hiervoor genoemde referentiemonsters van de verdachte onderling overeenkomen. Op grond daarvan staat naar het oordeel van het hof buiten twijfel vast dat het NFI en IFS bij hun respectievelijke onderzoeken gebruik hebben gemaakt van (een) bij de verdachte afgenomen referentiemonster(s) wangslijmvlies.

“(..) IFS [heeft] een nieuw referentiemonster van de verdachte [verdachte] opgevraagd. Uiteindelijk heeft IFS autosomale en Y-chromosomale DNA-profielen gegenereerd van extracten, vervaardigd door het NFI met identiteitscode REU104, van een referentiemonster met identiteitscode REU104 en van het nieuwe referentiemonster van de verdachte [verdachte] met identiteitscode RAAH5491NL. Alle profielen kwamen onderling overeen.”

8. de contra-expertise ten aanzien van de ochtendjas

8.1. De rapportage van IFS houdt ten aanzien van de sperma(cel)fractie van de bemonstering [ABT002]#05 van de ochtendjas/badjas het volgende in.

“Bemonstering badjas ABT002#05

In deze bemonstering is door het NFI sperma aangetroffen.

(..)

Bemonstering badjas ABT002#05 spermafractie

Uit de spermafractie van de bemonstering ABT002#05 van de badjas hebben zowel het NFI als IFS DNA-mengprofielen verkregen. De profielen die door het NFI en IFS zijn verkregen komen overeen. De autosomale en Y-chromosomale DNA-mengprofielen van de bemonstering matchen met de profielen van de betrokkene [Z] en de verdachte [verdachte]. De verkregen profielen kunnen volledig worden verklaard door de aanwezigheid van celmateriaal van de betrokkene [Z], gemengd met celmateriaal van de verdachte [verdachte].

Op grond van de DNA-resultaten is er veel steun voor de hypothese, dat de betrokkene [Z] en de verdachte [verdachte] DNA hebben bijgedragen aan deze fractie.

Beschouwing bemonstering badjas ABT002#05

(..)

In de spermafracties van andere bemonsteringen wordt alleen het profiel van de betrokkene [Z] herkend en niet dat van het slachtoffer (alleen van de spermafractie ABT002#10 is een resultaat verkregen, dat wijst op de aanwezigheid van een zeer geringe hoeveelheid celmateriaal van het slachtoffer). Dit wijst erop dat bij de spermafracties de scheiding tussen spermacellen en overige cellen in principe goed is gelukt. Het gegeven, dat in de spermafractie van de bemonstering ABT002#05 eveneens een match is verkregen met het profiel van de verdachte [verdachte], vergroot de kans dat hij sperma heeft gedoneerd aan deze bemonstering.

(..)

De gemeten concentraties DNA in het extract, samen met de verkregen DNA-profielen van deze bemonstering, geven steun aan de hypothese, dat zowel de betrokkene [Z] als de verdachte [verdachte] celmateriaal van goede kwaliteit aan deze bemonstering hebben bijgedragen. Dit gegeven vergroot de kans dat de DNA-profielen zijn ontstaan uit een DNA-rijke bron zoals sperma of bloed.

Op grond van het biologisch sporenonderzoek en de DNA-resultaten van deze bemonstering is er steun voor de hypothese dat ook de verdachte [verdachte] sperma aan deze bemonstering heeft bijgedragen.”

8.2. Zoals hiervoor onder 6.5 werd overwogen, heeft het NFI aan de hand van twee methoden een berekening gemaakt van de wetenschappelijke bewijswaarde van de gevonden match van het DNA-profiel van de verdachte met het DNA-mengprofiel van de spermacelfractie in de bemonstering [ABT002]#5.

8.3. Ten aanzien van één van deze methoden - waarbij ing. R. Eikelenboom kennelijk het oog heeft op de door het NFI berekende “inclusiekans” - houdt de rapportage van IFS het volgende in.

“Het NFI heeft statistische berekeningen uitgevoerd aan het verkregen DNA-mengprofiel, waarbij wordt geconcludeerd dat “de kans dat een willekeurig persoon matcht met dit DNA-mengprofiel (..) ongeveer 1 op de 100 duizend [is]”. Tijdens het onderzoek heeft IFS het aantal autosomale loci die overeenkomen met het profiel van de verdachte [verdachte], uitgebreid tot zestien. Daarnaast zijn door IFS nog zestien matchende Y-chromosomale loci aangetroffen. Het statistische bewijs tegen de verdachte [verdachte] is hierdoor aanzienlijk sterker geworden.”

9. het onderzoek door Control Risks aan de zedenset

9.1. Zoals hiervoor onder 3.3 werd overwogen, werd op 19 september 1995 een zedenset van het slachtoffer [A] voor onderzoek veiliggesteld.

9.2. Uit informatie van het NFI blijkt dat de veiliggestelde sporen van de zedenset [ABT001] op 28 februari 2008 werden overgedragen aan het laboratorium Control Risks, waarna Control Risks DNA-onderzoek aan deze sporen heeft verricht.

9.3. In een rapportage d.d. 2 april 2008 heeft Control Risks omtrent de overdracht van deze zedenset het volgende vermeld. Het hof merkt daarbij op dat de uitstrijkmonsters daarbij wisselend worden aangeduid als ATB001 en ABT001. Uit de inhoud van deze rapportage van Control Risks, bezien in samenhang met de onder 9.2 bedoelde informatie van het NFI, blijkt genoegzaam dat telkens wordt gedoeld op de uitstrijkmonsters uit de zedenset [ABT001] van aangeefster [A].

“(..) [D]e volgende intieme uitstrijkmonsters [werden] genomen van [A]:

ATB001/1 – vagina

ATB001/2 – cervix (baarmoederhals)

ATB001/3 – introïtus

(..)

Op 28 februari 2008 werden de resten van bovengenoemde uitstrijkmonsters handmatig overgedragen door [naam 1] van het NFI aan dhr. [naam 2] van Control Risks, Network Forensics. Op diezelfde datum droeg dhr. [naam 2] vervolgens deze voorwerpen over aan dhr. [naam 3] van ons laboratorium in Thatcham, waar zij de volgende dag werden ontvangen.

(..)

Op 10 maart 2008 droeg ik de resten van de drie uitstrijkmonsters (ABT001/1-3) over aan het aan ons gelieerde DNA-instituut, Orchid Cellmark Forensic Services, voor analyse met gebruikmaking van de Y-STR methode, specifiek voor mannelijk DNA.”

9.4. Blijkens onderstaand citaat uit de rapportage heeft Control Risks van de uitstrijkmonsters van aangeefster [A] een DNA-extract verkregen.

“De resten van de uitstrijkmonsters (ABT001/1-3) zijn samengevoegd en geëxtraheerd als een enkel samengevoegd monster voor Y-STR analyse.”

9.5. De rapportage van Control Risks spreekt in dit verband van “het DNA-extract, dat werd verkregen uit de samengevoegde resten van de intieme uitstrijkmonsters (ABT001/1-3)”.

