Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BN0781

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-07-2010
Datum publicatie
09-07-2010
Zaaknummer
HV 200.042.278
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanwending ontbindingsvergoeding i.v.m. partneralimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 7 juli 2010

Zaaknummer: HV 200.042.278/01

Zaaknummer eerste aanleg: 90754 FA RK 08-1735

in de zaak in hoger beroep van:

[A.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. D.J.P.H. Stoelhorst,

tegen

[B.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. B. du Fossé.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Roermond van 10 juni 2009.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 september 2009, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de man geen draagkracht heeft om enige bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te voldoen, althans in ieder geval geen draagkracht heeft tot 12 februari 2009 en voor de periode daarna een beperkte draagkracht heeft van € 576,10 bruto per maand, althans een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht.

2.2. Bij verweerschrift met één productie, ingekomen ter griffie op 22 oktober 2009, heeft de vrouw verzocht de man in zijn beroep niet-ontvankelijk te verklaren danwel het beroep af te wijzen met veroordeling van de man in de proceskosten.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 april 2010. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- namens de vrouw, haar advocaat.

De vrouw is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet ter zitting verschenen.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 9 april 2010;

- de brief met één bijlage van de advocaat van de vrouw d.d. 9 april 2010.

3. De beoordeling

3.1. Partijen zijn op 29 juli 1985 met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk van partijen zijn geen kinderen geboren.

3.2. Bij beschikking van 12 november 1998 heeft de rechtbank Roermond onder meer tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 29 december 1998 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts – voor zover thans van belang – bepaald dat de man als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw een bedrag van fl. 4.755,= per maand (omgerekend € 2.158,=) met ingang van met ingang van de datum dat de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de daartoe bestemde registers.

Het hof merkt op dat de onderhoudsverplichting op 29 december 2010 van rechtswege na twaalf jaar zal eindigen.

3.3. De man heeft vervolgens in 2007 de rechtbank verzocht om de partneralimentatie op nihil te stellen met ingang van 1 maart 2007. Bij beschikking van 7 november 2007 heeft de rechtbank Roermond het verzoek van de man afgewezen.

3.4. Op 11 december 2008 heeft de man de rechtbank opnieuw verzocht de partner-alimentatie op nihil te stellen dan wel te verlagen met ingang van 1 juli 2008, althans met ingang van een door de rechtbank te bepalen datum. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank Roermond het verzoek van de man wederom afgewezen.

De bijdrage voor de vrouw beloopt ingevolge de wettelijke indexering op dit moment € 2.966,= per maand.

3.5. De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

De grieven van de man richten zich tegen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man.

Ontvankelijkheid man in inleidend verzoek

3.6. De vrouw stelt dat de man niet-ontvankelijk verklaard dient te worden nu er geen sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden, als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW). Het hof is – evenals de rechtbank – van oordeel dat er wel relevante wijzigingen van omstandigheden zijn die een hernieuwde beoordeling van de draagkracht van de man rechtvaardigen.

Zoals uit de inhoud van de stukken blijkt, is de man werkeloos geweest in januari en februari 2009 en hij heeft sinds maart 2009 een nieuwe baan.

Vorenstaande betekent dat de man ontvankelijk is in zijn verzoek tot wijziging van de partneralimentatie.

Ingangsdatum wijziging

3.7. De man heeft in eerste aanleg verzocht de wijziging van de eerder vastgestelde onderhoudsbijdrage te laten ingaan op 1 juli 2008. De vrouw heeft hiertegen geen verweer gevoerd, zodat het hof 1 juli 2008 zal hanteren als de ingangsdatum van een eventuele wijziging.

Behoefte en behoeftigheid vrouw tot 9 juni 2010

3.8.1. De huwelijksregelateerde netto behoefte van vrouw bedraagt € 2.541,= per maand (geïndexeerd per 2009). De man heeft aangevoerd dat de vrouw gedeeltelijk in haar eigen levensonderhoud zou kunnen voorzien door haar 35% tot 45% procent arbeidsgeschiktheid te gelde te maken. De man wijst op het opleidingsniveau van de vrouw en het feit dat zij voor het einde van het huwelijk over een zeer goed inkomen beschikte.

