Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BN0685

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-07-2010
Datum publicatie
08-07-2010
Zaaknummer
20-000665-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de strafvervolging van verdachte. Artikel 31 van het van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen levert in casu een vervolgingsbeletsel op voor het openbaar ministerie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-000665-10

Uitspraak : 7 juli 2010

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Amsterdam, zitting houdende te 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Haarlem van 9 december 2008 in de strafzaak met parketnummer 15-802031-08 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1980],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen en opnieuw rechtdoende bewezen zal verklaren hetgeen ten laste is gelegd, doch de verdachte zal ontslaan van alle rechtsvervolging.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 24 november 2008 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in het bezit was van een reisdocument, te weten een nationaal paspoort van Frankrijk, voorzien van het nummer [nummer], (op naam gesteld van [naam], geboren op [1986]), waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het reisdocument vals of vervalst was.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

A.

Van de zijde van de verdachte is het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard, omdat het in de onderhavige zaak niet tot een beslissing tot (verdere) vervolging had mogen komen. Van de zijde van de verdachte is daartoe - kort samengevat - aangevoerd dat verdachte een beroep op artikel 31 van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (verder te noemen: het Vluchtelingenverdrag) toekomt, zodat er sprake was van een vervolgingsbeletsel voor het openbaar ministerie.

B.

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie in de onderhavige zaak wel degelijk tot strafvervolging mocht overgaan, omdat niet onmiddellijk duidelijk was dat verdachte de bescherming van artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag toekwam. Gelet op de hierna onder E.1. te noemen beslissing van 4 maart 2010 van de Minister van Justitie, komt verdachte een beroep op een strafuitsluitingsgrond toe, zodat hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging,

C.1.

De vraag waar het hof zich allereerst voor ziet gesteld is of hier het vervolgingsvraagstuk dan wel het vraagstuk rondom de strafuitsluitingsgronden aan de orde is.

C.2.

Het standpunt van het openbaar ministerie wordt door het hof niet gedeeld. Het hof overweegt daarbij als volgt.

Artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag komt rechtstreekse werking toe. Het hof is van oordeel dat, gelet op de bewoordingen van deze bepaling, indien de bepaling van toepassing is, dit een vervolgingsbelemmering voor het openbaar ministerie oplevert. Vervolging zou in een dergelijke situatie ook geen enkel strafdoeleinde dienen.

Het openbaar ministerie is naar het oordeel van het hof derhalve gehouden om te beoordelen of het op voorhand evident is dat een ingekomen vreemdeling die gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten, geen beroep op artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag toekomt. Indien die evidentie bestaat, kan tot vervolging op grond van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht worden overgegaan. Wanneer zulks niet aanstonds duidelijk is, dient het openbaar ministerie naar het oordeel van het hof de nodige behoedzaamheid te betrachten alvorens tot een daad van vervolging over te gaan.

D.

De vraag die aldus ter beoordeling van het hof voorligt is of, zoals de advocaat-generaal thans stelt, het openbaar ministerie in de onderhavige zaak op goede gronden tot vervolging van de verdachte is overgegaan.

Met andere woorden of het op voorhand duidelijk was dat verdachte niet viel binnen het bereik van artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

D.1.

Artikel 31, eerste lid, van het Vluchtelingenverdrag luidt als volgt:

De verdragsluitende Staten zullen geen strafsancties, op grond van onrechtmatige binnenkomst of verblijf, toepassen op vluchtelingen die, rechtstreeks komend van een grondgebied waar hun leven of vrijheid in de zin van artikel 1 werd bedreigd, zonder toestemming hun grondgebied binnenkomen of zich aldaar bevinden, mits zij zich onverwijld bij de autoriteiten melden en deze overtuigen, dat zij geldige redenen hebben voor hun onrechtmatige binnenkomst of onrechtmatige aanwezigheid.