10. de contra-expertise ten aanzien van de zedenset

10.1. Ten behoeve van de contra-expertise heeft IFS van Control Risks een DNA-extract met monstercode C126483 ontvangen.

10.2. Omtrent dit extract heeft IFS het volgende gerapporteerd.

“Op grond van de uit het extract C126483 verkregen autosomale DNA-profielen van de vaginale uitstrijkjes is er veel steun voor de hypothese, dat het slachtoffer [A] celmateriaal aan dit extract van de bemonsteringen heeft bijgedragen en dat deze bemonsteringen daadwerkelijk bij haar zijn afgenomen.”

10.3. Bij onderzoek door IFS bleek het Y-chromosomale DNA-profiel dat werd verkregen uit extract C126483, overeen te komen met het Y-chromosomale DNA-profiel van de verdachte. De rapportage van IFS houdt daaromtrent het volgende in.

“Uit het extract C126483 heeft Control Risks een Y-chromosomaal DNA-profiel verkregen (..). Normaliter komt bij Y-chromosomaal DNA-onderzoek aan een referentiemonster, per locus één allel voor, in het DNA-profiel zichtbaar als één piekje. Een uitzondering hierop is het locus DYS385, waarvan bekend is dat op het betreffende chromosoom een duplicatie van het locus heeft plaatsgevonden. Hierdoor kunnen twee verschillende allelen aanwezig zijn, die in het piekenprofiel als twee pieken zichtbaar kunnen zijn. Duplicatie van een locus, zoals bij DYS385, kan ook bij andere loci optreden. Dit is echter veel zeldzamer en wordt daardoor niet vaak aangetroffen. (..)

[D]e verdachte [verdachte] [beschikt] bij de loci DYS389II en DYS439 niet over één allel, zoals normaal, maar over twee allelen. Dit betekent dat als de verdachte [verdachte] celmateriaal aan een bemonstering heeft gedoneerd, men kan verwachten dat op de genoemde loci twee allelen, dus twee pieken, opkomen.

(..)

De Y-chromosomale DNA-profielen die door Control Risks en IFS uit het extract C126483 zijn verkregen, komen overeen. De Y-chromosomale DNA-profielen matchen met het profiel van de verdachte [verdachte]. (..) In alle profielen worden op dezelfde locaties pieken waargenomen.

Op grond van de Y-chromosomale DNA-resultaten is er steun voor de hypothese, dat de verdachte [verdachte], of een familielid in de mannelijke lijn, DNA heeft bijgedragen aan dit extract. (..)”

11. de slotbeschouwing van IFS

De rapportage van IFS bevat de volgende slotbeschouwing:

“Op grond van de resultaten van het biologisch sporen- en DNA-onderzoek - het autosomale DNA-profiel van het sperma op de badjas en het in de inwendige uitstrijkjes aangetroffen Y-chromosomale DNA-profiel die van hem afkomstig kunnen zijn - is er steun voor de hypothese dat de verdachte [verdachte] seksuele handelingen heeft verricht met het slachtoffer [A].”

Feiten 1 en 2: door de verdediging gevoerde verweren

De verdachte heeft erkend mensen in hun woningen te hebben begluurd, maar heeft iedere vorm van betrokkenheid bij de ten laste gelegde feiten ontkend.

De verdediging heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat er - op gronden als vervat in de pleitnota - getwijfeld dient te worden aan de uitkomsten van de door het NFI en IFS verrichte onderzoeken. Ter onderbouwing van dit verweer is in de kern aangevoerd dat de “chain of evidence/custody” niet intact is gebleven, hetgeen de betrouwbaarheid van de bevindingen raakt.

• sperma op de ochtendjas

De verdediging heeft aangevoerd dat de stukjes stof van de ochtendjas waren verbruikt (opgebruikt) bij het onderzoek door het NFI, waardoor IFS de bron van de door het NFI geleverde gegevens niet heeft kunnen onderzoeken.

Naar het oordeel van het hof staat op grond van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden vast dat het stukje stof [ABT002]#5 onderdeel uitmaakte van de ochtendjas die aangeefster [A] droeg ten tijde van het onder 1 en 2 ten laste gelegde, alsmede dat zich op dat stukje stof sperma bevond.

Dit wordt niet anders door het enkele feit dat bij het onderzoek door het NFI alle stukjes stof van de ochtendjas zijn verbruikt, waardoor tijdens het onderzoek door IFS geen stof van de ochtendjas (het “ruwe materiaal”) meer beschikbaar was voor de contra-expertise. Het feit dat de stof van de ochtendjas was verbruikt, betekent immers slechts dat ten aanzien van dát gedeelte van het NFI-onderzoek - dat wil zeggen het onderzoek aan de stof zelf - geen contra-expertise kon worden verricht. De rapportage van IFS houdt dienaangaande slechts in dat IFS hierdoor de aanwezigheid van sperma op de ochtendjas niet kon bevestigen. Die rapportage houdt niet in dat het NFI ten onrechte heeft geconcludeerd dat er zich sperma op (onder meer) het stukje stof [ABT002]#5 bevond.

Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van die conclusie van het NFI. Dit geldt te meer, nu bij een eerder onderzoek - door het toenmalige Gerechtelijk Laboratorium in 1995 (zie hiervoor onder 4.3) - eveneens sperma werd aangetroffen op de binnenzijde aan de linkerzijde en onder de zak van de ochtendjas. Daarbij werden in een microscooppreparaat spermatozoa aangetroffen die door hun specifieke vorm en afmeting met zekerheid als zodanig herkend zijn.

Het hof verwerpt het verweer.

• hoeveelheid sperma van de verdachte op de ochtendjas

De verdediging heeft - onder verwijzing naar een beschouwing van IFS (kennelijk wordt gedoeld op pagina 32, punt 6, van de rapportage) - aangevoerd dat, indien de dader heeft geëjaculeerd op de buik van aangeefster, daarbij sperma op de ochtendjas terecht kan zijn gekomen, maar dat het onwaarschijnlijk is dat dit slechts één druppeltje betreft dat bij toeval is terechtgekomen op exact dezelfde locatie als de andere spermavlekjes.

De rapportage van IFS houdt in dit verband in: “Waar de rest van het sperma, dat door de dader moet zijn achtergelaten, is gebleven, blijft onduidelijk.” (pagina 32, punt 6), alsmede - na de beschouwing dat er steun is voor de hypothese dat de verdachte sperma heeft bijgedragen aan de bemonstering ABT002#05 - dat opmerkelijk is dat verder nergens op de ochtendjas sperma is aangetroffen dat van de verdachte afkomstig kan zijn (pagina 22).