De vrouw heeft dit gemotiveerd betwist.

3.8.2. Zij stelt dat zij in de loop van 2003 of 2004 voor 35% tot 45% arbeidsgeschikt is verklaard. Zij ontvangt een WAO/WIA- uitkering van € 487,36 netto per maand inclusief vakantiegeld. Zij heeft al twaalf jaar niet meer gewerkt.

Verminderd met haar uitkering, resteert voor de vrouw een aanvullende netto behoefte van € 2.054,= per maand ofwel afgerond bruto € 3.382,= per maand.

Het hof is derhalve van oordeel dat de vrouw in ieder geval behoefte heeft aan de huidige partneralimentatie ten bedrage van € 2.966,= bruto per maand.

De advocaat van de vrouw heeft ter zitting aangevoerd dat de vrouw in het geheel niet kan werken en dat zij niet solliciteert vanwege psychische problemen. Zij neemt niet deel aan een re-integratietraject.

3.8.3. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Eerder heeft de rechtbank bij beschikking van 7 november 2007 overwogen dat de vrouw behoefte blijft houden aan de huidige bijdrage van de man, zelfs wanneer zij haar resterende verdiencapaciteit geheel benut.

Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat – mocht de vrouw thans haar verdiencapaciteit te gelde maken – dit geen of nauwelijks invloed heeft op haar behoefte aan alimentatie, gelet op haar huwelijksgerelateerde behoefte die door de man ook niet wordt betwist.

Deze grief van de man faalt derhalve.

Draagkracht

3.9.1. De man stelt dat zijn draagkracht ontoereikend is om de vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw van € 2.966,= bruto per maand te voldoen.

3.9.2. Met betrekking tot de financiële situatie van de man gaat het hof uit van de volgende gegevens. Voor zover die gegevens in hoger beroep zijn betwist, zal het hof daarop gemotiveerd ingaan bij het desbetreffende onderdeel.

A Inkomen van de man

? periode van 1 juli 2008 tot 1 maart 2009:

De man beroept zich op een gebrek aan draagkracht waardoor het hem niet mogelijk is na zijn ontslag bij Touringcar [C.] B.V. (volledig) aan zijn alimentatieverplichting jegens de vrouw te voldoen en hij beklaagt zich erover dat de rechtbank in de bestreden beschikking ten onrechte heeft overwogen dat de man in 2007 de ontvangen ontbindingsvergoeding ad

€ 225.000,= anders had moeten benutten, zodat er steeds voldoende financiële middelen zouden zijn (geweest) om de partneralimentatie te kunnen voldoen. Ten onrechte gaat de rechtbank voorbij aan de periode dat er een WW-uitkering is ontvangen, alsmede dat het huidige inkomen van de man eveneens onvoldoende is om de opgelegde partneralimentatie nog te kunnen voldoen, aldus de man.

Het hof overweegt dat een ontbindingsvergoeding in principe is bestemd om inkomensschade uit ontslag op te vangen. Dat betekent dat het hof er bij de draagkrachtbepaling in principe vanuit gaat dat het lagere inkomen wordt aangevuld tot het oude niveau; daarnaast mag een deel worden gebruikt om pensioennadeel te bestrijden. Nu het laatstgenoten inkomen van de man bij Connexxion niet bekend is, hetgeen voor rekening en risico van de man komt, oordeelt het hof als volgt.

Het feit dat de man zijn ontslagvergoeding via zijn besloten vennootschap “[X.] B.V.” heeft aangewend om zich in te kopen bij Touringcar [C.] B.V. teneinde daar een nieuw inkomen te verwerven acht het hof – anders dan de rechtbank – een passende investering en zal dan ook daarvan uitgaan, ondanks de latere ontbinding van de arbeidsovereenkomst met Touringcar [C.] B.V.