Het doel van deze bepaling is te voorkomen dat aan vluchtelingen strafsancties worden opgelegd voor illegale binnenkomst of verblijf indien deze overtreding redelijkerwijs benodigd is om een veilig land van toevlucht te kunnen bereiken. De bepaling is ingegeven door het feit dat het voor vluchtelingen vaak uiterst moeilijk of zelfs onmogelijk is om op legale wijze toegang te verkrijgen tot een veilig land, terwijl een vluchteling een veilig land binnen moet zijn voordat hij aanspraak kan maken op de bescherming van het Vluchtelingenverdrag. De opstellers van het verdrag waren van oordeel dat het opleggen van strafsancties aan vluchtelingen die genoodzaakt zijn om zich bij hun vlucht illegaal toegang te verschaffen tot een veilig land, niet gerechtvaardigd is.

D.2.

Het hof stelt voorop dat Nederland één van de verdragsluitende landen is.

Voorts stelt het hof vast dat de Hoge Raad der Nederlanden inmiddels in zijn uitspraak van

13 oktober 2009 (LJN BI1325) heeft bepaald dat in het kader van artikel 31 van voornoemd verdrag geen onderscheid mag worden gemaakt tussen het binnenkomen of verblijven in een verdragsluitende staat zonder geldige titel van binnenkomst of verblijf en het daarmee samenhangende bezit van valse identiteitspapieren.

D.3.

Het hof overweegt dat niet iedere vluchteling automatisch in aanmerking komt voor deze vrijwaring van strafsancties in verband met onrechtmatige binnenkomst of verblijf. Van vervolging van mensen die binnenreizen in Nederland met valse of vervalste documenten en asiel willen aanvragen blijft sprake, tenzij hen een beroep op artikel 31, eerste lid, van het Vluchtelingenverdrag toekomt.

Om te beoordelen of verdachte deze bescherming toekomt moet zijn voldaan aan de volgende voorwaarden: (1) hij is een vluchteling, (2) hij moet rechtstreeks komen van een grondgebied waar zijn leven of vrijheid in de zin van artikel 1 van het Vluchtelingenverdrag werd bedreigd en (3) hij moet zich onverwijld bij de autoriteiten melden en deze overtuigen, dat hij een geldige reden heeft voor zijn onrechtmatige binnenkomst of onrechtmatige aanwezigheid.

D.4.

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep erkend dat hij op 24 november 2008 via Schiphol Nederland is binnengekomen met een vervalst paspoort. Het paspoort bevatte wel zijn pasfoto maar was niet op zijn naam gesteld. Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij uit Iran is gevlucht naar Turkije vanwege problemen met de Hezbollah. In Turkije heeft een reisagent hem voorzien van bedoeld paspoort en deze heeft eveneens geregeld dat verdachte naar Indonesië is gereisd en vervolgens naar Duitsland. De bedoeling was om vandaar uit door te reizen naar Canada, alwaar verdachte asiel zou aanvragen. In Duitsland zou iemand op verdachte wachten om hem verder te helpen naar Canada te gaan, echter in Duitsland bleek hij aan zijn lot overgelaten te zijn. Na enkele dagen heeft verdachte op eigen initiatief een reis naar Canada geregeld, via Nederland. In afwachting van zijn vlucht naar Canada is hij echter op 24 november 2008 in Nederland aangehouden omdat hij in het bezit was van een vervalst reisdocument. Op 25 november 2008 heeft verdachte kenbaar gemaakt dat hij in Nederland een verzoek tot asiel zou doen.

E.

Het hof overweegt voorts als volgt.

E.1.

Verdachte is vluchteling. Op 24 november 2008 heeft hij direct aangegeven dat hij afkomstig was uit Iran, dat hij zijn land was ontvlucht en dat hij in Canada asiel wilde aanvragen. Inmiddels is verdachte bij beslissing van 4 maart 2010 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000, geldig tot 5 juli 2014.

E.2.