Ter terechtzitting van het hof d.d. 30 juni 2010 heeft de deskundige dr. I.E.P.M. Blom van het NFI - naar aanleiding van de beschouwing op pagina 22 van de rapportage van IFS - verklaard dat de conclusie, inhoudende dat op de rest van de ochtendjas geen sperma van de verdachte is aangetroffen, niet kan worden getrokken. Slechts een klein gedeelte van de ochtendjas is na het onderzoek in 1995 bewaard gebleven. In 1995 was de gebruikelijke gang van zaken dat de ochtendjas werd onderzocht en dat, wanneer er sperma werd aangetroffen, dát gedeelte van de ochtendjas werd veiliggesteld. De andere delen van de ochtendjas werden dan niet per se verder onderzocht. Omdat die andere delen van de ochtendjas niet bewaard zijn gebleven en derhalve niet beschikbaar waren bij het onderzoek van het NFI in 2009, kan niet worden geconcludeerd dat op de rest van de ochtendjas geen sperma van de verdachte aanwezig was, aldus dr. Blom.

In het dossier bevindt zich voorts een brief van mr. H.A.A. Vrijhoeven, forensisch officier van justitie, aan de advocaat-generaal d.d. 18 januari 2010. Deze brief houdt in dat de ochtendjas in februari 1996 is geretourneerd aan de politie en vervolgens medio 1996 aan de beslagene. Tijdens een forensisch voortgangsgesprek in augustus 2008 bleek dat de ochtendjas - met uitzondering van ongeveer 10 centimeter materiaal, dat uit de ochtendjas was gesneden - zich niet meer bij het NFI bevond.

Op grond van de verklaring van dr. Blom en de inhoud van de brief van mr. Vrijhoeven stelt het hof vast dat in 1995 slechts ongeveer 10 centimeter stof van de ochtendjas voor onderzoek werd veiliggesteld, zodat de conclusie dat verder nergens op de ochtendjas sperma is aangetroffen dat van de verdachte afkomstig kan zijn, niet kan worden getrokken.

Het verweer, dat op die conclusie is gebaseerd, mist derhalve feitelijke grondslag. Het hof verwerpt het verweer.

• werkextracten of contra-extracten

De verdediging heeft aangevoerd dat er in deze zaak, anders dan gebruikelijk is, geen contra-extracten door het NFI zijn geleverd aan IFS en dat IFS waarschijnlijk heeft gewerkt met de werkextracten van het NFI.

Het hof overweegt dienaangaande dat uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat het NFI aan IFS de - ten behoeve van een contra-expertise vervaardigde - contra-extracten heeft overgedragen. De onduidelijkheid die hierover aanvankelijk heeft bestaan, is weggenomen door de inhoud van de brief van mr. Th.F. Ondrácek van het NFI aan de advocaat-generaal d.d. 10 februari 2010 en het e-mailbericht van mr. Th.F. Ondrácek aan het ressortsparket d.d. 12 februari 2010, zoals gehecht aan het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof d.d. 28 april 2010.

Ter terechtzitting van het hof d.d. 30 juni 2010 heeft de deskundige dr. Blom bevestigd dat het NFI de contra-extracten aan IFS heeft overgedragen.

Het verweer mist derhalve feitelijke grondslag. Het hof verwerpt het verweer.

• het traject van de zedenset

De verdediging heeft aangevoerd dat het doorlopen traject van bemonsteringen tot het extract C126483 niet inzichtelijk is geworden.

Het hof is van oordeel dat uit hetgeen hiervoor onder 9.2 en 9.3 is vastgesteld, het traject van de overdracht van de zedenset door het NFI aan Control Risks - en ook binnen Control Risks - voldoende inzichtelijk is geworden.

Uit hetgeen hiervoor onder 10.1 en 10.2 is vastgesteld, leidt het hof voorts af dat het door Control Risks aan IFS overgedragen extract C126483, het hiervoor onder 9.4 en 9.5 bedoelde extract is dat door Control Risks werd verkregen van de uitstrijkjes die bij [A] zijn afgenomen. Uit de rapportage van IFS (pagina 34, punt 11) blijkt dat ook IFS daarvan uitgaat.

Ambtshalve overweegt het hof nog dat het feit dat het uit voormeld extract verkregen Y-chromosomaal DNA-profiel niet overeenkomt met het profiel van [Z], hieraan niet afdoet. Uit de rapportage van IFS (pagina 33, punt 9) blijkt immers dat dit feit kan worden verklaard, doordat [Z] in de twee dagen voorafgaand aan de verkrachting geen gemeenschap met het slachtoffer heeft gehad.

Het hof verwerpt het verweer.

• conclusies van Control Risks

De verdediging heeft aangevoerd dat dient te worden getwijfeld aan de bevindingen van IFS ten aanzien van het extract C126483, aangezien de bevindingen van Control Risks en IFS op dat punt haaks op elkaar staan.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Blijkens de rapportage d.d. 2 april 2008 heeft Control Risks het uit de uitstrijkjes verkregen Y-chromosomaal DNA-profiel geïnterpreteerd als een DNA-mengprofiel, te weten een profiel waarin de DNA-kenmerken van meer dan één mannelijk persoon zichtbaar zijn.

In diezelfde rapportage heeft Control Risks vermeld dat het verkregen DNA-profiel kan worden vergeleken met een referentiemonster van de verdachte. Daarbij werd in overweging gegeven om, naast een referentiemonster van de verdachte, eveneens een referentiemonster over te dragen van de man met wie aangeefster voor het laatst seksuele gemeenschap had gehad. Het NFI heeft vervolgens referentiemonsters wangslijmvlies van [Z] en - naar men dacht - de verdachte aan Control Risks overgedragen.

Op 12 mei 2008 heeft Control Risks, na ontvangst van deze twee referentiemonsters, aanvullend gerapporteerd dat de verdachte en [Z] kunnen worden uitgesloten als donoren van celmateriaal aan de bemonstering van de vaginale uitstrijkjes van aangeefster [A].

In het dossier bevindt zich een brief van dr. Blom aan de advocaat-generaal d.d. 15 juni 2010, waarin zij schrijft dat zij bij bestudering van het NFI-dossier heeft opgemerkt dat per abuis een verkeerd referentiemonster wangslijm aan Control Risks is overgedragen. In plaats van het referentiemonster [REU104] (van de verdachte) is het referentiemonster [RFU104] (van een persoon zonder relatie met deze zaak) aan Control Risks overgedragen. Deze brief houdt overigens tevens in dat aan IFS op 7 december 2009 het juiste referentiemonster [REU104] is overgedragen, alsmede dat er geen twijfel bestaat aan de integriteit van de bemonsteringen van het sporenmateriaal en de referentiemonsters die bij het onderzoek van het NFI zijn gebruikt.

Ter terechtzitting van het hof d.d. 30 juni 2010 heeft de deskundige dr. Blom de overdracht van een verkeerd referentiemonster aan Control Risks bevestigd. De verwisseling van de referentiemonsters [REU104] en [RFU104] bij de overdracht aan Control Risks vindt voorts bevestiging in de rapportages van Control Risks d.d. 12 mei 2008 (pagina 2) en van IFS d.d. 13 juni 2010 (pagina 29).

Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat Control Risks op grond van een onjuist referentiemonster en derhalve ten onrechte heeft geconcludeerd dat de verdachte kan worden uitgesloten als donor van celmateriaal aan de bemonstering van de vaginale uitstrijkjes van aangeefster [A]. Die door Control Risks gerapporteerde conclusie heeft derhalve voor de verdachte geen ontlastende waarde.

De rapportage van IFS houdt voorts in dat er aanzienlijke steun is voor de hypothese dat Control Risks het uit de uitstrijkjes verkregen Y-chromosomaal DNA-profiel ten onrechte heeft geïnterpreteerd als een DNA-mengprofiel. Deze stelling van IFS wordt, mede aan de hand van grafieken, onderbouwd met de hiervoor onder 10.3 geciteerde uiteenzetting over de - zeldzame - duplicatie van de loci DYS389II en DYS439 (pagina’s 27-29).

IFS heeft in dat kader nog het volgende gerapporteerd:

“Wanneer een persoon beschikt over twee allelen op andere loci dan DYS385, dan kunnen uit de resultaten van bemonsteringen, waaraan deze persoon celmateriaal heeft bijgedragen, verkeerde conclusies worden getrokken. Immers, wanneer twee allelen worden waargenomen op loci waar men er één verwacht, kan worden geconcludeerd dat het hier gaat om een DNA-mengprofiel.”

Het hof acht deze uiteenzetting door IFS, zoals die ook door de deskundige ing. R. Eikelenboom ter terechtzitting van het hof d.d. 30 juni 2010 is toegelicht, inzichtelijk en overtuigend. In dit oordeel ziet het hof zich gesterkt door het feit dat Control Risks in de rapportage d.d. 2 april 2008 (pagina 4, punt 18) slechts het locus DYS385 - en niet tevens de loci DYS389II en DYS439 - beschrijft als een locus waarvan bekend is dat daarvan duplicatie heeft plaatsgevonden.

Op grond van de bevindingen van IFS stelt het hof vast dat het Y-chromosomale DNA-profiel uit de uitstrijkjes een DNA-profiel is (niet zijnde een DNA-mengprofiel) dat overeenkomt met het profiel van de verdachte.

Het hof verwerpt het verweer.

• “onbekend” DNA-materiaal

Naast het reeds genoemde DNA-extract C126483, heeft IFS ook een DNA-extract C126484 van Control Risks ontvangen.

De verdediging heeft betoogd dat niet is uitgesloten dat een onbekende een hoeveelheid DNA-materiaal heeft gedoneerd aan laatstgenoemd extract. Tevens is aangevoerd dat een onbekende man een geringe hoeveelheid celmateriaal heeft gedoneerd aan het Y-chromosomaal DNA-profiel dat werd verkregen van de bemonstering ABT002#02 van de ochtendjas. Niet kan worden uitgesloten dat deze persoon, en niet de verdachte, bij de verkrachting is betrokken, aldus de verdediging.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Voorop dient te worden gesteld dat - anders dan het verweer tot uitgangspunt lijkt te nemen - de rapportage van IFS geen grond biedt voor de aanname dat de aangetroffen hoeveelheden onbekend celmateriaal in het extract C126484 en de bemonstering ABT002#02 van dezelfde onbekende persoon afkomstig zijn.

De rapportage van IFS houdt het volgende in (pagina 36, punten 23-25):

“Uit extract C126484, waarschijnlijk eveneens afkomstig van de uitstrijkjes, zijn door IFS slechts twee autosomale DNA-kenmerken verkregen. Het resultaat kan zijn ontstaan door de aanwezigheid van zeer geringe hoeveelheden celmateriaal van het slachtoffer [A] en de betrokkene [Z]. Het is niet uitgesloten dat een onbekende een zeer geringe hoeveelheid DNA aan dit extract heeft gedoneerd. De technische bewijswaarde van de aangetroffen kenmerken is zeer gering.

Tenminste één onbekende man heeft een geringe hoeveelheid celmateriaal gedoneerd aan het Y-chromosomaal DNA-profiel, afkomstig van de bemonstering ABT002#02. Het type celmateriaal, dat door deze persoon kan zijn bijgedragen, is onbekend. Het kan niet worden uitgesloten dat deze persoon bij dit misdrijf is betrokken. Er worden echter in de verder verkregen profielen geen kenmerken aangetroffen, die van deze persoon afkomstig kunnen zijn.

Het gegeven dat tijdens het uitgebreide DNA-onderzoek bij een aantal bemonsteringen enkele “losse” DNA-kenmerken zijn verkregen, voegt weinig toe aan de zaak. In bijna iedere zaak, waarin met gevoelige methoden wordt gewerkt, worden deze “losse” kenmerken aangetroffen. Deze kunnen zijn veroorzaakt door zeer geringe hoeveelheden celmateriaal van personen, waarmee het slachtoffer contact heeft gehad of doordat onderzoekers kleine contaminaties hebben veroorzaakt.”

Ten aanzien van het extract C126484 overweegt het hof als volgt.

In aanmerking genomen dat:

- slechts “niet is uitgesloten” dat een onbekende DNA heeft gedoneerd;

- er sprake is van een zeer geringe hoeveelheid DNA;

- de technische bewijswaarde van de aangetroffen kenmerken zeer gering is;

- de aangetroffen “losse” DNA-kenmerken kunnen zijn veroorzaakt door bijvoorbeeld kleine contaminaties;

kan de bedoelde onbekende persoon naar het oordeel van het hof in redelijkheid worden uitgesloten als de dader.

Ten aanzien van de bemonstering ABT002#02 overweegt het hof als volgt.

In aanmerking genomen dat:

- er sprake is van een geringe hoeveelheid celmateriaal;

- die geringe hoeveelheid celmateriaal is aangetroffen op een stukje stof waarop - blijkens de rapportage van het NFI d.d. 15 januari 2009 (pagina 4) - geen sperma is aangetroffen;

- er in de verder verkregen profielen geen kenmerken worden aangetroffen die van deze persoon afkomstig kunnen zijn;

- de aangetroffen “losse” DNA-kenmerken kunnen zijn veroorzaakt door bijvoorbeeld kleine contaminaties;

kan de bedoelde onbekende man naar het oordeel van het hof in redelijkheid worden uitgesloten als de dader.

Het hof overweegt voorts dat het aantreffen van het genoemde “onbekende” celmateriaal geen verklaring kan vormen voor de hiervoor onder 6.5 en 8.1 (ten aanzien van de ochtendjas) en onder 10.3 (ten aanzien van de zedenset) vastgestelde “matches” met het DNA-profiel van de verdachte.

Voor zover de verdediging heeft bedoeld te betogen dat ook in het extract C126483 DNA-materiaal van een onbekende is aangetroffen, mist het verweer - gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder het kopje “conclusies van Control Risks” - feitelijke grondslag.

Het hof verwerpt het verweer.

• de resultaten van de onderzoeken van het NFI en IFS

Op grond van het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat de door de verdediging gewraakte “chain of evidence/custody” voldoende reproduceerbaar en controleerbaar is gebleken.