Daarom is het de man niet aan te rekenen dat hij deze ontbindingsvergoeding thans niet liquide kan maken, zoals hij naar het oordeel van het hof voldoende heeft toegelicht. De man heeft van [C.] bedongen dat hij zijn gehele investering van

€ 225.000,= terugkrijgt (zie de vaststellingsovereenkomst tussen de enerzijds de man en anderzijds Holding [Y.] B.V en de heer [Z.] d.d. 30 juni 2008). Zijn vordering van € 100.000,= wordt hem vanaf 1 oktober 2008 in maandelijkse termijnen van

€ 1.500,= terugbetaald en over zijn resterende vordering van € 125.000,= ontvangt de man met ingang van 1 juli 2008 een maandelijkse rente van € 635,= totdat het hele bedrag zal worden afgelost.

Het hof gaat er van uit dat de bedragen die de man uit deze investeringen maandelijks ontvangt, dienen te worden aangewend om zijn inkomen uit WW vanaf 1 juli 2008 tot 1 maart 2009 aan te vullen en eveneens zijn huidige inkomen uit zijn dienstverband bij OAD voor zover dit ontoereikend is om de vastgestelde partneralimentatie te voldoen. Daarbij merkt het hof op dat inkomen uit vermogen mede in aanmerking wordt genomen bij het bepalen van iemands draagkracht. Voor zover het de maandelijkse aflossing van € 1.500,= betreft, merkt het hof op dat dit vermogen oorspronkelijk was bedoeld om het oude inkomen aan te vullen, zodat ook dit bedrag mede in aanmerking moet worden genomen, gelet op hetgeen hierboven is overwogen met betrekking tot het ontbreken van gegevens met betrekking tot het inkomen van de man bij Connexxion.

Aangezien deze aflossingen van € 1.500,= per maand worden bestemd voor consumptie zal het hof deze fiscaal als inkomsten in box 1 behandelen, zoals ook door de man is verzocht. De rentebetalingen van € 635,= per maand zal het hof behandelen als fiscaal in box III vallend.

Ter zitting is voldoende komen vast te staan dat de ontslagvergoeding ad € 14.500,= die de man ontving van Touringcar [C.] B.V. in feite salaris was over de eerste helft van 2008, zodat het hof met die uitkering geen rekening zal houden.

Voor de periode van 1 juli 2008 tot 1 maart 2009 houdt het hof dan ook rekening met de navolgende totale inkomsten:

- € 2.617,= bruto per maand aan WW-uitkering, te vermeerderen met vakantietoeslag en de belaste vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW;

- € 1.500,= bruto per maand aan aflossing van zijn investering in Touringcar [C.] B.V. met ingang van 1 oktober 2008;

- € 635,= bruto per maand aan rentevergoedingen vanwege zijn investering in Touringcar [C.] B.V.

De man heeft in deze periode recht op de algemene heffingskorting.

? periode met ingang van 1 maart 2009:

Met ingang van 25 februari 2009 is de man in dienst getreden bij Oad Touringcarbedrijf B.V. Het inkomen van de man bedraagt blijkens de salarisspecificatie van 25 maart 2009 € 6.881,= bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag en de belaste vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW.

Tevens houdt het hof ook in deze periode rekening met:

- € 1.500,= bruto per maand aan aflossing van zijn investering in Touringcar [C.] B.V.

- € 635,= bruto per maand aan rentevergoedingen vanwege zijn investering in Touringcar [C.] B.V.

De man heeft in deze periode recht op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

B. Lasten van de man

Wwb-normbedrag

Het hof houdt rekening met het op de Wet werk en bijstand (Wwb) gebaseerde normbedrag, exclusief de ondergrens woon- kostencomponent, voor een alleenstaande vermeerderd met de helft van het verschil tussen de alleenstaande norm en een eenoudergezinsnorm, aangezien de man samen met zijn echtgenote het kind uit hun huwelijk dient te onderhouden,

alsmede met de norm van 52,5%, inclusief de maximale toeslag, ter voorziening in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud. Ook fiscaal zal het hof hiermee rekenen.