Verdachte heeft na zijn vlucht verblijf gehad in Turkije en in Indonesië en heeft vervolgens enkele (10) dagen doorgebracht in Duitsland. Hij is aldus niet rechtstreeks naar Nederland gekomen. Echter, dit betekent niet dat aan verdachte de bescherming van artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag niet zou kunnen toekomen. Het hof is van oordeel dat verdachte niet eerder in een veilig land verblijf heeft gehad. Landen als Turkije en Indonesië kunnen niet als zodanig worden beschouwd, aangezien het een feit van algemene bekendheid is dat in die landen met enige regelmaat mensenrechten worden geschonden. Duitsland daarentegen is wel een veilig land maar het hof is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat verdachte daar verblijf heeft gehad in de zin van de Vreemdelingenwet. Gelet op de verklaring van verdachte daaromtrent was Duitsland voor hem een doorreisland naar Canada. Verdachte heeft daar slechts enkele dagen verbleven en heeft nimmer de intentie gehad om zich daar te vestigen.

E.3.

Verdachte is op 24 november 2008 in Nederland aangehouden en heeft op 25 november 2008 te kennen gegeven in Nederland asiel te willen aanvragen. De vraag is of hij zich hiermee onverwijld bij de autoriteiten heeft gemeld. Het hof is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord.

Op 24 november 2008 om 11.20 uur is verdachte aangehouden. Om 13.00 uur is hij geleid voor de hulpofficier van justitie. Tijdens een kort verhoor heeft verdachte aangegeven dat hij op doorreis was naar Canada en dat hij daar asiel wilde aanvragen. Op aangeven van de hulpofficier van justitie dat hij nu niet meer naar Montreal kon verder reizen heeft verdachte verklaard dat hij dan terug naar Duitsland wilde gaan. Daarna heeft de hulpofficier de verdachte medegedeeld dat hij in verzekering zou worden gesteld. Verdachte is om 13.30 uur in verzekering gesteld (dossierparagrafen 0.3 en 0.9). Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte hieromtrent verklaard dat het juist is dat hij heeft verklaard dat hij eerst terug naar Duitsland wilde, maar op dat moment wist hij nog niet dat hij in verzekering zou worden gesteld. Op 25 november 2008 heeft verdachte tijdens zijn verhoor aangegeven dat hij asiel in Nederland wilde aanvragen (dossierparagraaf 1.2.), aldus binnen een termijn van 48 uur na grensoverschrijding. Op grond van de Vreemdelingenwet dient een asielzoeker binnen deze termijn te kennen te geven asiel te vragen. Op 27 november 2008 om 12.37 uur heeft verdachte tegenover de rechter-commissaris ter gelegenheid van zijn verhoor in het kader van de inbewaringstelling herhaald dat hij in Nederland asiel wilde aanvragen.

Op 27 november 2008 is om 13.00 uur aan verdachte een dagvaarding uitgereikt.

Gelet op het vorenstaande overweegt het hof dat verdachte op het moment dat het hem duidelijk werd dat hij niet verder kon reizen naar Canada en ook niet terug kon naar Duitsland omdat hij in verzekering werd gesteld, hij onmiddellijk heeft aangegeven dat hij asiel in Nederland wilde aanvragen. Hiermee is naar het oordeel van het hof aan het criterium van “onverwijld melden bij de autoriteiten” voldaan.

F.

Onder deze feiten en omstandigheden, als hiervoor onder E.1., E.2. en E.3. weergegeven en in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat het op voorhand niet viel uit te sluiten dat verdachte onder het bereik van artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag zou vallen. Het openbaar ministerie heeft naar het oordeel van het hof aldus niet de benodigde behoedzaamheid betracht en is, door op 27 november 2008 direct aan verdachte een dagvaarding uit te reiken zonder de beoordeling van de asielaanvraag van verdachte af te wachten, te lichtvaardig tot vervolging van verdachte overgegaan.

G.

Het voorgaande leidt het hof tot de conclusie dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.

Aldus gewezen door

mr. E.F.G.M. Gelderman, voorzitter,

mr. N.J.L.M. Tuijn en mr. J. Buhrs-Platschorre,

in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden, griffier,

en op 7 juli 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.