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn het hof geen objectieve aanknopingspunten gebleken voor het oordeel dat de tot het bewijs gebezigde conclusies van het NFI en IFS - qua procedure of qua inhoud - onzorgvuldig tot stand zijn gekomen. Het hof acht die conclusies derhalve betrouwbaar. Hetgeen de verdediging in stelling heeft gebracht tegen de uitkomsten van de onderzoeken door het NFI en IFS, brengt het hof niet tot een ander oordeel.

Het hof stelt vast dat de bevindingen van het NFI worden bevestigd en op onderdelen aangevuld en versterkt door de bevindingen van IFS.

Het NFI en IFS hebben uit de spermacelfractie van de bemonstering [ABT002]#5 van de ochtendjas dezelfde DNA-mengprofielen verkregen. Zowel het NFI als IFS heeft gerapporteerd dat het aldus verkregen DNA-mengprofiel matcht met het DNA-profiel van de verdachte.

Mede gelet op de hiervoor onder 8.1 weergegeven beschouwing van IFS is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat het DNA-mengprofiel dat is verkregen uit de spermacelfractie van de bemonstering [ABT002]#5, is ontstaan uit spermacellen.

Het NFI heeft berekend dat de kans (“inclusiekans”) dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met het verkregen DNA-mengprofiel, ongeveer 1 op 100.000 is.

Doordat IFS het aantal autosomale loci die overeenkomen met het profiel van de verdachte heeft uitgebreid tot zestien en voorts nog zestien matchende Y-chromosomale loci heeft aangetroffen, is het statistische bewijs tegen de verdachte blijkens de rapportage van IFS bovendien aanzienlijk sterker geworden.

Zoals hiervoor onder 6.5 is vastgesteld, heeft het NFI voorts de kans berekend van een match met een (gedeeltelijk) afgeleid DNA-profiel.

In aanmerking genomen dat in de spermacelfracties van de bemonsteringen van de ochtendjas matches zijn gevonden met het DNA-profiel van [Z], die ten tijde van de verkrachting de vaste vriend van aangeefster was (zij hadden reeds twee jaar een relatie), is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat [Z] één van de donoren van het sperma in deze bemonsteringen (onder meer [ABT002]#5) is.

Derhalve kan, zo blijkt uit de rapportage van het NFI, het DNA-profiel van de tweede spermadonor in de spermacelfractie van de bemonstering [ABT002]#5 worden afgeleid. Dit afgeleide DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van de verdachte. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit afgeleide DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.

Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de verdachte de tweede spermadonor in de spermacelfractie van de bemonstering [ABT002]#5 is. Vast staat derhalve dat het sperma van de verdachte is aangetroffen op de ochtendjas die aangeefster ten tijde van de verkrachting heeft gedragen.

Bij onderzoek door IFS bleek bovendien dat het Y-chromosomale DNA-profiel van de vaginale bemonsteringen van aangeefster matcht met het Y-chromosomale DNA-profiel van de verdachte. Nu de verdachte bij de loci DYS389II en DYS439 niet over één allel beschikt, zoals normaal, maar over twee allelen, dient zijn Y-chromosomale DNA-profiel blijkens de rapportage van IFS als zeldzaam te worden aangemerkt (pagina 35, punt 13).

Op grond van de bevindingen van IFS is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat er celmateriaal van de verdachte is aangetroffen in de vaginale bemonsteringen van aangeefster.

Het hof overweegt dat het aldus vastgestelde sporenbeeld geheel past bij de handelingen van de dader van de onder 1 ten laste gelegde verkrachting, te weten het brengen van de vingers in de vagina van aangeefster en het ejaculeren op haar lichaam.

De omstandigheid dat voor het overige geen technisch bewijsmateriaal is aangetroffen dat de verdachte in verband kan brengen met die verkrachting, acht het hof geen ontlastend gegeven. Ten aanzien van het niet aantreffen van hoofdharen van de verdachte overweegt het hof dat dit feit verklaarbaar is, nu de dader tijdens de verkrachting een bivakmuts heeft gedragen.

• alternatieve scenario’s

De verdachte heeft - overigens voor het eerst ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 30 juni 2010 - verklaard dat hij zich wel eens heeft bevredigd tijdens het gluren.

De verdediging heeft in dit verband aangevoerd dat de verdachte als gluurder niet wilde opvallen en het daarom een logische keuze is dat hij tussen een volle waslijn is gaan staan. De mogelijkheid bestaat dat aan die waslijn een badjas van aangeefster [A] heeft gehangen. Nu de verdachte, na zich te hebben bevredigd, zich afveegde aan hetgeen hij op dat moment toevallig voorhanden had, kan de aanwezigheid van zijn sperma op de badjas van aangeefster worden verklaard, aldus de verdediging.

Het hof acht dit door de verdediging geschetste alternatieve scenario - nog daargelaten dat het geen verklaring kan bieden voor de onder 10.3 vastgestelde match met het DNA-profiel van de uitstrijkjes - volstrekt onaannemelijk en stelt het terzijde. Dit scenario mist ieder begin van aannemelijkheid.

Van de zijde van de verdachte is voorts gesteld dat zijn sperma door de politie op de bemonsteringen of in de DNA-extracten moet zijn “geplant”. Daarbij is aangevoerd dat de politie uit opgenomen gesprekken heeft kunnen achterhalen wanneer de verdachte seks heeft gehad en dat er voor de politie voldoende gelegenheid is geweest om DNA-materiaal in de woning van de verdachte te verzamelen en aan de bemonsteringen of de extracten toe te voegen.

Het hof acht dit door de verdediging geschetste alternatieve scenario eveneens volstrekt onaannemelijk en stelt het terzijde. Ook dit scenario mist ieder begin van aannemelijkheid.

Het hof verwerpt de verweren van de verdediging en acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Feiten 3 tot en met 7: vrijspraak

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 3 tot en met 7 ten laste gelegde feiten eveneens dienen te worden bewezen verklaard.

Daartoe is aangevoerd dat op grond van het hiervoor genoemde DNA-bewijs vaststaat dat de verdachte de dader van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten is en dat, gelet op de vergelijkbare modus operandi bij de overige ten laste gelegde feiten, er telkens sprake is geweest van dezelfde dader, zodat bewezen is dat de verdachte ook de onder 3 tot en met 7 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. De advocaat-generaal heeft voorts gewezen op een aantal uit het dossier blijkende feiten en omstandigheden, waaronder de inhoud van het - na te melden - heimelijk opgenomen gesprek tussen de verdachte en zijn vriendin, die in de visie van de advocaat-generaal bijdragen aan het bewijs van hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd.

De verdediging heeft vrijspraak van het onder 3 tot en met 7 ten laste gelegde bepleit.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Voorop dient te worden gesteld dat - anders dan bij de op 19 september 1995 gepleegde feiten het geval is - er bij de overige feiten geen DNA-bewijs voorhanden is dat de verdachte met die feiten in verband kan brengen. Overig voor de verdachte belastend technisch bewijsmateriaal, zoals vingerafdrukken, is evenmin voorhanden.