Woonlasten

Van de woonlasten zal het hof tweederde toerekenen aan de man en éénderde aan zijn echtgenote. Het hof houdt rekening met de navolgende maandelijkse lasten:

€ 739,= aan hypotheekrente en € 200,= aan aflossing;

€ 100,= aan premie levensverzekering;

€ 63,= aan (forfaitaire) overige eigenaarslasten.

Ziektekosten

Het hof houdt rekening met de navolgende maandelijkse lasten:

€ 254,= aan basispremie Zorgverzekeringswet (ZVW);

€ 186,= aan inkomensafhankelijke premie ZVW;

€ 13,= aan verplicht eigen risico;

minus € 54,= (2008) zijnde het in het Wwb-normbedrag begrepen nominale deel premie ZVW voor een alleenstaande.

Rente en aflossing schulden

Het hof houdt geen rekening met de door de man gestelde aflossing van schulden ad € 151,= per maand, aangezien de noodzaak van deze kosten door de man onvoldoende is onderbouwd.

Studiekosten

Het hof houdt geen rekening met de door de man gestelde studiekosten ten behoeve van zijn minderjarige zoon, geboren uit zijn huidige huwelijk, ten bedrage van € 83,= per maand, nu in het door het hof gehanteerde normbedrag reeds rekening is gehouden met de kosten van dit kind.

Premie begrafenis

Met de premie van de begrafenisverzekering wordt ingevolge de Tremanormen geen rekening meer gehouden.

Bijzondere kosten

Het hof houdt geen rekening met de last van € 1.000,= per maand ter voorziening in het pensioengat van de man, nu deze last gemotiveerd wordt betwist en door de man onvoldoende is onderbouwd.

3.10. Vaststelling van de alimentatie in de periode 1 juli 2008 tot 1 oktober 2008

Op grond van hetgeen hierboven is overwogen en rekening houdend met alle relevante fiscale aspecten, is het hof van oordeel dat de man in deze periode niet de draagkracht heeft om enig bedrag te betalen ter voorziening in het levensonderhoud van de vrouw.

3.11.1. Vaststelling van de alimentatie in de periode 1 oktober 2008 tot 1 maart 2009

Bovengenoemd inkomen van de man resulteert in deze periode in een netto besteedbaar inkomen van ongeveer € 2.628,= per maand, waarbij rekening is gehouden met:

- de algemene heffingskorting;

- 2/3 van eigenwoningforfait, welk forfait het hof becijfert op € 780,= per maand;

- 2/3 van de hypotheekrente betreffende de woning van de man, zijnde € 739,= per maand.

3.11.2. Na aftrek van voormelde lasten van het bovenstaande netto besteedbaar inkomen heeft de man een draagkracht- ruimte van € 310,= per maand. Daarvan is 52,5% beschikbaar voor de betaling van een onderhoudsbijdrage.

3.11.3. Betaalde partneralimentatie is geheel aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. Het fiscaal voordeel dat de man door deze aftrek geniet, komt geheel ten goede aan de vrouw. Rekeninghoudend met dit te realiseren voordeel, heeft de man de draagkracht om € 281,= per maand te betalen als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

3.12. Vaststelling van de alimentatie met ingang van 1 maart 2009

Het hof becijfert het netto besteedbaar inkomen van de man in deze periode op € 5.907,= per maand. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de man met ingang van 1 maart 2009 in staat is om de volledige partneralimentatie (€ 2.966,= bruto per maand in 2009) te voldoen.

3.13. Beslist dient te worden als volgt.

4. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Roermond van 10 juni 2009;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank 12 november 1998 van de rechtbank Roermond uitsluitend ten aanzien van de periode van 1 juli 2008 tot 1 maart 2009;

wijst alsnog toe het inleidende verzoek van de man tot nihilstelling van de partneralimentatie voor wat betreft de periode 1 juli 2008 tot 1 oktober 2008;

bepaalt dat de man aan de vrouw voor haar levensonderhoud zal voldoen een bedrag van € 281,= per maand voor wat betreft de periode van 1 oktober 2008 tot 1 maart 2009;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Draijer-Udo, Koens en Philips en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2010.