• OVC-gesprekken

De verdachte werd op 1 april 2007 aangehouden op verdenking van de ten laste gelegde feiten. Op 5 juni 2007 en 27 augustus 2007 vonden er in een afgesloten verhoorkamer op het hoofdbureau van politie te Eindhoven gesprekken plaats tussen de verdachte en zijn vriendin [vriendin]. Deze gesprekken, waarbij verder niemand aanwezig was, werden door de politie heimelijk opgenomen met behulp van een technisch hulpmiddel. Van de inhoud van die zogenaamde OVC-gesprekken (opnemen vertrouwelijke communicatie) is proces-verbaal opgemaakt met een woordelijke weergave van hetgeen is besproken.

Tijdens het gesprek op 5 juni 2007 werd onder meer het volgende gezegd (dossierpagina’s 351-352; [verdachte] = de verdachte; [vriendin] = [vriendin]).

[verdachte]: Ja het is ook…ja…er zit ook dan die gijzeling noemen ze da

[vriendin]: Hmmm

[verdachte]: Daar tillen ze zwaar aan hoor

[vriendin]: Ja maar ja dat is

[verdachte]: Gijzeling, daar tillen ze zwaar aan

[vriendin]: Dat is logisch

[verdachte]: Vrijheidsberoving, daar tillen ze heel zwaar aan

[vriendin]: Mhum, ja maar ja dat is kijk

[verdachte]: Dat is niet één keer maar dat zijn wel meerdere keren natuurlijk he. Een keer of drie of zo staat erop.

[vriendin]: Ja ik heb er twee geloof ik, twee gezien

(..)

[vriendin]: Dat met die boter (…lachen samen…) hoe kom… (onverstaanbaar)

[verdachte]: Ja dat weet ik niet dus, ik weet wel dat er daar iets…(onverstaanbaar)…ik weet niet de details.

De verdediging heeft betoogd dat bedoeld OVC-gesprek noch een bekennende verklaring van de verdachte, noch daderwetenschap bevat. In dit verband is aangevoerd dat zowel de verdachte als zijn vriendin in juni 2007 hebben kennisgenomen van het dossier. Tijdens het OVC-gesprek op 5 juni 2007 hebben zij besproken hetgeen in het dossier wordt vermeld en aan de verdachte wordt verweten, aldus de verdediging.

Het hof neemt bij de beoordeling van dit verweer in aanmerking dat het gesprek ruim twee maanden na de aanhouding van de verdachte plaatsvond, zodat aannemelijk is dat de verdachte en zijn partner in de tussenliggende periode kennis hebben genomen van de inhoud van het dossier. Steun daarvoor kan worden gevonden in het feit dat wordt gesproken over vrijheidsberoving en dat [vriendin] daarover zegt: “Ja ik heb er twee geloof ik, twee gezien.”

Ten aanzien van de opmerking “Dat met die boter” - waarbij kennelijk wordt gesproken over de onder 3 ten laste gelegde verkrachting, waarbij de billen en de vagina van het slachtoffer met boter werden ingesmeerd - overweegt het hof dat niet de verdachte, maar zijn vriendin over dit onderwerp begint te spreken. De verdachte verstrekt daarover vervolgens geen (dader)informatie, maar reageert juist door te zeggen dat hij de details niet kent.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden uitgesloten dat - zoals de verdachte en zijn vriendin, deze laatste als getuige, ter terechtzitting van het hof d.d. 30 juni 2010 hebben verklaard - beiden op 5 juni 2007 op het politiebureau hebben besproken hetgeen hen op dat moment bekend was uit de inhoud van het dossier. Uit genoemd OVC-gesprek kan onder deze omstandigheden geen daderwetenschap worden afgeleid.

Het hof is voorts van oordeel dat de inhoud van de OVC-gesprekken, ook wat de gedeelten betreft die hierboven niet zijn geciteerd, te fragmentarisch is om daaruit een bekennende verklaring van de verdachte te kunnen distilleren.

Het hof zal de inhoud van de OVC-gesprekken daarom niet tot bewijs bezigen. Hetgeen door de verdediging overigens is aangevoerd ten aanzien van de bruikbaarheid van deze gesprekken voor het bewijs behoeft derhalve geen bespreking.

• modus operandi

Aan de advocaat-generaal kan worden toegegeven dat er op onderdelen overeenkomsten bestaan tussen de modus operandi bij de op 19 september 1995 gepleegde feiten, waarvan het hof bewezen acht dat deze door de verdachte zijn begaan, en de modus operandi bij de overige ten laste gelegde feiten.

Het hof is evenwel, mede gelet op het gegeven dat de ten laste gelegde feiten zich uitstrekken over een periode van bijna 10 jaren, van oordeel dat de modus operandi niet dermate specifiek is dat die de conclusie kan wettigen dat alle 7 ten laste gelegde feiten door dezelfde dader zijn gepleegd.

De mate van uniciteit van de ten laste gelegde incidenten, zoals vereist voor een op schakelbewijs gegronde bewijsconstructie, kan naar het oordeel van het hof evenmin genoegzaam blijken uit de inhoud van de “vergelijkende zaakanalyse” van [verbalisant 9] van het Korps Landelijke Politiediensten d.d. 14 september 2005.

Nu het hof niet boven redelijke twijfel verheven acht dat alle ten laste gelegde feiten door dezelfde dader zijn gepleegd, zal het hof de modus operandi niet tot bewijs bezigen.

• signalementen

Het hof stelt vast dat het door aangeefster [D] (feit 6) gegeven signalement van de dader op een wezenlijk onderdeel niet overeenkomt met het signalement van de verdachte. [D] omschrijft de dader immers als een man tussen de 25 en 30 jaar oud, terwijl de verdachte ten tijde van het betreffende feit 41 jaar oud was.

Aangeefster [E] (feit 7) heeft over de dader in haar aangifte verklaard: “In eerste instantie dacht ik aan een Marokkaan, maar dat was hij niet. Hij was wel getint.” Nadien is zij op dit opgegeven signalement teruggekomen. Aangever [F] (eveneens feit 7) verklaarde in zijn aangifte over de dader: “Ik vond het wel een buitenlands type. Ik kan dat niet verder goed beschrijven, maar mijn eerste indruk was dat de man niet van Nederlandse afkomst was.” Het hof stelt vast dat deze beschrijvingen van de dader niet overeenkomen met het uiterlijk van de verdachte.

De aangeefsters c.q. aangever van de overige feiten hebben geen, dan wel geen bruikbaar, signalement van de dader gegeven.

• conclusie ten aanzien van het bewijs

Nu er geen voor de verdachte belastend technisch bewijsmateriaal voorhanden is, uit de afgeluisterde gesprekken geen bekennende verklaring of daderinformatie kan worden afgeleid, de modus operandi onvoldoende specifiek is en de door de diverse aangevers en aangeefsters gegeven signalementen van de dader voor de verdachte niet belastend en op onderdelen zelfs ontlastend zijn, acht het hof het onder 3 tot en met 7 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen.

De overige door de advocaat-generaal aangedragen feiten en omstandigheden zijn, ook in onderling verband bezien, van onvoldoende gewicht om een bewezenverklaring van die feiten te kunnen dragen.

De verdachte zal daarom van worden vrijgesproken van hetgeen onder 3 tot en met 7 is ten laste gelegd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 19 september 1995 te Eindhoven door geweld of een andere feitelijkheid en bedreiging met geweld [A] heeft gedwongen tot het ondergaan van een handeling die bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [A], hebbende verdachte die [A] gedwongen te dulden dat verdachte zijn, verdachtes, vingers in de vagina van die [A] bracht, en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid en die bedreiging met geweld hierin dat verdachte

- de woning in gebruik bij die [A] (gelegen aan de [adres A]) door inklimming wederrechtelijk heeft betreden en

- die [A] meermalen heeft medegedeeld dat hij, verdachte, van de politie was en

- die [A] heeft medegedeeld dat zij moest gaan liggen en

- die [A] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft voorgehouden en

- die [A] heeft medegedeeld dat zij de telefoon niet mocht opnemen en

- die [A] heeft medegedeeld "Ga liggen of ik schiet" en

- die [A] heeft medegedeeld dat zij haar badjas/ochtendjas moest losmaken en die [A] heeft medegedeeld dat zij haar slip moest uittrekken en

- die [A] heeft medegedeeld dat zij een kussen voor haar gezicht moest houden en

- een kussen op het gezicht van die [A] heeft gelegd en

- de buik van die [A] heeft betast en

- die [A] heeft medegedeeld dat zij haar benen verder uit elkaar moest doen en

- de benen van die [A] uit elkaar heeft geduwd en

- voor die [A] heeft gemasturbeerd en vervolgens op het lichaam van die [A] is klaargekomen en aldus voor die [A] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

2.

hij op 19 september 1995 te Eindhoven met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een rugzak en een portemonnee met inhoud, toebehorende aan [A], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming en welke diefstal werd voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen [A], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte

- die [A] heeft medegedeeld dat zij moest gaan liggen en

- die [A] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft voorgehouden en

- die [A] heeft medegedeeld dat zij de telefoon niet mocht opnemen en

- die [A] heeft medegedeeld "Ga liggen of ik schiet" en

- die [A] heeft medegedeeld dat zij een kussen voor haar gezicht moest houden en

- een kussen op het gezicht van die [A] heeft gelegd en

- aan die [A] heeft gevraagd: "Heb je nergens in deze kamer geld?".

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders onder 1 en 2 is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde onder 1 is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 2 is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 312, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder 3º, van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezen verklaarde wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

• de standpunten van de procespartijen

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake van alle ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van voorarrest.

De verdediging heeft bepleit dat het hof, in geval van strafoplegging, in strafmatigende zin rekening zal houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdediging heeft voorts aangevoerd dat er bij de verdachte sprake is van een psychische problematiek die zich leent voor een gecombineerde straf met een bijzondere voorwaarde, inhoudende dat de verdachte zich voor therapie tot een deskundige zal wenden.

Ten aanzien van de kwestie van het niet tijdig vernietigen van de geheimhoudergesprekken heeft de verdediging subsidiair, te weten indien het hof de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging een te vergaande sanctie zou vinden, gesteld dat het hof een strafvermindering dient te overwegen.

• het geconstateerde vormverzuim

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen onder het kopje “Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie” overweegt het hof dat er weliswaar een vormverzuim is begaan, doch dat niet aannemelijk is geworden dat de niet tijdig vernietigde geheimhoudergesprekken operationeel of anderszins in het onderzoek zijn gebruikt.

Nu naar het oordeel van het hof niet aannemelijk is geworden dat de verdachte door dit vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, komt het rechtsgevolg van strafvermindering niet in aanmerking en volstaat het hof met de constatering dat bedoeld vormverzuim is begaan.

• overige overwegingen

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, op de omstandigheden waaronder dit is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof heeft ten bezware van de verdachte acht geslagen op de ernst van de bewezen verklaarde feiten in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte is ’s nachts, na zich te hebben voorgedaan als iemand van de politie, via het dakraam binnengedrongen in de studentenwoning van een destijds 22-jarige vrouw. Onder bedreiging van een vuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp heeft hij het slachtoffer bevolen te gaan liggen. Daarbij heeft hij gedreigd te schieten indien zij geen gevolg zou geven aan zijn bevel. Uit angst heeft het slachtoffer op bevel van de verdachte haar ochtendjas losgemaakt en haar slipje laten zakken. De met een bivakmuts vermomde verdachte heeft een kussen op het gezicht van het slachtoffer gelegd en haar vagina met zijn vingers gepenetreerd. Daarbij heeft hij een voor het slachtoffer bijzonder bedreigende en vernederende setting gecreëerd, door haar benen uit elkaar te duwen en haar toe te voegen: “Wat heb je een mooie kut.” Vervolgens heeft hij in haar bijzijn gemasturbeerd en is hij op haar buik klaargekomen. Uiteindelijk heeft hij, met medeneming van persoonlijke eigendommen van het slachtoffer, de woning verlaten.

Het hof rekent de verdachte zwaar aan dat hij een zeer ernstige inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijk integriteit en de persoonlijke waardigheid van het slachtoffer door haar vaginaal te penetreren en haar te dwingen te dulden dat hij op haar lichaam klaarkwam.

Het hof neemt tevens in aanmerking dat de verkrachting heeft plaatsgevonden in de eigen woning van het slachtoffer, waar zij zich bij uitstek veilig behoort te kunnen voelen.

In strafverhogende zin houdt het hof voorts rekening met de gevolgen die de bewezen verklaarde feiten voor het slachtoffer hebben gehad, zoals deze blijken uit haar schriftelijke slachtofferverklaring d.d. 12 maart 2008.

Het slachtoffer heeft tijdens de verkrachting doodsangsten uitgestaan. Zij vreesde dat de verdachte haar elk moment kon doodschieten.

Na de verkrachting voelde het slachtoffer zich niet meer veilig in haar eigen woning en is zij direct bij haar vriend ingetrokken. Wanneer zij alleen thuis was, had zij de neiging om ramen en deuren gesloten te houden. Zij was bang voor het donker achter de ramen en wilde daarom de gordijnen aldoor gesloten houden. Door de verkrachting was de intimiteit tussen de verdachte en haar toenmalige vriend bovendien zwaar verstoord.

Het slachtoffer heeft meerdere malen last gehad van herbelevingen. In haar slachtofferverklaring beschrijft zij een gebeurtenis waarbij haar nieuwe partner ’s avonds laat op het balkon stond en zij hem plotseling achter het raam in het donker zag staan, waardoor zij zich van angst verlamd voelde. Zij heeft bovendien lange tijd een schuldgevoel gehad en veel schaamte ervaren. Zij heeft zichzelf verwijten gemaakt, onder meer omdat zij het raam in haar kamer niet had gesloten.

Het hof overweegt dat een ernstig gewelds- en zedendelict als het onder 1 bewezen verklaarde, waarbij de verdachte via een dakraam in een kamer op de tweede verdieping van een woning is binnengedrongen en de bewoonster heeft verkracht, niet alleen sterke gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer zelf veroorzaakt, maar ook meer in het algemeen bijdraagt aan dergelijke gevoelens in de maatschappij.

Naar het oordeel van het hof kan op grond van het voorgaande niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te melden duur met zich brengt.

Het hof volgt de verdediging niet in de door haar bepleite strafmodaliteit, reeds omdat oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, gelet op het bepaalde in artikel 14a, tweede lid (oud), van het Wetboek van Strafrecht, slechts mogelijk is in geval van een veroordeling tot een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren. Een gevangenisstraf van deze duur doet evenwel onvoldoende recht aan de ernst van het bewezen verklaarde.

Het hof ziet overigens, daargelaten de genoemde wettelijke beperking ten aanzien van de totale duur van de op te leggen gevangenisstraf, ook geen aanleiding om een gedeelte van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen.

De verdachte is voor observatie geplaatst in het Pieter Baan Centrum. Blijkens de daarvan opgemaakte rapportage van P.E. Geurkink, psycholoog, en A.E. Ederveen-Grochowska, psychiater, d.d. 26 september 2007 (pagina’s 53-54) heeft de verdachte slechts gedeeltelijk en selectief meegewerkt aan het gedragskundig onderzoek. Doordat hij te weinig medewerking heeft verleend aan het gedragskundig onderzoek, kon niet meer inzicht worden verkregen in de persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte. De hiervoor genoemde gedragsdeskundigen hebben gerapporteerd dat het niet mogelijk is gebleken om een volledig persoonlijkheidsonderzoek te doen en met de beschikbare informatie te komen tot gefundeerde psychiatrische en psychodiagnostische conclusies over de verdachte.

Nu de onderzoekers van het Pieter Baan Centrum geen gefundeerde psychiatrische en psychodiagnostische conclusies hebben kunnen trekken, kan de door de verdediging gestelde en aan het strafmaatverweer ten grondslag gelegde psychische problematiek bij de verdachte niet objectief worden vastgesteld. Ook om die reden acht het hof de door de verdediging bepleite strafmodaliteit niet aangewezen.

Het hof komt tot oplegging van een gevangenisstraf van kortere duur dan door de advocaat-generaal is gevorderd, nu het hof - anders dan waarvan in de vordering van de advocaat-generaal wordt uitgegaan - niet komt tot een bewezenverklaring van het onder 3 tot en met 7 ten laste gelegde.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde en het daardoor veroorzaakte persoonlijke leed, acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren passend en geboden.

Schadevergoeding

• de vordering van [A] (feiten 1 en 2)

De benadeelde partij [A] heeft in eerste aanleg ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 2.431,-- (bestaande uit EUR 339,-- aan materiële schade en EUR 2.092,-- aan immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Deze vordering is bij het beroepen vonnis niet toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat deze benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 339,--. De verdachte is tot vergoeding van die - voldoende onderbouwde en overigens niet betwiste - schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

De verdediging heeft betoogd dat de immateriële schade, gevorderd ter zake van de onder 1 ten laste gelegde verkrachting, niet voor vergoeding in aanmerking komt. Daartoe is aangevoerd dat dit bedrag weliswaar niet als bovenmatig kan worden beschouwd, maar dat - nu de benadeelde partij [B] ter zake van de onder 3 ten laste gelegde (volgens de verdediging: vergelijkbare) verkrachting een vordering tot een bedrag van EUR 6.000,-- aan immateriële schade heeft ingediend - geoordeeld moet worden dat de vaststelling van immateriële schade, geleden door verkrachting, niet eenvoudig van aard is.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij [A] op haar eigen merites moet worden beoordeeld. Het enkele feit dat de benadeelde partij [B] zich ter zake van een eveneens ten laste gelegde verkrachting tot een hoger bedrag aan immateriële schade in het strafgeding heeft gevoegd, dwingt geenszins tot het oordeel dat de vordering van de benadeelde partij [A] niet eenvoudig van aard is. Dit geldt te meer, nu de verdediging het verzochte bedrag van EUR 2.092,-- (anders dan door verwijzing naar de hoogte van de vordering van [B]) niet heeft betwist en de vordering voorts voldoende onderbouwing vindt in het schade-onderbouwingsformulier en de schriftelijke slachtofferverklaring d.d. 12 maart 2008.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof daarom voldoende gebleken dat de benadeelde partij [A] als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 2.092,--, zodat de vordering ook in zoverre toewijsbaar is.

De vordering komt derhalve voor vergoeding in aanmerking tot een totaalbedrag van EUR 2.431,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de delicten, zijnde 19 september 1995, tot de dag der algehele voldoening.

Het hof ziet tevens aanleiding om ten behoeve van deze benadeelde partij de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

De verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door de strafbare feiten is toegebracht.

• de vordering van [B] (feit 3)

De benadeelde partij [B] heeft in eerste aanleg ter zake van het onder 3 ten laste gelegde een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 6.000,-- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Deze vordering is bij het beroepen vonnis niet toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van haar oorspronkelijke vordering.

Nu de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde, kan deze benadeelde partij in haar vordering niet worden ontvangen.

• de vordering van [D] (feit 6)

De benadeelde partij [D] heeft in eerste aanleg ter zake van het onder 6 ten laste gelegde een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 1.193,07 (bestaande uit EUR 593,07 aan materiële schade en EUR 600,-- aan immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Deze vordering is bij het beroepen vonnis niet toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van haar oorspronkelijke vordering.

In hoger beroep heeft de benadeelde partij haar oorspronkelijke vordering voorts vermeerderd met een post “misgelopen inkomsten” ad EUR 4.800,--. In zoverre heeft de voeging niet plaatsgevonden binnen de grenzen van de oorspronkelijk vordering, zodat de benadeelde partij in dit gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Nu de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 6 ten laste gelegde, kan de benadeelde partij evenmin in haar oorspronkelijke vordering worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 57, 63, 242 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders onder 1 en 2 is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

1.

Verkrachting.

2.

Diefstal, voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [A] toe en veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van kwijting aan haar te betalen een bedrag van EUR 2.431,00 (tweeduizend vierhonderdeenendertig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 september 1995 tot de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [A] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [A], wonende te [woonplaats A], aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 2.431,00 (tweeduizend vierhonderdeenendertig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 34 (vierendertig) dagen hechtenis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 september 1995 tot de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Verklaart de benadeelde partij [B] in haar vordering niet-ontvankelijk en veroordeelt haar in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij [D] in haar vordering niet-ontvankelijk en veroordeelt haar in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. O.M.J.J. van de Loo, voorzitter,

mr. J.M.W.M. van den Elzen en mr. J.F. Dekking,

in tegenwoordigheid van mr. P. van Glabbeek, griffier,

en op 14 juli 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.